zondag 18 oktober 2026

facebookbericht 1255

De brand van de Reichstag in 1933 kwam de nazi's ook bijzonder goed uit, nietwaar?

Als je de getuigenverslagen beluistert, starten alle manifestaties vreedzaam en zijn het meestal de flikken die het geweld starten. Kijk naar wat er ook in Antwerpen gebeurt, waar gemaskerde hooliganflikken vreedzame manifestanten met geweld wegvoeren. Dat is tactiek. Dat is de macht in actie. En de casseurs doen de rest.

In het interview (achter de link) komen onder meer ook de cijfers aan bod. Er zijn al achtduizend jongeren, vaak minderjarigen, opgepakt. Dat is al veel meer dan in heel mei 68 samen. Nochtans werden er toen ook vernielingen aangericht. Het is duidelijk dat er nu veel meer repressie is. En die repressie is georkestreerd.

Ik herhaal: een stadhuis in brand steken is niet oké. Geen enkele vernieling is oké. Maar het uitzichtloos maken van talloze levens (huurprijzen, werkgelegenheid, klimaat, buitensporige ongelijkheid, misdadige buitenlandpolitiek...) is ook niet oké. De jongeren hebben redenen om boos te zijn. Ik geef ze geen ongelijk. Ik hoop dat ze de brug slaan naar de gele hesjes en dat de machthebbers, in plaats van het politionele geweld in te zetten om hun eigen onmacht te verhullen, met een beter toekomstperspectief op de proppen komen.

*

En toch, Tijs, vind ik dat je achter die criminele brandstichting en alle andere vernielingen de oprechtheid en terechtheid van het protest van die toekomstloze generatie moet kunnen blijven zien. Blijf vooral het onderscheid maken tussen protesterende jongeren en casseurs. En vergeet ook niet dat het meestal de flikken zijn, blijkens vele getuigenverslagen, die het geweld aanstoken. (Cfr. Antwerpen.) En dat als zij geweld plegen het tegen mensen gericht is, wat je niet kunt zeggen van stoute kinderen die een vuilnisbak of trottinette in brand steken.

(Overigens, de brand van de Reichstag in 1933 kwam de nazi's ook goed uit - voeg ik er dan maar met enige zin voor provocatie aan toe.) 

vorig jaar 478

16 oktober 2025

(…)

*

(…) de documentaire The Settlers van Paul Theroux over de joodse kolonisten in Palestina. Het ondertussen gekende verhaal. Het fanatisme versus de machteloze lijdzaamheid. (…)


17 oktober 2025

(…)

*

Een groot deel van mijn voormiddag gaat op aan het lezen van de nieuwe, alweer zeer uitvoerige, aflevering van A’s lectuurverslag van mijn Het maaiveld, en aan het schrijven van mijn antwoord daarop. A heeft het vooral over geloof. En hij vergelijkt mijn schrijven met dat van Erwin Mortier, godbetert want een compliment vind ik dat niet!

*

X vertelt over een reis die hij lang voor de Val van de Muur maakte naar Praag, hoe hij daar in penibele omstandigheden moest overnachten in de wapenzaal van een kasteel. Toen hij er vele jaren later terug aanbelandde, had het kasteel zijn functie van jeugdhotel verloren en was de wapenzaal opnieuw een verzamelplaats van harnassen en hellebaarden geworden. ‘Die waren er niet toen ik er verbleef. Althans, ik kan het mij nu niet herinneren.’ Wanneer S erbij komt zitten, worden er herinneringen aan Godfried Bomans bovengehaald. Hoe zij en haar vriendin A in hun conversaties diens gezwollen-archaïserende spreektrant imiteerden.

*

De tweede aflevering van Elixir is, zo mogelijk, nog teleurstellender dan de eerste. Ik denk niet dat ik deze serie nog meer tijd zal gunnen. De film Ex Machina is zo mogelijk nog meer bij het haar getrokken. (…)


18 oktober 2025

Een bewogen dag. (…)


8081 / mirage

Selfie - 260816

 

zaterdag 17 oktober 2026

boekverhaal 83

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.

augustus 1995

Lieven De Cauter, Archeologie van de kick (1995)


De lakse jaren negentig

Ik zit al enige tijd te broeden op wat ik over de essaybundel Archeologie van de kick van Lieven De Cauter zou kunnen schrijven. In het pas uitgebrachte autobiografische Dorre bladeren van Harold Polis vind ik een onverwachte aanvulling op het uitgangspunt dat ik aanvankelijk voor ogen hield (en waar ik straks op terugkom). Polis heeft het over ‘de lakse jaren negentig’. Het gaat mij uiteraard om dat adjectief. Het houdt een kwalificatie in, een veroordeling zelfs.

