Vivenkapelle - Moerkerke - Maldegem - Kleit - Oedelem - Assebroek - Sint-Kruis
zaterdag 1 augustus 2026
mijn stad
notitie 520
In zijn dagboeken (1) lees ik dat Wannes Van de Velde omstreeks de millenniumwissel een paar keer Brugge bezocht. Uiteraard ontgingen ook hem het ‘(p)aardengetrappel en horecawalmen alom’ (411) niet. Maar hij bekeek Brugge ook met een buitenstaandersblik die probeerde zich niet te stoten aan oppervlakkige ergernissen. Wannes spreekt met gemengde gevoelens over Brugge, dat volgens hem ‘meer dan één irreële dimensie’ heeft. ‘Er is iets met de leegte hier. Bruges, la Morte? Toch wel, ja, als je maar voorbij de uiterlijkheden wilt kijken. Dan vertelt ze iets over het onstuitbare verlies. Haar diepe stilte, die Fernand Khnopff (2) zo kon intrigeren, is verdwenen, maar er leeft een onderhuidse echo van voort. Men wil – en dat is eigen aan het Vlaanderen van het jaar 2000 – dat Brugge een dynamische stad wordt, een glunderend gezicht van Vlaanderen, maar toch is er hier een aanwezigheid die ons meewarig blijft aankijken en ons tot stilte noopt.’ (407) In augustus 2000, toen hij samen met zijn vrouw twee weken lang, op vankantie in eigen land, in Brugge verbleef, schreef hij: ‘Ik een borrel en Christa een Stella in Café Soeur Sourire, op een goede honderdvijftig meter van het Minnewaterpark. Een volks café. Er wordt uitsluitend Brughs (sic, PC) gesproken, maar wanneer twee Duitse dames komen informeren naar de Parkplatz van hun bus, antwoordt de bazin in trefzeker Duits. Zonder hapering vliegt het eruit, en tschüsz! Merkwaardig volk toch. Ze spreken moeiteloos vier, vijf talen. Je vraagt je af waarom ze niet trotser zijn.’ (459-460)
Ben ik trots op ‘mijn stad’? In welke mate kan ik Brugge ‘mijn stad’ noemen? Schuurt en wringt in die vraag niet meteen iets?
Neen, dit wordt niet de zoveelste jeremiade over het overtoerisme in het zogenaamd middeleeuwse Brugge. (Al zal ik het toch even niet kunnen laten.) Of over het zichzelf ‘fietsstad’ noemende ‘openluchtmuseum’. Over de excentrisch gelegen niet eens zo grote provinciestad waar bestuur en handelaars gezamenlijk de plak zwaaien en waar de nooit eerder voldoende uitgedaagde bewindvoerders kritiek al te gemakkelijk als ‘activistisch’ wegzetten.
Maar we gingen het niet over politiek en wel over ‘mijn stad’ hebben.
Wat betekent dat, ‘mijn stad’? Het bezittelijk voornaamwoord drukt geen bezit maar een relatie uit. (Neen, geen ‘relatietje’.) Een relatie, zoals in ‘mijn kinderen’ of ‘mijn leven’. Als ik Brugge als ‘mijn stad’ beschouw, zou dat kunnen betekenen dat ik er geboren ben, dat ik er al mijn hele leven woon, dat deze stad een wezenlijk bestanddeel vormt van mijn identiteit.
Ik ben niet in Brugge geboren, maar woon er nu wel al meer dan zestig jaar. Veertig jaar lang groeide ik op in de randgemeenten Assebroek en Sint-Kruis, en ik woon nu al twintig jaar ‘op’ Kristus-Koning. Ik woonde dus nooit in de binnenstad. Alleen daardoor al mag ik mijzelf minder, vind ik, als een ‘echte’ Bruggeling beschouwen.
Als kind overbrugde ik maar zelden de 5 kilometer die de Populierendreef 29 van de Grote Markt scheidden. Mijn leven speelde zich af op Ver-Assebroek, in de Sint-Lutgardiswijk, het Paalbos, Ryckevelde. Later kwamen daar Sint-Kristoffel bij, waar ik school liep, en Sint-Kruis, waar enkele vrienden woonden. (Veel ‘Sinten’, merk ik nu.) Pas vanaf mijn zestiende of daaromtrent, we schrijven 1977, leerde ik de binnenstad wat beter kennen. Ik frequenteerde enkele van de toen nog talrijke bruine kroegen samen met een goede vriend en later met mijn eerste lief. ‘A city becomes a world when one loves one of its inhabitants,’ schreef Lawrence Durrell. Ik onderschrijf dat: Brugge werd, op die manier, mijn wereld.
De meeste bruine kroegen zijn in rook opgegaan. *Pun intended* want het rookverbod zit daar natuurlijk in grote mate tussen. Maar er is méér aan de hand. De gemeenschap is de voorbije drie decennia uit elkaar gevallen, onder meer door het individualiserende schermgebruik en de doorgedreven digitalisering. Dat veranderde de wereld en derhalve ook de stedelijkheid, ook in Brugge. En niet ten goede, als je het mij vraagt.
Ik herhaal de vraag: is Brugge ‘mijn stad’? Ik zou het over om het even welke stad kunnen zeggen waarvan ik een ingezetene zou kunnen zijn mocht het lot daar anders over hebben beslist – wat best had gekund want noch mijn vader noch mijn moeder was ‘van hier’. Ze belandden in 1963, toen ik 2 jaar was, min of meer toevallig in Assebroek. We spraken – niet onbelangrijk – een andere taal dan het dialect dat in onze omgeving werd gebezigd. Ook dat dreef een wig tussen mij en Brugge.
Toen ik halfweg de jaren tachtig, na enkele jaren in Leuven te hebben geleefd, naar Brugge terugkeerde, liep de tijd van de bruine kroegen stilaan op zijn eind. Brood op de plank vond ik vooral in Brussel. Brugge bleef voor mij lange tijd – en dat is het eigenlijk nog altijd – niet veel méér dan een verzameling vaste ankerpunten: de bibliotheek, de bioscoop, enkele favoriete winkels. Onnodig te zeggen, denk ik, dat ik het dan niet heb over de ketenfilialen in de winkelstraten, die, volgens de entente van politiek en commerce in onze stad, ‘made for shopping’ zijn. Die winkelstraten zijn trouwens een van de factoren die mij doen aarzelen om mij te vereenzelvigen met Brugge. Om de heel eenvoudige reden dat ze overal min of meer hetzelfde zijn en bijgevolg niets zeggen over de identiteit van ‘mijn stad’.
