De vanzelfsprekendheid waarmee Brouns ons (in bepaalde delen van West-Vlaanderen) nog drie jaar (in het beste geval drie jaar) water laat drinken dat de Europese norm driemaal overstijgt, is stuitend. En hoeveel jaar drinken we al zo'n water? Waar dient die norm dan voor? Nu is het opeens een 'detectienorm', geen 'gezondheidsnorm'. Semantiek is het, uit de kast te halen in noodgevallen. 'Ze zullen het wel slikken.'
dinsdag 5 mei 2026
driekleur 610
Rechts een alleenstaande rij naargeestige huizen met vier kamers, donkerrood en beroet. Links een oneindige rij fabrieksschoorstenen, schoorsteen na schoorsteen, die vervaagt in een sombere, zwartige nevel. Achter me een spoordijk die gemaakt is van het afval van de hoogovens. Voor me, voorbij het braakland, een vierkant gebouw van groezelige rode en gele baksteen met het opschrift JOHN GROCOCK, TRANSPORTBEDRIJF.
Andere herinneringen aan Sheffield: zwart beroete stenen muren, een ondiepe rivier die geel ziet van de chemicaliën, kartelige vlammen uit de kappen van hoogovenschoorstenen, het bonken en krijsen van stoomhamers (het ijzer lijkt te krijsen onder de slagen), de geur van zwavel, gele klei, het moeizaam heen en weer schommelende achterwerk van vrouwen die hun kinderwagens tegen de heuvels op duwen.
George Orwell, Dagboeken 1931-1949, 77
LVO 346
fragment uit Het maaiveld
Aan het woord is een melancholische, oververmoeide, overgevoelige, defaitistische puber die zich uitverkoren waant en die een geluk nastreeft ‘dat slechts voor weinigen is weggelegd’ (26 oktober 1979). Hij lijdt aan contactarmoede (‘een van mijn grootste zwakheden’ (1 januari 1979)) en stevent stuurloos af op ‘de nakende levensbeslissende wendingen’ (id.). Hoewel, stevenen is hier niet het juiste werkwoord. Zwalpen zou een betere werkwoordkeuze zijn – en inderdaad, dat werkwoord komt ook wel eens voor in de notities. In diezelfde notitie van 1 januari 1979 maak ik een balans op. Nieuwjaarsdag leent zich daar wel toe. Het was een voor mij bijzonder treurige oudejaarsavond geweest. Ik had alleen door de Brugse straten gelopen, vruchteloos op zoek naar wat aanspraak. Gelukkig had het die dag gesneeuwd en lag de stad er winters koud bij – op die manier had ik mij dan toch kunnen warmen aan de geneugten van het pittoreske.
maandag 4 mei 2026
LVO 345
fragment uit Het maaiveld
Ik heb de voorbije dagen de dagboeknotities doorgenomen die ik schreef tijdens die twee laatste jaren van de middelbare school. De confrontatie met die geschriften, waarin bepaalde wendingen en woordkeuzes, hoewel ik ze al meer dan veertig jaar niet meer onder ogen had gezien, toch nog vertrouwd in de oren klonken, was in tweeërlei opzicht onprettig. Niet alleen zijn die notities van een abominabele kwaliteit, ze zijn bovendien bijzonder deprimerend. Ik hoop echt dat ze nooit door iemand anders worden aangetroffen en gelezen. Vernietigen lijkt mij op dit moment de enige zinvolle optie. Dat zal ik dan ook doen, maar eerst wil ik er toch nog het weinige uit puren dat relevant kan zijn voor deze memoires. Ik veroorloof mij om in de citaten stilistische, grammaticale en orthografische verbeteringen aan te brengen. Dat laatste niet alleen omdat sinds het schrijven van deze teksten de Nederlandse spellingsregels gewijzigd zijn maar ook omdat, zoals ik tot mijn niet geringe verbijstering vaststel, de teksten waarvan ik me herinner dat ik ze destijds puntgaaf vond nogal wat fouten blijken te bevatten!
Ik heb dan toch iets bijgeleerd in al die jaren, zal ik maar denken.
