Onder haar linkerarm hield ze een groene map geklemd en onder haar rechter een zwarte citybag met een geel hengsel. En haar nagels waren nu gelukkig niet meer rood gelakt maar roze.
Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst, 171-172
Onder haar linkerarm hield ze een groene map geklemd en onder haar rechter een zwarte citybag met een geel hengsel. En haar nagels waren nu gelukkig niet meer rood gelakt maar roze.
Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst, 171-172
19 juni 2025
Een geschiedenisloze werkdag. Wel goed ingezet met een boekverhaal over De bezoeker van György Konrad. Maar dan stokt het. Lectuur, werk, een korte babbel met X via de chat, een hazenslaapje, een wandelingetje, Blokken en het journaal (met de dagelijkse portie bombardementen in Gaza, Oekraïne en nu ook Iran en Israël), nog een siëstaatje. ‘s Avonds bekijk ik een aflevering van Met de wind mee en daarna de film Far from the Madding Crowd van Thomas Vinterberg, met de in 2015 al volop cabotinerende Mathias Schoenaerts: kleine oogjes met opgetrokken wenkbrauwen, heel erg macho-met-een-vrouwelijke-toets. Wat is er sindsdien van zijn carrière geworden? Ik heb de indruk dat die nogal in de soep is gedraaid. Ik sluit de dag met een zelfportret.
20 juni 2025
(…) Ik lees Gelukkig als God in Frankrijk uit. Ik vond het boeiend. Een aparte stijl, met heel veel korte zinnetjes. Zeer goede vergelijkingen ook. En humor, wat gezien de behandelde problematiek een La vita è bella-gevaar inhoudt, maar Dugain gaat er gelukkig nergens óver. (…)
*
The Apprentice (Ali Abbasi, 2024), over hoe de jonge Donald Trump in de jaren zeventig en tachtig leert hoe je een imperium moet uitbouwen, namelijk door je vooral niet te laten leiden door ethische scrupules. Alleen al het feit dat Trump zelf, naar verluidt, not amused was met dit portret, pleit ervoor.
Hij liet mijn hand los, ging rechtop zitten, sloeg met zijn vuist een deuk in de pauwenveren, gooide zijn haar naar achteren en riep uit: ‘Het moet niet zotter worden. (...)’
Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst, 150
Het bedovertrek had een bont dessin van krullende pauwenveren.
Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst, 150
Ik heb nog nooit de zelfscan gebruikt en ben ook van plan dat nooit te doen zolang er levende en - in mijn Carrefour, een filiaal van een keten die, ik weet het, banden heeft met Israël - meestal vriendelijke caissières zijn die mij na een jaar of vijftien herkennen en dus een beetje kennen en, voor wat het waard is, ook wel vertrouwen. Een empathisch gevoel dat ik apprecieer en waarvan ik weet dat ik het van een machine niet kan verwachten. Als iedereen die zelfscan zou boycotten, zou de werkgelegenheid van die kassamedewerkers gegarandeerd blijven, zou er meer menselijk contact en minder wantrouwen zijn.
18 juni 2025
(…)
*
Ik zie de hele dag niemand, kom enkel buiten om naar de glasbol te fietsen, vuilniszakken te kopen in de Carrefour, een halfuurtje te lezen in het park (Gelukkig als God in Frankrijk van Marc Dugain) en even rond het Stil Ende te sloffen. Na het werk (klaar om zeven uur) zet ik mijn lectuur voort en ga (…) iets over tien uur naar bed.
*
Trofee van Gaea Schoeters. Ik weet niet goed wat ik van dit boek moet denken. Kruising van Kafka, Conrad, Hemingway en Geeraerts. En Céline, niet te vergeten. Allemaal zeer mannelijke mannen. Ik snap wel waar het Schoeters om te doen is – Trofee huldigt een consequent doorgedacht antikoloniaal en anti-jacht standpunt waarin de evident geachte suprematie van de oudere en vermogende witte man over andere mensen (inclusief vrouwelijke mensen, die in het verhaal overigens nauwelijks voorkomen) en over de dieren wordt aangeklaagd –, maar op de een of andere manier raakt het me niet. Het blijft kil en te rationeel. En het eindspel wordt wel heel lang uitgesponnen. Het duurt allemaal zo lang, dat het mij op den duur koud laat. De logische afwikkeling is niet dwingend genoeg om volledig mee te zijn met de heftige, maar onwaarschijnlijke, ontknoping.