Brugge is ook niet ‘mijn stad’ wanneer ik me, altijd zeer geduldig en nooit agressief gebruik makend van mijn fietsbel, een weg probeer te banen door de toeristenmassa – daar zijn ze, de toeristen! Brugge is overigens ook niet ‘mijn fietsstad’ wanneer ik daarbij over schier onberijdbare kasseien of dolomietpaden moet dokkeren. Brugge is evenmin ‘mijn stad’ wanneer ik moet vaststellen dat het stadsbestuur met nóg meer evenementen nóg meer mensen probeert aan te trekken. Vô wiens z’n illiggen, eigentlik?
Ik kan Brugge bezwaarlijk ‘mijn stad’ noemen wanneer ik het gevoel krijg dat iets van mij wordt afgenomen wanneer – bijvoorbeeld – tijdens de kerstperiode in zwarte containers brol wordt verkocht of als het belfort als projectiescherm wordt gebruikt voor Vlaams-nationalistische propaganda en – toch zeker in 2025 – reclameboodschappen. Dat laatste heb ik van horen zeggen want ik kon mezelf er nog niet toe kunnen bewegen om dat spektakel te gaan bekijken.
Maar ik noem Brugge zeer graag ‘mijn stad’ wanneer ik op een teamdag mijn collega’s uit Antwerpen en Gent en Tienen en Leuven en Brussel door de stille straten van Sint-Gillis leid en mij probeer voor te stellen hoe zij al dat fraais met de nieuwe ogen bekijken die ik niet meer heb, of wanneer ik met een podcast in mijn oortjes op een zondagmorgen over de Vesten wandel. Die raad geef ik altijd aan toeristen mee die zich de moeite getroosten om hier langer dan drie uren te ‘cruisen’: stap de toer van de Vesten, dan heb je een beter idee. Verdwaal op dag twee moedwillig in het stratenlabyrint van de binnenstad, liefst voor dag en dauw. En bezoek dan op dag drie de culturele hotspots die je als toerist toch moet hebben gezien vooraleer je terugkeert naar waar je vandaan komt.
Want ja, Brugge is een fenomenaal mooie stad. Generaties particuliere eigenaars, beleidsmensen en vaklui hebben haar uit de grauwe negentiende eeuw getild en er een fraai geheel van gemaakt waarvan je alleen maar kunt zeggen dat het een voorrecht is er te mogen wonen.
Toch is er – en terecht – ongenoegen. Dat zich, gek genoeg in deze stad van reien, moeilijk laat kanaliseren.
De protestactie SOS Brugge van een veertigtal jaar geleden bleek van meet af aan een bourgeois-aangelegenheid. Ik herinner mij dat op de stichtingsvergadering – ja, ik was daar bij – iemand zijn beklag maakte over de golfslag van de bootjes tegen de kade van zijn cijnsgrond. SOS Brugge ging dus niet, of in elk geval niet genoeg, over waar ik me toen reeds en nu nog altijd zorgen over maak(te): de gentrificatie van de binnenstad en de jongerenvlucht naar Vlaamse en buitenlandse steden die blijkbaar meer kansen boden – en nog altijd bieden – voor ontplooiing. Dat Brugge ooit de kans niet greep om KUL en PMMK (nu MuZEE) binnen te trekken, is een historische gemiste kans gebleken.
Toch is het zo dat wie zegt dat er in Brugge niets te beleven valt, zich vergist of kwaadwillig is. Er is meer cultuur in Brugge dan een mens behappen kan. Brugge 2002 en het Concertgebouw hebben de stad een enorme impuls gegeven. Ik bid dat de Lumière mag blijven bestaan. Heel wat culturele evenementen in de openbare ruimte zijn ook voor Bruggelingen democratisch toegankelijk. BRUSK zal hopelijk een nieuwe dynamiek op gang brengen.
Maar wat deze stad wel mist, is… stedelijkheid. Dat gemis is geen typisch Brugs probleem. Het wordt veroorzaakt door de zogenaamde samenleving waarin we leven en door het totalitaire kapitalisme. Brugge is te weinig een plaats van ontmoeting en gesprek. Of van flaneren – wat nog iets anders is dan shoppen. Of van democratische experimenten aan de toog van betaalbare cafés waar je ook als je niets wenst te eten welkom bent. Stedelijkheid wordt ook niet verzekerd door een opdringerige commercie, met schaamteloos gemarchandeer met prullaria en chocolade in de zogenaamde Gouden Driehoek. Ik zou ook een stedelijkheid willen met minder leegstand en met betaalbare huisvesting waar ook de ‘gewone’ Bruggeling een dak vindt en niet enkel de vermogende tweedeverblijvers die, samen met de airbnb-exploitanten, alleen maar de vastgoedprijzen de hoogte in jagen.
Is Brugge ‘mijn stad’? De vraag is überhaupt of het wel een ‘stad’ is. Het ‘Ei’ telt nauwelijks 20.000 inwoners. Een minderheid is dat, in vergelijking met de tienduizenden die hier elke zogenaamde ‘top’-dag een paar uur komen rondslenteren met kleine winkelzakjes waarin de chocolade al volop aan het smelten is.
Ik hou van Brugge en besef wat een bofkont ik ben dat ik hier in goede omstandigheden mag leven. Ik moet er onmiddellijk bij zeggen dat ik een gemiddeld bemiddelde en nog altijd redelijk gezonde en goed tegen onheil verzekerde blanke man ben die zich een appartement tegenover een park kan permitteren. Ik denk er niet aan om in een andere stad te gaan wonen – heb het zelfs nooit serieus overwogen. Alleen al omdat het hier in de steeds ondraaglijker wordende zomers vijf graden minder heet is dan in het binnenland, omdat er relatief veel groen is, en omdat het zeer bereikbare Ommeland, waar het wél leuk fietsen is, zo mooi is.