Het niet zo vaak gebezigde woord ‘laks’ betekent – bedenk ik voor de vuist weg, ik bedoel zonder woordenboek te raadplegen –: op een misplaatste manier onbekommerd, onvoldoende bedachtzaam met betrekking tot wat komen gaat, gemakzuchtig, achteroverleunend.

Ja, Polis beroert daarmee wel een gevoelige snaar.

Want de jaren negentig, was dat niet dat nog onbezorgde, welvarende, na de Val van de Muur opgelucht ademhalende en zich aan het eindpunt van de geschiedenis gekomen wanende decennium, ergens halverwege het aller Werten umwertende rumoer van de jaren zestig en de quasi veralgemeende paniek waarin we ons nu bevinden? De economie boomde, milieuproblematiek en klimaatverandering waren nog niet ten volle tot het collectieve besef doorgedrongen, en we waren nog niet 24/7 wereldwijd met alles en iedereen geconnecteerd, zodat we ons nog konden koesteren aan parochiale warmte en vermeien met postmoderne spelletjes.

Het uitgangspunt dat ik aanvankelijk voor ogen had om iets over de voor mij ooit belangrijke essaybundel van Lieven De Cauter te schrijven, was niets minder dan de rol van de intellectueel in de toenmalige maatschappij, dat wil zeggen: die van de jaren negentig, in het West-Europese Vlaanderen. Ik was toen zelf een cultureel journalist – het ging dus om een onderwerp dat mij aanbelangde. Indien mogelijk diende ik daar verslag van uit te brengen. (Ik geef hier met opzet de voorkeur aan het werkwoord ‘dienen’ in plaats van ‘moeten’.)

Tussen 1990 en 1996 bekleedde ik functies waarin ik de mogelijkheid had om deze taak op een zinvolle manier in te vullen. De media, en al zeker deze waarvoor ik werkte (Kunst en Cultuur en De Standaard der Letteren), hadden zichzelf nog niet uitgeleverd aan de commercie – al kondigden de eerste voortekenen van die evolutie, die zich nu volledig heeft voltrokken, zich ook daar al aan.

Overambitieus was ik destijds zeker niet, maar een van de dromen die ik wél koesterde, was om aan de intellectuelen van dat moment een forum te bieden. Alleen, ik had geen al te uitgewerkt idee van wie daarvoor in aanmerking zou komen. Of juister geformuleerd: ik was toen te zeer onder de invloed van het op dat ogenblik dominante culturele klimaat en mijn horizon was bijgevolg te beperkt voor de taak die ik mezelf stelde.

Het beeld van de ‘intellectueel’ dat ik in die tijd had, was in grote mate gevormd door de tien afleveringen van het volgens De Morgen ‘slechtste televisieprogramma aller tijden’. Ja, ik heb het over Container. We schrijven 1989. Bart Verschaffel en, jawel, Lieven De Cauter babbelden er, zonder zich ook maar enigszins om kijkcijfers te bekreunen, over onderwerpen als – ik raadpleeg even Wikipedia – sentimentaliteit, waanzin en perfectie, art déco, Ernest Claes, het warenhuis, theatraliteit, Don Juan, roes en exotismen. Het ging niet meer over de existentiële vragen over zin en vrijheid noch over de emancipatorische kwesties die de jaren zestig hadden gedomineerd, en het ging nog niet over de opeenvolgende crisisissen die al ten overvloede het eerste kwart van de 21ste eeuw hebben geteisterd. Verschaffel en De Cauter brachten geen linkse analyses (en ook geen flinkse), maar leken zich vooral bezig te houden met veeleer vrijblijvende esthetische of esthetiserende onderwerpen. Op en top pomo, als het ware.

Het intrigeerde me. Niet dat ik veel van de Container-babbels opstak, maar ik keek vooral gefascineerd naar de middenvinger die de makers schijnbaar achteloos, maar in werkelijkheid veeleer argeloos, uitstaken naar de eisen van de markt die, zoals gezegd, toen het media- en dus ook het televisielandschap begonnen te domineren. Zeker door de komst van de VTM. Het programma Container werd vroeger dan gepland afgevoerd. Maar ik sympathiseerde met zijn makers.

Dat was de reden waarom ik in augustus 1995 Archeologie van de kick van Lieven De Cauter las en welwillend recenseerde. Ik was geenszins verbaasd er onderwerpen in behandeld te zien als wereldtentoonstellingen, toerisme, skiën, frivoliteit.