17 juni 2025
Voortdurend onheilspellende nieuwsberichten. Israël en Iran bestoken elkaar met raketten en drones. De VS trekken troepen samen. Vliegdekschepen, tankvliegtuigen… Trump verlaat de G7. Hij heeft belangrijker zaken te regelen en maant de inwoners van Teheran aan hun stad te verlaten. Oorlogsdreiging. Alle NAVO-landen zouden 5 procent van hun bbp aan wapens moeten spenderen. België heeft op dit moment 1,3 procent en nu al rammelt de begroting langs alle kanten. Je zult maar moeten opgroeien in deze tijd, een huis kopen, een gezin stichten, een toekomst uitbouwen.
*
(…)
*
Voor het eerst in twee weken nog eens de koersfiets op. 58 kilometer, tot in Oudenburg, Klemskerke, Vlissegem…
*
Radio-interview met Eddy Merckx. Het aantal verhalen lijkt beperkt: Blois, Savona, de eerste Tourzege. Het leven van onze grootste held wordt samengevat in enkele iconische momenten.*
(…)
Ik heb het geluk om tegenover een park te wonen. Mooi uitzicht, rustgevend groen, de wisseling der seizoenen. Maar je kunt niet schatten hoeveel werkzaamheden van de Groendienst er machinaal gebeuren: maaien, zagen, hakselen, boordjes afkanten, blazen... Vooral dat bladblazen. En in de zomer is er de zomerbar met 'stemmige achtergrondmuziek'. Ik heb de organisatie van de bar daar op aangesproken. Zij beloofden dat het bij achtergrondmuziek zou blijven. Ik vraag me af waarom er in een park achtergrondmuziek nodig is. En meer in het algemeen, waarom er bij zowat élke activiteit muziek nodig is.
15 juni 2025
Een groot deel van de voormiddag, die, zoals gebruikelijk, al om zes uur begint, gaat op aan het schrijven van twee boekverhalen: Stephen Hero en Kroniek van een aangekondigde dood. En aan lectuur: Trofee van Gaea Schoeters. Goed geschreven, maar klinisch en, jawel, zeer mannelijk. Een kritiek, zelfs een aanval op mannelijkheid. Niet expliciet maar door middel van de stijl.
*
Afspraak om twaalf uur aan het station met een aantal mensen van Groen Brugge. (…) We blijven samen op de trein en dan ook nog een eind op de aanvangsstrook van de betoging, maar uiteindelijk valt onze groep toch uit elkaar. De betoging is een groot succes. Er wordt een ‘rode lijn’ getrokken tegen het genocidaire geweld van Israël in Gaza. Daarom werd iedereen gevraagd iets roods aan te trekken. De kilometerslange stoet – 75.000 (politie) tot 110.000 (organisatie) manifestanten – kleurt dan ook rood. Eerst zijn er de toespraken – vooral die van twee vertegenwoordigsters van een joodse organisatie maakt indruk – en enkele korte optredens (Tamino, Koen Wauters en Zwangere Guy), en dan zet de stoet zich in beweging. We doen er meer dan drie uur over om van het Noordstation langs de Botanique tot een heel eind op weg naar de Europese Wijk te komen. Daar (…) korten we af naar het Centraal Station. (…)*
De avond gaat op aan het bekijken aan Eddy Merckx-gerelateerde programma’s. De Kannibaal wordt dezer dagen tachtig, vandaar. Eerst een gesprek door Karl Vannieuwkerke met Eddy, zoon Axel en José De Cauwer. Daarna de film Merckx. De sterkste renner aller tijden, met mooi, onuitgegeven beeldmateriaal over de carrière die iedereen ondertussen beter kent dan zijn vaderlandse geschiedenis.