Brugge, ‘mijn’ Brugge en ik? Het is geen onstuimige liefdesverhouding. Er is onmin. Maar ik blijf trouw.
(1)
Wannes Van de Velde, Dagboeken, Uitgeverij P, 2018
(2)
Zie de illustraties
vorig jaar 416
27 juli 2025
Ook Wieringa komt [in Optimisme zonder hoop] niet verder dan het op niets gestoelde vertrouwen dat het wel goed komt als we allemaal iets kleins doen. Plant een boom en wees lief voor elkaar. Il faut cultiver son jardin. Op Facebook zie ik dat F het ook heeft over de plicht vrolijk en vriendelijk te blijven. (…)
*
Tijdens het koken snijd ik met de binnenrand van een leeg tomatenpureeblikje een ferme jaap in mijn vinger. Het bloedt nogal heftig, een vervelende wonde.
*
De dag gaat grotendeels op in lectuur en tv-kijken: de Tour, nu ook voor vrouwen. Die voor de mannen krijgt een spektakelrijke laatste rit in Parijs: Van Aert lost Pogačar op de keitjes van Montmartre en wint solo op de Champs-Elysées. Daarna Vive le vélo en nog twee afleveringen Klem – nog eentje te gaan.
28 juli 2025
(…) In Lissewege drinken we een koffie en beklimmen we de toren: 264 treden en een weids uitzicht over de haven, de zee, Blankenberge, Brugge. (…)
*
(…) de allerlaatste van de drie maal tien afleveringen van Klem. Alles wordt wat haastig afgewikkeld; de misdaad van de helden blijft ongestraft; de goede held kan zijn gevoelens van vriendschap voor de slechte held met de grootste moeite onderdrukken. Dag, Hugo Warmond en Marius Miller!
29 juli 2025
Ik zie Benoni vervaarlijk dicht bij een trap die naar een metrotunnel afdaalt voetbalkunstjes uithalen samen met een groepje allochtone straatjongens. Hij delft het onderspit, maar blijft niettemin verwoed doordoen; hij blijft geloven dat hij hen kan overtroeven; hij weigert te berusten in het feit dat hij zijn beste tijd heeft gehad. Het is duidelijk dat dit slecht zal aflopen. In een volgende droom of droomsequentie bevind ik mij eens te meer in een stationsdoolhof. Trappen, gangen, tunnels… Talrijke spoorwegambtenaren zitten zich te vervelen. Ik zie er die kaart spelen. Een van hen is lusteloos aan het vogelpikken. Het gezelschap waar ik deel van uitmaak bestaat uit collega’s van het werk. We zitten in een kring. Dan moeten we poseren voor een foto en daarbij moeten we er zo verdrietig mogelijk uitzien. Ik imiteer Stan Laurels huilmime: grimas en grijpen in de haren bovenop mijn kruin. Grienen.
*
(…) Afspraak om tien uur met P aan de kerk van Ver-Assebroek. Een prettig weerzien na drie maanden. We ‘leggen eerst de politieke week netjes neer’: media, reclame, het gebrek aan autoriteit in de opvoeding van de kinderen. We horen onszelf zagen en benoemen elkaar als witte boomer-cismannen, incels bovendien. (…) We sluiten de wandeling af in Het Leenhof, voor een steak américain en een Orval. Bij het afscheid probeert P met Payconiq zijn deel van de rekening te vereffenen, maar het lukt niet. Leve de technologie! Ik ben amper een kwartier thuis, of A is daar al, stipt op tijd. (…) Hij heeft een cadeautje meegebracht: La mélancolie de Zidane van Jean-Philippe Toussaint. Na twee uur en een korte rondleiding in mijn bibliotheek vertrekt A. (…)*
(…) twee afleveringen van de bizarre Finse reeks Queen of Fucking Everything. De uitstraling van de bijna vijftigjarige hoofdactrice houdt mijn aandacht gaande. (…)
vrijdag 31 juli 2026
facebookbericht 1240
Klimaatspecialist Jean-Pascal van Ypersele is woedend omdat de politiek niets doet.
Het komt de heren en dames politici zeer goed uit dat het parlementaire zomerreces in de, euh, zomer valt. Of dat er in de zomer een parlementair reces is. Tegen dat ze terug starten, is de ergste hitte voorbij. LEEF!
vorig jaar 415
26 juli 2025
Ik lees Stroomafwaarts langs de Donau nu zo goed als diagonaal, net traag genoeg om de verhaallijn, voorzover die er is, niet los te laten, maar toch: ik laat me meedrijven op de snelle stroom van Esterházy’s halve, losjes aan elkaar geregen zinnen, de associaties, de half-vertelde anekdotes, het vele dat te raden wordt overgelaten. Ik weet nu al dat ik nauwelijks iets van dit boek zal onthouden, en ook dat ik er nauwelijks iets van zal hebben gesnapt, maar ik lees het gráág. De Memoires van een biograaf van Onno Blom, over zijn werk als levensbeschrijver van Jan Wolkers, bevalt me op een andere manier. Blom bespreekt zijn onderwerp liefdevol. Door hem daartoe aangezet, neem ik me voor Terug naar Oegstgeest te lezen.
