In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.
augustus 1995
Lieven De Cauter, Archeologie van de kick (1995)
De lakse jaren negentig
Ik zit al enige tijd te broeden op wat ik over de essaybundel Archeologie van de kick van Lieven De Cauter zou kunnen schrijven. In het pas uitgebrachte autobiografische Dorre bladeren van Harold Polis vind ik een onverwachte aanvulling op het uitgangspunt dat ik aanvankelijk voor ogen hield (en waar ik straks op terugkom). Polis heeft het over ‘de lakse jaren negentig’. Het gaat mij uiteraard om dat adjectief. Het houdt een kwalificatie in, een veroordeling zelfs.
Het niet zo vaak gebezigde woord ‘laks’ betekent – bedenk ik voor de vuist weg, ik bedoel zonder woordenboek te raadplegen –: op een misplaatste manier onbekommerd, onvoldoende bedachtzaam met betrekking tot wat komen gaat, gemakzuchtig, achteroverleunend.
Ja, Polis beroert daarmee wel een gevoelige snaar.
Want de jaren negentig, was dat niet dat nog onbezorgde, welvarende, na de Val van de Muur opgelucht ademhalende en zich aan het eindpunt van de geschiedenis gekomen wanende decennium, ergens halverwege het aller Werten umwertende rumoer van de jaren zestig en de quasi veralgemeende paniek waarin we ons nu bevinden? De economie boomde, milieuproblematiek en klimaatverandering waren nog niet ten volle tot het collectieve besef doorgedrongen, en we waren nog niet 24/7 wereldwijd met alles en iedereen geconnecteerd, zodat we ons nog konden koesteren aan parochiale warmte en vermeien met postmoderne spelletjes.
Het uitgangspunt dat ik aanvankelijk voor ogen had om iets over de voor mij ooit belangrijke essaybundel van Lieven De Cauter te schrijven, was niets minder dan de rol van de intellectueel in de toenmalige maatschappij, dat wil zeggen: die van de jaren negentig, in het West-Europese Vlaanderen. Ik was toen zelf een cultureel journalist – het ging dus om een onderwerp dat mij aanbelangde. Indien mogelijk diende ik daar verslag van uit te brengen. (Ik geef hier met opzet de voorkeur aan het werkwoord ‘dienen’ in plaats van ‘moeten’.)
Tussen 1990 en 1996 bekleedde ik functies waarin ik de mogelijkheid had om deze taak op een zinvolle manier in te vullen. De media, en al zeker deze waarvoor ik werkte (Kunst en Cultuur en De Standaard der Letteren), hadden zichzelf nog niet uitgeleverd aan de commercie – al kondigden de eerste voortekenen van die evolutie, die zich nu volledig heeft voltrokken, zich ook daar al aan.
Overambitieus was ik destijds zeker niet, maar een van de dromen die ik wél koesterde, was om aan de intellectuelen van dat moment een forum te bieden. Alleen, ik had geen al te uitgewerkt idee van wie daarvoor in aanmerking zou komen. Of juister geformuleerd: ik was toen te zeer onder de invloed van het op dat ogenblik dominante culturele klimaat en mijn horizon was bijgevolg te beperkt voor de taak die ik mezelf stelde.
Het beeld van de ‘intellectueel’ dat ik in die tijd had, was in grote mate gevormd door de tien afleveringen van het volgens De Morgen ‘slechtste televisieprogramma aller tijden’. Ja, ik heb het over Container. We schrijven 1989. Bart Verschaffel en, jawel, Lieven De Cauter babbelden er, zonder zich ook maar enigszins om kijkcijfers te bekreunen, over onderwerpen als – ik raadpleeg even Wikipedia – sentimentaliteit, waanzin en perfectie, art déco, Ernest Claes, het warenhuis, theatraliteit, Don Juan, roes en exotismen. Het ging niet meer over de existentiële vragen over zin en vrijheid noch over de emancipatorische kwesties die de jaren zestig hadden gedomineerd, en het ging nog niet over de opeenvolgende crisisissen die al ten overvloede het eerste kwart van de 21ste eeuw hebben geteisterd. Verschaffel en De Cauter brachten geen linkse analyses (en ook geen flinkse), maar leken zich vooral bezig te houden met veeleer vrijblijvende esthetische of esthetiserende onderwerpen. Op en top pomo, als het ware.