Nu echter, dertig jaar later, lijkt die esthetiserende en zelfs frivole blik mij verbazend lichtzinnig. Intellectuelen horen zich, me dunkt, te midden van de crisissen die wij nu beleven over de échte wereld uit te spreken en zich niet vooral bezig te houden met de deconstructie van voorbije zienswijzen en fenomenen. Ik verlang van hen dat zij kritisch naar de sociale en politieke en ecologische werkelijkheid kijken. Dat zij zichzelf losweken van de vrijblijvende theorietjes van Lyotard, Virilio, Vattimo, Benjamin e tutti quanti. De situatie is daar te ernstig voor, er is geen tijd meer voor spelletjes.

Niet dat de intellectuelen van de lakse jaren negentig hun nieuwe verantwoordelijkheid niet opnemen. Maar de portee die hun stem destijds had, of kon hebben, is aanzienlijk afgezwakt. Goed gedocumenteerd en zorgvuldig in hun redeneertrant als zij zijn, hebben ze veel plaats nodig – maar die vinden ze enkel nog – zolang daar nog voldoende subsidies voor zijn – in bijna obscure magazines als rekto:verso en De Witte Raaf of – zolang die door the powers that be niet juridisch zijn weggepest – op onafhankelijke nieuwssites als DeWereldMorgen of Apache. Ondertussen zijn de reguliere media in grote mate vercommercialiseerd – zo is er voor cultuur of een ernstig debat nauwelijks nog tijd en ruimte op radio of televisie, en is de laatste degelijke letterenbijlage al geruime tijd van de kaart geveegd. Het academische discours heeft zich al helemaal teruggetrokken in gespecialiseerde tijdschriften of internetsites die door niemand worden gelezen.

Bovendien hebben de sociale media hun vormvereisten aan het culturele en maatschappelijke debat opgelegd. Als de intellectuelen van de jaren negentig zich nog de moeite getroosten om een genuanceerde en gedocumenteerde kijk te brengen op de allang niet meer zo frivole kwesties die onze samenleving vandaag beroeren, dan moeten zij opboksen tegen de myriaden aan meningen die de digitale polarisatiemachines spuien. Het mag allemaal niet te veel plaats innemen – wie zijn tijd neemt om een argument uiteen te zetten vinden we al vlug pretentieus. Zeg nu zelf, wie leest er tegenwoordig nog teksten (zoals deze) die langer zijn dan vijfhonderd woorden – u scrollt toch ook, alvorens naar het volgende brokstuk van het uiteengespatte discours te zappen, eerst neerwaarts om te kijken hoeveel van uw kostbare tijd de auteur zich permitteert op te eisen? En zegt u dan ook niet bij uzelf: ik lees het later wel, waarna u dat uiteraard vergeet?

8080

M. - 260815


vrijdag 16 oktober 2026

8079

Thuis - 260814


donderdag 15 oktober 2026

vorig jaar 477 / getekend 537

15 oktober 2025

Parmantig loopt een gele kwikstaart op de rand van de nieuwe dakgoot van de achterburen. Nu ja, lopen is het niet, het is: trippelen. De lange staart wijst (kwikt) op en neer. Dan vliegt het vederlichte beestje op – een zomerse verschijning op deze grauwgrijze dag – en stuurt zichzelf achter de gerestaureerde schoorsteen om naar de nok. Daar loopt het even over, en verdwijnt dan achter het dak. Een verdwaalde trekker, die even rustte of op zoek was naar een slok. Ik zag hem, en was daar blij mee. Het vogeltje fleurde mijn dag op.

*

L stuurt me een filmpje met een interview op een of ander Amerikaans influencerkanaal over wat er nu van Hamas te verwachten valt: niet veel goeds. Een jonge, opvallend knappe vrouw ondervraagt aan haar kant van de wereld een zwaar bebaarde, somber ogende Palestijn. De vrouw is bijzonder diep gedecolleteerd. Het contrast tussen haar frivole outfit en de gravitas van het onderwerp doet pijn aan de ogen. Deze vrouw stelt vragen over een aan de gang zijnde genocide op een plek waar talloze lijken liggen te rotten onder het puin, maar schuift ondertussen haar ijdelheid niet aan de kant. Dit contrast choqueert, en ik wil dan ook het hele interview niet uitkijken.

*

Na een jaar lang elke dag een notitie te hebben gelezen, heb ik het dagboek Zestig van Ingrid Vander Veken uit. Ik denk niet dat veel ervan me zal bijblijven. Ik heb me herhaaldelijk afgevraagd hoe zij nu, zoveel jaar later, denkt over de publicatie van haar dagboek. ‘s Avonds lees ik de eerste helft van de bundel De iguanodons van Bernissart van Geert van Istendael en verbaas me over het zeer matige niveau van deze poëzie.

*

De eerste aflevering van de ambitieuze televisiereeks Elixir oogt vooral, euh, ambitieus. Ik kan de slaap niet vatten en maak, met stift, nog snel uit het hoofd een zelfportret.




