zaterdag 8 augustus 2026

facebookbericht 1242

S10, dat ik niet kende, was een aangename verrassing, met een zeer zorgvuldige geluidsbalans. Kowlier was voor mij het Jantje van Leiden van de avond. Geen kunst, om met een laptop, met daarin een Schaal van Richter-bas, te staan rappen. Ik vond het ook jammer dat ik van zijn Izegems, dat ik nochtans vrij grondig beheers (mijn moeder was van Bavikhove, ik weet het, een wereld van verschil, maar toch), door de slechte klank weinig verstond. Wat jammer is, zeker bij een wereldkolderpoëzie als In de chalet.

vorig jaar 422

8 augustus 2025

Na een alweer veel te korte nacht zit ik om halfzeven samen met M aan de ontbijttafel, die uitermate copieus gedekt is. Ze vertelt over de onderwijsstiel, over hoe alles in haar tijd van werken heel erg veranderd is en hoe de status van de onderwijzer werd ondermijnd. De mislukking van het inclusieonderwijs, de crisis van het gezag, de pretpedagogie. M legt me ook uit hoe haar relatie in elkaar zit. (…) Haar dochter is met een van de zonen van T getrouwd, en pas daarna volgden zij hun kinderen in het huwelijk. Wat later vertelt T, die er inmiddels bij is komen zitten, hoe hij dit huis in Maranwez heeft verworven en gerenoveerd. Samen hebben ze nu ook het huis ernaast gekocht, ze gaan het als gîte verhuren. Wat een rijk koppel, wat een mooi leven. Het ontroert me. Helemaal week en weerloos geworden beslis ik om hier nog een dag te blijven. Waarom zou ik mezelf de hitte injagen als ik hier zo goed ben? Misschien moet ik het helemaal over een andere boeg gooien en aanvaarden dat het fietsreizen, zeker in de zomer, voorgoed voorbij is?

Een groot stuk van de voormiddag breng ik in een hangmat door. Met lectuur en slaap. Rond elf uur de fiets op voor een korte rit naar Signy-l’Abbaye en dan terug via Lalobbe, Draize en Montmeillant. Dit korte ritje, een 30-tal kilometer, door een prachtig heuvelachtig landschap met veel weiden, bosschages, bosranden en alleenstaande bomen, is ook zonder bagage al zwaar genoeg. Na een douche maak ik samen met T nog een wandeling in de buurt. Hij gaat heel vriendelijk om met de andere dorpsbewoners. Een zekere Johan werd kort geleden door zijn vrouw verlaten. Al zijn dieren – een geit, konijnen, een van de twee paarden – zijn sindsdien gestorven. Johan blijft alleen achter. Hij plant bloemen in een stukje openbaar domein in de opgehoogde berm van de weg, tegenover zijn erf. De aarde is er aangevoerd en bevat veel glasscherven en metaal. Niemand weet waar die afval vandaan komt. De openbare wasplaats, die helemaal was ingezakt, werd onlangs vernieuwd en heeft uiteraard niet de patina van de oorspronkelijke constructie. De waterleiding bereikte dit afgelegen dorp pas in 1976. Tot dan was iedereen aangewezen op zijn eigen waterput. Die van T en M bleek tot dertig meter diep te gaan. We hebben het, samen met Johan, ook nog over de spectaculaire aanwas van het aantal windmolens aan de horizon, en over de consumptie van vlees.

Terug thuis is het alweer tijd voor het aperitief. Ik maak een portretfoto van T en M, die poseren voor hun ingepakte oldtimer Ami 8. Aan tafel hebben we alweer een goed gesprek, onder meer over de politiek. T en M stemmen allebei XXX. T heeft een nogal historiserend-relativerende blik op de mensheid: er zal altijd oorlog zijn; het kwaad zit in de mens; als de kleine man niet krijgt wat hij nodig heeft, zal hij het nemen…




8010

Meetkerke - 260709


vrijdag 7 augustus 2026

vorig jaar 421

7 augustus 2025

Om 7 uur ben ik in de bakkerij die ik gisterenavond op mijn wandeling heb gezien. Croissant en koffie. Een gezelschap, bestaande uit twee jongemannen, een erg jong meisje en een vrouw die waarschijnlijk haar moeder is, zit aan het tafeltje naast het mijne en praat over Oekraïne en over de maatschappij waarin we zijn komen te leven. Een van de jongemannen, met kleine oogjes van een nachtje stappen, zegt dat hij daar volledig buiten staat en ook wil staan: geen sécurité sociale, geen uitkeringen, gaat niet stemmen, etcetera. Het meisje zegt: ‘Quand j’avais douze ans.’ Dat klinkt alsof het een half leven geleden is maar ze kan het over hooguit drie of vier jaar terug in de tijd hebben. De andere jongeman, met basketpet, ruimt na het ontbijt alles netjes op. 

