fragment uit Het maaiveld
Ik
was met frisse tegenzin naar die reünie gegaan. Maar met het oog op
het schrijven van deze memoires leek het me toch raadzaam om de kans
te baat te nemen om wat inspiratie op te doen. Ik zou het opvatten
als veldwerk. Als een observatie. Van de anderen, hoe zij geworden
waren en welke verhalen zij nog wisten te vertellen, maar vooral toch
ook van mezelf, hoe ik op dat alles zou reageren. Ik verlangde er
niet naar mijn voormalige klasgenoten terug te zien. Dat was
natuurlijk op zich al betekenisvol. Ik dacht – en denk nog altijd –
niet graag terug aan die tijd. Het kon alleen maar uitdraaien op een
confrontatie met een onverkwikkelijk verleden. Bovendien waren er bij
de drie afwezigen al twee die ik nu net wel graag had teruggezien:
Dirk F., met wie ik in de loop van die veertig jaar een paar keer een
gezellige babbel had gehad op de trein, en Bert Palfyn. Ik was
nieuwsgierig naar hoe het Bert was vergaan – we waren per slot van
rekening toch een paar jaar heel goed bevriend geweest.
De
aanhef van de uitnodiging voor de reünie, per e-mail verstuurd,
klonk erg bizar: ‘Hebt u een fiets? Neem dan uw fiets, rij naar
huis, pak uw geweer en schiet u dood.’
Het
was een citaat, en de eronder toegevoegde initialen ‘D.T.’ lieten
er geen twijfel over bestaan: voor Jan was het onmogelijk om bij het
opstellen en versturen van deze uitnodiging te doen alsof er
indertijd niets was voorgevallen. Al van in deze aanhef klonk de
bitterheid door die ook voor mij nog altijd, na vier decennia,
onvergeten, onverteerd en onverwerkt was. De initialen waren die van
onze wiskundeleraar van de laatste twee jaar: Daniël Tant.
Een
paar dagen na de voor het overige vrij neutraal opgestelde
uitnodiging kreeg ik, samen met de vijftien anderen, post uit
onverwachte hoek. Bert Palfyn liet weten dat hij op de voorgestelde
datum in het buitenland vertoefde, maar hij beloofde er alles aan te
doen om aanwezig te zijn als er binnen vijf jaar een vervolg zou
komen. Hij had echter wel nog een ‘serieuze opmerking bij het mooie
initiatief van Koen en Jan’: ‘de quote van ene D.T. bovenaan hun
mail maakt mij na meer dan vier decennia nog steeds opstandig en
ambetant – het zijn dergelijke mensen, er waren er nog, die ervoor
hebben gezorgd dat ik niet de meest aangename herinneringen heb aan
mijn humanioraperiode – zeker de tweede helft, ik herinner ze mij
niet als mijn meest vruchtbare en vrolijke jaren. En ik ben niet de
enige.’
Bert
besloot zijn mail, vreemd genoeg, met het gedicht ‘The Mower’ van
Philip Larkin:
The
mower stalled, twice; kneeling, I found
A
hedgehog jammed up against the blades,
Killed.
It had been in the long grass.
Het
was een mooie brief. Er
was duidelijk op gewerkt. De toevoeging van het gedicht was raak,
Bert ten voeten uit.
Ik
voelde mij aangesproken en antwoordde:
Beste
ex-lotgenoten,
Het
is jammer dat we niet voltallig zullen zijn. Maar laat het ons
positief bekijken en vaststellen dat het beter is dat de afwezigen
zich in het buitenland ophouden dan in het hiernamaals.
Ik
kijk uit naar de herinneringen van diegenen die er wél zullen zijn,
vooral de goede dan want zelf heb ik die nauwelijks en dat is niet
omdat mijn geheugen voor wat betreft die jaren niet goed zou zijn.
‘The
Mower’ van Larkin, Bert, dat moet lukken want het – volgend jaar
te verschijnen – derde deel van mijn in eigen beheer uitgegeven
autobiografie zal onder andere de herinneringen aan mijn collegejaren
behandelen en dus ook die aan het debacle van de laatste twee jaar.
Dat derde deel zal Het
maaiveld heten.
Het maaiveld, zijnde dat wat diegene die er zijn kop bovenuit
probeert te steken de kop kan kosten.
Het
is met zeer gemengde gevoelens dat ik aan die tijd terugdenk, maar ik
hoop desalniettemin dat het een leuke avond wordt.