zondag 23 januari 2022

notitie 94

MIJN PARIJS

Ik heb de voorbije dagen verslag gedaan van een recente doortocht in Parijs. Deze nieuwe indrukken hebben zich gevoegd bij de verzameling herinneringen aan de vorige – wat is het? – dertig of veertig keer dat ik een bezoek heb gebracht aan de stad die ik, mijn eigen woonplaats niet te na gesproken, waarschijnlijk het beste ken van alle steden waar ik ooit al langer dan een dag heb verbleven. En dat zijn er, welbeschouwd, echt niet veel.

Ik ken Parijs redelijk goed. Ik ken er mijn weg, ik heb er veel van de bezienswaardigheden gezien. Ik ben er ook al een paar keer, zonder vooropgesteld doel, kriskras doorheen gelopen. Ik ben er met verschillende mensen geweest, van beiderlei kunne, en die hebben mij ook met hun ogen naar die stad doen kijken. En ik heb natuurlijk Parijs ook leren kennen via het werk van schrijvers, schilders en regisseurs.

Iedereen die een stad goed kent, of goed meent te kennen, draagt in zich een eigen versie. De unieke set aan met die stad verbonden herinneringen en opgeslagen beelden maakt dat elk zijn eigen Parijs heeft. Mijn Parijs is – ik doe een greep in de grabbelton en gooi de snippers op het tafelblad: mijn eerste overnachting in Parijs, in het schamele Hôtel du Caire in de rue du Caire, en dat we daar onze stinksokken buiten het raam hingen dat uitgaf op zo’n groezelige onoverdekte binnenplaats; de impressionisten in de Jeu de Paumes, voor hun verhuizing naar het Musée d’Orsay; de liedjes van Zaaz, Juliette Gréco en Samantha: ‘Nachten van Parijs, olala’; de keer dat we met een stuk of zes een verkeerd voor onze autobus geparkeerde Fiat 500 optilden en enkele meter verderop terug neerzetten zodat we konden vertrekken; le Pont d’Alma waar ik niet kan voorbijkomen zonder aan prinses Diana te denken; het Montmartre van Amélie Poulain; het rendez-vous met C. aan Beaubourg en dat ik mij daar niets meer van herinner; het Centre Pompidou en de tentoonstellingen die ik er zag (Magritte was er een van); de Notre-Dame voor de brand; de kasseien van de Place de la Concorde waar we in het busje van G. midden in de nacht op de terugweg van het zuiden overheen reden – in die tijd reed ik wel vaker dwars door Parijs in plaats van de Périphérique te nemen, gewoon omdat dat veel leuker was; de verblijven in Parijs met S. in het Hôtel de Roubaix; het interview met Michel Seuphor; de domme horde die in het Louvre naar dat ene schilderij stroomt; de wandeling met K. langs de 9 kilometer lange as tussen het Louvre en la Grande Arche de la Défense; de bizarre aantrekkingskracht die uitgaat van de Père Lachaise-begraafplaats; het parc des Buttes-Chaumont en La Villette; de aan Rodin en Picasso gewijde musea; de zeer grote bibliotheek van Mitterand en de schampere bedenkingen die W.G. Sebald daaraan wijdt in Austerlitz; de ingewikkelde kluwens van alles wat onder de grond steekt, van riolen over in onbruik geraakt buizenpoststelsels tot de pijpen van metro en RER; de bruggen en sluizen van het Canal Saint-Martin; de louche exotiek van de marché aux puces van Saint-Ouen; een jong meisje en crise op een breed trottoir van een boulevard in het chique 1ère arrondissement; de boeken van Sante en Min; de tippelaarsters in de rue Saint-Denis toen ze daar nog niet waren verdreven; mijn zoektocht naar de buste van Georges Brassens in het naar hem genoemde park; de treurige Senegalezen met hun belachelijke lichtende Eiffeltorentjes; de absurde grandeur van het graf van Napoleon en de panthéonisés in het Panthéon; de kleinsteedse gezelligheid van de Marais; de aankomst van de Tour van 1988 op de Champs-Elysées met Eddy Planckaert in de groene trui; de eerste schoolreis met mijnheer Ollevier die ons meenam naar een toneelstuk waarin een naakte koning in een kooi werd rondgedragen – dat was de eerste keer dat ik een naakte man zag; de naakte man die ik om zes uur ’s morgens op de boulevard Haussmann zag zwalpen… – Enzovoort. En al die herinneringen en beelden samen roepen mij telkens weer, en steeds luider: ‘Kom terug, er is nog zoveel dat je nodig hebt om je beeld, om het beeld van jouw Parijs te vervolledigen!’

