In
deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde
boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij
betekenen.
1995
Genadeloze
zelfkennis
Ik
was ontroerd toen ik de voorbije zomer, iets meer dan een halfjaar na
zijn overlijden, in Watou zijn diepe, warme, trage, bedachtzame stem
hoorde weerklinken. Hij las een van zijn bekendere gedichten voor, ik
weet niet meer hetwelk. Geen wonder, want ik was – en ben – nooit
in de eerste plaats in zijn poëzie geïnteresseerd geweest. Ik las
maar een paar van zijn bundels: Honing en as, Bres,
Voorbijganger. En hier en daar een gedicht of een vers in een
eerste versie van zijn verzamelde gedichten, Hart tegen hart.
Gedichten 1975-1990. Zoals de lijn ‘Mijn benen doen pijn van
het niet naar je toe kunnen komen’, waarmee het vaak geciteerde
gedicht ‘Verklärte Nacht’ eindigt.
Neen,
wat mij vooral naar Leonard Nolens deed opkijken, en nu doet
ómkijken, waren zijn
dagboeken. En zijn persoonlijkheid. Maar dat is min of meer hetzelfde
want het is niet overdreven te stellen dat zijn dagboek, als
uitgepuurde poging om zichzelf te portretteren, met zijn persoon
samenviel. Zo genadeloos is het bijwijlen.
‘Genadeloze
zelfkennis bevordert het geleidelijk loskomen van zichzelf’, tekent
Nolens op een vrijdag-de-dertiende op in 1981 (Stukken van mensen.
Dagboek 1979-1982, 130). Hij is dan bijna 34 jaar. De
uitspraak klinkt behalve ambitieus ook pretentieus. Zoals Nolens in
zijn dagboeken met al zijn ernst vaak klinkt – in die zin was hij
een wandelend anachronisme,
want ernst wordt in
het beste geval enkel nog
gedoogd. Hij
biedt dan ook, in dezelfde
alinea, meteen weerwerk:
‘Wie niet bewust begaan is met zijn lot, met zijn bestemming, is
evenmin begaan met het lot en de bestemming van anderen.’ Dat
citaat echoot dan
weer het motto van het
eerste dagboekdeel: ‘Nadenken over het eigen lot heeft geen ander
doel dan een gemeenschap vinden die een einde maakt aan de
verbanning’ (Leopold
Flam).
Op
het voorblad waarop dat motto staat, tref ik een tekening aan die
iets zegt over de omstandigheden waarin ik Stukken van mensen las
(zie illustratie onderaan). Blijkbaar slaagde Nolens er niet in om mij die
hele warme zomerdag in Zuid-Frankrijk bij de les, bij het lezen, te
houden.
Maar
dat belet niet dat ik grote bewondering had – en nog altijd heb –
voor zijn dagboek. Eerst dit eerste deel, en daarna de volgende:
Blijvend vertrek. Dagboek 1983-1989, De vrek van
Missemburg. Dagboek 1990-1993 en Een lastig portret. Dagboek
1994-1996. Ze werden stuk voor stuk mooi en in een uniforme
vormgeving uitgegeven. Na een lange stilte vond het vijfde deel een
plek in het volledige, in 2009 uitgegeven Dagboek van een dichter.
1979-2007. Uit de ‘Verantwoording’ op pagina 1059 blijkt dat
dit vijfde deel ‘als werktitel had “Verborgen agenda 1997-2007”’.
Die verantwoording eindigt overigens met de droge vaststelling: ‘In
2007 heeft de auteur zijn dagboek afgesloten.’ Alsof alles wat de
dichter Leonard Nolens, zichzelf genadeloos bespiegelend, met
betrekking tot zijn dichterschap te zeggen, te overwegen en door te
denken had, gezegd, overwogen en doorgedacht was. Ook al had hij dan
nog bijna twintig jaar voor de boeg en moest een aanzienlijk deel van
de in de Verzamelde gedichten. Manieren van leven (2012)
opgenomen bundels nog worden geschreven.
Ik
vond het lijvige Dagboek van een dichter op 8 januari 2011
voor de helft van de prijs in de soldenbak van de Fnac. (Ik kan het
ook niet helpen dat dat rijmt.)