*
De uitvaartplechtigheid van PL. Ik heb hem niet lang en grondig genoeg gekend om radeloos verdriet te voelen – al ligt dat misschien ook aan mijn gebrek aan empathisch vermogen. Een tabakspot fungeert als urne. Die is het pièce de résistance van het stilleven dat vooraan in de kille zaal van de Brug staat opgesteld: een foto, een pot met penselen, een stukje antiek. En dan die tabakspot, begot! Een cynische knipoog d’outre-tombe van een man die zich letterlijk dood heeft gerookt. ‘Ik weet wat ik mezelf heb aangedaan,’ heeft hij ooit iemand vanop zijn ziekbed toevertrouwd. Ik neem tijdens de lange en mooie dienst enkele notities. Na Le temps des cérises, ik denk in de versie van Yves Montand, spreekt GH een laudatio uit. Hij heeft het over P’s ‘moedige spreken’, over het belang dat hij hechtte aan taal, en over hoezeer P doordrongen was van de arrogantie waarmee het Westen zich aan de rest van de wereld opdringt. Over hoe hij, G, met P alle mogelijke onderwerpen kon bespreken: ‘van Brugse kant tot Immanuel Kant’. Ik krijg spijt dat ik P, nadat ik hem pas een jaar geleden voor het eerst ontmoette, niet vaker heb opgezocht. Na zijn laudatio leest G het door P zelf geschreven In memoriam uit. Daarin gaat het onder andere over de verwachting van wat er na de dood komt: ‘Waar de katholiek rijstpap met gouden lepeltjes krijgt, krijgt de ongelovige niets: je bent er geweest.’ Maar ook: ‘Wie bewaard wil blijven voor het nageslacht, moet iemand geworden zijn.’ Dan volgt een fragment uit de cyclus Het jawoord van Herman de Coninck: ‘luisterend naar de huidspraak / van het woord liefde’. We krijgen een videoclip te zien: van de ‘postuum’ uitgekomen single Free As A Bird van The Beatles. X, die er als mantelzorgster heel vaak naast heeft gestaan en gezeten, vertelt over het ziekbed van P. ‘Wat een luxe om op die manier afscheid te kunnen nemen,’ zou hij hebben gezegd. Ook J spreekt een afscheid uit: ‘Als ornitholoog classificeer ik jou bij de nachtraven.’ (…) E, de jonge collega van toen hij nog werkte, die vaak op bezoek kwam en op wie P volgens sommigen toch wel een beetje verliefd was (hij kon het niet laten, maar ja, hij was een man, ook met zuurstoftoevoer in zijn neus en een resterende longcapaciteit van 20 procent) –, die E dus leest, in het Engels, een fragment voor uit Of Human Bondage van W. Somerset Maughan, naar verluidt een van P’s lievelingsboeken. De zin van het leven wordt in dat fragment vergeleken met een Perzisch tapijt. ‘Het weefsel blijft betekenisloos, tenzij je het voor jezelf ontdekt.’ We krijgen foto’s te zien met daarop P als bonvivant, als enthousiaste lesgever, als zachte en liefhebbende man. Ni dieu ni maître van Léo Ferré. (…) Op de receptie na de dienst zie ik F in een hoekje alleen op een stoel zitten. Ik ga even naast hem zitten. Hij voelt zich niet goed, krijgt voor mijn ogen een bloeddrukval. Akelig is dat. Schokken gaan door zijn lichaam en dan blijft hij wezenloos voor zich uit kijken. Hij lijkt wel dood. P snelt ter hulp, zij weet dat hij moet liggen, de benen omhoog. Er komt weer leven in de man. Iemand belt een ambulance.
*
De twee glazen wijn die ik op de receptie in mijn nuchtere maag heb gekieperd hypothekeren de rest van mijn dag. (…) Ik slaag er toch nog in om bijna het volledige essay Optimisme zonder hoop van Tommy Wieringa te lezen, maar dat moet een mens niet doen om vrolijk van te worden.
*
Deze avond is er een luidruchtig ‘dansfeest’ in het park voor mijn deur. Ik ga er even kijken, maar voel me er totaal niet op mijn plaats. De dansvloer is zodanig volgepakt dat er van dansen geen sprake kan zijn. Honderden mensen, maar geen bekenden. Ik heb geen zin om een minuut langer te blijven. Vlug naar bed, waar ik gelukkig, nadat ik alles heb afgesloten en ook de binnendeuren heb gebarricadeerd, geen last heb van de beats.
donderdag 30 juli 2026
facebookbericht 1239
Marc Sierens verdedigt Maarten Boudry, die in een lezersbrief in De Morgen Frans Timmermans bekritiseert omdat hij Israël met nazi-Duitsland vergelijkt
Het is inderdaad niet verstandig van Timmermans om de door Netanyahu en zijn extremistische coalitiegenoten geleide staat Israël met het nationaalsocialisme te vergelijken. Beide regimes gaan/gingen zich te buiten aan wandaden, maar de aantallen slachtoffers en de methode van uitroeiing zijn uiteraard niet te vergelijken. De Shoah is een ongeëvenaarde en hopelijk onevenaarbare gruweldaad, staat op zich, is met niets te vergelijken. Ook niet met de genocide die Israël – de staat, niet ‘de Joden’ – nu al een paar jaar aan het aanrichten is in Gaza, en vooralsnog nog minder met Israëls criminele oorlogs- en terreurdaden in Libanon en de Westbank. Maar dat mag geen excuus zijn om de wandaden van Israël wég te denken, laat staan goed te praten. Ik hoop dat we het daarover eens kunnen zijn.
Los daarvan zou je zelfs kunnen zeggen dat Netanyahu in een bepaald opzicht nog erger is dan Hitler. Die laatste handelde vanuit een – weliswaar totaal verwerpelijke – ideologische overtuiging en had het excuus een niet toerekeningsvatbare psychopaat te zijn. Netanyahu is een cynische crimineel die in het uitmoorden van een volk de enige weg ziet om aan vervolging te ontkomen. Ik weet dat deze vergelijking provocerend kan overkomen, maar het kan geen kwaad haar even te maken.
We moeten ons vooral niet laten afleiden door de stellingen die meneer Boudry meent te moeten verkondigen. Laat ons vooral bewust blijven van de gruwelijkheden die daar in het Midden-Oosten nog steeds gebeuren en zullen blijven gebeuren zolang de wereld er zich van afwendt. En neen, ik ben geen fan van Hamas. Ik ben fan van al wie te zwak, te laf, te onmondig, te onmachtig is – Jood of Palestijn, maar ook Malinees of Soedanees of Oekraïner of Rus – om afstand te nemen van gelijk welk regime dat boven zijn of haar hoofd misdaden of genocides aanricht waar uiteindelijk niemand beter van wordt.
woensdag 29 juli 2026
driekleur 618
Ik kijk in Nieuw-Vennep altijd uit het raam en zie een weelderige vrouw van een jaar of dertig staan, een beetje een hoerig type vrouw, wit maar verleidelijk gezicht, donkere ogen, mollige kleine handjes, ze draagt glanzende grijze kousen, schoenen, rood, met een hakje, ze draagt een bontmantel, heel glanzend, ze heeft een vracht hoofdhaar, gitzwart haar, een échafaudage van haar, een volle rode mond, een klein poedeltje in de armen. En o! Zou ik haar grote, goudkleurige ringen mogen vergeten? Ringen om de enkels, om de polsen, ringen aan het oor, het goud glinstert je toe door het zwart van het krullerige haar.