16 juni 2025
In de stadsbibliotheek vind ik de film The Apprentice en een boek van Mark Dugain. M raadde me Officierskamer aan, maar dat hebben ze niet. Wel Gelukkig als God in Frankrijk. Ik vraag naar de persoon die over de aankoop van fictie gaat, met het oog op de aankoop van enkele exemplaren van Vaderader. Ze is er niet. Thuis schrijf ik haar een mail.
*
(…)
*
Ik beantwoord de laatste brief van A, die al een paar dagen in mijn mailbox zat. Ook E heeft geschreven: ze geeft toe dat ze heel lang niet aan schrijven is toegekomen, maar ze wil onze correspondentie niet stopzetten. (…) Ik zeg dat ze alle tijd moet nemen. Dat ik gespecialiseerd ben in geduldig zijn. (…).
13 juni 2025
Allez hop, nog een oorlog erbij. Nu heeft Israël ook Iran aangevallen. Bombardementen op nucleaire installaties. Topfiguren uit het leger en de wetenschap zijn gedood. Maar ook burgers en kinderen, haasten de Iraniërs zich te zeggen. De onvermijdelijke burgers en kinderen. De Iraniërs zullen het daar niet bij laten. Maar wat kunnen ze doen. Je zou het gaan hopen, dat Israël massaal wordt aangevallen. (Maar door wie?) Dat de Israëlische bevolking wordt gestraft, ook voor het feit dat 80 procent naar verluidt achter de genocide in Gaza, de kolonisatie van de Westbank en het fascisme van haar leiders blijft staan. De VS zegt van niets te weten. En wat gaat Rusland doen? Zal China van de commotie gebruikmaken om Taiwan aan te vallen? Staan we aan het begin van een wereldoorlog?
*
(…)
14 juni 2025
(…) De oorlog tussen Israël en Iran escaleert. (…)
*
Naar Gent. Ontbijt bij X. Ik voel me belabberd. X laat me foto’s zien van onze vorige uitstapjes. We maken een wandeling langs de appartementsgebouwen naast de Watersportbaan en in een sociale woonwijk aan de overkant. X vertelt me haar ingewikkelde persoonlijke geschiedenis. (…) Er zijn parallellen met mijn verhaal. Daarom noemt X ons behalve zielsverwanten ook lotgenoten. We gaan er nog verder op door bij Y. Het moment van volwassenwording is er wanneer je beseft dat je ouders ook personen zijn. Het kind ziet de ouder niet langer als ouder maar als een persoon met al zijn feilen. Maar ook de ouder moet op een gegeven moment in zijn kind de persoon zien. (…) Deze hele dag heeft me danig uitgeput. Thuis ben ik tot niet veel anders in staat dan meteen in bed kruipen.
*
(…)
10 juni 2025
(…)
11 juni
2025
(…)
*
In Pink Moon (Floor
van der Meulen, 2022) speelt Johan Leysen een oude weduwnaar die
besloten heeft om op zijn vijfenzeventigste verjaardag een eind aan
zijn leven te maken. Hoe gaan zijn dochter en zoon daarmee om? Een
wat geforceerd uitgangspunt, maar scenario en tempo houden het geheel
mooi overeind – al laat het slot van deze film me toch onbevredigd
achter: hoe waarschijnlijk is het dat een oude man ongehinderd een
met een portie met honing aangezoete kwark vermengde giftige dosis
inneemt terwijl zijn dochter daar passief op toekijkt?
