fragment uit Het maaiveld
Nand
Lycke was in dat vijfde Latijn-wetenschappen onze klastitularis. Zijn
vakken Engels en Nederlands waren dankbare werkterreinen om een klas
dwepende en eigenzinnige testoreronbommen in het gareel te houden.
Zou je denken. Maar met Lycke viel dat anders uit. Met zijn gedrongen
gestalte, lichte corpulentie en vooral zijn forse zwarte baard was
hij een opvallende verschijning. Maar, zo zou al vlug blijken: achter
dat uitgesproken uiterlijk ging onbeduidendheid schuil. Wij hadden
nochtans steile verwachtingen.
Op
de een of andere manier was Bert erin geslaagd om met zijn
enthousiaste uitstraling niet alleen mij, maar de hele klas leven in
te blazen. Iedereen, ook de minst uitgesproken karakters, leek er
eindelijk iets van te willen máken.
Tijdens
de eerste weken van september maakte onze klastitularis een bijzonder
lusteloze indruk. Hij mummelde meer dan dat hij sprak, de lippen
gedeeltelijk aan het oog onttrokken door zijn snor. Hij stelde ons zo
sterk teleur dat we hem om uitleg vroegen. Dat kon in die tijd nog en
hij liet het toe – wat hem sierde. Hij ontkende niet dat het hem
aan energie ontbrak. Hij voerde de verbouwingswerken aan zijn huis
aan als excuus. Het zou wel voorbijgaan.
Maar
het ging niet voorbij. In plaats van ons de sleutel aan te reiken tot
de poëziecorpussen van de Engelse en Nederlandse literaturen, wat in
een voorlaatste jaar van het middelbaar onderwijs toch had moeten
gebeuren, bood Nand Lycke ons vooral een inkijk in zijn burgerlijke
hypochondrie en zijn totale gebrek aan motivatie. Voor ons stond een
uitgebluste veertiger met het uiterlijk van een soixante-huitard maar
met de ziel van een verkavelingsvillabewoner.
Daarvan
konden we ons ter plekke vergewissen want in een gulle bui had hij
ons allemaal eens bij hem thuis uitgenodigd voor een ‘muziekavond’.
De pas verbouwde villa van onze titularis prijkte in een verkaveling
nabij Steenbrugge. We mochten met z’n allen plaatsnemen in de
zitkuil, een in de woonkamer uitgegraven gat dat met tegels,
tapijten, kussenstoelen en een (niet brandend) haardvuur was
aangekleed. Nand schonk ons die avond niet-alcoholische drankjes in
(elk eentje). Het concept van de muziekavond was eenvoudig: elk
bracht zijn favoriete liedje mee en mocht het, met gebruikmaking van
Nands platenspeler, ten gehore brengen. Waarop de groep een kort
commentaar leverde. Ik had gekozen voor ‘Maybe I’m Amazed’ van
Paul McCartney, van dezelfde lp die ik al eens vermeldde in verband
met de jeugdmissen op school. Nand Lycke vond er niets aan. Dat zei
hij ook uitdrukkelijk. Zelf stelde hij iets voor van een
countryzanger, ik weet niet meer wie het was. Bert had voor
‘Aqualung’ van Jethro Tull gekozen. We hadden in elk geval ons
best gedaan om niet te komen aandraven met de oorwurm van de voorbije
zomer of met iets van de plaat Jonathan
Livingstone Seagull
van Neil Diamond want dat was uiteraard niet cool
genoeg.