Ik vertrek om halfacht uit Valenciennes. Met een hevige hoofdpijn, die gelukkig na een twintigtal kilometer verdwijnt. Ik fotografeer even buiten de stad een door bomen en groen overwoekerde bunker. 




Ik zoek moeizaam mijn weg: Sebourg, Bry, Saint-Waast. In Bavay is om negen uur niets open. Behalve de grande surface, waar ik mijn inkopen doe. Die lijkt alle leven uit het stadje naar zich toe te hebben gezogen. 

Picknick achter de kerk van Saint-Rémy-Chaussée. Het is nog maar elf uur. Een ambtenaar sloft de mairie in, en uit, en weer in, en weer uit. Alles op zijn tijd, geen haast. Enkele kilometers verderop zie ik een man zijn mobilhome poetsen. Ik vraag hem of hij mijn waterfles wil bijvullen. De mobilhome, zegt hij, is voor zijn dochter, die met haar dochter op reis gaat. Om zelf te reizen vindt de man zichzelf te oud. Hij bezorgt me gekoeld water, dat is meer dan ik had gevraagd. 

Om halféén ben ik in Avesnes, waar ik een foto stuur naar G, die hier, toen we twintig jaar geleden samen met nog twee andere vrienden naar Marseille fietsten, een overstekende hond aanreed en zwaar ten val kwam waardoor hij de reis die hij zelf had georganiseerd in de volgwagen moest doorbrengen. Ik zie een koppel fietsreizigers op zoek naar iets en nodig hen uit om samen met mij een koffie te dringen op het terras van het café tegenover de kerk. Eric is informaticus; Constance werkt in het Musée Matisse in Le Cateau-Cambrésis. Ze zijn elf dagen samen onderweg, leggen 30 kilometer per dag af. 

In Fourmies begint de hitte te wegen. De hellingen doen dat ook: mijn bagage, fiets en ik zijn, samen, te zwaar. Een raam waarachter een reproductie te zien is van een popart-schilderij van Lichtenstein trekt mijn aandacht. Een van de luiken die aan weerszijden van het raam zijn opgehangen hangt scheef. 




Na Anor en Hirson begint in Bucilly het mooie dal van de Ton. Hier wonen blijkbaar veel Nederlanders, te zien aan de autonummerplaten. De Proxi van Aubenton brengt soelaas voor mijn suikerklop. Het wordt nu echt veel te heet. Na Aouste stuurt mijn gps mij de jungle in. 

Om halfzes kom ik aan bij Mireille en Theo, twee Dendermondenaren die hier een deel van hun tweede verblijf verhuren aan passanten die, zoals ik, zijn ingeschreven bij de organisatie Vrienden op de Fiets. De ontvangst verloopt allerhartelijkst: met dorstlesser, een alcoholvrij biertje als apéro, een stevige maaltijd. Het klikt en we praten heel wat af. Theo was leraar lichamelijke opvoeding, Mireille onderwijzeres op een methodeschool. We behandelen uiteenlopende thema’s: verslavingen, individualisering in de maatschappij, etcetera. 

Om tien uur naar bed. Twijfels of ik onder deze weersomstandigheden mijn reis kan voortzetten.


8009

Meetkerke - 260709


donderdag 6 augustus 2026

facebookbericht 1241

Dat was inderdaad een meer dan boeiende rit. Door een prachtig decor bovendien. Ik bleef aan het scherm gekluisterd. Jammer dat Reusser niet won. Dat mijn voorkeur naar haar uitgaat heeft evenwel redenen van louter libidineuze aard, moet ik toegeven. Een gebeeldhouwde kop die je blij doet zijn als ze eindelijk die joekel van een zonnebril afzet, en naar verluidt heeft zij een artsendiploma op zak. Maar ze mogen alle drie hoor! Van mij op het podium staan! In Nice! Nice!




vorig jaar 420

6 augustus 2025

Al om halfvijf op. Dit is de eerste dag van mijn nieuwe leven. (…) Het wordt stilaan klaar. Het is mooi weer. Ik ga alles inladen en vertrekken. (…) Om kwart voor zeven ben ik dan definitief weg. Beernem, Ruiselede, Wingene. In Kanegem ontbijt ik bij het standbeeld van Briek Schotte. 



