fragment uit Het maaiveld
Daniël
Tant had, behalve de onhebbelijkheid Daniël Tant te zijn, nog een
onhebbelijkheid: hij trok zich niets aan van de bel die na vijftig
minuten het eindpunt van zijn lesuur aangaf. Wij waren erg gesteld op
de speeltijd, ook al duurde die maar een kwartiertje, en repten ons
telkens naar de speelplaats om ons geliefde voetbalspel te kunnen
aanvatten. Als de wiskundeles niet door de speeltijd maar door een
andere les werd gevolgd, trokken wij ons niets van Tants getreuzel
aan – al kwam het ons toch voor dat hij er dan minder aan toegaf.
Neen, wij begonnen na een week of twee door te hebben dat hij zijn
les vooral en eigenlijk zelfs uitsluitend liet uitlopen wanneer wij
zaten te popelen om naar de speelplaats te hollen. Wanneer het
belsignaal weerklonk, verzocht hij ons nog om onze schoolagenda op te
diepen en daarin het hele programma voor de volgende week te noteren,
en ook nog eens de dag en het uur waarop we ons aan een toets konden
verwachten, enzovoort. Voor we er erg in hadden, waren er alweer vijf
minuten voorbij en zouden er ons hooguit nog vijf resten om ons op
die plastic bal af te reageren.
Toen
Tant die pesterij – want dat leek het toch te zijn – een keer of
drie had herhaald, kon ik het niet langer aanzien en sprong ik op. Ik
wachtte niet af tot het woord mij zou worden verleend en sprak:
‘Meneer, wij willen naar de speelplaats. U neemt ons onze speeltijd
af.’ Mocht ik op voorhand hebben geweten hoe Daniël Tant hierop
zou reageren, ik zou dit niet hebben aangedurfd. Maar ik vond de
manier waarop hij ons behandelde onrechtvaardig en was van oordeel
dat, na zijn recidive, mijn roep om datgene waarop wij recht hadden
meer dan op zijn plaats was.
Daniël
Tant – die nota bene later dat jaar Jan Houtman zou aanwrijven dat
zijn, Tants dus, papegaai na enige dressuur minder moeite had om een
bewijs op te dreunen – was het niet gewend te worden
tegengesproken. Hij marcheerde op mijn tafel af, veegde mijn
notitiemap samen met mijn handboek en schoolagenda op de grond, en
schopte als een wildeman tegen het meubel aan. Hij raakte daarbij met
zijn scheenbeen de rand van het tafelblad – hij moet zich daarbij
hebben bezeerd, dat kan niet anders. Hoewel ik mij, met een tafel
tussen mijzelf en deze onverwachte agressor in, veilig wist, stond ik
toch te trillen op mijn benen. Want ja, ik was inmiddels
rechtgestaan, wellicht meer om een zelfverdedigende houding aan te
nemen. En nu ik eenmaal overeind stond, leek het mij niet meer dan
normaal het woord te richten tot mijn klasgenoten, die allemaal
behoorlijk ontdaan dit onverwachte spektakel gadesloegen.(*)
‘Waar
wachten jullie nog op? Laat ons allemaal weggaan. Straks is de
speeltijd helemaal voorbij.’
Maar
iedereen bleef zitten, als van het Lam Gods geslagen. Ook Bert, wat
mij toch enigszins ontgoochelde want dat had ik van hem niet
verwacht.
‘Ik
ga naar de directeur,’ stotterde ik nog. ‘Wie gaat er mee?’
Niemand
ging mee. Dus stapte ik daar alleen op af, ‘gedreven door pure
woede, zoals die alleen ten gevolge van echte onrechtvaardigheid kan
ontstaan’.(**) Ik vond dat nogal moedig van mezelf want de kamer
van de directeur, daar kwam maar zelden een leerling. En al zeker
niet op eigen initiatief. Je moest ervoor tot in de
priesterresidentie, en daar dan weer een kale trap op, langs een paar
stoffige yucca’s die al veel te lang geen water meer hadden
gekregen, tot je bij een eikenhouten deur kwam, waar je natuurlijk
eerst te zacht op aanklopte, om dan, wanneer je er al van overtuigd
was dat de
Pette
(bijnaam om evidente redenen) er niet was en op het punt stond op je
schreden terug te keren, toch nog eens, iets harder, te proberen en
toen je al verzoend was dat je onverrichter zake naar de volgende les
moest gaan, de eerste na de speeltijd, die inmiddels voorbij was,
klonk er dan toch, van heel ver, waardoor je de indruk kreeg dat het
kantoor van de directeur de afmetingen had van een sporthal, een stem
die zei dat je mocht binnenkomen.
(*) Zoals alles al gebeurd is en niets anders dan een herhaling kan
inhouden, zo is alles al beschreven, door anderen. Daar moest ik eens
te meer aan denken toen ik volgende passage las, over een
gelijkaardig incident met een overschrijding van de lestijd tot
voorbij het belsignaal: ‘(…) wee degene die het door een
duidelijk hoorbare zucht, een kuchje of gewoon maar door op zijn
horloge te kijken waagde een overschrijding van het rooster te
signaleren. De afstraffing volgde onmiddellijk (…)’ (Jean Rouaud,
De
wereld bij benadering
in: De
velden
van eer,
257; vertaling Marianne Kaas)
(**) De vindplaats van dit citaat heb ik niet meer kunnen achterhalen.