De dagboeknotities zijn loodzwaar, drammerig, deprimerend, hoogdravend en pretentieus. Nergens valt een greintje humor of zelfrelativering te halen. Wat nam ik mezelf au sérieux! Maar het zijn toch ook teksten, stel ik nu zo neutraal en afstandelijk mogelijk vast, van iemand die met zichzelf overhoop lag, om niet te zeggen dat hij, die jongen van zestien, zeventien jaar die ik ooit geweest ben, ronduit depressief was. Mocht een psycholoog van vandaag zich over hem buigen, dan zou een diagnose in die richting niet uitblijven, veronderstel ik. Wanneer ik dan bedenk dat die vroegere versie van mezelf er in die tijd compleet alleen voor stond, nergens hulp zag opdagen en zelfs niet eens de mogelijkheid overwoog dat er eventueel hulp zou kunnen worden ingeroepen, dan kan ik niet anders dan een vorm van medelijden voelen opkomen en mijzelf gelukkig prijzen dat ik die periode van mijn leven dan toch nog min of meer heelhuids heb doorstaan.
zondag 3 mei 2026
vorig jaar 364
3 mei 2026
(…)
*
Ik breng de dag grotendeels met lezen door: De onzichtbare steden, Brendan Behan en de eerste helft van Filosofie van de kroeg van Hans Schnitzler. En met slapen – ik voel me niet fit genoeg om op mijn koersfiets te springen, wat ik me nochtans, gezien het mooie weer, had voorgenomen te zullen doen. Schrijven doe ik ook, onder meer aan een nieuw boekverhaal, over Liefde in tijden van cholera.
*
Etentje bij X en Y. (…) Ik noteer enkele anekdotes. Over Guido Gezelle, die van monseigneur Faict een uitbrander kreeg wegens zijn ‘esprit de contradiction van de pierste specie’; over Gezelle die volkse uitdrukkingen noteerde, ook in de biechtstoel, onder meer van iemand die bekende: ‘Eerwaarde, ‘k én in de poepstroâte geweund’ (anaal gepenetreerd); of Y die zegt dat het minder lang duurt om een Egyptische piramide te bouwen dan om het asbest uit het Berlaymontgebouw te verwijderen (…); of X die zegt dat Y soms in zijn slaap roept, onlangs nog: ‘Al die papabelen moeten mij met rust laten!’ (We hadden het over wie kans maakt om paus te worden; Y denkt dat het ‘die Filipijnse homo’ zal worden.) We hebben het ook nog over Z, die vindt dat zijn zoon L een relatie moet aangaan met een van de meisjes in zijn klas. Maar L vindt die meisjes dom. Waarop zijn vader zegt: ‘Tuttut, ge kunt ook leren rijden op een dom paard!’ We hebben veel gelachen.
zaterdag 2 mei 2026
vorig jaar 363
25 april 2025
(…)
26 april 2025
(…)
27 april 2025
(…)
28 april 2025
(…) Ik breng de avond door met de laatste afleveringen van de serie Long Bright River. Ik moet een paar keer een traan wegpinken. Het is een mooie dag geweest.
29 april 2025
(…)
*
30 april 2025
(…)
1 mei 2025
(…)
2 mei 2025
Laatste bladzijden van Door eigen hand van Joost Zwagerman. Ik krijg zin om nu toch eindelijk eens David Foster Wallace te lezen. Wat die ‘ode’ van David Van Reybrouck in Zwagermans zelfmoordboek komt doen, is mij niet duidelijk. Idem voor het gedicht van Lucas Rijneveld voorin.
*
Daguitstap met X. (…) In de auto praat ze honderduit. We lachen veel. Eerste stop in Tournehem, waar we iets drinken in het Café de la Mairie. Wandeling naar de ruïne van de église Saint-Louis de Guémy. Prachtige site. (…) We eten iets in hetzelfde café. Praatje met de uitbaatster over de toestand van de kleine neringdoenerij op het Franse platteland. Hier redden ze het dankzij het de laatste jaren sterk toegenomen toerisme. En ook omdat de echtgenoot werkt. Maar nu nemen de grandes surfaces ook de gokbusiness over. We rijden nog naar het beeld van de zaaier in Clerques en lopen even de kerk van Bollezeele binnen, waar alles in gereedheid is gebracht voor een huwelijk de volgende dag. Terug langs Watten en De Moeren. (…)
vrijdag 1 mei 2026
17 * 60,1 * 26,8 * 138 * 1003,6
Dudzele - Siphon - Moerkerke - Donk - Oostveld - Knesselare - Sint-Joris-ten-Distel - Beernem - Moerbrugge - Oostkamp - Steenbrugge - Sint-Michiels
LVO 344
fragment uit Het maaiveld
We waren zestien toen we met nog een paar klasgenoten voor onszelf een weekend hadden gearrangeerd in een verlaten, enkel nog door de Chiro gebruikte villa in de Assebroekse Sint-Katarinawijk. Die intussen alweer vele jaren geleden afgebroken villa heette: ‘t Onze. Ik zeg ‘gearrangeerd’ omdat we het listig aan boord hadden gelegd: door beide partijen – zowel ouders als klastitularis – iets voor te houden in verband met de duur van onze alternatieve bezinningsdag en met het tijdstip van terugkeer naar huis hadden we voor onszelf de mogelijkheid geschapen om er een tweedaagse van te maken. We hadden een avond en een nacht het rijk voor ons alleen in ‘t Onze. We profiteerden er dan ook van, met de attributen die toen zowel organisatorisch als financieel binnen ons bereik lagen: muziek, tabak en een bak Jupiler.