8078

Watou - 260813


woensdag 14 oktober 2026

vorig jaar 476

14 oktober 2025

(…)

De Cassina-stoelen (acht exemplaren, met zadelleer overtrokken, ook de poten) waarop ik mijn zinnen had gezet, gaan op de online veiling bij Bonte meer dan het dubbele van wat ik er veil voor had. Ik zie ze dus aan mijn neus voorbijgaan. Jammer, maar tegelijk: ach, wat moet ik, die al acht stoelen bezit, zij het van minder allooi, met nog eens acht stoelen? Randbemerking: waar vroeger een fysieke veiling een sociaal gebeuren was, met een volle zaal, gierende zenuwen, spannende verwikkelingen en een theatraal afkloppende veilingmeester, is nu ook het online ‘bijwonen’ van een veiling alweer een voorbeeld van sociale en rituele verschraling als gevolg van de digitalisering.



*

(…)


8077

Watou - 260813 


dinsdag 13 oktober 2026

vorig jaar 475

13 oktober 2025

(…) We kiezen een fruits-de-merschotel: wulloks, kokkels, garnalen, scampi’s en voor elk een oester. De oester katapulteert me terug in de tijd, zoals iedere keer dat ik oesters eet, bijna nooit dus, wat het effect natuurlijk alleen maar versterkt. Ik bevind me weer in De Panne, die eerste keer dat ik daar, twintig jaar geleden, samen met S op bezoek ging bij haar moeder. We waren eerst nog een krat oesters gaan kopen in de GB, samen met een fles champagne. Nooit heeft iets, wat dan ook, me beter gesmaakt dan die oesters. Het was zelfs, denk ik, de eerste keer, ik was toen 44, dat ik oesters at (…).

*

(…)




8076

Watou - 260813


maandag 12 oktober 2026

vorig jaar 474

12 oktober 2025

Vandaag ben ik 64 jaar geleden geboren. (…)

*

In mijn laatste droom van deze nacht komt een man voor met een blauw hemd met daarop – ton sur ton – een blauwe das. Maar wie is het en wat komt hij daar doen? – dat ben ik vergeten. Laat staan dat ik weet wat dat blauw-op-blauw betekent. Zal ik een blauwtje oplopen?

*

Boeken die hier nog ongelezen staan en al vele jaren op mijn aandacht en tijd wachten, maar die nu door Geoff Dyer in De laatste dagen van George Federer (pp. 92 en 120) ten stelligste worden afgeraden: zes delen van de twaalfdelige cyclus A Dance to the Music of Time van Anthony Powell en Nostromo van Joseph Conrad. Van dat laatste boek herinnerde ik me zelfs niet dat ik het bezit.

*

Gisteren op mijn wandeling met S kwamen we K tegen. K heeft vele jaren bij Rombaux gewerkt. Hij moet, samen met X, in Brugge een van de meest onderlegde personen zijn als het om klassieke muziek gaat: hij weet enorm veel over componisten, partituren, opnames, uitvoerders, enzovoort. S en K hebben het over een gemeenschappelijke kennis die onlangs is opgenomen in een woonzorgcentrum. Waar? ‘Aan die grote laan die op de Ezelpoort uitkomt,’ zegt K. ‘Allez, hoe heet die straat ook alweer?’ ‘De Scheepsdalelaan,’ help ik. ‘Ja, de Scheepsdalelaan. Daar op de hoek, achter de GB.’ K bedoelt de Carrefour, die dertig of nog meer jaar geleden de GB heette. ‘In de Chopin.’ K bedoelt dat die verzorgingsinstelling ‘Chopin’ heet. Maar ik moet hem corrigeren. ‘Het is niet de Chopin, K, maar wel de Vivaldi!’ Hilariteit. ‘Ja,’ zegt S, ‘de Vivaldi, waar de mensen de herfst, of eigenlijk al de winter van hun leven doorbrengen…’

*

(…)



8075

Watou - 260813


zondag 11 oktober 2026

vorig jaar 473

11 oktober 2025

(…)

*

Pogačar wint nu ook de Ronde van Lombardije. En Evenepoel is opnieuw, en opnieuw op grote afstand, tweede. Het wordt eentonig. Hoe uitzonderlijk en opmerkelijk ook de prestatie, dit overwicht maakt de sport kapot. Gelukkig zijn er de mooie beelden: wat een prachtig landschap, daar in Noord-Italië. Daar wil ik toch graag eens naartoe.

