fragment uit Het maaiveld
Den Ieften deelde de derde prik uit, nog altijd in diezelfde eerste week van het laatste jaar. Yves Dehaene had de reputatie een olijkerd te zijn. We hadden hem het jaar voordien al voor fysica gehad. Zijn zwierige demonstraties van gravitationele krachten en dergelijke werden door ons gesmaakt en wij gingen ervan uit dat de sfeer in het fysicalokaal ook in dat laatste jaar ontspannen zou blijven. Niet dus. Tijdens het eerste uur fysica van dat laatste jaar werd ons een vaste plek in het lokaal toegewezen. Ik kwam helemaal rechts te zitten, ver van het raam dat de volledige linkerwand van het lokaal innam. De lichtinval weerkaatste in het bord, zodat ik nauwelijks kon zien wat daarop geschreven werd. Bij het raam waren nog enkele plaatsen vrij, en dus vroeg ik of ik daar mocht plaatsnemen. Het antwoord trof mij midscheeps. ‘Ge moogt voor mijn part buiten gaan zitten.’
Ik geloofde mijn oren niet. Ik mocht net zo goed de klas verlaten, dat maakte voor Dehaene geen verschil uit. Ja, het had er zelfs alle schijn van dat hij daar de voorkeur aan gaf. Maar waarom? Ik had hem geen strobreed in de weg gelegd, en ik was het jaar daarvoor, behalve in gunstige zin, niet opgevallen – of het zou die keer geweest moeten zijn dat hij een toets had aangekondigd voor net na de paasvakantie, waarop ik schertsend had gezegd dat mij dat slecht uitkwam omdat ik op bedevaart naar Rome moest. Neen, Dehaenes uitval was onverklaarbaar. Ik schrok ervan. Maar ik schrok er ook van toen ik na dat lesuur Dehaene, Lycke en Tant buiten op de gang onder elkaar zag gniffelen. Dat bezorgde mij een zeer onaangenaam gevoel.