Waarmee we ons overdag bezighielden, weet ik niet meer. Maar wat ik wel nog weet, is dat we de avond met onze zelfgerolde sigaretten en werkmanspintjes – bier uit het flesje dus – rond een haardvuur doorbrachten. Na een zweverig collectief gesprek – we waren high zonder drugs – kwam ik uiteindelijk, elk op zijn luchtmatras en in zijn slaapzak, naast mijn vriend te liggen. Om te slapen uiteraard, maar dat kon niet, vond Bert, zonder eerst nog naar het volledige nummer ‘Echoes’ van Pink Floyd te hebben geluisterd, de tweede kant van de lp Meddle. Ik kende die muziek wel maar het was toch de eerste keer dat ik haar aandachtig beluisterde, van de iele hoge tonen waarmee het stuk begint over het galopperende tussenspel met veel synthezisergedreun totdat ze ijl uitsterft. Tja, meer had ik in die tijd echt niet nodig om in trance te geraken.
Van de tweedaagse in ‘t Onze is een foto bewaard gebleven, als tastbaar bewijs dat het weekend wel degelijk heeft plaatsgevonden. Wie die foto heeft gemaakt, is mij niet bijgebleven. Bert en ik, allebei in kakigroene parka, staan op het bordes van de villa vriendschappelijk naast elkaar te lachen naar iemand (niet de fotograaf maar wie dan wel?) die zich buiten het kader ophoudt. Bert lacht voluit zijn witte tanden bloot. Ik lach, zoals ik toen altijd deed, geremd. Maar ik zie er op die foto toch gelukkig uit.
donderdag 30 april 2026
LVO 343
fragment uit Het maaiveld
Het derde en vierde jaar van de middelbare school lieten in mijn geheugen nauwelijks een spoor achter. De twee titularissen, meneer H. en meneer D., blonken uit in onopvallendheid, onnadrukkelijkheid, onveelzeggendheid, onbeduidendheid.
Bert Palfyn hoefde in onze grijze klas echt geen moeite te doen om een dominante figuur te zijn. Niet dat het vestimentaire in die tijd een grote rol speelde, en al zeker niet bij ons, maar door enkele accenten te leggen met een sjaal, een daim blazervest of een groene parka-anorak, kon je je al flink van de rest onderscheiden en wij waren daar natuurlijk ook, op onze manier, op uit. In de winter mocht een lange gebreide sjaal niet ontbreken. Bert droeg kleren die mij deden inzien dat mijn garderobe door mijn moeder met maar heel weinig inspiratie werd gestoffeerd. Ook haarlengte speelde een rol. Bij mij reikte het op een gegeven ogenblik tot op mijn schouders, Bert had een bruine krullenbol.
Met zijn gave gebit kon hij zich een gulle lach permitteren. Aangezien hij graag lachte, kwam hem dat goed uit. Ja, dat was wel zijn opvallendste kenmerk: zijn lach. Als hij voluit lachte, en dat deed hij vaak, kneep hij de ogen in zijn bolle aangezicht dicht en weerklonk er ergens diep in zijn keel een schrapend geluid. Niemand lachte zoals hij.