*

Naar Sijsele voor de film No Other Land, door Palestijnen gemaakt. Beide regisseurs werden door Israël belaagd, een van hun medewerkers is zelfs gedood. Wat een schrijnend, pijnlijk, wreed beeld van dat nu al decennia aanslepende conflict. ‘Vorte klootzakken,’ is het eerste wat in me opkomt. Een ander woord heb ik niet voor die kolonisten. En ja, niet alle joden zijn klootzakken, maar alle klootzakken die zich inlaten met de landroof op de Westbank – waarover de film gaat – zijn wel joods. Het wordt niet bepaald gemakkelijker om niet antisemitisch te denken. Vandaag, overigens, treedt het zogenaamde vredesakkoord van Trump in werking. Iedereen die daar blij mee is, is blij met een dode mus want het is een lege doos. De tienduizenden gevluchte Gazanen keren terug naar hun in puin veranderde stad. Waar anders moeten ze heen? Ze hebben inderdaad ‘geen ander land’. Deze situatie doet me denken aan de bladzijden in Wolfstijd over de terugkeer kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog van de tienduizenden displaced persons naar, ja, naar wat eigenlijk. (…) Na de film text ik X dat ik wou dat ze er was, om onze onmacht, onze woede, ons verdriet te delen. X zegt dat we niet onmachtig zijn. Dat ik mijn stem en pen gebruik om over de Palestijnse kwestie te spreken. ‘En je doet dat goed. Het maakt verschil.’ Ja, denk ik, maar dan wel op zéér beperkte schaal. Wat haalt het uit? (…)


8074

Watou - 260813

zaterdag 10 oktober 2026

vorig jaar 472

10 oktober 2025

(…)

Op de veiling van Van de Wiele koop ik Cargo échoué à Zeebruges, olie op paneel, 56x45, van René de Pauw. Ik betaal er, inclusief kosten, 431 euro voor. De startprijs was 260 euro, maar er was iemand in de zaal die opbood. Dat René de Pauw het fresco in de inkomhal van het station van Brugge schilderde, lijkt me een garantie dat mijn schilderij niet in waarde zal dalen. Bij het afhalen maak ik een praatje met veilingmeester Marc Van de Wiele. Dat het mij toch opviel dat niemand nog belangstelling heeft voor bibliofiele uitgaven van Streuvels, Timmermans et tutti quanti… De verzamelaars van streuvelsiana en timmermansiana die ik destijds heb geïnterviewd voor De Standaard der Letteren draaien zich om in hun graf.

*

Harald Jähner, Wolfstijd, 49: de architect Otto Bartning waart kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog rond tussen de ruïnes van de verwoeste Duitse steden en vraagt zich af: ‘willen we de hele gruwelijk ontmaskerde machinerie van ons getechnologiseerde bestaan wel weer opnieuw in elkaar zetten met alle druk en haast, alle gedachteloosheid en demonie van dien? Neen, zegt onze innerlijke stem.’ Dat is precies dezelfde gedachte die velen hadden toen in 2020-2022 tijdens de coronalockdowns alles stilviel. We weten ondertussen hoe snel en als vanzelfsprekend de hectiek is teruggekeerd.

*

Prizzi’s Honor is zo’n trage film, met een zo ingewikkelde en ongeloofwaardige plot, dat ik al vlug mijn aandacht verlies en ondertussen met een half oog kan wachten tot dan eindelijk, op een ander scherm, in de match tussen België en Noord-Macedonië de eerste goal valt. Maar hij valt niet, het blijft 0-0. Jack Nicholson keert, na Kathleen Turner (die soms verbazingwekkend goed op David Bowie gelijkt) een mes door de keel te hebben gemikt, in de film van John Huston (1985) uiteindelijk terug naar zijn vrouw, die hij vier jaar eerder had verlaten.

8073

M. in Watou - 260813


vrijdag 9 oktober 2026

Lieven de Cauter, Archeologie van de kick

Stuurloos op de roetsjbaan

Lieven de Cauter over de ervaringswijze van na de grote verhalen


Deze recensie verscheen in De Standaard der Letteren van 24 augustus 1995




Lieven de Cauter brengt met Archeologie van de kick een interessante analyse van de moderne en postmoderne manieren waarop mensen zichzelf en de wereld ervaren. Het boek bestaat uit een verzameling essays over Leonardo da Vinci, de roes, art deco, wereldtentoonstellingen, skiën, toerisme en frivoliteit.

De moderniteit heeft de vanzelfsprekendheid waarmee de mens zijn wereld ervoer vernietigd. ‘Sociale disciplinering en de economische en maatschappelijke rationalisering verbonden met de industriële revolutie en het leven in de grootstad hebben een onvermijdelijk gevoel van vervreemding met zich meegebracht.’ De Cauter vindt bij cultuurcriticus Walter Benjamin de pertinentste beschrijvingen van dit verval van de ervaring. Hij schrijft zich dan ook in diens project van een archeologie van de moderne ervaring in.