J.M.A. Biesheuvel, Schip in dok, 200-201
driekleur 617
In de herfst heeft de esp een weelderiger tooi dan welke boom ook. Zijn bladeren bestaan uit de zuiverste kleuren. Purperrood, citroengeel, lila en zelfs zwart met gele spikkels.
Konstantin Paustovskij, De gouden roos, 272
vorig jaar 413
22 juli 2025
Tijdens mijn fietsrit naar De Panne, 55 kilometer tegen een vrij strakke westenwind in, luister ik naar Radio Tour. Bij het oorlogsmonument van Nieuwpoort stop ik om de ontknoping van de rit op de Mont Ventoux te bekijken. De Fransman Valentin Paret-Peintre wint. Wat een naam. Het manneke weegt 52 kilogram. Met de nadruk op gram. Het gewicht is niet eerlijk verdeeld. (…) De nostalgische gevoelens die mij overvallen bij het binnenrijden van De Panne, waar ik toch heel wat gelukkige dagen heb gekend. (…) We besluiten naar een film te kijken. Om de een of andere reden wordt er gekozen voor Stalag 17 van Billy Wilder, een belachelijke concentratiekampfilm uit 1953 die – ik had nooit gedacht dat het mogelijk was – nog erger is dan La vita è bella. Genekt door de twee gul geassembleerde picons bij het aperitief eerder op de avond ga ik, halfweg de film, om halfelf naar bed.
23 juli 2025
Ik lees midden in de nacht een twintigtal bladzijden in Bezoek onze kelders van Koen Peeters, met het oog op een boekverhaal. (…) We maken een wandeling door de Dumontwijk en ook even op het brede strand (…), dat op dit ochtendlijke uur zo goed als verlaten is.
24 juli 2025
Tussen vijf en zes uur ‘s ochtends lezen in Stroomafwaarts langs de Donau levert een zeer bevreemdende ervaring op. Zeker op een grijze dag, voor dag en dauw. Voor dag en Donau.
*
Ik maak een lijstje van alle meerdaagse fietsreizen die ik tot nu toe maakte. Ik kom aan twaalf stuks, van Arles in 1979 tot Lolland in 2024.
*
(…)
*
Vive le vélo is eigenlijk een langgerekte reclamespot voor het bedrijf van de vrouw van Karl Vannieuwkerke. (Ik leerde vandaag van J dat reclame op de radio niet per seconde wordt verkocht maar per aantal luisteraars: de boodschap wordt herhaald tot het afgesproken aantal luisteraars is bereikt. Dat geeft uiteraard een pervers effect: de reclame jaagt luisteraars weg en moet bijgevolg vaker wordt herhaald. Impermo, Immoscoop, Aldi, Delhaize, enzovoort. Ad nauseam.)
*
(…)
dinsdag 28 juli 2026
facebookbericht 1238
Mijn reactie op een stuk van Dominique Willaert over het uitsterven van de Franse dorpen.
**
Het op zich goedbedoelde rookverbod is hier mede de oorzaak van. Natuurlijk is het goed dat het roken werd en wordt uitgebannen, je hoort mij het omgekeerde niet verdedigen. Maar al die vaste klanten die niet meer mochten roken tijdens het kletsen met hun maten en dorpsgenoten bleven eerst minder lang in het café en bleven uiteindelijk wég. Ik zeg het al jaren: het voordeel van het rookverbod (minder kanker en te vroege overlijdens) weegt niet op tegen het nadeel (vereenzaming, uiteenrafeling van het sociaal weefsel, psychisch lijden). En je denkt toch niet dat al die weggebleven caféklanten gestopt zijn met roken?
Overigens is het Franse cafébeleid zo hypocriet als maar kan. Want hoe kunnen de overgebleven cafés alsnog een béétje overleven? Juist. Door de PMU. De tabaksverslaving wordt ingeruild voor gokverslaving. En dan waarschuwt de plaatselijke nationale loterij Française des Jeux op haar affiches die aan de caféruit hangen voor de gevaren van verslaving en dat je niet mag gokken onder de achttien jaar.
Ik ben mij bewust van de gevaren van nostalgie, maar op dit punt was het vroeger toch echt wel beter. De Franse dorpen lééfden. Ik kwam er graag. Nu word ik er alleen maar treurig van. Waar zijn de mannen die met een peuk tussen de lippen en een aperitiefje voor hun neus aan de ‘zinc’ de match van gisterenavond of het onweer van vanavond stonden te bespreken? Waar zijn de vrouwen die op weg van de winkel (die ook nog bestond) naar huis even binnensprongen om het laatste nieuws op te snuiven? Je ziet ze niet meer. Zien die mensen elkaar nog? Houden ze de boel nog samen? Betekenen ze nog iets voor elkaar? Houden ze het dorp leefbaar?
Ik hoorde onlangs dat er een kentering in gang zou zijn gezet. Veel jongere mensen keren terug naar de dorpen, of gaan er voor het eerst naartoe nadat ze in de stad zijn opgegroeid. De woekerprijzen op de vastgoedmarkt in de stad, maar ook de mogelijkheid van telewerk, zorgen hiervoor. Misschien is het waar, maar dan allicht enkel voor de dorpen in de periferie van de steden. Op het diepe platteland is de woestijnvorming, zowel demografisch als klimatologisch, volop aan de gang en wellicht niet meer te keren.
facebookbericht 1237
Suzanne Goegebeur: In Brugge worden de Bruggelingen geweerd en het toerisme heeft voorrang. Dat is overduidelijk. Jammer en ergerlijk. Het gemeentebestuur heeft lak aan onze opinie.