Het intrigeerde me. Niet dat ik veel van de Container-babbels opstak, maar ik keek vooral gefascineerd naar de middenvinger die de makers schijnbaar achteloos, maar in werkelijkheid veeleer argeloos, uitstaken naar de eisen van de markt die, zoals gezegd, toen het media- en dus ook het televisielandschap begonnen te domineren. Zeker door de komst van de VTM. Het programma Container werd vroeger dan gepland afgevoerd. Maar ik sympathiseerde met zijn makers.
Dat was de reden waarom ik in augustus 1995 Archeologie van de kick van Lieven De Cauter las en welwillend recenseerde. Ik was geenszins verbaasd er onderwerpen in behandeld te zien als wereldtentoonstellingen, toerisme, skiën, frivoliteit.
Nu echter, dertig jaar later, lijkt die esthetiserende en zelfs frivole blik mij verbazend lichtzinnig. Intellectuelen horen zich, me dunkt, te midden van de crisissen die wij nu beleven over de échte wereld uit te spreken en zich niet vooral bezig te houden met de deconstructie van voorbije zienswijzen en fenomenen. Ik verlang van hen dat zij kritisch naar de sociale en politieke en ecologische werkelijkheid kijken. Dat zij zichzelf losweken van de vrijblijvende theorietjes van Lyotard, Virilio, Vattimo, Benjamin e tutti quanti. De situatie is daar te ernstig voor, er is geen tijd meer voor spelletjes.
Niet dat de intellectuelen van de lakse jaren negentig hun nieuwe verantwoordelijkheid niet opnemen. Maar de portee die hun stem destijds had, of kon hebben, is aanzienlijk afgezwakt. Goed gedocumenteerd en zorgvuldig in hun redeneertrant als zij zijn, hebben ze veel plaats nodig – maar die vinden ze enkel nog – zolang daar nog voldoende subsidies voor zijn – in bijna obscure magazines als rekto:verso en De Witte Raaf of – zolang die door the powers that be niet juridisch zijn weggepest – op onafhankelijke nieuwssites als DeWereldMorgen of Apache. Ondertussen zijn de reguliere media in grote mate vercommercialiseerd – zo is er voor cultuur of een ernstig debat nauwelijks nog tijd en ruimte op radio of televisie, en is de laatste degelijke letterenbijlage al geruime tijd van de kaart geveegd. Het academische discours heeft zich al helemaal teruggetrokken in gespecialiseerde tijdschriften of internetsites die door niemand worden gelezen.
Bovendien hebben de sociale media hun vormvereisten aan het culturele en maatschappelijke debat opgelegd. Als de intellectuelen van de jaren negentig zich nog de moeite getroosten om een genuanceerde en gedocumenteerde kijk te brengen op de allang niet meer zo frivole kwesties die onze samenleving vandaag beroeren, dan moeten zij opboksen tegen de myriaden aan meningen die de digitale polarisatiemachines spuien. Het mag allemaal niet te veel plaats innemen – wie zijn tijd neemt om een argument uiteen te zetten vinden we al vlug pretentieus. Zeg nu zelf, wie leest er tegenwoordig nog teksten (zoals deze) die langer zijn dan vijfhonderd woorden – u scrollt toch ook, alvorens naar het volgende brokstuk van het uiteengespatte discours te zappen, eerst neerwaarts om te kijken hoeveel van uw kostbare tijd de auteur zich permitteert op te eisen? En zegt u dan ook niet bij uzelf: ik lees het later wel, waarna u dat uiteraard vergeet?


