Walter Benjamin nam de aristotelische definitie als uitgangspunt: ervaring is als ‘een humus van herinneringen die tot een bepaald soort inzicht of vaardigheid leidt’. Onmiskenbaar heeft deze vorm van ervaring een collectief en onbewust aspect; hij wordt gevierd in feesten en riten, van generatie op generatie overgeleverd in tradities.

Het bombardement van prikkels dat de moderne samenleving en bij uitstek de stedelijke cultuur kenmerkt, vernietigde de tradities. Wat overblijft, is een gefragmenteerde en stuurloze ervaring, die haar zin in zichzelf zoekt. Die ervaring wordt autonoom, raakt aan zichzelf verslingerd, wil altijd maar heviger zijn.

De kick, door De Cauter gedefinieerd als ‘de als aangenaam ervaren shock’, is de uitverkoren ervaringswijze van de tegenwoordige tijd. In de kick zoekt de moderne mens de euforie van de snelheid. Hij voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken door de duizeling van de afgrond. Daarin zoekt hij aan zichzelf te ontkomen en aan zijn onvermogen om zichzelf in een ruimere context te situeren. Elastiekspringen – een inmiddels alweer wat gedemodeerde uitkomst van het onvermoeibaar en vindingrijk verhevigen van kicks – zou naar verluidt bevredigende resultaten opleveren, maar natuurlijk ook de talloze andere attracties, stunts en sensatiemachines.

‘De val (…) is de kick ten top gedreven: het afstevenen op de bewusteloosheid, de desintegratie.’ Dit uiteenvallen van het bewustzijn is de perfecte allegorie van het uiteenvallen van het wereldbeeld.


De tijd van de grote overzichten is definitief voorbij: het sprookje is uit dat de mens zich het universum volledig zou kunnen toe-eigenen. ‘De wereld is onherroepelijk “onoverzichtelijk” geworden.’

Het essay ‘De panoramische extase’ toont aan hoe de geschiedenis van de wereldtentoonstellingen vanaf 1851 deze afbrokkeling weerspiegelt. De wereldtentoonstellingen degenereerden van indrukwekkend overzicht tot pretpark, waar de bezoekers hun kicks komen zoeken en waarin de decors belangrijker blijken dan de tentoongestelde triomfen van de wetenschap.

Deze evolutie is niet noodzakelijk negatief. Het vooruitgangsgeloof leidde ertoe dat al wat vreemd was op zijn nuttigheid werd getoetst en ingelijfd. Nu dat soort optimisme wegvalt, haalt de verscheidenheid het van de gelijkschakeling. De auteur verzuimt trouwens niet de wereldtentoonstellingen, voor zover ze ook schaamteloos het kolonialisme propageerden, te hekelen als ‘getuigenis van de westerse barbarij’.

Ook het skiën illustreert de metamorfose van de ervaring. De duurzame overzichtelijkheid van de Alpenpanorama’s ging ten onder in de vluchtige sensaties van de wintersport, leert ons het essay ‘Korte geschiedenis van het skiën’. ‘Het verhevene [van het alpiene natuurschoon] wordt opgelost in de verheviging.’ De Cauter vist een hilarisch citaat op van die kunstcriticus-uit-een-andere-tijd, om met betrekking tot het skiën de gewijzigde ervaringsmodus te illustreren: ‘Met een Britse zin voor overstatement schrijft [Ruskin]: “De Alpen zelf, die onze dichters zo eerbiedig vereerden” worden gebruikt als “ingezeepte palen die beklommen worden en waarvan men naar beneden glijdt met kreten van verrukking”.’


Het laatste hoofdstuk, ‘Over frivoliteit. Proeve van een postmoderne antropologie’, maakt een chaotische indruk. Jammer, want uitgerekend daar probeerde De Cauter tot een synthese te komen.

In de Don Juan en de dandy ziet hij de vertegenwoordigers par excellence van de nieuwe ervaringswijze.

De dandy zwerft van roes naar roes. Hij acht ‘zijn sensaties belangrijker dan de rede of het belang van de zaak’. Dit experimenteren met ervaring karakteriseert de frivole levenshouding. Frivoliteit kenmerkt ook het fladderen van Don Juan. Diens houding zou met protokapitalistisch kunnen noemen: Don Juan verabsoluteert, net als de kapitalist, de ruilwaarde van zijn ‘object’. Net zoals de kapitalist evengoed zeep kan verkopen als wijn, luidt het credo van Don Juan: ‘tout le plaisir de l’amour est dans le changement’.

