zondag 20 oktober 2019

LVO 37



‘Is dat alles wat je over je grootouders weet? Waarom probeer je niet méér te weten te komen? Waarom ga je niet achter die stamboom aan? Waarom probeer je niet al die namen en data te achterhalen, waar die mensen vandaan kwamen en wat ze hebben gedaan om zich door het leven te slaan? Hoe ze aan hun einde zijn gekomen?’

Ik weet dat die mogelijkheid bestaat, meer nog, ik weet dat een van mijn neven zich daarmee heeft beziggehouden. (Ik weet niet tot hoe ver terug in de tijd zijn opzoekingen hem hebben gevoerd.) Maar daar is het mij niet om te doen – wat mij interesseert, is de werkelijkheid, en die is nu eenmaal dat ik al deze zaken niet weet, dat er in mijn familie hoegenaamd niet van enige continuïteit sprake is. Dat ik een in hoge mate verleden- en verhalenloos wezen ben. En dat die discontinuïteit, die zich in het verleden heeft voorgedaan, zich atavistisch lijkt door te zetten in het heden. Dát is inderdaad de enige continuïteit in mijn familiaal bestaan, zo lijkt het wel: dat er geen continuïteit is, dat het een aaneenschakeling is van mislukkingen en breuken, halfafgewerkte pogingen, onvoldragen projecten.

Uiteraard draag ik van mijn voorouders en voorgeschiedenis de sporen in mij, maar het feit dat die sporen voor mij niet of nauwelijks traceerbaar zijn, heeft natuurlijk ook een spoor in mij getrokken, een negatief spoor, een spoor dat bestaat uit het besef dat ik als het ware uit het niets, of toch bijna niets, lijk te zijn voortgekomen en in die zin mij al aardig voorbereid weet op het niets waarin ik uiteindelijk zal verdwijnen. Mijn identiteit is vooral gevormd door het feit dat de band met mijn grootouders, en later mijn ouders, is doorgeknipt. Het omgekeerde beweren, en zoeken naar alle mogelijke vormen van beïnvloeding, dát zou pas een krampachtige fictionalisering zijn, het gevolg van een romantiserend hengelen naar ongebroken volledigheid, ja zelfs naar herstel.

En ik moet daarbij niet alleen aan mezelf denken. Niet alleen ik ben van mijn voorgeschiedenis afgesneden, hetzelfde geldt voor mijn kinderen – misschien zelfs nog meer. Dat besef speelt bij dit schrijven een grote rol. Misschien wil ik hun op deze manier, door hier de geschiedenis van mijn geschiedenisloosheid te onderzoeken, alsnog een soort van verbondenheid doorgeven. Opdat zij iets minder negatief of onverschillig of onwetend tegen het verleden zouden aankijken dan zij nu lijken te doen. Want dat geloof ik wél, om de een of andere, onnaspeurbare en nauwelijks te verantwoorden manier: dat een positieve verhouding ten aanzien van de persoonlijke geschiedenis gezond is.


(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin

5522

Brugge, Karel de Stoutelaan - 150625

zaterdag 19 oktober 2019

LVO 36



Ik heb ongeveer alles verteld wat ik over mijn grootouders aan vaders kant weet. Veel is het niet, ik weet het. Het is wat het is.

Wat is nu het erfelijk materiaal dat deze mensen aan mij hebben doorgegeven? Als het waar is wat ik vaak hoor, dat eigenschappen bij het zich overzetten een generatie overslaan, dan moet ik van hen toch veel hebben meegekregen en in mij opgeslagen. En, ja, op mijn beurt heb ik sporen daarvan opnieuw aan mijn nageslacht doorgegeven.

Mijn grootvader, Jules Cornet, was een beginselvaste en strenge man, die toch niet in die mate stug was dat hij vond dat hij te allen tijde onverbiddelijk moest zijn. Een beetje wereldvreemd stel ik hem mij voor, en wellicht ook tamelijk eenzaam. Zijn taal, de belangrijke functie die hij als inwijkeling op zich had geladen en de rol die hij in die hoedanigheid tijdens de oorlog had gespeeld, hebben misschien tot die door mij veronderstelde eenzaamheid bijgedragen. Hij was zwaargebouwd, op het corpulente af. Met zijn borstelwenkbrauwen en zware brilmontuur boezemde hij het kind dat ik was ontzag in. Afgezien van dat laatste ontwaar ik veel van hem in mijzelf – al heb ik toch ook al moeten ervaren dat sommige mensen schrik hebben van mij. Volkomen ten onrechte, uiteraard.