In Gare du Nord, over de aanwezigheid van Nederlandse en Vlaamse kunstenaars in Parijs tussen 1850 en 1950, citeert Eric Min – gedeeltelijk het citaat vertalend – een van de eerste indrukken van de Belgische schilder Jules Schmalzigaug. Hij is overweldigd: ‘Hier tekent zich alles veel grootser af, er is meer beweging, de afstanden zijn groter. On voit des tableaux tout autour de soi. Hier proef je het leven, hier is alles en iedereen voortdurend wakker.’

Eric Min, Gare du Nord, 2021.
W.G. Sebald, Austerlitz, vertaling (2003) uit het Duits door Ria van Hengel van Austerlitz (2001)

6349

Brugge, De Tank - 211127

 

zaterdag 22 januari 2022

parallel 183

Zo werd hij de eerste mens ooit die de barrière van het Amerikaanse continent slechtte en dus om de aardbol heen voer, waarmee hij aantoonde dat de aarde inderdaad rond was (dat wisten ze destijds al wel, maar niemand had het nog zelf ervaren.)

Alessandro Baricco, Een bepaald idee van de wereld, 71


ǁ


On avait l’impression que rien ne serait en mesure de l’arrêter, qu’il ferait le tour de la terre pour revenir un jour chez nous.

Olga Tokarczuk, Récits ultimes, 231

wolken 4475-4476

wolkenfragmenten uit Olga Tokarczuk, Récits ultimes

4475

Le ciel est plombé, et les nuages si bas qu’il est impossible que quelqu’un me voie du village. (211)

4476

Ce soir-là, pour la première fois depuis bien longtemps, des nuages apparurent dans le ciel, collés sur l’horizon comme des petits bouts de coton sales. Encore bien à l’écart de leur île. A la tombée du jour, le soleil plongea dans ces nuées, les embrasant de teintes fantastiques passant du rose au vert vif, puis au violet. (332)

driekleur 481

Les ténèbres d’un noir d’encre, propres aux nuits tropicales, étaient constellées des taches rouge et jaune des nombreux lampions en papier accrochés sous l’auvent.

Olga Tokarczuk, Récits ultimes, 260

driekleur 480

(…) les couleurs échangent entres elles leurs subtiles nuances, le rouge prend un peu au jaune, ce qui donne une prodigieuse gamme d’oranges. Et, l’année d’après, je retourne voir les voisines, histoire de faire de nouveau du troc. J’ai comme ça des fleurs orange vif et d’autres violet foncé, presque noires.

Olga Tokarczuk, Récits ultimes, 149

 

notitie 93

FLINKE DEUK

Neen, de foto hieronder is niet het resultaat van een opdracht ‘Breng het neokolonialisme in beeld zonder gebruikmaking van rekwisieten uit het Afrikamuseum van Tervuren’ maar een opname door een onbekende fotograaf (© rr) in Dakar (Senegal). We zien een blanke clubbaas, een eveneens blanke voetbalmakelaar, een jonge zwarte man die een contract ondertekent en een oudere zwarte man met een hoedje die iets aan bedisselen is op zijn smartphone. De positionele verdeling van blank en zwart – pardon: wit en van kleur – op de foto drukt op zich al een bepaalde hiërarchie uit, natuurlijk, en alsof die nog niet duidelijk genoeg was, is er nog de paternalistische hand op de schouder waarbij ik mij afvraag: als je ziet dat er op dat ogenblik een foto wordt gemaakt, besef je dan niet welke interpretaties dergelijke pose kan uitlokken?