Frivoliteit is nihilistisch. De frivoliteit legt ‘de immense futiliteit van al onze pogingen’ bloot. Toch is het, althans volgens deze ‘postmoderne antropologie’, geen louter destructief verschijnsel. ‘Frivoliteit is geen symptoom van verval, maar een centraal fenomeen binnen de beschaving als zodanig. (…) Cultuur ontstaat door frivoliteit...’ De antropologie kan talloze voorbeelden geven van maatschappij-bestendigende riten die heersende normen overschrijden of op hun kop zetten.

In de postmoderne samenleving is de roes, en dus de frivole overschrijding van de heersende normen, gedesacraliseerd. Wat overblijft is een stuurloze, gratuite excessiviteit: van het overmatige consumeren – grondslag van het kapitalisme – tot de complete verdoving in de vroege uurtjes van een houseparty.

Een andere representant van de frivole levensvorm is de gokker. Hij speelt ‘het kapitalistische spel bij uitstek’: roulette. Het verband tussen frivoliteit en kapitalisme wordt hier eens te meer uitgelegd. Het verschil tussen gokken en speculeren is slechts een kwestie van gradatie. ‘Het nihilisme van het gokken is een perfecte spiegel van het nihilisme van de kapitalistische maatschappij.’


Het valt op dat de auteur negens de recente metamorfose van de ervaring afwijst. Hij geeft niet toe aan de verlokkingen van de nostalgie. Integendeel: de postmoderne condition humaine hoeft niet per se tot doemdenken te leiden. Het opgeven van het vooruitgangsgeloof geeft de diversiteit meer kans.

Ook het massatoerisme, waaraan De Cauter zonder al te veel misantropie een interessant essay wijdt, heeft minstens tot gunstig gevolg dat het cultureel patrimonium in stand wordt gehouden. En de roes is al evenmin een negatief fenomeen. In de roes slaagt het individu erin alle hinderlijke barrières met de buitenwereld te overstijgen; zijn individualiteit wordt erin opgeheven (opgegeven), en in dit opheffen (opgeven) resideert, volgens Benjamin, de esthetische ervaring. In de roes wordt de wereld ‘weer bezield’. ‘Zoals de roes niet alleen verdoving schenkt maar ook de dagelijkse vernauwing openbreekt die wij werkelijkheid noemen,’ schrijft De Cauter in zijn essay over art deco.


Mensen die met cultuur begaan zijn kennen Lieven de Cauter allicht nog van het televisieprogramma ‘over beschaving’ Container, dat hij samen met zijn collega-cultuurfilosoof Bart Verschaffel maakte en dat na enkele afleveringen op schaamteloze – schaamteloos omdat men het met ongeschikte criteria beoordeelde – werd afgevoerd. Het enthousiasme dat Lieven de Cauter daar aan de dag legde, straalt ook af van zijn boek. Hier en daar lijdt zijn tekst onder deze spontaniteit. De auteur bezondigt zich enkele keren aan overlappingen en onafgewerkte constructies, waarbij allerlei uitweidingen het betoog verzwaren. Sommige formuleringen zijn weinig toegankelijk voor de modale mens.

Afgezien van dit bezwaar heb ik niets dan lof over voor dit boek, waarvan ik hier slechts een bondige samenvatting heb kunnen geven, zonder recht te doen aan de zinvolle complexiteit van De Cauters ‘verhalen’, zijn eruditie en de schat aan cultuur- en kunsthistorische verwijzingen waarmee hij ze heeft opgehoogd: de vrucht van een decennium lectuur en denkwerk.


Lieven de Cauter, Archeologie van de kick. Verhalen over moderniteit en ervaring, Uitgeverij De Balie, 1995

vorig jaar 471

9 oktober 2025

Ik doe autostop en beland in een busje met enkele gehandicapte nonnen. In hun huis, dat als klooster fungeert, moet ik een reis naar New York voorbereiden. Bij die voorbereiding is ook L betrokken.

*

Ik weet eigenlijk niet zo goed waarom ik La psychanalyse du feu tot het einde toe heb uitgelezen, de laatste tientallen bladzijden vooral diagonaal, moet ik toegeven. (Aan wie geef ik dat hier toe?) Wat steek ik ervan op, van die inventaris van volgens Gaston Bachelard psychoanalytisch te duiden vuurmetaforen? Ik vrees: niet al te veel.

*

Langs bij X. Het medisch bulletin wordt een vast onderdeel van al mijn ontmoetingen met leeftijdsgenoten. We hebben het dan verder ook nog over (…).