De jongen met wie ik zo graag bevriend wou zijn, probeerde trouwens in alles voluit te gaan: hij voetbalde graag en goed, blokte zich te pletter voor examens en toetsen (die wij repetities noemden) en had de neiging te dwepen met zijn idolen. Dat voluit gaan was, zo vermoed ik nu, wellicht het kenmerk dat mij het meest in hem aantrok. Ik was gematigd, bezadigd, voorzichtig. En daardoor ontevreden want mensen die voluit gaan en risico’s nemen maken meer kans om gelukkiger te zijn.
woensdag 29 april 2026
LVO 342
fragment uit Het maaiveld
Het voetbal verloor stilaan zijn betovering. Zeker toen, als gevolg van de veiligheidsmaatregelen die zelf waren voortgevloeid uit het hooliganisme, de staanplaatsen door zitplaatsen werden vervangen. Samen met de lonen van makelaars en spelers stegen de prijzen van de toegangstickets. Vlaggen werden verboden. De Spionkop distantieerde zich van het janhagel dat de westtribune had ingenomen. Kortom, dat hele voetbal werd steeds minder een aangelegenheid voor Jan met de Pet.
De Heizel vormde acht jaar na de bekerfinale van 1977 het toneel van verschrikkelijke gebeurtenissen die wij allemaal live op tv konden volgen en waarnaar nog vele jaren later wordt verwezen met het woord ‘Heizeldrama’. Op de Heizel verloor, in mijn beleving, het voetbal definitief zijn onschuld.
Nu, anno 2021, is het hele spelletje helemaal om zeep. Nergens anders wordt de diepe werking van de kapitalistische logica zo cynisch zichtbaar gemaakt en tegelijk zo cynisch ongemoeid gelaten als in het voetbal. De concentratie van het geld heeft ervoor gezorgd dat in heel Europa nog een tiental clubs de plak zwaaien. Zij kopen alle beste spelers op, zij houden de mensenhandel in stand, zij fungeren als witwasmachines voor duister geld uit de Emiraten, maar ook uit de voormalige Oostbloklanden en, dichter bij huis, de zakken van de autochtone maffia’s. Sympathieke ploegjes als Club Brugge – waar nochtans ook vele miljoenen rondgaan en die al evenzeer het speeltje zijn van magnaten – komen er niet meer aan te pas. Real Madrid, Manchester City, Juventus Turijn, Bayern München, Paris Saint-Germain en nog een paar andere geldmachines verdelen de poen onder elkaar op het miljoenenbal van de Champions League, en de rest mag meedoen als garnituur.
Dat is de hele superstructuur. Maar het voetbal is ook op zich verziekt. De mores op het veld en in de bestuurszetels namen een duik. Spelers binden zich niet meer aan een club maar spelen enkel nog voor de etalage, in de hoop een lucratieve transfer te versieren. De samenstelling van de ploegen wordt steeds exotischer en achter elke opgestelde Afrikaan staat een leger van zwarte jongens die het niet hebben gehaald en die in een of andere illegaliteit belanden. Het spel zelf is sneller en – op hoog niveau – mooier om naar te kijken, maar het wordt ontsierd door beenharde tackles en vooral door het eeuwige veinzen en mekkeren door vedetten die bij de minste aanraking – hoewel voetbal toch een contactsport is – kermend over het gras rollen, om dan weer snel op te staan wanneer blijkt dat de scheidsrechter niet bereid is om zich door hun komedie te laten misleiden. Is de bal uit, dan zie je altijd, maar dan ook altijd, allebei de rivaliserende spelers die het duel aangingen de ingooi of hoekschop claimen. Schwalbes worden zelden correct bestraft. Enzovoort. Toch vreemd dat dergelijke zaken in bijvoorbeeld rugby niet voorkomen. Of nog niet.
dinsdag 28 april 2026
LVO 341
fragment uit Het maaiveld
Natuurlijk konden wij niet mee wanneer Club in Ipswich of Milaan of Madrid moest spelen. De radio bood soelaas – televisiereportages waren toen veeleer zeldzaam, die inflatie moest nog op gang komen. Op een woensdagavond in november 1976 was ik speciaal naar Benoni gegaan om samen met hem te luisteren naar Jan Wauters, die in Madrid de uitwedstrijd van Club tegen Real van commentaar voorzag. Het was een spannende, gelijkopgaande match, die op 0-0 eindigde. Wij luisterden gekluisterd – Wauters beschikte over het vermogen om een verre veldslag zodanig met woorden te schilderen dat het was alsof we er middenin zaten. We vloekten bij tegenslag, maar vlogen elkaar om de hals wanneer Lambert bijna scoorde. Ik herinner mij de grote verbondenheid die we toen ervoeren: met wat er zich bijna tweeduizend kilometer van huis afspeelde, en tussen ons, in onze gedeelde passie.