Deze opinie wordt nochtans steeds luider verkondigd. Op een bepaald moment zal het gemeentebestuur het wel begrijpen. Voorlopig lijkt het erop dat De fauw en zijn trawanten erop vertrouwen dat de Bruggelingen niet op straat komen, zoals bijvoorbeeld in Barcelona de Barcelonezen. Wellicht denken ze - en waarschijnlijk terecht - dat de Bruggelingen te weinig talrijk en te apathisch zijn. En nog altijd katholiek genoeg om niet tegen de CVP-burgemeester te protesteren.
notitie 519
BACHS CONTRAPUNT. BAH
Als ik daar zin in heb, kom ik nog wel eens uitvoeriger terug op mijn fietsreis naar Duitsland van vorige week, die ik voortijdig heb moeten afbreken. Maar volgende anekdote wil ik alvast wel kwijt.
Ik was tot in Eisenach geraakt. Eisenach, dat in het zuiden van het voormalige Oost-Duitsland niet zo heel ver meer van de grens met Tsjechië verwijderd is, waar ik eigenlijk heen wou maar dus niet geraakte, is de geboortestad van Johann Sebastian Bach. Dat wist ik niet. Logisch, want tijdens mijn solitaire fietsreizen bezoek ik geen musea of andere bezienswaardigheden en dus bereid ik mij daar ook niet op voor. Hooguit stap ik in koersbroek een paar minuten een kerk binnen want veel langer laat ik mijn fiets met al mijn bezittingen erop liever niet onbeheerd achter. Ik was dus niet van plan in Eisenach, waar ik alleen maar overnachtte, het Bachhaus te bezoeken. Hoewel ik ooit, als niet-musicoloog, in een vorig leven mijn hart, of toch minstens een kamer of slagader daarin of daarrond, had verpand aan de componist van de Mattheüs- en Johannespassie, Die Kunst der Fuge, de Brandenburgse Concerten, talloze cantates en suites en wat weet ik al niet nog meer. Maar ik moet toegeven – nu ja, waarom zou ik dat moéten? – dat deze vaak niet ten onrechte goddelijk genoemde muziek in de loop der jaren enigszins buiten mijn interessesfeer en tijdsbesteding was beland.
Het Bachhaus is het aan de componist gewijde museum dat is ondergebracht deels in het na oorlogsschade zwaar gerestaureerde authentieke geboortehuis en deels in het vlak daarnaast opgetrokken hypermodernistische gebouw. Normaal gezien zou ik dus deze instelling niet hebben bezocht. Maar het lot besliste er anders over, door mij een dag langer dan voorzien in Eisenach te houden. Van een vriendin kreeg ik via WhatsApp het advies om dan toch in elk geval het Bachhaus te bezoeken. Aangezien ik altijd zeer welwillend en volgzaam adviezen inwillig, deed ik dat – zij het niet na eerst bij de drie fietsenmakers die Eisenach rijk is het doodsvonnis over mijn fiets te hebben horen uitspreken.
Ik kan bevestigen: het Bachhaus is méér dan de moeite waard. Zelden zag ik een zo effectief- didactische, behoorlijk exhaustieve, mooie en rustgevende biografische tentoonstelling. Ik ga er niet dieper op in omdat ik me daartoe niet bevoegd voel, maar ik kan alvast dit zeggen: het bezoek aan het Bachhaus deed mij het voornemen maken om de door mij verwaarloosde interesse voor deze componist nieuw leven in te blazen. Door over Bach te lezen en, uiteraard, door zijn muziek te beluisteren.
Nu moet ik u stilaan waarschuwen: het contrapunt van dit stukje zit eraan te komen.
Terug thuis was, mijn scherp met de mechanische pech waarmee ik in Eisenach was geconfronteerd contrasterende positieve ervaring in het Bachhaus indachtig, een van de eerste dingen die ik deed een streaming opzoeken die zich uitsluitend met het via het internet doorsturen van een onophoudelijke reeks Bach-extracten bezighoudt. Ik probeerde ‘Onlineradio BACH’. De wervende tekst op de website van deze streamingdienst zegt precies waarover het gaat: ‘For aficionados of classical music, Onlineradio BACH emerges as a distinguished destination, offering a ceaseless stream of elegance and refinement. Based in Germany, this online station dedicates itself to the mastery of classical compositions, with a special emphasis on the works of Johann Sebastian Bach, alongside other timeless and modern classical pieces.’ Geen gezever, geen gebabbel, geen reclame – ‘ohne Gelaber’. Alleen maar muziek, in een ononderbroken stroom.
Ik druk dus op de knop.
Daar word ik met de neus op de feiten gedrukt, zoals de feiten in deze wereld zijn. Reclame voor kippenvlees. Een ‘knalprijs’ van Aldi. 6 euro per kilo filet, geef toe, een koopje in deze tijden van hitte, barbecue en bosbranden. Een knalprijs voor plofkip.
Zo zit de wereld in elkaar: wie gevolg geeft aan een highbrow-culturele impuls wordt meteen genadeloos afgestraft door blootstelling aan de alomtegenwoordige reclame die zich door elke kier een weg baant zoals een ondergrondse brand tussen de wortels van de zwartgeblakerde bomen in een kurkdroog bos. Er is geen ontkomen aan.
Gelukkig kwam er na de reclame een niet meer door Gelaber (gezwets) onderbroken stroom Bach-interpretaties op gang, jammer genoeg nooit de volledige stukken, en met soms een wat moeilijk te verteren overgang van zang naar orgel naar clavecimbel naar cello naar fluit, enzovoort.
Maar goed, een wereld opent zich weer voor mij. Die plofkip van den Aldi neem ik er dan maar bij. Jo-Seb mocht het eens weten dat zijn hemelse melodieën, fuga’s, meerstemmige gezangen, contrapunten etcetera door reclame voor gevogelte à 6 euro de kilo wordt voorafgegaan, hij zou zich omdraaien in zijn Leipziger graf, voor zover de botten die men daarin na opgravingen heeft gestopt de zijne zijn want dat is niet zeker – om te weten hoe dat precies zit, moet u er maar eens het Wikipedia-artikel op napluizen.