*

In de pop-upgalerie in de Katelijnestraat haal ik het aangekochte werkje van Peter Six op, en bij Bonte ga ik nog eens langs om de boomstudie van Hans Slager te bekijken waarop ik een bod heb gedaan, plus ook de acht stoelen waarvan de nieuwprijs per stoel – dat heb ik opgezocht – even hoog is als het bedrag dat ik ervoor over heb. Ik zie nu pas dat de stoelen licht beschadigd zijn of, zoals dat dan wordt gezegd, ‘sporen van gebruik’ vertonen.

*

Bezoek van Y. (…) een vervroegd verjaardagscadeau: pralines en het nieuwste boek van Ian McEwan, dat ik helaas al zelf heb gekocht. Y neemt het terug mee. We besluiten om het simultaan te lezen en onze bevindingen te delen.

*

De naam ‘Rebecca’ stond gegraveerd op het zilveren medaillon van het halskettinkje dat ik vorige week in het kleedhokje bij de radioloog vond en dan vergat af te geven bij de receptie. Telefonisch kon ik ‘s anderendaags, met de hulp van de receptioniste, achterhalen hoe deze Rebecca op de hoogte kon worden gebracht van waar ze haar kettinkje kon komen ophalen. Deze avond staat ze aan mijn voordeur. Ze laat zich chaperonneren door een kloeke kerel – je weet nooit dat ik een valstrik heb gespannen. Ik overhandig haar het kleinood. Er kan nauwelijks een bedankje van af. Rebecca verdwijnt voorgoed uit mijn leven.




8072

Watou - 260813


donderdag 8 oktober 2026

getekend 536

251116


parallel 225

Hij blijft tot het bittere einde sceptisch en onzeker, zonder ooit te ontdekken waar het leven precies om draait en zonder ooit te weten of het beter is te zijn of niet te zijn. In die zin is Hamlet een schoolvoorbeeld van een moderne held.

Yuval Noah Harari, 21 lessen voor de 21ste eeuw, 361


║


De cultivering van het ik en het zelfonderzoek zoals dat door het personage Hamlet wordt vertegenwoordig - een revolutionair moment in de wereldliteratuur - waren nog niet omgezet in de algemene gewoonte om een beschouwend dagboek bij te houden.

Ian McEwan, Wat we kunnen weten, 26-27



facebookbericht 1254



Dat niet-mijn-premier het bestaat om in zijn bericht met geen woord te reppen over de genocide na 7 oktober 2023 (en al helemaal niet over alles wat daaraan is voorafgegaan) is op zich een pure provocatie, een premier totaal onwaardig. Hij volhardt in de boosheid die hij heeft ingezet met zijn quote drie jaar geleden over de juiste kant van de geschiedenis.

vorig jaar 470

8 oktober 2025

Natuurlijk met een fikse kater opgestaan – ik was vergeten hoe het voelde. Vroeg aan het werk. Om elf uur naar de dokter voor een bespreking van de foto’s. Diagnose: artrose. (Dat rijmt.) Niets aan te doen, behalve curatief met pijnstillers. Als het te erg wordt, zegt de dokter, moet ik naar een orthopedist om een nieuwe heup. Hopelijk kom ik over een maand in Praag niet in de problemen.




*

(…)

*

Via Messenger een conversatie met Olga Palmans, die me al een tijdje op duimpjes en likjes trakteert. Ik was in de war door haar naam, en ook door haar foto, want omdat zij er daarop zo oud uitziet dacht ik dat zij ‘madame Palmans’ was, onze overbuurvrouw in de Populierendreef. In werkelijkheid blijkt zij Hilde te zijn, een van de drie dochters en dus maar een paar jaar ouder dan ikzelf ben. Olga woont nu in Spanje. Daar konden ze haar voornaam – Hilde dus – niet uitspreken. Daarom besloot zij zichzelf voortaan Olga te noemen. Zij zegt dat zij mij al een tijdje volgde omdat zij benieuwd was naar wat dat jongetje van de overkant van de straat allemaal te vertellen heeft. Ze vraagt mij om mijn moeder haar groeten over te maken. Nadat ik haar heb uitgelegd dat dat niet meer kan, halen we enkele herinneringen aan de Populierendreef op. Ik verneem dat ‘madame Palmans’ is gestorven op 92-jarige leeftijd, en dat Olga’s broer Herman en zus Els ook al dood zijn. Els, die een jaar ouder was dan ik en met wie ik, toen ik nog niet puberde, nog vaak heb gespeeld, is maar 61 geworden. Alcohol en pillen. Daar schrik ik van. Ook Olga’s opmerking over het feit dat onze vaders toch ook niet de meest evidente personen waren blijft hangen. Ik zie, terwijl we chatten, op Olga’s tijdlijn dat ze rabiate pro-Israëlstandpunten huldigt. Dat snijdt me de adem af en ik beëindig het gesprek.


8071

Watou - 260813