De miraculeuze ommekeer tegen Ipswich (4-0-winst thuis na 3-0-verlies ginder; het is in Brugge en omstreken een stadslegende geworden) en de bekerfinale van 1977 tegen aartsrivaal Anderlecht in het – toen nog niet door onheil bezwaarde – Heizelstadion zijn de mooiste herinneringen gebleven. Ik was samen met Benoni, zijn broer Eric en diens vriend François naar Brussel gereisd. François van der Haert was van adellijke komaf, net als Benoni overigens, en ook Franstalig van huis uit. Hij was altijd vriendelijk en sprak mij aan in het Brugs, zij het dat het een gebrekkig Brugs was. Hij had met zijn groene loden de allure van een verstrooide edelman; mocht hij hebben geleefd in de tijd van de Finzi-Contini’s, hij zou ons vast en zeker met een strohoed op zijn hoofd in een open Hispano Suiza naar Brussel hebben gevoerd.(49)
De R4 van François was ook open of, juister, kon worden opengemaakt door het linnen dak op te rollen. Dat deden we dan ook toen we na de memorabele, met 4-3 gewonnen finale in Brugge terugkeerden. We reden de Markt op, ik stak mijn vlag door het open dak, en zo maakten we – tot grote verbazing van de Japanse toeristen, terwijl de Bruggelingen wel wisten wat er aan de hand was en ermee konden lachen – een drietal ererondes alvorens met piepende banden de Wollestraat in te duiken.
maandag 27 april 2026
facebookbericht 1215
Ik had vannacht ook een werkgerelateerde droom. Ik droomde dat ik een passagiersvliegtuig boven Brussel zag neerstorten. Op de flanken van het vliegtuig stond in koeien van letters, in hetzelfde lettertype als op de voorpagina van die krant: 'De Standaard'. Ik dacht nog, misschien zit Peter Vandermeersch in dat vliegtuig.
LVO 340
fragment uit Het maaiveld
De match tegen Juventus, een halve finale, was wellicht de meest memorabele. Het 1-0-verlies in Turijn was overkomelijk. Toen de match begon, hadden Benoni en ik er al vier uur wachten op zitten. Ik had een vlag mee, een bezemsteel waaraan twee monochrome, door mijn moeder aan elkaar genaaide lappen stof waren vastgemaakt.
Blauw
en zwart forever!
‘t
sien de kleuren van de ploeg
wô
da me supporter va zien!
Toen rechtsback Fons Bastijns al heel vroeg in de match Dino Zoff het nakijken gaf, vloog de hele tribune elkaar in de armen. Ik belandde ergens tien treden lager, ging zelfs een tijdje kopje onder. Mocht de sfeer niet zo vriendelijk zijn geweest, ik zou allicht door doodsangsten zijn overvallen. Maar nu had ik er alle vertrouwen in dat iemand mij zou redden. Als een drenkeling stak ik mijn hand in de lucht en werd bovengehaald. Mijn vlaggenstok was gebroken. Ik keerde terug naar mijn plek. En dan was het wachten en nagelbijten. Na negentig minuten was het nog altijd 1-0. Ik moest dringend plassen maar er was geen sprake van mijn plaats op te geven. Toen het einde van de tweede verlenging naderde, hield ik het echt niet meer uit. Ik maakte al aanstalten om alsnog mijn goede plaats op te geven, in de hoop dat ik tijdig terug zou zijn voor de penaltyreeks. Uitgerekend dan scoorde René Vandereycken, drie minuten voor tijd. Ik ben hem er nog altijd dankbaar voor. De vreugde was euforisch.
Tegen
de Club gô je nie wi-i-nnen
Halli,
hallo, nie wi-i-nnen
Omda
da keijarte zien
Blauw
en zwart
Omda da keijarte zien
zaterdag 25 april 2026
notitie 518
INTIMIDATIES
In het Radio 1-nieuwsprogramma De Ochtend is iedere zaterdag een hoofd- of anderszins vooraanstaande redacteur uit de geschreven pers te gast met een vaste rubriek, die uit twee delen bestaat. In het eerste deel mag de gast-van-de-week reclame maken voor haar of zijn eigen krant. Nogal logisch maar toch meteen gekleurd is de toelichting die Isolde Van den Eynde vandaag geeft bij het interview dat ze zelf heeft gemaakt met Valerie Van Peel, de voorzitster van de N-VA. In het tweede deel wordt de schrijvendepersjournalist verzocht om twee artikels uit de concurrerende kranten te bespreken. Isolde kiest uit het immense weekendkrantenaanbod voor uitgerekend een artikel uit De Standaard over de PVDA. De presentator van De Ochtend laat haar nogal uitvoerig parafraseren wat daarin staat. Ik ga geen antireclame maken voor de partij waarvan ik zelf een lidkaart heb, maar het moge duidelijk zijn dat Isolde er niets positiefs over te melden heeft. Hiërarchische structuur, top-downdictaten, inlevering van de bezoldiging… tot en met de Oeigoeren: Isolde maakt meer dan gebruik van de gelegenheid. En alsof dat nog niet genoeg is, kiest ze als tweede artikel, dit keer uit De Morgen, een bijdrage over de oorlogsdreiging en de dringende noodzaak om zich daartegen te bewapenen. Ook niet echt een neutrale keuze, durf ik in al mijn argeloosheid te denken.