maandag 27 juli 2026
facebookbericht 1236
De verdachte collectieve 'sterkte' van UAE en het onwaarschijnlijk grote verschil tussen de 'sterkste' renner en de rest van het peloton zijn voor mij twee redenen om het niet meer te 'geloven'. Wat ik jammer vind want ik kijk ook graag naar de koers. En los daarvan: wielrennen is een véél te gevaarlijke 'sport' geworden. Ik zet 'sport' tussen aanhalingstekens omdat het uiteraard in de eerste plaats om commercie en volksvermaak gaat. En nog losser daarvan mogen ze het publiek van àlle bergen weg houden. Al was het maar om de natuur daar geen dagen aan een stuk overhoop te halen.
facebookbericht 1235
Een propere stad inspireert mensen, ook bezoekers, tot properheid en respect. Hoe verklaar je anders dat je in sommige steden nauwelijks een peuk of papiertje op straat ziet liggen, terwijl het elders, bijvoorbeeld in Brugge, ondanks alle - gewaardeerde - inspanningen van de vooral door de inwoners gefinancierde stadsdiensten, inderdaad behoorlijk rommelig kan zijn. Het heeft niet alleen met overtoerisme te maken, maar ook met mentaliteit. En mentaliteit heeft met opvoeding te maken. En opvoeding - sorry als ik nu wat oubollig klink - met disciplinering. Ik heb het bijvoorbeeld moeilijk met het vuil dat langs de Vesten, waar er veel minder sociale controle is, onder een zitbank wordt achtergelaten terwijl er tien meter verder een vuilnisbak staat. En dat is vaak niet het werk van toeristen. Ik heb het ook moeilijk met taxi's aan de bibliotheek of elders, die wachten met draaiende motor. Dat zou bijvoorbeeld in - willekeurig voorbeeld - Zwitserland ondenkbaar zijn.
zaterdag 18 juli 2026
vorig jaar 411
18 juli 2025
Ik ga in het park zitten met Een kleine filosofie van grote emoties van Ignaas Devisch. Het boekje stelt niet zoveel voor. Geen ik zonder de anderen en de kunst van het zwijgen, wat niet hetzelfde is als verzwijgen. Dat is het zowat. Ik lees het in één ruk uit. Terwijl ik aan die tuintafel in de schaduw zit te lezen, passeert X. We hebben elkaar niet veel te vertellen. De stilte (het zwijgen!) is toch wat ongemakkelijk, in elk geval minder glorieus dan Devisch het voorstelt.
*
Kort na de middag een wandeling met Y en Z in Ryckevelde. Door hen ontdek ik een nieuw, heringericht stuk, dat ik nog niet kende. Waarover we het allemaal hebben, staat me nu niet meer voor de geest. Diepgaand zijn de gesprekken niet, mede doordat we een groot deel van de wandeling het gezelschap krijgen van een van de kleindochters en haar hond, die de show steelt door in de beek te springen en talrijke putten te graven. We kijken nog samen naar de Touretappe. Remco krijgt een ferme patat in de klimtijdrit. Z verrast me met een lekkere ijscoupe met slagroom en rode vruchten!
*
Thuis neem ik de talrijke reacties door op mijn stukje over het afgebrande podium op Tomorrowland. ( https://pascaldigital.blogspot.com/2015/07/reactie_29.html ) (…)
*
(…)
vrijdag 17 juli 2026
vorig jaar 410
15 juli 2025
(…)
*
Un beau matin (Mia Hansen-Løve, 2022). Ik herken meteen de actrice Lea Seymour – garçon manqué, korte haarsnit, tranerige ogen – en de hele sfeer. (Achteraf zie ik in mijn lijstje dat ik de film begin 2024 al eens zag.) Maar waar ging het weer over? De vader van Lea wordt behoeftig en moet naar een instelling. Lea heeft een dochtertje uit een stukgelopen relatie. Ze loopt een ex die ze tien jaar niet heeft gezien tegen het lijf. Zijn huwelijk is op de klippen aan het lopen. Hij behandelt haar als een maîtresse. Daar neemt zij geen vrede mee. Uiteindelijk verlaat hij toch zijn vrouw voor haar. Het appartement van de zieke vader, een professor emeritus filosofie, wordt leeggemaakt. De man heeft zijn hele leven gelezen. Zijn stoffelijke omhulsel, zijn lichaam, is nu aan het zieltogen in een instelling; zijn ziel is hier achtergebleven, in deze bibliotheek. Lea zorgt ervoor dat de boekenverzameling één geheel blijft door alles integraal te schenken aan een jonge student. Eindshot: het nieuw gevormde gezinnetje, met het dochtertje, dat een tijdje heeft gemankt om haar ongenoegen te ventileren maar dat nu als bij wonder genezen blijkt, staat bovenop Montmartre en kijkt uit over Parijs. Hoe het ondertussen de vader is vergaan, vernemen we niet. Niet goed, allicht. Lea en haar vriend spreken af dat ze elkaar euthanasie zullen gunnen als het ooit zover komt. (Lea vreest dat de ziekte van haar vader erfelijk is.)
16 juli 2025
Ik maak deel uit van een groep, waar ook L en K deel van uitmaken. Mijn vroegere hond Laïka is in de buurt. L is een gebocheld mannetje geworden, maar hij zit wel strak in een zilverkleurig pak. Ik weet geen weg met een sigaret en kruip, om mijn peuk weg te gooien, in een spleet onder de trap naar de ingang van het gebouw waarin de lezing die we zouden bijwonen gaat plaatsvinden. Vervolgens geraak ik zonder hulp niet meer uit die spleet. Een mij onbekende man reikt mij de hand om er mij uit te trekken…
*
Al om halfzeven begonnen aan het werk, en de werkdag duurt tot halftien ‘s avonds. Ik verzet zoveel mogelijk, in de hoop dat de collega’s het zullen appreciëren – al is de kans groot dat de meesten het niet eens zullen opmerken. Na de middag kijk ik zijdelings naar de Touretappe, die nogal gek verloopt.
*
F en N laten weten dat P om elf uur euthanasie heeft ‘gekregen’. Ik had het zo vlug niet verwacht. Ik zag hem voor het laatst een week of vijf geleden, en toen maakte hij een levendige en zelfs vrolijke indruk. Het bericht komt derhalve nogal aan. Ik ben blij dat ik P nog heb leren kennen, in extremis, ook via zijn boek. (…) avondwandeling rond het Stil Ende, waar de jongen van de Canadaganzen bijna volgroeid zijn (…) Na het afronden van mijn werk, ben ik tot niet veel meer in staat dan tot Vive le vélo.
