ORADOUR
10 juni 1944. Een groepje SS-ers voert een vergeldingsactie
uit. De volledige bevolking van het willekeurig gekozen stadje
Oradour-sur-Glane, nabij Limoges, wordt bijeengedreven en afgemaakt: 642
kinderen, vrouwen en mannen. Alle huizen worden vernield.
Na de bevrijding beslist de Franse overheid de ruïnes te
bewaren, als blijvende herinnering. Oradour-sur-Glane herrijst, maar dan wel
wat verderop. Het op de tekentafel uitgedachte stratenplan en de uniforme
grijze bebouwing doen Oost-Europees aan; de organisch gegroeide en gepatineerde
levendigheid van het oorspronkelijke stadje bestaat alleen nog op zwart-witfoto’s.
Je vindt ze in de publicaties, die aan de ingang van de site martyre te koop worden aangeboden.
Twee werelden. Maar in de dood zijn allen gelijk: de
begraafplaats is nog gemeenschappelijk. Nieuwe aflijvigen vinden er een plek
tussen die van 1944 en daarvoor.
De opschriften op de oorlogsgraven getuigen van een moeizaam
verwerkingsproces. Vlak na de gruwel was de tijd nog niet rijp voor berusting.
Met onverbiddelijke duurzaamheid werd ettelijke keren in steen uitgekapt: ‘afgeslacht
door de Duitsers’, ‘gemarteld door de nazi-horden’, ‘vermoord door de
nazi-barbaren’. Zelfs het woord ‘boche’ (mof) staat hier en daar gebeiteld.
Franse krijgsgevangenen lieten na hun terugkeer uit Oranienburg
in Oradour een mildere boodschap achter. Alle woorden schieten tekort, maar hun
gedenkplaat met ‘ni haine ni oubli’ heeft het best de tand des tijds doorstaan.
Verschenen in De
Standaard van 30 november 1995