maandag 1 maart 2021

op naar de zestig 134


Gummibeertjes van Haribo. Redelijk smaakloos eigenlijk, en elastisch. Ze vallen door toedoen van kauwbewegingen en speekselinwerking uiteen. En uiteindelijk slik je de snoepbrokjes door, waarna ze in het verteringsstelsel worden opgenomen. Er zijn verschillende kleurtjes voorradig, al dan niet vervaardigd met oorbare substanties. Infiem is de vondst die ik doe op het trottoir. Daarachter gaat misschien, in verhouding, een immens kinderverdriet schuil. Zo naar verlangd, zo rap verloren. En dan spreken we nog niet van de slavenarbeid bij de productie van de carnaubawas (voor de glans en tegen het plakken) en het leed van de varkens die de gelatine leveren.

210222

op naar de zestig 133


Alle artefacten, alles wat door de mens is gemaakt: het is ontworpen. Iemand heeft het bedacht. Iemand is ervoor aan de tekentafel gaan zitten. Dat dit niet altijd goed uitvalt, valt op wanneer twee gelijkaardige objecten elkaar treffen en een vergelijking onvermijdelijk wordt. Ooit, zo dacht ik toen ik het fietspictogram op de ruit van de NMBS-fietswagon grondig bestudeerde, daartoe aangezet door de aanwezigheid van een toch wel fraai en sierlijk vehikel – ooit heeft iemand ook dit ontworpen. Maar of het nu de daartoe aangestelde designer was, dan wel zijn of haar vierjarige peuter: dat werd mij niet meteen duidelijk.

210221

6021

Brugge, station - 201112

 

zondag 28 februari 2021

op naar de zestig 132


Bedelaars en daklozen confronteren. Ze zijn ongemakkelijk. Moet je geven, of niet? De ongelijkheid is manifest, en ze is te groot. Dat besef je. Het is niet juist, zoals de zaken zijn. Maar wat kun je doen? Je kunt toch niet aan alle bedelaars iets geven, aan alle straatslapers een bed en een dak verschaffen? Je kunt het hun niet kwalijk nemen dat ze hun plaats strategisch kiezen. Waar is het ongemak het grootst? Juist, bij een geldautomaat. Terwijl je er bankbiljetten uit de muur trekt om wat verderop een take away te scoren, word je met een schuldgevoel opgezadeld.

210220

parallel 167

Ik had een afkeer van de dunne en uitpuilende kunststof, van de kleur grijs met rood en vooral van de alleen aan mij bekende ordening van spullen in de tas.

Oek de Jong, Een man die in de toekomst springt, 115-116

 

ǁ

 

Het is een rode hatchback met onderaan een grijze band en spaakwielen en twee verchroomde uitlaatpijpen.

Peter Terrin, Al het blauw, 18

wolken 4021-4024

wolkenfragmenten uit Peter Terrin, Al het blauw

4021

Hij herinnert zich dat het ’s morgens geregend heeft, er liggen grote plassen met witte wolken in. (39)

4022

Hij luistert naar zijn moeder en kijkt naar de twee schilderijen aan de muur, die de opgefriste woonkamer toch weer antiek maken. Het grootste toont een leeg, rotsig, voorwereldlijk landschap onder een drukke wolkenhemel, het kleinste is een sentimenteel portret van een oude, wit bebaarde schaapherder met een slappe pet schuin op zijn hoofd. (175)

4023

Eerst nog denkt Simon dat Pieter, terwijl hij in zijn richting staart, aan iets terugdenkt. Aan de dag die voorbij is, aan wat er is gebeurd, aan de foto’s die ze op het keienstrand hebben genomen, die zonsondergang, en dat ene verdwaalde wolkje aan de hemel, paars. (216)

4024

Ze kijkt uit het raam van de achtste verdieping, schapenwolkjes drijven laag voorbij en werpen een koude schaduw op het olijfgroene zeewater. (225)

Peter Terrin, Al het blauw

scherf 118

Twee auto’s botsen op de parking van de supermarkt tegen elkaar aan. Een stom accident, blikschade. Beide chauffeurs stappen uit, taxeren de schade, vullen wat papieren in en rijden vervolgens weg. De ene rijdt de weg links op, de andere rechts.

Met dat beeld vat Peter Terrin in het laatste hoofdstuk van zijn nieuwe roman Al het blauw zijn hele verhaal nog eens samen. Het verhaal van Al het blauw is een verhaal van liefde. Een poging tot, althans. Er zijn duizend varianten, zoals we allemaal weten, maar uiteindelijk kent de liefde maar één verhaal. Twee mensen botsen min of meer toevallig tegen elkaar aan en, ja, uiteindelijk verliezen ze elkaar. In het einde van hun liefde, in gewoonte en sleur, in de dood. (Ik weet het, er zouden naar verluidt gelukkige uitzonderingen bestaan.)

De ingrediënten van dit ene grote verhaal zijn ook gekend: aantrekking, verleiding, seks, twee verschillende achtergronden die met elkaar moeten verzoend worden, zorgen van materiële, financiële en praktische aard, rivaliteit, jaloezie, confrontatie, verveling. Kinderwens, bindingsangst.

De auteur brengt deze ingrediënten op smaak met tijdgeest en couleur locale. Ik bespaar u de details. Enkel dit. We schrijven 1988. Een en ander speelt zich af in de kantine van een zwembad. Er is iets met een schimmige financiële piramideconstructie, maar hoe dat precies in elkaar steekt, is mij niet duidelijk geworden.