 

Maar goed, de vier mannen zien er allemaal erg gelukkig en voldaan uit – waar maak ik mij druk over?

De foto komt uit De Standaard Online en staat daar bij een artikel over nieuwe onthullingen in het recent tot volle uitbarsting gekomen voetbalschandaal. Op de details van de malversaties ga ik niet in – daar is de krant voor en eerlijk gezegd, het interesseert me niet. Wat me wel interesseert, is dat het spelletje, waar ik ook een tijd erg van gehouden heb, door en door verrot is en dat ik niet begrijp dat er nog steeds zoveel aandacht aan wordt besteed door de openbare omroep. Wat de kranten en de commerciële media doen, daar heb ik geen zaken mee. Maar dat de openbare omroep – waar ik via de belastingen medefinancier van ben – quasi elke avond en grote delen van het weekend vele uren aan voetbal besteed, daar mag ik wel iets over zeggen. Er is tegenwoordig, naast de Europese bekerwedstrijden en het voetbal voor landenelftallen, competitievoetbal op dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag en zondag. Wij worden live op de hoogte gehouden van voetbalmatchen als, met alle respect, Seraing-Zulte Waregem en Beerschot-Bommerskonten. Als ik op zo’n moment de radio aanzet, duurt het soms minuten lang vooraleer ik te weten kom over welke match het gaat want eerlijk gezegd, ik kén al die exotische namen niet wanneer uitvoerig wordt toegelicht hoe speler X de bal naar speler Y probeert te passen maar die actie helaas niet tot een goed einde weet te brengen omdat speler Z, van de andere ploeg dus blijkbaar, er met een voet tussen zit. Sommigen zullen dit van staatsbelang vinden, maar ik moet toch denken aan de talrijke jazz-, folk-, hoorspel- en, voor mijn part, Muziek in de Kosmos-liefhebbers die nu veel te vaak niet aan hun trekken komen en zich geërgerd van het medium afwenden. En alsof dat nog niet genoeg is, hebben we natuurlijk de talrijke nakaartprogramma’s, van het type De Tribune en Extra-Time, waar een setje mannen, vaak dezelfde, een forum krijgen waar de gemiddelde cultuurproducent alleen maar van kan dromen, om onverholen toogpraat over deze of gene wereldgoal of scheidsrechterlijke dwaling wereldkundig te maken.

Het wordt tijd dat hieraan paal en perk wordt gesteld want je moet al ziende blind zijn om nog niet tot het besef te zijn gekomen dat het voetbal, zoals we het nu kennen, een door en door criminele activiteit is, met vervalsing, witwaspraktijken, mensenhandel (om niet te zeggen slavenhandel), een totaal gebrek aan elementaire ethiek en clubloyaliteit, corruptie, exorbitante salarissen en commissies, misbruik van overheidssteun en, alles bij elkaar, een stuitende minachting voor het domme publiek dat altijd wel naar het spelletje zal komen kijken omdat het nu eenmaal een uitlaatklep nodig heeft. Om het nog niet te hebben over de regelrechte steun aan autoritaire regimes en het WK straks in Qatar, waar al tientallen slaven zijn omgekomen bij de bouw van stadions die een paar keer zullen gebruikt worden, om dan hooguit nog als kamelenstal te dienen. (Ik vat het wat kort door de bocht samen en trek het op flessen, maar daar komt het in grote lijnen op neer.)

Ik mag nog altijd graag naar een spannende interland kijken, maar ik kan het niet meer met mijn geweten in overeenstemming brengen om kritiekloos te supporteren voor welke ploeg dan ook, ook niet voor de club waarvoor ik mijn hele leven heb gesupporterd, nu ook haar bazen in opspraak zijn gekomen (alsof ik niet al veel langer aan mijn theewater kon voelen dat er ook bij hen stront aan de knikker zat).

Om maar te zeggen: mijn belangstelling voor voetbal heeft een flinke deuk gekregen.