17 juli 2025
Opnieuw, voor dag en dauw, een zeer deugddoend fietsritje door de Meetkerkse Moeren. Rond kwart voor zes komt de zon op. De nevel maakt het landschap fotogeniek – waar ik dan ook gebruik van maak. Ik heb zoveel energie getankt dat ik, thuisgekomen, in amper een uur het hele boekverhaal over Onder de vulkaan schrijf. Daardoor is mijn dag om acht uur in de ochtend al geslaagd. In tegenstelling tot wat ik in het begin van de week voor ogen had, moet er vandaag toch nog worden gearbeid. De Touretappe, die ik zijdelings bekijk, wordt alweer door Pogačar gewonnen. (…)
*
Midden in mijn tv-avond, met de vreselijke Johan Bruyneel als gast in Vive le vélo, krijg ik een opstoot van woede over de disproportionele berichtgeving over de afgebrande main stage op Tomorrowland. Mijn Facebookbericht daarover stuit op verrassend veel onbegrip. De reacties zijn impulsief, men laat zich duidelijk misleiden door mijn provocerende aanzet (‘I couldn’t care less’) en ziet niet waar het mij werkelijk om gaat.
*
Nog een aflevering van de serie Klem, waaraan ik nu helemaal verslingerd ben. Ik ben benieuwd hoe de relatie tussen de saaie belastingambtenaar Huug Warmond en de goedige schurk Marius verder zal evolueren, en vooral hoe de wat mij betreft uitstekende scenarioschrijver erin zal slagen om de dubbele en driedubbele op zich nogal onwaarschijnlijke plotknopen alsnog op een acceptabele manier te ontwarren!
Malcolm
Lowry: https://pascaldigital.blogspot.com/2025/07/boekverhaal-61.html
Tomorrowland:
https://pascaldigital.blogspot.com/2025/07/facebookbericht-1193.html
donderdag 16 juli 2026
LVO 362
fragment uit Het maaiveld
De avond verloopt zolang we buiten op de oever van het kanaal aperitieven gemoedelijk, daarna echter, wanneer we samen met een ander, veel luidruchtiger gezelschap, in een tent schuilen voor de aangekondigde stortvlaag, veeleer chaotisch. Enkel met wie naast of tegenover je aan de lange tafel zit is er conversatie mogelijk. En dan nog. Het is uitputtend. Het eten laat bijzonder lang op zich wachten. Er valt al eens een gesprek stil. Iemand kijkt op zijn horloge. Ambassadeur Lepoutre houdt het al vlug voor bekeken. Met Eric Colenbier, die links van mij zit, heb ik nauwelijks een woord gewisseld. Tegenover mij zit Philippe D., die een tandartspraktijk heeft in de Duitse stad Essen. Hij overweegt om na zijn pensionering terug te keren omdat hij er niet in geslaagd is om ginds een sociale kring uit te bouwen. Rechts van mij zit mede-initiatiefnemer Koen Coppejans. Hij heeft een map bij met foto’s en memorabilia, onder andere zijn toegangsticket voor de Europacup I-finale in Wembley.
Wanneer het dan eindelijk stopt met regenen gaat het gezelschap buiten staan aan een ronde tafel. Men laat pintjes aanrukken. Maar ik houd het voor bekeken.
De volgende dag schrijf ik mijn indrukken neer in een brief.
(...) Als ik iets onthoud van de reünie van gisterenavond – behalve dan de zeer bizarre mengeling van vervreemding (wie zijn die ouder wordende mannen eigenlijk?, wat hebben ze meegemaakt?, zijn ze gelukkig?) en vertrouwdheid (de tics, de stembuigingen, de gedeelde herinneringen) – dan wel dat verschillende personen met andere ogen op dezelfde gebeurtenissen van bijna een halve eeuw geleden terugkijken. Ik aanvaard dit als een les in bescheidenheid: mijn blik is maar een mogelijke blik.
Maar het is niettemin mijn blik. En die is, wat de twee laatste jaren van mijn middelbareschooltijd betreft, absoluut niet gunstig. Zonder afbreuk te willen doen aan het plezier van diegenen die er wél graag aan terugdenken (het weze hun gegund) of van wie ‘zich ziek kon lachen met de grappen van Tant’ (zoals ik iemand tot mijn verbijstering hoorde zeggen), wil ik hier toch het volgende kwijt over hoe ik die jaren ervaren heb want de setting was gisteren te luidruchtig en te druk om dat daar en dan te doen.
Toen wij aan het vijfde jaar begonnen was er veel goede wil in onze groep. Wij waren vastbesloten er iets van te maken en hoopten op de welwillende medewerking van onze leraren. Op zeer korte tijd en wellicht georkestreerd zijn er toen zaken gebeurd die er enkel op gericht waren dat enthousiasme te fnuiken. En ze zijn daarin geslaagd, die volstrekt onbeduidende gluiperige gefrustreerde tuinkabouters. Lycke, Tant en – de Heer waarin de godsdienstleraars onder ons ongetwijfeld nog geloven hebbe zijn ziel – Dehaene: in amper een week tijd hebben ze onze groep met hun middelmatigheid aangetast. Ze zijn erin geslaagd om alle creativiteit en ondernemingszin te smoren. Vanaf september 1978 was het bijgevolg aftellen tot 30 juni 1979.
Het is geen toeval, beste vrienden en (ex-)lotgenoten, dat het veertig jaar heeft geduurd vooraleer twee van ons – en nogmaals, dank je, Jan en Koen – het aandurfden om iedereen nog eens samen te brengen. (...) Het was zeker zinvol, maar ach, wat was het toch ook pijnlijk – en nu spreek ik voor mezelf – om nog eens herinnerd te worden aan het feit dat die rotzakken erin geslaagd zijn om twee kostbare jaren van mijn toen nog jonge leven te besmeuren.
(...)
Wij werden op dat verdomde college omringd en overheerst door grijze muizen en enkele misdadige ratten. Het heeft sommigen onder ons getekend. Gelukkig niet allen, maar mij wel.




.jpeg)






















