In
deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde
boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij
betekenen.
november 1994
Daniël Robberechts, T⊗T. Nagelaten werk, 1994
Totaal
Nog
geen twee jaar nadat Daniël Robberechts in 1992, nauwelijks 55 jaar
oud, gedesillusioneerd en zichzelf door iedereen verlaten wanend een
eind aan zijn leven had gemaakt, waagde uitgeverij Kritak zich onder
de enigmatische titel T⊗T
aan de publicatie van zijn ‘nagelaten werk’. T⊗T
is een gecomprimeerd letterbeeld dat staat voor ‘totaaltekst’,
waarmee zowel de tot van ‘totaal’ als de, na vervanging
van de eks door een x, met taal vervaardigde
‘tekst’ tot uitdrukking wordt gebracht. Deze ‘totaaltekst’
was niets minder dan Robberechts’ eigen versie van het boek dat
alle andere boeken overbodig zou maken, een fragmentencompilatie
waarin hij zijn hele wereld in al zijn aspecten, van
hoogstpersoonlijke emoties tot en met literatuurtheoretische
beschouwingen, beoogde samen te brengen.
Dat
was uiteraard van meet af aan een onmogelijke onderneming,
Robberechts mikte te hoog. Hij werkte vijftien jaar lang aan zijn
magnum opus en hield het dan, zonder dat het werk voltooid was –
hoe zou het ooit voltooid kunnen geraken in een voortdurend
veranderende wereld, in een voortdurend voorthollend bestaan? -, voor
bekeken. Robberechts was natuurlijk zelf ook wel doordrongen van de
principiële onmogelijkheid van zijn onderneming. Ik sla – kwansuis
– het boek open en lees op bladzijde 746: ‘Een eindige
verzameling van teksten kan inderdaad nooit een echte totaaltekst
vormen, hooguit een tekst die buitensporig samengesteld is en
disparaat, en daardoor een totaaltekst oproept.’ (Dit doet mij
denken aan de disparate opsomming van wat er in de Aleph te zien is
waarmee Borges een totaliteit suggereerde: ‘(…) ik zag trossen,
sneeuw, tabak, metaaladeren, waterdamp, ik zag golvende woestijnen
aan de evenaar en elke zandkorrel ervan op zichzelf, ik zag in
Inverness een vrouw die ik nooit zal vergeten, ik zag de onstuimige
haardos, het trotse lichaam, ik zag een kanker in de borst, ik zag
een kring droge aarde op een pad, waar eerst een boom stond, ik zag
een buitenhuis in Androgué, een exemplaar van de eerste Engelse
vertaling van Plinius (…)’ (De Aleph en andere verhalen,
21). Robberechts onderkent met andere woorden het principieel
uitzichtloze van zijn Sisyphusarbeid, maar hij voegt eraan toe:
‘Alleen: er zijn aan de ene kant mijn oorspronkelijke bedoelingen
en impulsen, aan de andere kant wat ik ooit zal blijken ervan
terechtgebracht te hebben. (…) Tenslotte kan een tekst vaak om heel
andere redenen gewaardeerd worden dan om wat de schrijver
oorspronkelijk heeft bedoeld.’ Een bladzijde verder begint hij een
– al dan niet verzonnen – anekdote over een man, die Zebedeus De
Zitter heet en elke dag in een Brusselse straat een huis passeert
‘waar vanuit een balkonvenster piano klonk’ (747). Deze De
Zitter, met wie de auteur zich vereenzelvigt, geniet van deze niet in
enige officiële culturele structuur of organisatie gevatte
geïmproviseerde concertjes en overweegt de mogelijkheid dat ze ooit,
op een dag, zouden kunnen stoppen. Waarop Robberechts de parallel
ziet met zijn eigen artistieke activiteit: ‘Soms wanneer hij zat te
schrijven en aan de zin van zijn onderneming twijfelde, stelde hij
zich voor dat hij zoals de onbekende klavierspeler was uit zijn
Brusselse tijd: hij speelde maar, gamma’s, etudes, variaties, hij
wist nauwelijks voor wie; en toch had die gratuite bedrijvigheid een
zin, al was het maar als tegenwicht voor zovele dubieuze
ondernemingen waarvan de zin nooit eens in het geding werd gebracht.’
(750)
Ik
las dit 1064 bladzijden tellende, voorbeeldig met dundrukpapier (‘50
grams bibliomat’) vervaardigde boek in het najaar van 1994 en
schreef er een tekst over waarin ik het vooral heb over de
ingewikkelde structuur van het boek en over de politieke en
taalhygiënische bedoelingen van de bij leven miskende schrijver:
https://pascaldigital.blogspot.com/2022/09/daniel-robberechts-tt-nagelaten-werk.html.
Zonder deze tekst te raadplegen, is zowat het enige wat ik mij van
het lijvige boek herinner een fietser: ‘een fietser met een helrood
trainingspak (…) op zijn rug stond in witte letters ROMAN, er
krulde wit haar van onder zijn rode pet uit.’ De bierbrouwerij
Roman is gevestigd niet ver van waar Robberechts, die de roman als
artistiek procedé verwierp, zijn teruggetrokken bestaan leidde. Niet
ver van waar hij leed.
In
1994 schreef ik, zo lees ik nu: ‘Er zal aan dit boek worden
gerefereerd. Men zal er referaten over schrijven. Het gelezen te
hebben wordt ongetwijfeld een referentie.’ Dat was te optimistisch.
Wie kent Daniël Robberechts nog? Bij zijn te vroege dood werd hij
door vele scribenten gememoreerd. Het april-meinummer 1993 van het
inmiddels ook al geruime tijd ter ziele gegane tijdschrift De
Nieuwe Maand was helemaal aan hem gewijd, met bijdragen van
Walter van den Broeck, Paul Claes, Herman de Coninck, Pol Hoste,
Joris Note, Leo Pleysier, Marc Reynebeau, Mark Schaevers en Jacq
Vogelaar – ja, inderdaad allemaal mannen. Verbijstering door het
drastische besluit van de miskende schrijver was er genoeg indertijd,
maar door wie wordt hij nù nog gelezen?
‘De
schoonheid van T⊗T resideert vooral in de grootse
vergeefsheid van de onderneming; het soort heroïsche verbetenheid
waarmee sommigen in koppig isolement het onmogelijke trachten te
verwezenlijken, bezit een specifieke waardigheid.’ (Ik citeer de
recensent die 32 jaar geleden nog in mij resideerde.) Sinds 1994 heb
ik zelf ook wel wat van die onmogelijke ondernemingen op stapel
gezet. Aan sommige ben ik begonnen, de meeste heb ik nooit voltooid,
een enkele heb ik tot een min of meer goed einde gebracht. Het op
verwantschap en sympathie gebaseerde mededogen met de eenzelvige
nijvere heremiet van Everbeek heeft mij daarbij altijd voor ogen
gestaan. Maar of ik ooit nog zijn ‘totaaltekst’ zal lezen, of een
van zijn andere hermetische en experimentele geschriften (zoals –
onder meer – Praag schrijven of Tegen het personage),
of de stapel doorslagen van zijn eenmanstijdschrift Schrift (de
nummers 11 tot en met 27; 1970-1976) die G mij in een witte plastic
tas heeft toevertrouwd en die hier sindsdien onbekeken en bijgevolg
heel erg ongelezen liggen te wachten op… – ja, waarop eigenlijk?,
dat weet ik zo nog niet. Ik ben nu al tien jaar ouder dan Robberechts
ooit is geworden, en ben ondertussen maar al te goed doordrongen van
de uiteindelijke vergeefsheid van het schrijven, en van de wetenschap
dat het lezen zelf een nimmer voltooibare onderneming is. Zoals het
leven zelf blijft het altijd een voorlopige oplossing.
PS
Paul Claes stuurde een aanvulling:
"Robberechts kent toch een bescheiden revival (colloquium; boek van Arjan Mulder, De absolute essayist; dagboeken in De Witte Raaf)."