Kan dit alles – ik trek het nu een beetje op flessen, dat weet ik wel – een goede roman opleveren? Jazeker. Maar is dat gegarandeerd? Geenszins.

Al het blauw is geen goede roman. Ik liet me aanvankelijk gewillig verleiden. Terrin vertelt meeslepend. Maar gaandeweg begon ik me te ergeren. Het lot van de personages gleed van me af. Onverschilligheid verdrong mijn nieuwsgierigheid. Ik vergat de nevenfiguren. Xavier, Marc, Pieter: geen idee wat ze hier komen doen en hoe het hun vergaat.

De oorzaak van deze afknapper is niet het verhaal, de spanningsboog, de afwikkeling. Dat is zoals het in duizend van die verhalen geregeld is: aantrekking, verleiding, enzovoort. Je weet hoe het gaat, maar daarvoor lees je dit soort boeken niet. Neen. Het is de manier waarop het verhaal verteld wordt.

Ik geef een voorbeeld.

‘De dag gloeit na op zijn huid, en als hij het dorp binnenrijdt is het of hij terugkomt uit het buitenland. Zijn vingers ruiken naar krab, zee en Carla, de subtiele nuances. Rocky ligt uitgeteld naast hem en wordt pas wakker als de motor stopt. Klaar om in het knisterende schuimbad te stappen, keert Simon zich naar de spiegel en sabbelt op zijn zilte vinger en sluit de ogen. Hij is weer in de duinen, de glans op de binnenkant van haar dijen. Met ingehouden adem en licht van de wijn komt hij in de wastafel.’ (197)

Rocky is een hond. De motor valt niet stil maar stopt. Aanvankelijk vraag je je af of er niet een verwarring is in de beschrijving van het badkamermeubilair, tot je beseft dat je een elliptisch beschreven masturbatiescène hebt gelezen. Ach ja, zo zit dat: Simon denkt, vooraleer in het ‘knisterende schuimbad’ te stappen, terug aan een opwindende dag aan zee met Carla en ‘komt’ in de wastafel. Ik word er warm noch koud van, ik erger mij aan de slordige schriftuur.

Dit is stug proza. Een van de oorzaken van deze stugheid is het koppige vasthouden aan de tegenwoordige tijd. Of de gebeurtenissen zich nu in het heden afspelen of in het verleden: tegenwoordige tijd. Alles door elkaar. Dat kan natuurlijk, maar je moet er wel je aandacht bijhouden.

‘Toentertijd heeft geen van hen oog voor Kathleen, de leuke meisjes doen economie en talen.’ (35)

‘Twee jaar geleden raken ze aan de praat, in zijn studio, bij het nemen van pasfoto’s die Simon nodig heeft voor zijn rijbewijs.’ (104; tiens, had je in die tijd voor een rijbewijs meer dan één pasfoto nodig?)

Terrin hakt de chronologie in stukjes, gooit deze in de lucht, en raapt ze weer bij elkaar zonder al te veel op de volgorde te letten:

‘Het laat hem niet los. John leunt met zijn voorarmen op het brede stuur, het is midden in de nacht, de snelweg schuift kaarsrecht onder zijn vrachtwagen door. Hij ziet het bloed met vertraging opwellen uit haar wenkbrauw, gelijkmatig vloeit het langs haar oog en wang naar haar hals. Hij ziet dat Carla het niet merkt, in haar blik zindert de klap na. Ze staan in de keuken. John neemt een schone theedoek uit de kast en zegt, kom, je bloedt. Hij draait het gas onder de pannen uit en neemt de autosleutels.’ (131)

Die techniek verlevendigt het verhaal, zou je kunnen zeggen – maar ze werkt op den duur aardig op de zenuwen. Toch op de mijne.

Neen, Al het blauw heeft mij niet kunnen bekoren en Peter Terrin ‘behoort’ wat mij betreft met deze roman niet ‘tot het handvol écht interessante Nederlandstalige schrijvers’, zoals een quote uit het NRC Handelsblad op het achterplat pontificaal beweert.

 

Peter Terrin, Al het blauw (2021)

6020

210220

 

zaterdag 27 februari 2021

op naar de zestig 131

 

Dat waren nog eens tijden! Rood licht of brug open? Laat maar stationair pruttelen die handel en ondertussen draaien we onze ruit open om de inhoud van onze volle asbak op straat te kieperen. Daar kraaide geen haan naar! Nu, met die nieuwe technologie en zo, waarbij alles zo ingewikkeld is dat er om de haverklap een draad verkeerd zit of iets elektronisch in de soep sukkelt, en met die fiscale regelingen die bepalen wanneer je auto afgeschreven is ook al scheelt er niets aan, moet je bij wijze van spreken een nieuwe auto kopen als je asbak vol is.

210219

21.1 * 36,4 * 24,8 * 36,4

 Nieuwege - Plassendale - Stalhille - Houtave - Meetkerke

op naar de zestig 130


Fotograferen is leuk! Net als de man met de rode tas heb je natuurlijk ook die oneigentijdse rooie sjaal rond de nek van het standbeeld opgemerkt. Je ziet de man denken: ‘Daar ga ik een mooie foto van maken.’ Dan moet je vlug handelen want je hebt net dat ietsje méér gezien. Jouw onderwerp is niet het roodgesjarelde standbeeld maar wel het kleurrijm van de sjaal en de tas van de man die positie kiest, voor de beste invalshoek en kadrering en zo. Dat heb je goed gezien! Of toch niet helemaal? Want thuis zie je nog een derde laag.

210218