12
juni 2025
Goed begonnen, dat In open veld van Josse de
Pauw, maar het rafelt uit in slordig geschreven fragmenten waarin het
in een pedante toonzetting gaat over artistieke prestaties. En waarom
die ons-kent-ons neiging om de collega’s bijnamen te geven: ‘Het
Monument’, ‘Hoed’, ‘De Duitser’…? De indruk van
zelfingenomenheid die stilaan begon te overheersen telkens Pauw in
mijn blikveld opdook, wordt er alleen maar door versterkt. De man
heeft zijn naam niet gestolen. En ja, de onprettige herinnering aan
de enige ontmoeting die ik ooit met hem had, die keer met X in Le
Coq, komt natuurlijk ook binnendrijven (…) – ik weet echt niet
meer wanneer dat was, wellicht ergens halfweg de jaren negentig. (…)
Eenzaamheid moet X’s lot zijn geweest – een wreed lot voor iemand
die behalve in zijn atelier nooit alleen kon zijn, en die altijd de
bevestiging van anderen nodig had om te kunnen bestaan. (Maar hij
bracht wel veel tijd door in zijn atelier, dat moet gezegd.)
*
Op
de trein naar Roeselare oap vat ik Trofee van Gaea Schoeters aan,
daartoe aangezet door haar zeer welbespraakte aantreden vorige zondag
op de radio. Ik was al eens aan dat boek begonnen, maar had het
terzijde gelegd – ik ben niet bepaald geïnteresseerd in het jagen
op groot wild in Afrika. Maar als een schrijver er zoveel erkenning
mee oogst, dan moet het toch wel een ruimere reikwijdte hebben.
*
(…) In Nukerke make we een wandeling rond
en in het Koppenbergbos. (…) Lunch in het restaurantje ‘Den os’.
We proberen de tapa’s ‘Schelleken van den os’, ‘Bastilla met
kip’ en ‘Griekse bourek’. Buiten op het terras, onder een
luifel. Het wordt erg warm vandaag, meer dan 30°. Ik drink twee
‘Gentse stropkes’, waardoor ik wat later, terwijl Y (…),
languit op een bank lig te snurken. (…) In Ronse, waar Y (…),
bezoek ik de plaatselijke kringloopwinkel. Het boekenaanbod stelt er
weinig voor. De boeken worden er dan ook per gewicht verkocht. Voor
een omnibus met vier romans van Graham Greene en 1933 van Philip
Metcalfe (een pocketuitgave) betaal ik 1,95 euro. Daar heb ik in
restaurant ‘Den os’ ongeveer een derde van een ‘Gents stropke’
voor. We drinken nog iets in ‘De harmonie’ op de Grote Markt,
waar de kermis opgesteld staat. Er is, onder meer, een kraam ‘Back
to the future’, en een dat 'Le palais magique' heet. Zoveel jaar
geleden waren we ook al eens in ‘De harmonie’. (…)
fragment uit Het maaiveld
Ik gaf mijn mandaat als klasverantwoordelijke af aan Eric Colenbier, die in zijn eentje een maar matig door Bert en mij gesmaakte antitabakscampagne zou opzetten, en trad ook terug als hoofdredacteur van Boemerang. Ze mochten voortaan hun stencils zelf draaien en de fouten met behulp van nagellak zelf corrigeren. Ik besloot niets meer te doen, behalve mijn best om er zonder kleerscheuren door te geraken – en dat bleek al moeilijk genoeg. Door de nieuwe situatie op school kostte het me moeite om mezelf te motiveren – de enige motivatie was eigenlijk een negatieve: hier zo snel mogelijk uit weg geraken. Bovendien zal ook wel de onrust thuis geen al te gunstig effect hebben gehad op mijn schoolse prestaties. Over de op stapel staande scheiding van mijn ouders, overigens, had de directeur met geen woord gerept. Hij was vermoedelijk niet eens op de hoogte van de omstandigheden waarin ik dit laatste jaar op de middelbare school had vol te maken. Pas later zou het tot mij doordringen hoe abnormaal dit was, zelfs in die tijd, hoezeer het mij zou hebben geholpen als ik dan toch minstens op school met de beste zorgen zou worden omringd. Maar neen, in plaats daarvan werden ook daar kilte en gebrek aan geborgenheid georganiseerd. Want dat was wat er gebeurde: dat laatste jaar, van september 1978 tot juni 1979, bleek uiteindelijk niet veel meer dan een sombere wachttijd waarin niets noemenswaardigs meer gebeurde, waarin onze groep was uiteengevallen in een verzameling ontmoedigde individuen die allemaal naar een toekomst verlangden die niet anders dan beter kon zijn. Ook het feit dat mijn vriendschap met Bert was gestrand in een koppig aangehouden afstandelijkheid vrolijkte de boel niet op.