Naar
aanleiding van het verschijnen van De vrek van Missenburg kreeg
ik indertijd de gelegenheid om de dichter op te zoeken in zijn schrijfhok in
het bospark van Missenburg, waar hij elke dag als een plichtsgetrouwe
ambtenaar vanuit zijn woning nabij het KMSKA naartoe tramde. Het werd
– wie had het anders verwacht – een moeizaam gesprek, waarvan het
resultaat hier
is terug te vinden. Het interview verscheen onder de titel ‘Is het
geluk het ongeluk van de dichter?’ in De Standaard der Letteren van
28 september 1995. In mijn archief rust ergens een – voor mij –
statusverhogende foto van Marc Cels waarop te zien is hoe ik de
dichter aan een kruisverhoor onderwerp, maar ik vind die foto niet
meer terug.
In
de recensie die ik voor De Morgen (26 oktober 1998) maakte van Een
lastig portret, deel 4 van Nolens’ dagboek
verwoord ik waarom Leonard Nolens voor mij een belangrijke
schrijver was – en nog altijd is – en hier volgt een lang citaat:
‘Het is zeker geen toeval dat Nolens in het begin van dit
dagboekdeel instemt met het lemma “dagboek” in de Encyclopedie
der wereldliteratuur, waar het stelt dat “het dagboek een boeiend
grensgeval [kan] zijn in het domein der literatuur”. Dat woord
“grensgeval” heeft onmiskenbaar een politieke dimensie. Het
volgehouden zelfonderzoek is inderdaad een “ultieme test voor wie
een onderzoek doet naar het democratische levensgevoel”. Het is, in
de dictatuur van het populaire en het populisme – waaraan te veel
intellectuelen in talkshows en praatjesprogramma’s duchtig en
gedachteloos meewerken – onvermijdelijk geworden om elitair te
zijn, als je nog een laatste bastion voor het kritische, vrije denken
wilt vrijwaren. Dat elitarisme, met zijn “literaire maniertjes”
en “luxeproblemen”, is, tegenover het dictatoriale
anti-intellectualisme dat het artistieke klimaat verstikt, een
uitermate maatschappelijke houding. Zelfs in de grootste afzondering
staat de schrijver, althans voor zover hij erin slaagt zich hoorbaar
te maken (en misschien moet die voorwaarde niet eens vervuld zijn),
midden in de samenleving. Zo verantwoordt Nolens zichzelf. De goede
lezer heeft die verantwoording niet nodig.’ Einde citaat.
In
2004 werkte ik met Leonard samen aan een project waarin mijn vriend
de letterkunstenaar Kristoffel Boudens betrokken was. Dat leidde tot
een publicatie, waarvan de door mij geschreven tekst hier is
weergegeven.
In
het interview uit 1995 gaat het op een bepaald ogenblik over de hang
van de dichter naar contact met zijn lezers. Nolens antwoordt op mijn
vraag ‘Maar u vroeg toch om een wedervraag?’ het volgende:
‘Misschien klinkt wat ik nu zeg te arrogant: de wedervraag ontstaat
al in het leven zelf van mijn boeken. Ik kan dat ook afleiden uit die
vijf brieven die ik per jaar ontvang, waarin mensen iets van hun
eigen leven formuleren, nadat ze daartoe werden aangezet door wat ze
bij mij hebben gelezen.’
Een
van die vijf brieven per jaar was in 2013 een brief van mij. In mijn
heel uitvoerige brief d.d. 6 november van dat jaar sprak ik – zeer
tegen mijn gewoonte in want ik had niet de gewoonte door mij
bewonderde schrijvers met mijn bewondering lastig te vallen – mijn
onvoorwaardelijke waardering. De toon is misschien wat onderdanig,
stel ik nu vast, maar de brief is oprecht en ook wel wat
vertrouwelijk. Ik heb hem hier op mijn blog geplaatst.
Veel
later, ik was al geen letterenjournalist meer, liep ik Leonard nog
één keer tegen het lijf. Geen idee wanneer dat was, maar wel nog
waar: in het Antwerpse letterenhuis, zeer toepasselijk, ik denk op
een tentoonstelling van het werk van vormgever Gert Dooreman. Leonard
had mijn brief goed gelezen, verzekerde hij me, en ja, hij zou hem
zeker beantwoorden, maar het kwam er alsmaar niet van. Het is er
nooit meer van gekomen – en neen, ik neem het hem niet kwalijk.
Op
bladzijde 231 van Voorhuwelijks sparen, het vijfde deel van
mijn autobiografie, komt de dichter een laatste keer in mijn leven
voorbij. We schrijven 1996 en bevinden ons in een Barcelonese bar,
kort na een stevig door de Vlaamse Gemeenschap gesponsord prestigieus
poëzieoptreden: ‘Leonard Nolens, al danig in de olie, gaf een
jazzimprovisatie ten beste op een ongestemde buffetpiano.’
Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 1979-2007