Ik vind die zaterdagrubriek van De Ochtend razend interessant omdat hij de ideologische lijnen in onze geschreven pers even wat beter zichtbaar maakt, voor ze weer onder de dagelijkse ruis van emoties en entertainment verdwijnen.
Wanneer Isolde dan eindelijk uitgeraasd is, neemt de presentator afscheid van haar: ‘Blijf nog even hangen want zo dadelijk hebben we hier Valerie Van Peel te gast.’
Ik ben al een tijd geen klant meer van De Afspraak, het zogenaamde duidingsprogramma van de VRT-televisienieuwsredactie, maar ik weet uit goede bron dat Isolde daar samen met nog een paar andere reactionaire coryfeeën een vaste klant is om het neoliberale beleid niet aan te vallen.
Het Laatste Nieuws is samen met De Morgen de belangrijkste krant van De Persgroep (waar ook het ooit rebelse Humo deel van uitmaakt). De Persgroep staat via vastgoed- en financiële constructies in zeer nauw contact met de Antwerpse elite. Wie voor HLN werkt, werkt dus voor de Antwerpse elite. Daar moet, denk ik, geen tekeninkske bij worden gemaakt. Via de door de N-VA geleide raad van bestuur en een door diezelfde N-VA geparachuteerde CEO (zie het artikel van hoofdredacteur @Karl van den Broeck in Apache achter de link onder dit stuk) dwingt die Antwerpse elite de openbare omroep VRT tot een onhoudbare spreidstand tussen jaknikken (zogenaamde specialisten van rechtse signatuur de door de powers that be gewenste propaganda laten spuien en links zoveel mogelijk buiten beeld houden) enerzijds, en anderzijds het brengen van deontologisch correcte onderzoeksjournalistiek.
Deontologisch correcte onderzoeksjournalistiek zoals de al vaak aangehaalde Pano-reportage van vorige week over de drones van onze N-VA-minister van Defensie. Sinds die reportage dreigt de spreidstand tot een liesbreuk te leiden of in elk geval tot een dijkbreuk want de opgehouden schijn van goede verstandhouding heeft in elk geval een flinke deuk gekregen. N-VA-politici spreken nu openlijk dreigende taal. Naast het in het artikel van Apache genoemde voorbeeld (zie link hieronder; het artikel is gratis beschikbaar), heb ik weet van minstens twee recente voorbeelden, die wijzen op een georkestreerde aanval.
Eerste recente voorbeeld. Op 17 april hoorden we op VRT-Radio 1 in het nieuwsbulletin van 11 uur Theo Francken zeggen dat hij een audit zal laten uitvoeren naar zijn omstreden aankopen van antidronesmaterieel. We horen hem ook nog zeggen dat er misschien bij de VRT ook maar eens een audit moet gebeuren. (In het volgende nieuwsbulletin is die uitval weggeknipt, wat ook wel iets zegt over angst, intimidatie en repressie.)
Tweede recente voorbeeld. In de plenaire vergadering van het Vlaams parlement van 22 april blikte Line De Witte van de PVDA vooruit op een Pano-reportage – alweer Pano! – over het middelengebrek in het buitengewoon onderwijs. Minister Demir (N-VA) verbaasde zich over het feit dat De Witte woensdagnamiddag al leek te weten wat er woensdagavond op tv zou te zien zijn: ‘Dank u, collega’s van de PVDA. Jullie weten blijkbaar heel duidelijk wat er in de Pano-reportage zit. Zeer interessant!’ Ook dat is intimidatie.