Hoewel, er gebeurde wel nog iets. Helemaal op het eind, vlak voor de laatste examens... Ik kom er nog op terug...
fragment uit Het maaiveld
Eerwaarde Heer Pina beheerste zeer goed de alchemie waarmee – wonderlijke transsubstantiatie – distantie in gezag wordt omgezet. Hij deed dat met een air van vertrouwenwekkende en dus, paradoxaal genoeg, afstand-tenietdoende vriendelijkheid. Hij zette je, met andere woorden, op het verkeerde been.
‘Ga zitten. Wat scheelt er?’
Er moest iets schelen, anders kwam je hier niet. Bovendien zal ik er wel ontdaan hebben uitgezien, ontdaan genoeg om daaruit af te leiden dat er zeker iets moest schelen.
Ik legde de directeur uit wat er was gebeurd. Minder omstandig dan ik het hierboven nog eens heb overgedaan, bijna veertig jaar later, maar toch beeldend en duidelijk genoeg om Pina aan zijn verstand te brengen dat wat meneer Tant ons aandeed volgens mij echt niet door de beugel kon. Het wonder geschiedde:
‘Ge hebt gelijk. Ik zal eens met meneer Tant spreken. Het is goed dat ge mij dat zijt komen zeggen. Ga nu maar terug naar uw klas.’
Dat deed ik. Met een triomfantelijk gevoel, ik zal het niet ontkennen. Ik had het aangedurfd om tegen de gevreesde wiskundeleraar in te gaan; ik had ten overstaan van mijn klasgenoten het woord genomen en had hen gevraagd om solidair te zijn, een verzoek waarop zij niet waren ingegaan; ik was voor rechtvaardigheid opgekomen, in mijn eigen belang maar ook in dat van hen want zij voetbalden tijdens de speeltijd ook liever dan dat zij hun schoolagenda invulden; en ik was naar de directeur gestapt die al even ontoegankelijk leek als de nimmer geïdentificeerde bewoner van Franz Kafka’s kasteel in het boek dat ik toen wel nog niet gelezen had, maar goed. En ik had van de directeur gelijk gekregen: Tant zou een reprimande krijgen en het zou gedaan zijn met beknibbelen op onze vrije tijd.
De eerste les na de speeltijd was natuurlijk al begonnen. Ik herinner me niet meer welk vak het was. De leraar vroeg niet waarom ik te laat was. Enkele van mijn medeleerlingen keken om toen ik binnenkwam, maar niemand vroeg iets. De les ging gewoon door alsof er niets aan de hand was. En tegen het einde van dat lesuur was het momentum voorbij. Ik kon nog wel mijn verhaal doen, maar het leek al veel minder spectaculair dan het in mijn eigen ogen was geweest.
Een week later werd ik bij de directeur geroepen. Ik kende nu de weg en wist hoe hard ik op zijn deur moest kloppen – dat scheelde dus. Maar wat ik te horen kreeg was ontnuchterend.
‘Het is u geraden strikt uit te voeren wat u wordt opgedragen. Ik zal geen nieuwe klachten meer dulden. Indien er zich nog dergelijke incidenten voordoen, zullen wij moeten overwegen welke sanctie wij moeten treffen.’ Ingerukt.
En toen ik de eerstvolgende keer in de wiskundeles zat, proefde ik wat ik eerder ook al bij Dehaene, Lemmens en Lycke had geroken: de smaak van het leedvermaak, het aura van de overwinning. Het was duidelijk: het laatste schooljaar was nog maar net begonnen en mijn rol daarin, die ik mij zo groots en belangwekkend had voorgesteld, was al uitgespeeld. En niemand van mijn klasgenoten leek er een ander idee op na te houden. Ook Bert maakte een uitgebluste indruk.
fragment uit Het maaiveld
Daniël Tant had, behalve de onhebbelijkheid Daniël Tant te zijn, nog een onhebbelijkheid: hij trok zich niets aan van de bel die na vijftig minuten het eindpunt van zijn lesuur aangaf. Wij waren erg gesteld op de speeltijd, ook al duurde die maar een kwartiertje, en repten ons telkens naar de speelplaats om ons geliefde voetbalspel te kunnen aanvatten. Als de wiskundeles niet door de speeltijd maar door een andere les werd gevolgd, trokken wij ons niets van Tants getreuzel aan – al kwam het ons toch voor dat hij er dan minder aan toegaf. Neen, wij begonnen na een week of twee door te hebben dat hij zijn les vooral en eigenlijk zelfs uitsluitend liet uitlopen wanneer wij zaten te popelen om naar de speelplaats te hollen. Wanneer het belsignaal weerklonk, verzocht hij ons nog om onze schoolagenda op te diepen en daarin het hele programma voor de volgende week te noteren, en ook nog eens de dag en het uur waarop we ons aan een toets konden verwachten, enzovoort. Voor we er erg in hadden, waren er alweer vijf minuten voorbij en zouden er ons hooguit nog vijf resten om ons op die plastic bal af te reageren.
Toen Tant die pesterij – want dat leek het toch te zijn – een keer of drie had herhaald, kon ik het niet langer aanzien en sprong ik op. Ik wachtte niet af tot het woord mij zou worden verleend en sprak: ‘Meneer, wij willen naar de speelplaats. U neemt ons onze speeltijd af.’ Mocht ik op voorhand hebben geweten hoe Daniël Tant hierop zou reageren, ik zou dit niet hebben aangedurfd. Maar ik vond de manier waarop hij ons behandelde onrechtvaardig en was van oordeel dat, na zijn recidive, mijn roep om datgene waarop wij recht hadden meer dan op zijn plaats was.
Daniël Tant – die nota bene later dat jaar Jan Houtman zou aanwrijven dat zijn, Tants dus, papegaai na enige dressuur minder moeite had om een bewijs op te dreunen – was het niet gewend te worden tegengesproken. Hij marcheerde op mijn tafel af, veegde mijn notitiemap samen met mijn handboek en schoolagenda op de grond, en schopte als een wildeman tegen het meubel aan. Hij raakte daarbij met zijn scheenbeen de rand van het tafelblad – hij moet zich daarbij hebben bezeerd, dat kan niet anders. Hoewel ik mij, met een tafel tussen mijzelf en deze onverwachte agressor in, veilig wist, stond ik toch te trillen op mijn benen. Want ja, ik was inmiddels rechtgestaan, wellicht meer om een zelfverdedigende houding aan te nemen. En nu ik eenmaal overeind stond, leek het mij niet meer dan normaal het woord te richten tot mijn klasgenoten, die allemaal behoorlijk ontdaan dit onverwachte spektakel gadesloegen.(*)
‘Waar wachten jullie nog op? Laat ons allemaal weggaan. Straks is de speeltijd helemaal voorbij.’
Maar iedereen bleef zitten, als van het Lam Gods geslagen. Ook Bert, wat mij toch enigszins ontgoochelde want dat had ik van hem niet verwacht.
‘Ik ga naar de directeur,’ stotterde ik nog. ‘Wie gaat er mee?’