Mijn vaders moeder, Hélène Salmon, was naar verluidt – ik heb het slechts uit tweede hand, en dan vooral van mijn moeder, die zich door haar, zacht gezegd, niet graag gezien voelde – een weinig sympathieke vrouw: onverzettelijk schrok ze er niet voor terug haar eigen kind, mijn vader, samen met diens kinderen, haar kleinkinderen dus, uit haar leefwereld te verjagen. Ik denk niet dat ik in staat ben om medemensen op zo’n drastische wijze uit mijn leven te bannen, maar als er een breuk is, heb ik toch ook de neiging om te berusten in de onherstelbaarheid ervan. Of ik moet het misschien anders zeggen: ik munt niet bepaald uit in het herstellen van breuken en in het verzoenen. Daarin, denk ik (want de herinnering die ik aan mijn grootmoeder bewaar is bepaald niet levendig), gelijk ik misschien op haar. Daarnaast zal ik ook wel iets van de didactische aanleg hebben geërfd die zij als onderwijzeres moet hebben gehad.

(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin

5521

Oudenburg - 190623

vrijdag 18 oktober 2019

LVO 35



Ik weet niet meer of ik veel geld heb verdiend met het vliegen uitschakelen in de keuken van mijn vlaaienbakkende grootmoeder. Het zal mij waarschijnlijk rap verveeld hebben, ben ik nu geneigd te denken want het leven heeft mij geleerd hoe ik met onrendabele karweien moet omgaan: ik probeer ze te vermijden. Het zou hoe dan ook een eeuwigheid duren vooraleer ik met een stukvergoeding van een kwartje een vliegenvangersimperium zou hebben uitgebouwd. Het moet zijn dat ik toen al besefte dat de eeuwigheid mij niet ter beschikking stond.

Uitweiding! Eenzelfde berekening lag aan de basis van mijn beslissing om al vlug mijn loopbaan als krantenventer te beëindigen. Ik wist toen nog niet dat er vanuit Amerika een mythe was overgewaaid die ons de te allen tijde realiseerbare mogelijkheid voorspiegelde dat je het ook vanuit de meest onfortuinlijke uitgangspositie, zoals krantenleurder er vast en zeker een was, altijd tot magnaat kon schoppen. Wie weet wat ik zou geworden zijn als ik daar wél rekening mee zou hebben gehouden.

Het zal wel op toeval hebben berust dat elk verkocht Volkske precies evenveel opbracht als mijn grootmoeder uitloofde per gevangen of gedode vlieg: 25 centiemen. Bijna niets, dus. Als je het omrekent naar euro, blijkt het nog minder dan 1 eurocent te zijn, te weinig dus om in klinkende munt te worden uitbetaald. En daarvoor moest je als minderjarige lijf en leden riskeren en je longen vol fijnstof pompen (maar dat was toen nog niet bekend) door je met een oranje schoudertas vol krantjes in het verkeer te begeven: de meest lucratieve verkoopsplekken waren de drukste kruispunten met verkeerslichten waar nu eens komende vanuit deze, dan weer vanuit de andere richting een rij auto's lang genoeg moest wachten opdat hun bestuurders de tijd vonden om een kwartje op te diepen teneinde hun nieuwsgierigheid naar de nog maar net gereden rit in de Ronde van Frankrijk te stillen.

Het is nu nauwelijks nog te bevatten, maar in die tijd, vroege jaren zeventig, verscheen een uur of twee na de aankomst van de dagelijkse Touretappe een extra editie van Het Volk. Met een verslag van de rit, een terugblik op de vorige en een vooruitblik op de volgende, een Belg in de kijker en wellicht ook nog wel een interviewtje met een sportdirecteur, en met – niet onbelangrijk! – een tekening rond stripwielrenner Thomas Pips waarop, in de achtergrond, ergens tussen de zeer gedetailleerd getekende boomkruinen of struikgewassen of supporters langs de weg een piepkleine muis zich schuilhield. Het kwam er op aan die muis zo snel mogelijk te vinden.

Vergeet niet, we schrijven begin de jaren zeventig van de vorige eeuw. Hoe traag verliep in die tijd de tijd! En hoe traag sijpelde de informatie door. En hoe weinig was er daarvan niet, dat zo'n hele organisatie om zo'n krant van vier bladzijden te maken en op tijd gedistribueerd te krijgen met behulp van erg jonge onderbetaalde kinderen, nog lucratief kon zijn.

Na een uur of twee zo goed als vruchteloos leuren, ik denk dat ik twee krantjes heb verkocht, leverde ik mijn oranje schoudertas in en kwam er een einde aan mijn eerste journalistieke avontuur. Veel later zou er een tweede volgen. Einde parenthese.


(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin