maandag 27 juni 2022

Carole Angier, Speak, Silence

notitie 226

SPREKENDE STILTE

De Duitse schrijver W.G. Sebald (1944-2001) zag in de jaren negentig, behoorlijk laat dus, zijn ster als een vuurpijl de lucht inschieten: met een viertal literaire werken, die alle ongeveer op hetzelfde zeer hoge niveau stonden, uitzonderlijk hoog zelfs volgens sommigen, vergaarde hij in geen tijd een ongeziene status. Door zijn vroege dood belandde hij linea recta in het literaire walhalla. Maar we zijn twintig jaar later en hier en daar wordt al aan zijn reputatie geknabbeld. De eerste Sebald-biografie, van Carole Angier, die eerder al Jean Rhys en Primo Levi onder handen nam, lijkt een dergelijke tegenbeweging in te willen zetten. Of toch op het eerste gezicht.

Speak, Silence – de titel is een allusie op het autobiografische Speak, Memory van Vladimir Nabokov – begint in elk geval op enigszins blasfemische wijze. Ik berichtte over Angiers kritische houding al eerder hier. Het ging daar vooral over het feit dat Angier zich stoort aan de werkwijze van Sebald. Hij zou, volgens haar, onvoldoende respect aan de dag leggen voor zijn op vaak nog in leven zijnde modellen gebaseerde personages.

Maar het blijft daar niet bij. Ronduit ergerlijk zijn de suggesties dat Sebald in die mate een her en der in het literaire corpus ‘stelende’ ekster was dat hij maar ternauwernood aan het verwijt van plagiaat kan ontsnappen; dat hij ‘wellicht’ een homoseksueel was of dan toch heel hard over zijn seksuele identiteit piekerde; dat hij een overspelige echtgenoot was. Bijvoorbeeld de passus over de in 2013 overleden Beryl Ranwell, de secretaresse van het door Sebald opgerichte British Centre for Literary Translation, is bepaald ergerlijk: ‘We’ll never know what this shrewd, warm-hearted woman might have told us about the great writer who was her friend. Or might have decided not to tell us, of course.’ (336)

Helemaal fout vind ik de al evenmin op bewijs gebaseerde suggestie dat Sebald zelfmoord overwoog. Een bewering als deze van Sebalds ‘student and friend’ Ralf Jeutter lijkt mij te ongefundeerd om een dergelijke gewichtige these te stofferen: ‘“Maybe,” Ralph thinks, “he chose to end his life anyway, by simply undermining his health.”’ (366) Het enige wat Angier eventueel had kunnen zeggen over Sebalds opvallend slappe wil om koste wat het kost in leven te blijven, is dat hij op nauwelijks 56-jarige leeftijd onvoldoende oog en aandacht had voor de signalen die zijn lichaam hem stuurde: oververmoeidheid, neerslachtigheid, kortademigheid.

Gelukkig overheersen deze insinuaties en suggesties niet de hele biografie. Angier is wel degelijk een grote bewonderaarster van Sebalds geschriften. Maar ze heeft zich toch te zeer laten verleiden om het (weinige) negatieve in het leven en de methodes van haar geliefde schrijver te benadrukken. Gelukkig bevat haar biografie het voorlaatste hoofdstuk ‘An Attempt at Restitution’, met een algemene beschouwing over wat nu echt het belang en de uniciteit van Sebalds oeuvre is. Angier ziet in hem een op het ziekelijke af hypersensitieve mysticus en metafysicus, die in de tussengebieden tussen verleden en heden, tussen de levenden en de doden, en tussen werkelijkheid en droom op compassieuze wijze op zoek gaat naar een eenheid die het hele bestaan kenmerkt. ‘W.G. Sebald is not a novelist. Nor a travel writer, since his journeys and landscapes are more inward than outward. He is a historian, biographer and autobiographer. But beneath these, he is at heart a visionary and a mystic. That is why there is no one like him in modern literature.’ (433)

Een opvallende zwakte van Angiers biografie is dat de vrouw met wie Sebald meer dan de helft van zijn leven getrouwd is geweest geen medewerking wenste te verlenen. Wij vernemen niet waarom niet. In de ‘Aknowledgments’ wordt deze Ute (geen familienaam vermeld) toch bedankt: ‘Ute Sebald, who did not wish to speak, but put no obstacles in my way’. (451) Ook de dochter, die het verkeersongeluk overleefde waarin W.G. Sebald de dood vond, blijft buiten beeld. En ook twee andere belangrijke getuigen, de kunstschilder Jan Peter Tripp, met wie Sebald bevriend was, en zijn Engelse uitgever Simon Prosser, weigerden hun medewerking – telkens zegt Angier niet waarom.

Ondanks deze ingrijpende amputatie is deze biografie zeker de moeite waard. Angier heeft voldoende mensen geïnterviewd en documenten bestudeerd om een overtuigend portret te schetsen van de zeer vreemde man die W.G. – ‘Max’ voor de intimi – Sebald moet zijn geweest. Zij werpt een zeer verhelderend, en ook kritisch, licht op zijn methodes. En zij legt – niet het minst – ook uit waaruit de stilte bestaat die zij, zoals uit haar titel blijkt, tot spreken uitnodigt: het is het zwijgen van de Joden over de Shoah én dat van de Duitsers over de geallieerde bombardementen, twee stiltes die in het werk en het leven van Sebald zeer luid weerklinken. Toch blijft het wachten op een definitievere biografie, een die minder toegeeft aan de neiging om te insinueren en die, vooral, meer inzicht biedt in het intieme leven van de raadselachtige auteur die in recordtijd is uitgegroeid tot een van de allergrootste van de twintigste eeuw.

 

Carole Angier, Speak, Silence. In Search of W.G. Sebald (2021)

6504

Brugge, Smedenpoort - 220606

 

zondag 26 juni 2022

notitie 225

(220623)

JE SUIS JAMAL (2/2)

In zijn reactie op de sneer van Jamal Ouariachi aan het adres van recensente Maria Vlaar (zie daarover notitie 224) haalt De Standaard-hoofdredacteur Karel Verhoeven alles uit de kast. Hij gewaagt van ‘intimidatie’, ‘bedreiging’, ‘bloeddorst’, ‘gewelddadigheid’, ‘moordtaal’ en ‘intimidatie van het vrije woord’. Hij bestempelt de interventies op de tijdlijn van Ouariachi als ‘pesten’, ‘belagen’ en ‘tieren’, en hij vindt het nog het meest verontrustend ‘dat niemand van de omstanders tussenbeide komt om Ouariachi erop te wijzen dat zijn bloeddorst onacceptabel ­gewelddadig is, of dat er een zweem van vrouwenhaat in te bespeuren valt’.

Dat laatste is werkelijk totaal misplaatst: het is een doorzichtige tactiek van Verhoeven om Ouariachi helemaal te diskrediteren door hem behalve bloeddorstigheid ook nog eens seksisme aan te wrijven. Hoewel daar geen enkele aanleiding toe bestaat. Of Maria Vlaar nu v, m of x is, is hier werkelijk van nul of generlei belang. Maar in deze tijd van oorlogsopflakkering tussen de seksen is het natuurlijk een gewiekste zet.

En vervolgens vindt Verhoeven het erg dat Ouariachi ervoor pleit om ‘recensenten die consequent onderpresteren’ ‘met pek en veren uit de boekenbijlages [weg te jagen]’. Vreemd vind ik dat, voor een hoofdredacteur. Mocht ik hoofdredacteur zijn, ik zou consequent onderpresterende recensenten wel degelijk wél wegjagen, tenzij natuurlijk het niet de bedoeling is dat zij degelijke recensies schrijven. Dat zou natuurlijk ook kunnen. (Vlaar schrééf eerder een recensie over Herfstdraad, maar die tekst is zo warrig dat ik er geen touw aan kan vastknopen. En ook hoogst verwarrend is dat Vlaar, jawel dezelfde Vlaar als die van het door Ouariachi gehekelde ‘essay’, in die recensie schrijft: ‘De hoofdpersoon is een schrijver van bijna veertig met zoveel overeenkomsten met Ouariachi, dat je geneigd bent ze als een en dezelfde te zien, een valkuil om te vermijden.’ Dus: waar ze in haar egofictie-essay de ‘ik’ in Ouariachi’s roman met de auteur vereenzelvigt (precies datgene dus waar Ouariachi zich zo boos over maakt), had ze eerder, in haar recensie, gesteld dat je dat niet mag doen. Begrijpe wie begrijpen kan.)

Het opiniestuk van Verhoeven is overkill. Het is een inderhaast opgetrokken rookgordijn van bluf om het eigen personeel in bescherming te nemen en de stoute schrijver die zich tegen de tekortschietende recensente verweert af te dreigen. Nochtans kan het toch niet dat Verhoeven, geen onverstandig man, niet beseft dat hij de woorden van Ouariachi niet letterlijk moet nemen. Akkoord, misschien had Ouariachi die heftige woorden niet moeten gebruiken. Maar het is een stijlfiguur. Een hyperbool. Het is er zodanig óver dat geen zinnig mens toch kan denken dat hij het serieus meent dat hij bij Vlaar de halsslagader wil doorbijten. Het is gezegd binnen ‘een collegiale context van speels literair debat’, zoals hij het zelf in zijn reactie op Verhoeven formuleert. Nochtans is het dat wat de hoofdredacteur zegt. Dát is pas kwalijk. Het kwalijke van Verhoevens opiniestuk is dat hij doet alsof hij niet inziet dat hij het niet letterlijk moet nemen. Dat is een miskenning van de eigenheid van het polemische genre. Verhoeven moedigt letterlijkheid aan. Hij zou moeten weten dat dit veel kritiek en vrijheid van meningsuiting onmogelijk maakt.

Ouariachi kaatst in zijn reactie de bal terug naar Verhoeven: niet hij, Ouariachi, intimideert, neen, het is ‘bedreiging plus intimidatie en smaad (…) wanneer een hoofd­redacteur een schrijver, die geregeld aan deze krant heeft bijgedragen, als een vrouwenhatende doodsbedreiger wegzet’. Ik ben het daarmee eens.

Conclusie: de bewoordingen van Ouariachi waren overdreven agressief, maar het is flauw en zelfs kwalijk om ze uit hun context te rukken. Overigens, waar blijft Vlaar in deze hele discussie? Neemt ze vrede met de rugdekking van haar hoofdredacteur?

Het meest betreurenswaardige is dat in deze hele discussie verloren gaat datgene waar het Ouariachi eigenlijk om te doen was. Niet dat een recensente zijn boek niet goed las, maar dat het in het algemeen gewoon bar gesteld is met de literaire kritiek. Dát is het waar de hoofdredacteur zich over zou moeten bezinnen.

Ik vond het essay van Vlaar, afgezien van die uitschuiver waarover Ouariachi struikelde (en waarover ondertussen al een rechtzetting is gepubliceerd), al bij al nog zo slecht niet. Maar ik ben bang dat Vlaar van de hoofdredacteur, die natuurlijk het belang van zijn commerciële opdrachtgevers voor ogen moet houden, de richtlijn zal krijgen om in het vervolg wat minder doorwrochte teksten te schrijven. ‘Beperk je tot een besprekingetje van maximum driehonderd woorden, Maria, dat is voor onze gemiddelde lezer al moeilijk genoeg.’ En zo zal dit incident bijdragen tot de verdere afbraak van het literaire bedrijf. Of van wat daar nog van overbleef.

6503

Snellegem - 220603

 

zaterdag 25 juni 2022

notitie 224

(220623) 

JE SUIS JAMAL (1/2)

Vorige week was er een relletje in letterenland. Zo heftig dat al wie daar ingedommeld was – en dat zijn er nogal wat – ruw uit de slaap werd gewekt. Zo ruw dat de volgende ochtend de bedpartner bij het ontbijt vroeg: ‘Schat, wat had je vannacht opeens? Had je een kwade droom?’ De wakkergeschrokkene wist van niets. Hij/zij was dan ook vredig snurkend terug ingeslapen en had rustig voortgepit tot het snoozen van de wekkerfunctie op zijn smartföhn.

Watskeburt?

In De Standaard der Letteren publiceert Maria Vlaar een stuk (https://www.standaard.be/cnt/dmf20220610_95481683) over ‘autobiografische fictie’. Haar centrale stelling lijkt mij te zijn samengevat in dit uittreksel: ‘Je kunt een boek een roman noemen, een werk van fictie, een verzonnen verhaal, maar zodra je hoofdpersoon “ik” is en ook nog schrijver van beroep, gaat de lezer op zoek naar de autobiografische werkelijkheid áchter de woorden. Lezers doen dat misschien onbewust, maar auteurs, uitgevers en interviewers doen dat bewust. Een pr-medewerker van een uitgeverij zei mij onlangs dat haar eerste vraag aan een auteur met een nieuwe roman luidt: “Hoeveel procent hiervan is autobiografisch?” Alleen de autobiografische aspecten worden vervolgens gedeeld met tv-programma’s en andere pers, want dát willen de potentiële lezers weten.’ Het kwalijke gevolg hiervan is dat er nauwelijks nog aandacht uitgaat naar het boek zelf. Er wordt niet meer echt gerecenseerd. ‘Zelfs in deze kwaliteitskrant is [Aleksandra van Lisa Weeda] niet gerecenseerd maar is de auteur wél uitgebreid geïnterviewd over haar leven, haar oma, haar geschiedenis, haar Librisprijsnominatie en de oorlog in Oekraïne.’ Dat stelt Vlaar zelf vast. Waarna ze een aantal behartenswaardige en interessante zaken vertelt over het oxymoron ‘autobiografische roman’ en dergelijke. Dat is relevant, zeker met betrekking tot de hedendaagse literatuur. Ze schaart zich achter Zadie Smith, die pleit voor een empathische literatuur waarin de schrijver ook andere standpunten inneemt dan enkel dat van het eigen ‘ik’.

Maar. Het ‘essay’ van Vlaar is tevens een containerstuk: ze ziet haar kans schoon om heel wat recente boeken in de vermaalmolen te gooien. Een van die boeken is Herfstdraad, de recentste roman van Jamal Ouariachi. Vlaar: ‘Herfstdraad van de recalcitrante Jamal Ouariachi, met een “ik” die Jamal heet en schrijver is’.

Dit is het punt waar Jamal Ouariachi uit zijn sloffen schiet. De hoofdpersoon van zijn boek heet helemaal niet Jamal maar is naamloos. De man die wel Jamal heet maakt zich boos op zijn Facebook-tijdlijn: ‘Weet je, ik hoef dit gewoon niet te pikken, als schrijver, deze totale onkunde van mensen die betaald worden om een boek te lezen.’ Daaronder ontspint zich een hele discussie, waarin de schrijver Lucas Zandberg zich mengt: ‘Bekijk het van de positieve kant. Wees blij dat ze je niet doodzwijgen.’ Dat is genoeg om Ouariachi helemaal op de kast te jagen: ‘godverdomme man, als je totale lulkoek over mijn boek schrijft, bijt ik je halsslagader uit je fucking lijf. Rot op. Ik hoef me zulke shit niet te laten welgevallen én ik vind dat recensenten die consequent onderpresteren met pek en veren uit de boekenbijlages moeten worden weggejaagd.’ Voor alle duidelijkheid: die ‘je’ uit de eerste zin is niet Zandberg, het is een onbepaald iemand, Maria Vlaar in de eerste plaats maar bij uitbreiding: ‘de recensent’. Marc Cloostermans waarschuwt Jamal nog: ‘Kritiek op een medewerkster van de boekenbijlage waarvoor jijzelf ook schrijft? Op een Collega, met andere woorden? Ik zou heel goed op mijn tellen passen als ik jou was, Jamal. Dit soort dingen wordt ter Standaard niet geapprecieerd.’ Maar het is te laat. Hoofdredacteur Karel Verhoeven neemt zijn poulain in bescherming en wijdt voorwaar een heel opiniestuk aan die ene opmerking van Ouariachi die, laat ons wel wezen, volledig uit zijn context wordt gerukt. Die context is: een reactie op een opmerking op een Facebookpost.

(morgen meer)

6502

Jabbeke, Duikerstraat - 220603

 

vrijdag 24 juni 2022

getekend 425

 

facebookbericht 1144

Die hele digitalisering van diensten is antidemocratisch. Het leidt tot afbraak van de samenleving. Daar is het waar de macht ons wil hebben: geatomiseerd en onmondig, niet tot verweer in staat.

notitie 223

(220622) 

RECHTZETTEN

Die Ausgewanderten (De emigrés in de Nederlandse vertaling) haalde op 14 januari 1993 het boekenprogramma Das Literarische Quartett van Marcel Reich-Ranicki. (Hier vanaf 46:18.) Deze uitzending betekende de doorbraak van W.G. Sebald in zijn geboorteland, dat hij toen al meer dan een kwarteeuw de rug had toegekeerd – wat van hemzelf trouwens ook een Ausgewanderte maakte. Reich-Ranicki was de Bernard Pivot van de Duitse televisie. De literatuurpaus. Met zijn gebarsten nasale stem maakte en kraakte hij carrières. Maar ook als hij een boek afbrak, bracht de aandacht die hij er in zijn programma aan besteedde toch ook al een enorme – zoals dat dan heet – ‘boost’ teweeg voor de carrière van de auteur ervan.

Reich-Ranicki (S. leerde mij dat je Ranietskie moet zeggen omdat het een Poolse naam is) vindt dat boek van die onbekende Sebald maar niets. Hij vindt het gebruik van foto’s en ‘authentieke’ documenten ‘triviaal’. Hij zegt ‘respect’ te hebben voor de auteur, maar ‘weinig geestdrift’ (Begeisterung) te voelen voor diens werk. Hij vindt dat Sebald een gekunsteld filologen-Duits hanteert. Hij duldt opvallend weinig tegenspraak van zijn gasten. Om niet te zeggen dat hij zich uitermate onsympathiek en demagogisch opstelt – al is dat natuurlijk in grote mate een pose. Op 58:25 zegt hij zelfs: ‘We zullen hier binnen twintig jaar nog eens samenkomen en dan zien wie zich nog dat boek van die rare Sebald herinnert.’ Daar vergist hij zich dan toch deerlijk.

Dat de drie andere deelnemers aan dit literair kwartet het wél bij het rechte eind hebben, kunnen we bijna dertig jaar later zeker vaststellen. Luister naar het prachtige en zeer verstaanbare Duits van de eerste meneer (wiens naam ik niet ken): hij verwoordt heel goed waar het in Die Ausgewanderten om gaat.

Achteraf gezien kun je zeggen dat Reich-Ranicki’s afwijzing van Sebalds debuut een even flagrante flater is als die van André Gide die, ongeveer tachtig jaar eerder, als de uitgeverijmedewerker die hij toen was, het manuscript van het eerste deel van Marcel Prousts Recherche had geweigerd.

Toch eens kijken hoe beide heren met hun foute beoordelingen zijn omgegaan.

André Gide zag vrij vlug in dat hij zich had vergist. Een jaar na zijn weigering schreef hij in een brief aan Proust: ‘Le refus de ce livre restera la plus grave erreur de la N.R.F., et [...] l'un des regrets, des remords, les plus cuisants de ma vie.’ In zijn dagboek vermeldt hij herhaaldelijk Proust. Vaak in negatieve bewoordingen, dat wel: hij vindt Proust een poseur, een homo die niet uit de kast wil komen, een behaagzieke opportunist, een vleier, enzovoort. Maar er is toch ook bewondering: ‘Encore que quelques phrases (et, par endroits, très nombreuses) soient intolérablement mal écrites, Proust dit toujours exactement ce qu’il veut dire.’ (19 september 1938) Gide is niet te beroerd om het literaire genie dat hij niet op tijd heeft herkend alsnog te erkennen.

Bij Marcel niets van dat. Googelen op ‘Ranicki+Sebald’ levert niets op. Dan maar eens kijken in Reich-Ranicki’s autobiografie. Geen woord, Sebald komt er niet in voor. Althans, zijn naam staat niet in het register achterin het boek, waarin dik vijfhonderd namen wél prijken. Het zou mij benieuwen in hoeverre MRR in de veertien jaar dat hij nog te gaan had na het schrijven van zijn autobiografie, en in de dertien jaar dat hij Sebald, die nochtans vierentwintig jaar na hem was geboren, zou overleven, daar alsnog iets over heeft gezegd.

Oordelen is een, foute oordelen rechtzetten is een ander.

 


 

André Gide, Journal 1889-1939 (Pléiade 1940)
Marcel Reich-Ranicki, Mijn leven (vertaling door Gerda Meijerink (2000) van Mein Leben (1999))
W.G. Sebald, De emigrés (vertaling door Ria van Hengel (2005) van Die Ausgewanderten (1992))
Carole Angier, Speak, Silence. In Search of W.G. Sebald (2021)

 

6501

Jabbeke, Duikerstraat - 220603

 

donderdag 23 juni 2022

notitie 222

(220622)

LADDER

Ik woon hier nu al zeventien jaar en heb zonet vier buren leren kennen. Enfin, voor het eerst aangesproken. We leven inderdaad naast elkaar.

De eerste twee vormen een echtpaar. Kwieke tachtigers, maar meneer zit duidelijk met iets. Hij klampt me aan wanneer ik met mijn fiets aankom. ‘Hebt u een lange ladder?’ Neen, dat heb ik niet. De twee hebben zichzelf buitengesloten: de voordeur van hun appartement op de eerste verdieping is dichtgewaaid en de sleutels liggen binnen. Maar het raam van de slaapkamer staat wel open. Mevrouw zit, aangeslagen en ook wel wat bevangen door de warmte, vermoed ik, op de eerste trede van de trap te wachten. Ik ken haar van Facebook: S. heet ze. Ik volgde haar een tijdje omdat ze de cartoons postte van een tekenaar wiens werk me wel interesseerde. Toen al vroeg ik me af hoe het in godsnaam mogelijk was dat we nu al zeventien jaar in elkaars onmiddellijke omgeving wonen zonder ooit een woord tegen elkaar te hebben gezegd.

Meneer heeft al naar de brandweer gebeld. Maar die vragen 350 euro voor een interventie. Ik zeg dat we het probleem wel zelf zullen oplossen. In de kelder heeft het koppel een trapladdertje staan, maar dat reikt niet hoog genoeg. Ik besluit om aan te bellen bij de loodgieter, die in onze straat een paar appartementsblokken verderop woont.

De loodgieter is niet thuis. Dan maar aanbellen aan het herenhuis wat verderop. Hoge plafonds, die mensen moeten dan toch een lange ladder hebben? De heer des huizes opent de voordeur. We kennen elkaar van zien. ‘Goeiedag meneer,’ zeg ik heel beleefd. ‘U kent mij niet maar ik ben P. en ik woon daar, in nummer 4.’ En ik leg hem het probleem voor. Hij heeft geen lange ladder, maar hij raadt me aan om eens bij meneer Declene aan te bellen, daar op de hoek. ‘Mag ik het hem met uw groeten vragen?’ ‘Jazeker,’ zegt de meneer van het herenhuis met de hoge plafonds, en hij noemt zijn familienaam: Vandevyvere.

Ik stap dus een eindje verder naar het huis van meneer Declene. Onderweg zie ik meneer Parmentier staan, van het grote hoekhuis tegenover dat van meneer Declene. Hij staat buiten met werklieden te praten die een hek aan het installeren zijn. Ik leg hem uit wat mijn probleem is, enfin, het probleem van de meneer en mevrouw die ondertussen op mij aan het wachten zijn. Meneer Parmentier heeft zelf geen lange ladder (hoewel hij in zijn huis toch ook wel hoge plafonds heeft) en ook de werklieden hebben er geen bij, maar hij doet dezelfde suggestie als meneer Vandevyvere. Ik dus naar meneer Declene, die ook hoge plafonds heeft. En – oef! – een lange ladder.

Ik sla enkele stappen in mijn verhaal over. Ik heb mijn hoogtevrees overwonnen, ben een meter of vier boven het trottoir over de ballustrade van het balkonnetje op de eerste verdieping gekropen, ben door het open raam geklommen en ben door de slaapkamer met het opengeslagen bed en langs de woonkamer met de roze muren die ik vaak tot heel laat ’s avonds zie wanneer het licht er nog brandt tot bij de voordeur van het appartement gegaan en heb deze geopend en er een stoel tussen gezet opdat hij niet meer zou dichtwaaien, ben naar beneden gegaan en heb de dankbetuigingen van de meneer en mevrouw die zich hadden buitengesloten in ontvangst genomen. Hoe ze mij kunnen vergoeden? Ik wuif het weg, maar ze dringen aan. Ik suggereer dan maar dat ze mij een pint kunnen trakteren wanneer binnen een week of twee de zomerbar opnieuw in het park zal staan opgesteld. Mevrouw vraagt mijn naam en legt meteen de link met onze Facebookconnectie. ‘Ach,’ zegt ze, ‘en u woont vlak naast ons!’

Ik ben daarna met de ladder van meneer Declene terug naar diens huis gestapt, langs de huizen met hoge plafonds van meneer Vandevyvere en meneer Parmentier. En dan heb ik nog tien minuten met meneer Declene gepraat. Over de buurt en de buren, en dat we elkaar toch zo slecht kennen. En over zijn openhartoperatie van een paar weken geleden en hoeveel geluk hij heeft gehad omdat hij de symptomen nauwelijks bij zichzelf had waargenomen. Een beetje druk op de borst maar verder niets: niet buiten adem zijn, niet zweten, geen gezwollen benen, geen pijn in de arm, altijd gezond geleefd, nauwelijks cholesterol en geen alcoholmisbruik, laat staan roken. Neen, tijdens een doktersvisite naar aanleiding van een andere klacht werd het euvel opgemerkt – en hop naar de spoed en drie dagen later geopereerd. En daar is meneer Declene nu van aan het herstellen.

Ik zeg hem dat ik, wanneer het door mij geholpen koppel mij deze zomer op een pint trakteert in het park, ook hem zal optrommelen zodat ook hij voor het gebruik van zijn lange ladder kan worden ‘vergoed’. En ik denk: waarom vraag ik er dan meneer Vandevyver en meneer Parmentier ook niet bij?

Ik schrik ten slotte ook van het besef hoe geschiedenisloos mijn bestaan moet zijn, dat ik na dit voorval al het idee heb een avontuur te hebben beleefd.

 


 

6500

Assebroekse Meersen - 220602

 

woensdag 22 juni 2022

notitie 221

(220621) 

NIET OPGEVEN

Coïncidenties. Na een erg vervelende middernachtelijke Messenger-conversatie met een goede vriendin raap ik mezelf bijeen om mij naar bed te begeven. We hadden onenigheid over iets wat ik geschreven had en waaruit zij een – volgens mij – onterechte conclusie had getrokken, en toen dat was uitgeklaard hadden we het over verdriet en dat we maar beter in vrede moeten proberen samen te leven want het leven is te kort voor onenigheid, zeker tussen twee mensen die elkaar ooit dichter waren genaderd dan ze iemand anders – op één of twee uitzonderingen na – ooit hebben kunnen naderen.

En uitgerekend dan speelt de badkamerradio, terwijl ik mijn tanden sta te poetsen, Don’t Give Up van Kate Bush en Peter Gabriel, en de tranen schieten mij in de ogen.

Dat lied heeft voor mij een betekenis. Laat mij toe dit te verduidelijken.

Toen ik in 1987 mijn legerdienst vervulde, vond ik troost in muziekcassettes. Nu klinkt dat onnozel, ik weet het. Muziekcassettes bestaan niet meer, net zoals de legerdienst niet meer bestaat. En mocht er zoiets bestaan als verplichte legerdienst, dan is er nu Spotify of iets dergelijks. Maar toen, in 1987, moesten wij ons met cassettes behelpen, en met een walkman. (Een walkman was een draagbare cassettespeler met bijhorende oortjes.)

Ik was in een weekend ‘van piket’. Ik had al de hele zaterdag met een patattemes onkruid mogen verwijderen uit de voegen tussen de tegels van het paradeplein, en had dan de zondag dienst in de keuken. Ik moest daar in een grote plonsbak de enorme kookpotten en ovenschalen afwassen. Het was er een en al water en dampende hitte. Drijfnat van het zweet en het rondspattende water moest ik aangekoekte etensresten losschrobben, zonder uitzicht op rust of aangenaam gezelschap. Diepten van ellende. Maar ik had een walkman bij, met oortjes, en in die oortjes zongen Kate Bush en Peter Gabriel in duet dat ik het niet mocht opgeven. Ja, dat moment van vijfendertig jaar geleden is mij altijd bijgebleven.

Het kwam even terug boven toen ik na die pijnlijke conversatie in de badkamer stond en daar hoorde dat ik het niet mocht opgeven. Nog altijd niet. You know it's never been easy.

6499

Brugge, Bloedput - 220531

 

getekend 424

 

dinsdag 21 juni 2022

notitie 220

(220620)

PUBLIEK

We hadden het over Vivian Maier. L. kende haar niet en daarom legden K. en ik het hem uit. Ja, sommige van haar foto’s zijn zeker goed en hier en daar is er wel eentje die een plek verdient in een overzichtswerk over straatfotografie, maar is Maier de alom-bejubeling waard die haar nu te beurt valt? Het heeft er alle schijn van dat je niet buiten Maiers spectaculaire levensverhaal kunt als je het succes van haar foto’s wilt verklaren. Leven en werk vormen in haar geval een onlosmakelijk geheel. Het is namelijk een mirakel, die postume erkenning voor de fotokunst van de anonieme nanny die meer dan honderdduizend foto’s maakte tijdens de wandelingen met de aan haar toevertrouwde kinderen. Een groot deel van haar foto’s ontwikkelde ze niet eens en heeft ze dus nooit zelf gezien. Een opkoper trof haar hele fotoarchief aan in een opslagplaats – het scheelde geen haar of het was meegegeven met de vuilnisophaling. En nu leiden deze foto’s dus een tweede, wat zeg ik, éérste leven in prestigieuze tentoonstellingszalen overal ter wereld. Onder meer in Bozar, nog tot ergens in juli.

Dit zegt iets over het kunstenaarschap. Beschouwde Maier zichzelf als een kunstenares? Zo ja, waarom ging zij dan niet actiever op zoek naar een publiek? Hoe kon zij koppig volharden in het maken van foto’s terwijl er niemand zelfs maar op de hoogte was van haar activiteit? Haar werkgevers wisten ervan. ‘Ja, ze heeft een hobby,’ antwoordden ze wanneer iemand naar de nanny informeerde. ‘Ze maakt wel eens een foto.’

Kán een kunstenaar wel productief zijn als hij/zij geen uitzicht heeft op erkenning, op gezien (gelezen, gehoord) worden? K. vond van wel. Hij is beeldend kunstenaar en vindt voldoening in het maken zelf. Als zijn werk gezien wordt, tant mieux, maar mocht dat niet gebeuren, het zou hem niet tegenhouden om te blijven tekenen, schilderen en kappen.

Ik heb niet die ervaring. Maar ik máák ook niet in eenzelfde betekenis van dat werkwoord. Op zich, materieel, betekenen mijn teksten niets. Als ze niet worden gelezen, bestaan ze niet. Ze vormen geen objecten die ook nog iets kunnen betekenen voor de maker zelf. Ik kan mij niet voorstellen dat ik zou blijven schrijven, hoe graag ik dat op zich ook doe, als ik zeker zou weten dat niemand mij leest.

De logische volgende vraag – hoeveel erkenning heb ik nodig? – is moeilijk te beantwoorden. Wil ik door duizend mensen worden gelezen, of is één genoeg? Wil ik méér dan alleen maar gelezen worden? Wil ik publicaties in boekvorm? Wil ik lovende recensies? Wil ik prijzen?

Gezien het huidige uitgeefbestel maak ik mij geen illusies. Ik doe zelfs de moeite niet meer. Ik neem vrede met de zekerheid dat een aantal mensen mijn teksten lezen. Ik veronderstel dat zij dat doen omdat zij mijn teksten goed vinden. Ik stel vast dat veel van mijn lezers volgers zijn: ze komen vaak langs op mijn tijdlijn en blog en drukken hun appreciatie uit. Ik krijg reacties, ook van mensen die ik totaal niet ken. Dat maakt mij gelukkiger dan het meer dan duizendkoppige publiek dat ik ooit had toen ik voor de krant schreef maar dat voor mij een onzichtbaar en stom monster bleef.

Enkele dagen geleden ontving ik een reactie van een mevrouw die via haar vriendin mijn twee in eigen beheer uitgegeven boeken in handen had gekregen. Haar reactie maakte mij heel erg blij. Ik citeer enkele zinnen uit de e-mail die ze me stuurde.

Soms zijn je beschrijvingen zo hilarisch en komen er in onze huiskamer scènes voor zoals je die ziet bij ‘Mister Bean’:  mijn man wordt zo gestoord door mijn uitbundig lachen dat hij bijna sokken in zijn oren stopt…

(…)

Ook al is jouw thuissituatie op zoveel gebieden heel anders geweest dan de mijne, toch slaag je erin om voor mij herkenbare en bij momenten pijnlijke ervaringen op te roepen.

(…)

Je stelt je heel kwetsbaar op, en dat is bewonderenswaardig. Zonder sentimentaliteit en zucht naar erkenning beschrijf je – ik denk heel eerlijk en met de handicap van het geheugen – wat je beïnvloed heeft en wat je gemaakt heeft (voor een deel) tot wie je nu bent. Dit apprecieer ik en wellicht ook andere lezers. Het laat mij toe te reflecteren en daagt me uit dieper na te denken: wie ben ik, wat is voor mij belangrijk (geweest), wat betekent taal in mijn leven enz. Kort gezegd: je boek is zoveel meer dan een verslag of een terugblik naar het verleden. Het is een universeel herkennen.

(…)

Hartelijke groet

M.-J.

6498

Brugge, Raamstraat - 220528

 

maandag 20 juni 2022

getekend 423

 

notitie 218

VAN YES

Donderdag fietste ik naar Oostende. Om, in haar appartement dat uitkijkt op het casino, de dijk en – uiteraard – de zee, mijn goede vriendin A. te bezoeken, maar ook om eventjes mee te stappen met de Bloomsday-optocht die was georganiseerd door een select groepje Joyceanen. Een belle époque-fanfare liep voorop met jazzy tunetjes en werd gevolgd door een dertigtal mensen die hun best hadden gedaan om er vestimentair zo interbellumistisch mogelijk uit te zien: witte overhemden, fleurige bretellen, strooien hoeden, wandelstokken. Het zomerse weer speelde aardig mee. Op gezette tijden hield het vrolijke gezelschap halt om te luisteren naar een passage uit Ulysses die werd voorgelezen.

Een van de organisatoren van dit ludieke eerbetoon aan James Joyce, die enige tijd in Oostende verbleef (wat de herdenking op deze plek legitimeerde), was de vooraanstaande en zeer minzame Vlaamse schrijver Koen Peeters. Hem hoopte ik te kunnen begroeten. Dat zou dan voor het eerst zijn sinds 1996, toen ik het genoegen had hem te mogen interviewen naar aanleiding van zijn roman Het is niet ernstig, mon amour. (Dat interview was voor De Standaard, ik plaatste het hier: https://pascaldigital.blogspot.com/2022/04/interview-met-koen-peeters-1996.html.) Ik werd in mijn hoop niet teleurgesteld. We voerden een aangenaam en openhartig gesprekje.

We hadden in de loop van de kwarteeuw dat we elkaar niet meer hebben teruggezien af en toe wel eens contact. Recent nog, naar aanleiding van De elfde teen, het eerste deel van de autobiografie die ik aan het schrijven ben. Ik dacht er toen nog aan om met die ‘elfde teen’ toonaangevende uitgeverijen te bestoken, en het leek mij een goede strategie om aan die uitgeverijen verbonden schrijvers die ik persoonlijk ken te vragen om mij daar een handje bij te helpen. Koen Peeters was een van hen. Hij las mijn boek en vond het goed genoeg (dat was de voorwaarde die ik vooraf had gesteld!) om een aanbeveling te schrijven. De zending van boek plus aanbeveling plus eigen brief werd evenwel bij De Bezige Bij verticaal geklasseerd – ik kreeg althans geen antwoord. Niet eens een bevestiging van ontvangst, wat in het kader van de elementaire beleefdheid toch een minimum minimorum zou zijn geweest.

Koen betreurde dit ook en vond het jammer. ‘Je boek heeft zeker kwaliteiten,’ zei hij. ‘Maar mag ik mij veroorloven twee kleine puntjes van kritiek te geven?’ voegde hij er voorzichtigjes aan toe. ‘Uiteraard,’ zeg ik, geheel naar waarheid. ‘De opmerkingen van een echte schrijver kan ik niet anders dan enthousiast ter harte nemen en er zo mijn voordeel mee doen.’

Koen gaf zijn opmerkingen. Ik spitste mijn oren – ik kom er morgen nog op terug. Kijk, ja, daar had ik eten en drinken aan. Ik stapte, jazeker, nog een eindje mee op met de Joyce-fanfare. Het gezelschap kwam tot stilstand tegenover hotel L’Océan waar James, toen dat hotel nog niet vermassacreerd was tot het uit de jaren zeventig daterende gedrocht dat het nu is, een poos had verbleven. En daar luisterden we naar een meneer die, in het Engels, in – yes yes – Iers-getint Engels, de laatste bladzijde van Ulysses te berde bracht, en jawel, dat sloeg aan. Yes!

6497

Brugge, AZ Sint-Jan - 220527

 

zondag 19 juni 2022

notitie 217

LEESPROJECTEN

Ik had het in notitie 215 over James Joyce, en dat het lezen van diens werk en een aantal van de secundaire werken ‘een van de belangrijkste episodes in mijn persoonlijke lectuurgeschiedenis’ vormt. ‘Een van de’: dat doet mij natuurlijk de vraag stellen wat dan wel die andere episodes zijn. Ik zet ze even op een rij, en voor elke episode geldt dat ze onvoltooid is – wat mij tegelijkertijd in paniek doet slaan als geruststelt: paniek om evidente redenen en geruststelling omdat ik weet dat ik mij de volgende dertig jaar niet hoef af te vragen waarmee ik nu weer mijn tijd zal moeten doden.

Proust is zo’n ‘belangrijke episode in mijn persoonlijke lectuurgeschiedenis’. Ik bewaar alles wat ik van en over hem bezit in een aparte bibliotheekkast. In 1980 las ik een eerste keer Combray en in 1993 een eerste keer Over het lezen (Sur la lecture). Sindsdien herlas ik beide boeken herhaaldelijk. Ik las ook een aantal biografische werken over Proust, onder meer de lijvige biografie van Ghislain de Diesbach. In 2006 begon ik aan een systematische lectuur van A la recherche du temps perdu, Frans en Nederlandse vertaling naast elkaar, en daar breng ik verslag van uit op de blog Rechercheur. Die lectuur ligt nu wel al meer dan twee jaar stil en het wordt tijd dat ik haar hervat want ik berekende eerder al dat ik tot ver voorbij mijn tachtigste alert genoeg zal moeten blijven om op die manier en aan het tot de onderbreking gehandhaafde tempo de volledige Recherche te doorploegen. Ik heb me ook een tijdje geamuseerd met het zelf vertalen van zinnen uit de Recherche – daarvan is de neerslag hier te vinden.

Naast Joyce en Proust levert W.G. Sebald een derde leesproject op. Eigenlijk ben ik met deze auteur al meer dan 25 jaar vrijwel voortdurend bezig: vanaf het ogenblik dat ik louter toevallig een recensie-exemplaar van een boek in handen kreeg dat toen nog Melancholische dwaalwegen heette (nu, in de nieuwe vertaling van Ria van Hengel, is dat: Duizelingen). Als nooit tevoren bij om het even welke andere auteur was ik danig onder de indruk: dit was zonder enige twijfel van het beste wat ik ooit had gelezen. Sindsdien ben ik het – gelukkig én zeer jammer genoeg – weinig omvangrijke oeuvre van Sebald voortdurend aan het herlezen. Nu doe ik dat in combinatie met de eerste Sebald-biografie, die van Carole Angier. Zij bespreekt ook de werken, die ik dan ook, parallel met de biografie, voor de zoveelste keer herlees.

Een leesproject dat minder aan één auteur is gebonden, heet: Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Het uitgangspunt is een fascinatie voor de toestand waarin dat land na de totale ondergang was terechtgekomen en hoe het daaruit is rechtgekrabbeld. Sebald heeft hierin zeker zijn plaats, maar er zijn ook vele andere schrijvers, bijvoorbeeld Uwe Timm, Günther Grass, Uwe Tellkamp, enzovoort. Veel Uwes want Uwe Johnson hoort ook in dit rijtje thuis. Ik kon niet aan de verleiding weerstaan om diens Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl te kopen, de vertaling van Jahrestage – en alleen al omwille van die forse investering voel ik me genoodzaakt om ook dat boek zeker te lezen. Een historisch werk dat in dit project past en op mijn tijd wacht, is Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955 van Harald Jahner.

De meeste boeken die ik aanschaf vind ik in het tweedehandse circuit, maar vaak koop ik toch ook nieuwe boeken, aan de volle prijs dus – en die moet ik dan toch voorrang geven in mijn lectuurprogramma want anders krijg ik die investering niet uitgelegd. De categorie van nieuw aangekochte boeken vormt een apart leesproject. Het gaat om tientallen titels.

Na zelf vele jaren leesclubs te hebben begeleid en in functie daarvan heel wat boeken te hebben gelezen en bestudeerd (zie deze lijst, ben ik nu zelf lid van leesclubs. Ook dat zorgt voor leesprojecten: binnenkort staan Serotonine van Michel Houellebecq en de boeken van Wessel te Gussinklo op het programma. Van die laatste zullen we De hoogstapelaar lezen, maar ik heb me de hele Ewout Meyster-tetralogie aangeschaft waarvan dit ene boek het derde deel is.

En tot slot zou ik me willen verdiepen in – ik doe een willekeurige greep – het werk van David Foster Wallace, Michel Leiris, Robert Musil en Olga Tokarczuk, in Leven en lot van Vasili Grossman, in de verzamelde werken van Arthur Schopenhauer, Michel de Montaigne en Vladimir Nabokov, in de biografieën van Václav Havel en Ludwig Wittgenstein. Et j’en passe – ach, het is onbegonnen werk.

6496

Brugge - 220422

 

zaterdag 18 juni 2022

notitie 216

SNUFJES

Ik heb nu al bijna vier jaar geen auto meer en, eerlijk gezegd, daar heb ik geen spijt van. De laatste jaren hield ik mijn auto uit gewoonte maar ook omdat ik vreesde dat het mijn autodeelkompaan slecht zou uitkomen indien ik hem zou wegdoen. De auto bedoel ik, niet de kompaan. En ja, dat autodelen hielp me ook wel om de zaak gefinancierd te krijgen. Maar zelf had ik mijn Skoda Octavia, een diesel, bouwjaar 2003, niet vaak meer nodig. Het waren dure kilometers, de kilometers die ik ermee aflegde.

Wanneer ik nu niet anders kan dan met de auto ergens heen te rijden, vind ik altijd wel iemand die bereid is mij er een te lenen. Dan prop ik na gebruik een eurobankbiljet in een of andere gleuf van het dashboard. Altijd een te royaal bedrag, maar toch nog steeds een stuk minder dan wat het mij zou kosten om zelf autobezitter te zijn.

Toevallig zijn de auto’s die ik op die manier rijd allemaal oude bakken van bijna twintig jaar oud en uit de goedkopere categorie. En nu gebeurde het eergisteren dat ik voor het eerst met de auto van X. mocht rijden: een recent gebouwde Audi, helemaal gefinancierd door X.’s baas, ik moest zelfs niets betalen voor de benzine want X. heeft een tankkaart. Zo gaat dat. Ik weet dat het systeem bestaat, maar heb het zelf nooit mogen ervaren. Nu, dat scheelt wel als de benzine stilaan naar de tweeënhalf euro per liter gaat. Honderd frank is dat! Toen ik tweeënveertig jaar geleden mijn eerste autootje had, een Autobianchi, stond ‘de naft’ – hoeveel was het? – vijftien frank of zo.

Het verbruik van de Audi kon ik aflezen op het dashboard. Ik probeerde onder de vijf liter per honderd kilometer te blijven. Dat lukte aardig, zeker ook omdat er een cruise control aanwezig was. Er stonden ook heel wat andere dingen op het schermpje achter het stuurwiel te lezen – maar daar had ik niet veel oog voor want het was toch wel redelijk druk op de snelweg en ik ben het rijden toch een beetje ontwend. Met de snelheidsindicatie, de inhoud van de benzinetank en de kilometerstand was ik vertrouwd – alleen werd alles nu digitaal weergegeven en niet met analoge wijzertjes. Maar er verscheen nog veel meer informatie. Zo kreeg ik bijvoorbeeld ‘tips om zuiniger te rijden’. Mij werd gemeld dat ik naar de zesde versnelling moest doorschakelen – ik wist niet eens dat er een zesde versnelling was. En ja, dat ik mijn ruit moest dichtdraaien wanneer de airco aanstaat. Airco? Jawel, die was hier natuurlijk ook aanwezig. Toen ik destijds, bijvoorbeeld in mijn R5 waarmee ik ooit nog door Italië en Zuid-Frankrijk heb getuft, te warm had, zwengelde ik gewoon aan weerskanten de raampjes open. (In die R5 groeide er op het eind in het stof en slijk dat zich achterin op de vloer had verzameld een boom, maar dat is een andere zaak.)

De spiegels in de Audi van X. zijn uiteraard elektrisch te bedienen, en ze trekken hun oren in wanneer je parkeert. Ze bevatten ook een waarschuwingslicht dat je duidelijk maakt of er achteropliggend verkeer is op het vak waarop je wenst in te schuiven – maar dat kreeg ik pas door toen ik bijna mijn bestemming had bereikt.

Er was niet alleen achter het stuur een scherm – er was er nog een tweede, op de plek waar in mijn vroegere vehikels de radio stak (mét cassettedeck of, later, de cd-speler). Op dat scherm kon de DAB+-radio worden bediend, met wel honderd preselecties. Dat kon ook met knopjes die zich op het stuur bevonden. Uiteraard was er ook bluetoothverbinding mogelijk met de gsm. Ik begon er niet aan. Landkaarten hoef je ook niet meer mee te brengen en al rijdend bestuderen want de mevrouw van de gps zegt je feilloos voor hoe je op de plaats moet geraken waarvan je de naam of het adres hebt ingetikt. En niet alleen dat, ze weet ook wanneer je daar zult arriveren. Het reizen houdt maar weinig verrassingen meer in. Wanneer je dan ter bestemming bent aangekomen, word je met klank en beeld bijgestaan door de parkeerassistent. Zoals je onderweg ook automatisch wordt bijgestuurd wanneer je een onderbroken witte lijn oversteekt zonder je richtingaanwijzers te hebben gebruikt. Verontrustende ervaring is dat wanneer je niet op voorhand daarvan op de hoogte bent gebracht.

En zijn nog veel meer snufjes, te veel om op te sommen. Gelukkig vertelde X. me bij het vertrek hoe ik de handrem moest ontgrendelen en dat ik de sleutel nergens hoefde in te steken maar gewoon op een knop moest drukken om de motor aan de praat te krijgen.

Velen zullen bij het lezen van dit stukje meewarig het hoofd schudden, maar geloof me, voor mij was het allemaal nieuw en wel erg veel in één keer. Autorijden is niet meer wat het geweest is. Ik zou geld geven om nog eens een ritje te maken met de Renault 4 die ik ooit bezat. Of met die R5, waarin de boom inmiddels door het dak moet zijn gegaan.

(Klik hier voor mijn carrière als autobezitter.)

6495

Brugge, AZ Sint-Jan - 220421

 

vrijdag 17 juni 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 243

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

14 mei 2010

ALFAWETENSCHAP

Hoe komt het dat je meer op exacte dan op niet-exacte wetenschappen gericht bent? Of omgekeerd? Hoe komt het dat iemand valt voor de poëzie van een wiskundige formule, eerder dan voor de precisie en trefkracht van een adequaat geformuleerd vers? Wat maakt er van iemand een schaker die alle openingen in zijn koker heeft zitten, of eerder een speelvogel die verslingerd is aan het verloren lopen in een desastreus eindspel? Welke knoop in welke hersenkwab zorgt daarvoor?

Een paar keer maar is het mij vergund geweest de schoonheid van de exacte wetenschap te mogen smaken. Ik herinner mij kortstondige fascinaties voor de indrukwekkende architectuur van het chemisch universum, voor het waterdichte systeem van de zwaartekracht die de planeten aan elkaar doet klitten, voor de dwingende logica waarmee een wiskundig bewijs naar zijn ontknoping voert. Ja, dat soort verwondering is mij ooit te beurt gevallen, door toedoen van begenadigde pedagogen, en ik ben daar dankbaar voor. Maar ik had er de kop niet voor. Ik begreep dat het te begrijpen was – maar dat begrip was er een van een welbepaald soort waarbij het mij meteen ook duidelijk was dat de grond van de zaak voor mij voor immer ondoorgrondelijk zou blijven. Nooit heb ik de sleutel tot dit paradijs van exactheid en eenduidigheid gevonden. De toegang bleef mij ontzegd. Ik had er mij bij neer te leggen dat ik de rest van mijn leven met dubbelzinnigheid, hermeneutiek en – laat het ons positief formuleren – poëzie te maken zou krijgen. Een andere vorm van complexiteit is dat en niet een minderwaardige vorm.

Nu is er opeens ook het besef dat er mogelijk een andere verklaring meespeelt, een die minder inzet op hersenstructuur of predestinatie, maar psychologischer van aard is. Misschien heeft de alfageaardheid, de voorkeur voor niet-exacte wetenschappen en activiteiten zoals literatuur, kunst, geschiedenis…, te maken met bindingsangst? Wie de wetten aanvaardt – de fysische of chemische of, voor zover die ook exact zijn, de juridische -, levert zijn eigen vrijheid in en kiest voor definitieve zekerheden. Moet ik dit gemakzucht noemen? Dat zou ik beter niet doen want net zo goed kun je verdedigen dat wie, zoals ik, overhelt naar alfa en dus naar eeuwig interpreteren, duiden, wikken en wegen, altijd een argument vindt om zich achter te verschuilen ten einde het kiezen uit te stellen. Ja, misschien heeft het wel dáár mee te maken. Of toch iets, een klein beetje. Zo precies kan ik het nu ook weer niet verwoorden, deze intuïtie.

6494

Brugge, Kruispoort - 220419

 

donderdag 16 juni 2022

notitie 215

BLOOMSDAY

16 juni is Bloomsday. De Joyceanen onder ons hoef ik daar niet op te wijzen. Dit keer is het zelfs een speciale Bloomsdag want Ulysses beleefde zijn eerste druk in 1922, precies een eeuw geleden dus. Dat beroemde boek verhaalt de gebeurtenissen op één dag in Dublin, te weten: 16 juni 1904. De wandelende Jood van dienst is Leopold Bloom. Daarom dus. Tussen haakjes, 16 juni 1904 was ook de dag dat James Joyce voor het eerst seks had met zijn latere echtgenote, Nora Barnacle.

Iedereen die zich wat met literatuur bezighoudt, kent Ulysses. Velen bezitten dat boek, maar niet velen hebben het gelezen – hoewel het aantal onder hen dat eraan begonnen is toch wel aanzienlijk moet zijn. In een top-tien van ‘Unfinished fiction’, op basis van een enquête onder ‘Britons’, prijkt Ulysses op plaats drie.

Er zijn verzachtende omstandigheden: met zijn 820 bladzijden is het een dik boek, en het is een moeilijk boek. En voor het verschijnen in 1994 van de vertaling van Paul Claes en Mon Nys was het ook, in ons taalgebied, een slecht vertaald boek. Tot dan moesten Joyceanen die het Engels onvoldoende machtig waren om het origineel te lezen – die bestaan!, zeker ook omdat het Engels van Joyce niet bepaald eenvoudig is – het stellen met de uit 1969 daterende vertaling van John Vandenbergh. Ondertussen verscheen, in 2012, een derde Nederlandse vertaling, van de hand van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. De titel ervan is Ulixes. Paul Claes liet mij ooit eens weten er niet enthousiast over te zijn.

De vertaling doet er wel degelijk toe. Ik weet het want ik kan ervan meespreken als het over mijn leeservaring van Ulysses gaat. Ik heb er erg lang over gedaan om het boek gelezen te krijgen. Mijn eerste pogingen, een drietal schat ik, strandden telkens na een paar honderd bladzijden. Ik geraakte maar niet door de Nederlandse vertaling, toen nog die van Vandenbergh. In 2004 lukte het me dan toch de nieuwe, toen ook alweer tien jaar oude, vertaling van Claes/Nys tot het einde uit te lezen. En dat is, honderd procent zeker, te danken aan haar kwaliteit.

Ulysses is nog steeds een van de beste boeken die ik ooit las. Toegegeven, je moet er flink wat tijd in investeren en ook enig parallel studiewerk is zeker niet overbodig. Ik hield ‘the corrected text edited by Hans Walter Gabler with Wolfhard Steppe and Claus Melchior’ van Joyces meesterwerk nooit ver uit de buurt (eerste uitgave 1986), maar ook de schitterende Joyce-biografie van Richard Ellmann (1959; ik kocht in 1982 een herdruk uit 1977 voor 150 frank in de ramsj van de Acco in Leuven) en The New Bloomsday Book van Harry Blamires (tweede editie 1988), een ‘Guide Through Ulysses’. Ook het reeds gelezen hebben van Een portret van de kunstenaar als jongeman en uiteraard de Odyssee van Homeros was uiteraard behulpzaam om mij de toegang te forceren tot het universum van James Joyce.

Dat alles samen – en eigenlijk nog wel meer – maakte dat de boeken van en rond Joyce voor mij nog altijd een van de belangrijkste episodes in mijn persoonlijke lectuurgeschiedenis vormen. Dat leidde onder meer tot het schrijven – ergens eind de jaren tachtig, de precieze datum is niet meer te achterhalen – van een essay waar ik best wel nog altijd trots op ben: ‘De draagwijdte van het triviale’. Het is hier te vinden.

Ik verlang er al geruime tijd naar om Ulysses nog eens te herlezen en kan ondertussen iedereen die ergens in dat boek is blijven steken of er nog niet toe is gekomen aanraden om het de aandacht te schenken die het zeker verdient.

6493

Meetkerkse Moeren - 220419

 

woensdag 15 juni 2022

getekend 422

 

afscheid van mijn digitaal bestaan 242

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

4 mei 2010

De manier waarop we Theresienstadt binnenrijden, klopt helemaal met wat Sebald daarover in Austerlitz schreef: opeens, zonder dat je het hebt gemerkt, ben je opgenomen in de vestingstad, die je nauwelijks hebt zien naderen en waarvan de omwalling verzonken lijkt in het omringende grauwe, vlakke, nogal uitdrukkingloze landschap. We parkeren de auto tegenover het – niet door Sebald vermelde – Park Hotel en wandelen een eerste rechte straat in, in de richting waar we het centrale plein vermoeden. 

(…)


Terug op het plein worden wij aangeklampt door een man die niet bepaald een riante eerste indruk achterlaat. Slecht gekleed, enigszins waggelend of mankend of een combinatie van die twee, druk gesticulerend en een onverstaanbaar Duits brabbelend. Hij heeft in ons toeristen herkend, de soort waar hij op jaagt. Zou het kunnen? Zou het kunnen dat dit de man is die ook Sebald vermeldt, en wel als een van de eerste mensen die hij in de lege stad aantreft? Wanneer de man zijn hand uitsteekt, het universele bedelgebaar, dringt het tot mij door dat dit wellicht het geval is. Het is de specialiteit van deze man, daar leeft hij van: vreemdelingen aanspreken, een soort van verwelkoming, het aanbod van informatie maar dan op een zodanige manier dat je hem liever een aalmoes toestopt om snel van hem af te zijn. Ik heb de man ternauwernood een stuk van 20 kronen in de hand geduwd (Sebald deed een briefje van 100) of hij onderbreekt zijn betoog, schijnbaar in het midden van een zin, steekt zijn hand op, waarvan de gespreide vingers, zoals ik later op de foto zie, mooi rijmen met de kale takken van de gesnoeide linden, en wendt de steven naar het koppel slenterende en snuffelende en zich door middel van ándere details en ándere omissies een beeld van de stad vormende toeristen dat enkele minuten eerder het plein heeft betreden en dat hij, het kan niet anders, met het hem kenmerkende, door jaren van ervaring gevormde levensinstinct, of overlevingsinstinct, al in een ooghoek moet hebben opgevangen.

De Antik Bazar is er niet meer, maar er zijn wel andere etalages – er is in elk geval veel meer economische activiteit, al zou het adjectief ‘bruisend’ zeker misplaatst zijn, dan het relaas van Sebald doet vermoeden. In een van de etalages staat een knalrode racemoto, in een ander een Amerikaanse jeep. Een kruidenierswinkel is ontruimd – maar daarin verschil Theresienstadt niet van de meeste dorpen en steden op het Europese vasteland waar de elementaire distributie van voedsel naar anonieme dozen in de rand van de woonkernen is verhuisd, wat, zo denk ik toch af en toe wel eens, voor heel wat oudere mensen toch niet anders dan een enorm en dagelijks opnieuw te overwinnen probleem kan vormen. In de etalage van een brocantezaak ligt naast een typemachine een verroeste Duitse Stahlhelm. Er zijn ook flacons van duidelijk militaire herkomst. Op een karretje staat het beeldje van een ijsbeer. Hiervan, overweeg ik, van dit overduidelijke geval van treurigmakende dislocatie, zou Sebald vast en zeker iets moois hebben weten te maken, iets wat met de voor hem zo typerende dwingende retorische kracht een gevoel zou aanbrengen dat zich endemisch over de hele site en het hele relaas zou verspreiden en uiteindelijk een belangrijke rol zou spelen in de overtuigingskracht waarmee datgene waarover het hier, in deze stad, natuurlijk echt gaat, de recente geschiedenis van dit onzalige oord, zou worden gecommuniceerd. Ja, misschien, dat is niet ondenkbaar, zou Sebald van het ijsbeertje het voertuig hebben gemaakt, de mascotte bijna, al klinkt dat hier wellicht te oneerbiedig, van de diepe wanhoop die wordt veroorzaakt door het besef dat het leed en de pijn van de tienduizenden die in deze vreselijke garnizoensstad het slachtoffer zijn geworden van het rigoureuze en extreem cynisch doorgevoerde exterminatiebeleid van de uniformdragende nazi’s totaal onvoorstelbaar is geworden. De literaire constructie is daartoe wellicht nog een van de meest efficiënte strategieën – en dat is misschien een van de essentiële kwaliteiten van een meesterwerk als Austerlitz: dat het duidelijk maakt dat enkel in de fictionalisering (de details, de omissies) de waarheid recht wordt aangedaan.