Niemand ging mee. Dus stapte ik daar alleen op af, ‘gedreven door pure woede, zoals die alleen ten gevolge van echte onrechtvaardigheid kan ontstaan’.(**) Ik vond dat nogal moedig van mezelf want de kamer van de directeur, daar kwam maar zelden een leerling. En al zeker niet op eigen initiatief. Je moest ervoor tot in de priesterresidentie, en daar dan weer een kale trap op, langs een paar stoffige yucca’s die al veel te lang geen water meer hadden gekregen, tot je bij een eikenhouten deur kwam, waar je natuurlijk eerst te zacht op aanklopte, om dan, wanneer je er al van overtuigd was dat de Pette (bijnaam om evidente redenen) er niet was en op het punt stond op je schreden terug te keren, toch nog eens, iets harder, te proberen en toen je al verzoend was dat je onverrichter zake naar de volgende les moest gaan, de eerste na de speeltijd, die inmiddels voorbij was, klonk er dan toch, van heel ver, waardoor je de indruk kreeg dat het kantoor van de directeur de afmetingen had van een sporthal, een stem die zei dat je mocht binnenkomen.
(*) Zoals alles al gebeurd is en niets anders dan een herhaling kan inhouden, zo is alles al beschreven, door anderen. Daar moest ik eens te meer aan denken toen ik volgende passage las, over een gelijkaardig incident met een overschrijding van de lestijd tot voorbij het belsignaal: ‘(…) wee degene die het door een duidelijk hoorbare zucht, een kuchje of gewoon maar door op zijn horloge te kijken waagde een overschrijding van het rooster te signaleren. De afstraffing volgde onmiddellijk (…)’ (Jean Rouaud, De wereld bij benadering in: De velden van eer, 257; vertaling Marianne Kaas)
(**) De vindplaats van dit citaat heb ik niet meer kunnen achterhalen.
fragment uit Het maaiveld
Ik had het over mijn onvermogen om iets van wiskunde te snappen. Behalve die ene keer dat ik een uitzicht op begrip leek te hebben gevonden. Niet één leraar evenwel die erin slaagde om iets van dat besef vast te houden of aan te wakkeren. Ook Tant slaagde daar niet in. Van sinussen gesproken, overigens: Tant sprak met een nasale stem, die een verstopping in zijn neus verried – orgaan dat hij om de haverklap met veel ruchtbaarheid snoot. Hij schraapte ook voortdurend zijn keel.
Daniël Tant was in een vorig leven beroepsmilitair geweest en hij droeg daar in zijn manier van doen nog altijd de sporen van. Hij bewoog zich houterig van de ene kant van het lokaal naar het andere, had een scanderende trant van spreken, zette op het bord in een onwrikbaar regelmatig handschrift de tekens van zijn geheimschrift in het gelid, blafte ons toe als was hij een onderofficier die op het exercitieveld zijn rekruten meer wil intimideren dan initiëren. Om maar te zeggen dat de man weinig medemenselijkheid en empathisch vermogen aan de dag legde. Hij was dan ook nauwelijks tot helemaal niet geliefd, maar daar trok hij zich niets van aan. Het voornaamste leek hem dat zijn gezag ongecontesteerd bleef. Daar hoefde hij alvast niet veel van de energie aan te besteden die hij bereid was om, in ruil voor zijn salaris als licentiaat, in zijn job te investeren. Tant verborg zijn kaalhoofdigheid door een lange sliert haar die aan de linkerflank van zijn hoofd ontsproot over zijn schedel tot aan de andere kant te draperen. Die enkele keer dat hij buiten zonder pet te zien was, en het daarenboven waaide, kon hij op een gevecht met deze weerbarstige lok worden betrapt – wat tot enige besmuikte hilariteit aanleiding gaf.