De oorlog die N-VA tegen VRT wenst te voeren – onder het mom van besparingen, maar in werkelijkheid met het oog op een volledige privatisering en entertainmentarisering of verberlusconisering en dus controleerbaarheid van de nieuwsgaring – wordt meer en meer open. Het is meer dan ooit tijd om zich te abonneren op Apache, een van de laatste overgebleven bronnen van onafhankelijke journalistiek. (Die overigens bijna systematisch zelf ook door de N-VA wordt aangevallen – denk aan de juridische vervolgingen na kritische artikels, of, recent nog, het schrappen van een goedgekeurde subsidie door federaal minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon, die ook – er zit wel degelijk een systeem in – voor de N-VA fietst.)
Toen ik onlangs mijn netwerk tot de aanschaf van een abonnement wilde aanzetten, kreeg ik van een van mijn contactpersonen de opmerking: ‘Waarom zou ik mij abonneren op Apache? Ik lees al genoeg kranten en doe mijn best om mij zo grondig mogelijk te informeren: De Standaard, Le Monde, Knack. Ik heb echt geen tijd genoeg om er ook nog Apache bij te nemen.’ Maar daar gaat het niet om. U moet zich abonneren op Apache niet om Apache te lezen – wat u natuurlijk altijd wel kunt doen, des te beter zou ik zeggen – maar om de vrije nieuwsgaring te behoeden voor de oprukkende dictatuur, die, zoals de geschiedenis leert, altijd begint met het bezetten van de onafhankelijke vierde macht. De Wereld Morgen of Mo* steunen kan natuurlijk ook. Maar veel meer mogelijkheden dan dat zijn er bij mijn weten niet.
Apache:
https://apache.be/2026/04/25/aanval-van-n-va-op-vrt-moet-alle-alarmen-doen-afgaan?mtm_campaign=MC
De
Ochtend:
https://www.vrt.be/vrtmax/luister/radio/d/de-ochtend~11-19/de-ochtend~11-35986-0/fragment~54281f7c-552b-447c-a261-cd7ca4f64a1b/
Vlaams
parlement:
https://www.vlaamsparlement.be/nl/parlementair-werk/plenaire-vergaderingen/2017037/verslag/2023761
Steun
Apache: https://apache.be/steunapache
LVO 339
Het Spionkop genaamde huisorkest warmde tijdens het laatste kwartier voor de aftrap de sfeer op met een rondgang rond het terrein. Een trommelaar, twee trompettisten, een dirigent en een madame met een sacoche brachten de tribunes aan het zingen.
Serio, serio, in Brugge zingen ze zo...
Voor de tribune met de bezoekende supporters stond het orkestje even stil:
Anderlecht
buut'n en Standard kapot
Hiv
uus de beker en Brugge wor' zot.
Het was een goedig jennen, dat door de bezoekende supporters dan ook heel sportief werd opgevat. Tegenzangen werden ingezet, en die werden dan weer overstemd door het veel talrijkere thuispubliek. De Spionkop eindigde zijn rondgang voor de eigen tribune en vatte daar het door iedereen gedeelde repertoire aan, dat steevast eindigde met een poging tot You'll never walk alone. Na die rondgang klom het huisorkest naar zijn houten podium hoog in de volgelopen westtribune. De samengedrongen massa week uiteen, galant zoals eens de Rode Zee, voor het groepje muzikanten en de mevrouw met de handtas. Er was veel hilariteit en goede luim.
Van het hooliganisme, dat vanaf de jaren tachtig de sfeer danig zou verzieken, was nog geen sprake. De voetbaltribune werd nog door eenvoudige arbeiders bevolkt, niet door verwende macho’s die het voetbalstadion niet omwille van het voetbal als uitlaatklep voor hun agressie kozen maar omdat ze daar nu eenmaal een groot podium vonden voor de regeling van hun testosteronspiegel.
vrijdag 24 april 2026
vorig jaar 362
23 april 2025
(…)
*
Ik ben onder de indruk van de meticuleuze analyse, een fenomenologie eigenlijk, van de rouw om de dood van een kind in Tom is dood van Marie Darrieussecq. Ze toont de oeverloosheid en redeloosheid van het verdriet, en, door de uitputtende beschrijvingen, altijd zeer gedetailleerd, de meedogenloze duur ervan.