9 juni 2025
Schrijven: een notitie over Met de wind mee en brieven aan A, M en E. De tevredenheid die ik over dat schrijven voel maakt snel plaats voor de neerslachtigheid die is veroorzaakt door (…)
*
(…) wandeling met S (…) We hebben het over (…) en over Pierre Michon en Jonathan Littell. Zij vindt Les bienveillantes maar niets. (…)
*
Eten en kaartspel met F en G bij P. We hebben leuke gesprekken. Ik vang het dialectwoord ‘veiïg’ op; het wordt gebruikt voor bevochtigde uitgedroogde tabak. Ik herinner me dat H daar cognac voor gebruikte. Ook wordt er over houtsoorten gesproken. Als olm niet beweegt, verwerkt in bijvoorbeeld trap of stoel, komt er gegarandeerd worm in. Een vlek op beuk verdwijnt altijd vanzelf. Maar tegen water kan beuk absoluut niet. De slagersbanken en -planken zijn een tijd – op last van Europa – van plastic geweest, maar daar komt men nu van terug omdat dat nog veel schadelijker is. Jammer van al die beenhouwers die vroegtijdig zijn gestopt omdat ze die investeringen niet meer zagen zitten. We hebben het even over Dikke Maurice van De Spiegel. Zijn café was een jazztempel die tot in New York bekend was. Enkel in Brugge zelf besefte men dat niet. ‘Ik was de enige,’ zegt P fier, ‘die van Maurice de toestemming kreeg om aan zijn lp’s te komen.’ Maurice was zo zwaar dat zijn camionette scheef hing. Dat beeld herinner ik mij ook nog – dat moeten de vroege jaren tachtig zijn geweest. Maar G (79) en P (76) zijn net iets ouder dan ik, oud genoeg om de Gouden Tijd (1965-1975) van het Brugse uitgaansleven ten volle te hebben meegemaakt. Na één boompje is P te moe om nog langer gastheer te zijn. Daardoor ben ik op tijd thuis om nog het laatste kwartier te zien van België-Wales: 4-3, met een schitterende winning goal van Kevin De Bruyne, op een splijtende voorzet, zoals dat dan heet, vanop rechts door Joeri Tielemans.
8 juni 2025
Tijdens het koken luister ik naar Touché. Gaea Schoeters is zeer welbespraakt. Misschien moet ik dan toch maar eens dat bejubelde Trofee lezen, ik heb het hier toch staan.
*
Het samenzijn met A, C en W is zeer geslaagd. Het doet A zichtbaar plezier, en dat is ook de voornaamste reden waarom ik dit etentje heb belegd. Ze heeft de tekening mee die ze al eerder voor mij had voorbestemd. De gesprekken gaan, onder meer, over euthanasie, artificial intelligence, privacy, reizen, wat we nog wensen in dit leven en, uiteraard, het onvermijdelijke Gaza, dat A zich ten zeerste aantrekt. C had hapjes mee, A taart, en ik had zalm klaargemaakt. Wanneer mijn gasten om vier uur weggaan, voel ik me uitgeschud en verdrietig. Ik doe een ritje met de fiets, om toch eens buiten te zijn geweest. Bijna thuis kom ik R tegen (…). Ik kom nog verdrietiger thuis dan ik al was toen ik vertrok en kruip in bed. Tot A me enkele foto’s stuurt van ons samenzijn. Ik dank haar voor de tekening en de taart. Zij: ‘Dank je voor wie je bent.’ Ik zal haar missen. Ze zei dat ze euthanasie wil wanneer ze niet meer kan gaan. Ze kan bijna niet meer gaan.
*
(…)
*
In de vijfde aflevering van Met de wind mee is Wouter Deboot te gast in een orthodox klooster in Albanië. Of was het Noord-Macedonië? Peu importe. Ik denk dat het Albanië was. Hij filmt tersluiks een monnik die een jongeman aan het bepotelen is. Akelig. Wouter is zo verstandig daar verder geen commentaar bij te geven. Toch niet expliciet, maar even later doet hij het wel door ostentatief de deur van de slaapkamer die hem is toegewezen af te sluiten. ‘Je weet maar nooit.’ In dat klooster worden jongemannen van hun drugsverslaving afgeholpen. Als ze er misbruikt worden, en daar lijkt het dus wel op, dan lijkt me dat dubbel zo erg: ze belanden van de regen in den drop.
![]() |
| Wouter Deboot (foto: Joris Casaer) |