*
(…) Het gesprek begon bij een Facebookpost van X, die instemde met een statement over het ongepaste gebruik van psychologiserende adjectieven omdat je daarmee mensen kunt ‘kwetsen’. In de trant van ‘Dat is een schizofrene situatie’ of ‘Je zou er paranoïde van worden’. Ik had op die post gereageerd door te stellen dat het zichzelf toedichten van psychologiserende etiketten kan worden misbruikt als excuus, bijvoorbeeld voor slordigheid of chaotisch sociaal gedrag – een aandoening waar dan weer een letterwoord voor bestaat die mij nu even ontgaat. (…) We hebben het ook nog over woke regelingen van het sociaal verkeer tussen de seksen: een normale interactie wordt stilaan heel moeilijk, ook als er in de verste verte geen sprake is van seksuele intenties of verlangens. (…)
24 april 2025
(…) Gaat het mij niet vooral om de drang mezelf ervan te overtuigen dat ik nog lééf, dat ik nog niet definitief moet worden afgeschreven. (Ik ben ‘afgeschreven’ zou ook kunnen betekenen, toch voor échte schrijvers, wat ik zelf niet ben, dat ze uitgeschreven zijn en dus in die zin geen aanspraak op léven meer kunnen maken, dat ze daar afstand van moeten nemen.)
*
Tom is dood is toch wel een knap boek. Darrieussecq focust zo hard op de diepte, op de intensiteit, op de duur en verwikkelingen van de rouw, dat je vergeet dat de dood van dat kind ook nog een oorzaak moet hebben gehad. Wanneer die dan eindelijk op de proppen komt, als het ware kwansuis, zet dat nog extra die focus in de verf. Knap gedaan! Darrieussecq werd plagiaat verweten, zo lees ik op Wikipedia. Door een vrouwelijke auteur die een gelijkaardig boek had geschreven, maar dan wel vanuit een eigen ervaring. Deze schrijfster nam het niet dat haar authentieke rouw als het ware werd gedevalueerd door een collega die er alleen maar een theoretische kennis van kon hebben. Van die hele plagiaatzaak kwam uiteindelijk niets in huis.
*
Door eigen hand van Joost Zwagerman kun je niet onbevangen lezen omdat je weet dat hij uiteindelijk zelf ook de hand aan zichzelf heeft geslagen. Sommige uitspraken krijgen daardoor een bijna luguber voorspellend karakter.
*
Ik mag hopen dat de kleffe homo-erotiek in Été 85 (Ozon, 2020) een persiflage is. Hier heerst dezelfde sfeer als het al even kleffe Call Me By Your Name (Luca Guadagnino, 2017). Als ik zie welke karikatuur Valeria Bruni Tedeschi neerzet als hysterische huisvrouw-slash-winkelierster, denk ik dat het toch een persiflage moet zijn. Vreemd, overigens, dat Ozons film van 2020 is, zo verouderd is hij. Ik dacht aanvankelijk dat het een jeugdzonde moest zijn, maar toen ik Valeria zag opdraven, wist ik dat dat niet kon.
*
(…)
donderdag 23 april 2026
LVO 338
fragment uit Het maaiveld
We vertrokken altijd heel vroeg naar het stadion. Voor de match die pas om acht uur begon, stonden wij al om vier uur bij het hek te wachten. Om zes uur, wanneer de stadionpoort eindelijk werd geopend, spurtten we als eersten naar de omheining rond de tribunes. Daar wisten wij een plek waar op één plaats de ruimte tussen de spijlen net breed genoeg was om onze toen nog zeer slanke lichamen doorheen te wurmen. Vervolgens haastten we ons naar de plaats achter het muurtje boven een van de trappen die toegang gaven tot de staanplaatsentribune achter het doel. De mensen stonden dicht op elkaar, zo dicht dat het wel eens gebeurde dat je als klein manneke minutenlang met je voeten de grond niet raakte: gekneld als een worst in een hotdog van de firma Verkinderen, die bij de stadionpoort een kraam uitbaatte, werd je tussen de wildvreemde buren links en rechts opgetild.
Johan Louagie, een kruidenierszoon met neiging tot corpulentie, geraakte maar moeizaam door die spie in de omheining. We moesten hem er door sleuren.
De tribune waar wij gingen staan, was de westelijke, het dichtst bij de kerk van Sint-Andries. Onze dichtste buren waren de aflijvigen op het kerkhof – wat radioreporter Jan Wauters tijdens dode momenten tot lyrische beschouwingen verleidde waarin hij de futiliteit van het spelletje afwoog tegen de fataliteit van de zerken. De Heer hebbe zijn ziel, Wauters was een van mijn grote voorbeelden en zonder enige twijfel, als het op taal aankomt, een bron van inspiratie.

