Na Olsene en Kruishouten kom ik op wegen waar ik nooit eerder met de fiets was. Anzegem en Kluisbergen. En dan is er Wallonië: Celles. Even voorbij Quartes nodigt een bank in de schaduw van een boom mij uit voor de picknick. Een man komt uit zijn boerderij aan de overkant van de weg op mij afgestapt. Niet om mij voor het een of het ander terecht te wijzen, waar ik natuurlijk aanvankelijk van uitging, maar gewoon om een praatje te maken. Hij heeft een blik frisse cola voor me meegebracht. Dat soort vriendelijkheid zijn wij, stugge Vlamingen, niet gewoon. Ik ben blij dat ik weer eens Frans kan praten. In Barry regel ik mijn overnachting. (…) Het stuk van Peruwelz naar Valenciennes is vervelend. Eerst een bijna volledig dichtgegroeide ravel waarop niets te zien is, dan verdwaal ik op een brede nationale met snel en druk verkeer. In Bruay-sur-l’Escaut vind ik eindelijk een café dat niet gesloten is. Maar ze hebben er geen koffie. Dan maar cola. Die suikers komen goed van pas want ik zat er bijna doorheen. De nadering van Valenciennes is erg triest. Drie op de vier winkels en horecazaken zijn gesloten. Het verval contrasteert scherp met de blitse tram die een eigen bedding heeft midden op de brede weg. Op de verlaten huizen groeien er bomen. Ik zeg het niet graag omdat het zogezegd niet politiek correct is, maar dit lijkt de Derde Wereld wel. Dat de scholen hier naar Georges Brassens en Henri Matisse worden genoemd, brengt geen zoden aan de dijk. Mijn zeer eenvoudige kamer in het Hôtel de Clémenceau kost 56 euro. Ik slenter door deze stad, waar ik nooit eerder kwam, drink een koffie aan het station en eet biefstuk-friet tegenover het stadhuis. De biefstuk smaakt naar niets en de frieten eigenlijk ook niet. (…) Om twintig over acht ben ik al terug op mijn kamer. Ik wil nog wat lezen en zal dan wellicht vroeg in slaap vallen – al is er behoorlijk wat lawaai op straat. Onder meer een ruziënd koppel. Hij: ‘Va te faire enculer!’, en dat voor de hele straat. Het meisje begint te gillen: ‘Au secours!’ (…)

8008

Zwankendamme - 260707


8007

Sijsele - 260704


woensdag 5 augustus 2026

37 * 43,8 * 23,2 * 136 * 2075,2

Sint-Martens-Latem - Nevele - Vosselare - Hansbeke - Aalter - Beernem - Moerbrugge - Steenbrugge - Brugge



36 * 43,8 * 25,2 * 127 * 2031,4

Brugge - Steenbrugge - Moerbrugge - Beernem - Aalter - Hansbeke - Vosselare - Nevele - Sint-Martens-Latem



vorig jaar 419

4 augustus 2025


Gemengde gevoelens na mijn derde lectuur van Bezoek onze kelders van Koen Peeters. Het lijkt wel een oefening in hoever je kunt gaan met postmoderne spielereien voordat je in vrijblijvendheid, betekenisloosheid en onbeduidendheid belandt. Maar een heel eigen stem had de toen (1991) nog zeer jonge Peeters wel.

*

(…)

5 augustus 2025

Ik ben samen met Benoni in een goudkleurige Porsche naar Parijs gereden om daar een voetbalmatch bij te wonen. Wanneer we na de wedstrijd het stadion verlaten en terug bij de Porsche aankomen, blijken de vier wielen, die waren uitgerust met superdure luxevelgen, te zijn gestolen.

*

(…)

*

Om zes uur mijn ritje door de Meetkerkse Moeren. Iets na zonsopgang. Het is bewolkt. Heeft het daarmee te maken dat het nog stiller is dan anders, dat de vogels niet van zich laten horen? Of is het de tijd van het jaar, met de lente al een heel eind in het verleden?

*

Samen met B ga ik bij kunstschilder Gilbert Hoste een schildersezel ophalen. Op zijn 84ste heeft Gilbert beslist om zijn palet aan de haak te hangen. Van beroep was hij kapper. Hij vertelt hoe moeilijk het was om na zijn huwelijk zijn beroepsleven te combineren met zijn ambitie als kunstschilder. In zijn woning aan de Koolkerkse Steenweg hangen enkele van zijn schilderijen. Ik zie Octave Landuyt-achtige koppen. Enkele abstracte composities ook. Niet geheel onverdienstelijk, maar in een andere context zouden deze doeken mijn aandacht niet vasthouden. Gilbert vertelt honderduit. Om niet te zeggen dat hij niet te stuiten is. Volgens B is Gilbert blij dat hij iemand te zien krijgt. Gilbert heeft het onder meer over de Brugse schilder Aimé Van Belleghem, die volgens hem in zijn tijd iets heeft betekend. Ik kende hem niet. Gilbert heeft het ook over de erfelijkheid van talent. En over de Nederlandse kunstenaar Martijn Doolaard, die ergens in de Italiaanse bergen een oude boerderij restaureert en dat uitgebreid documenteert op YouTube. Hij kan er uren naar zitten kijken, zegt Gilbert. Thuis bekijk ik een aflevering: https://www.youtube.com/c/MartijnDoolaard. Ik kan me voorstellen dat je hier lang naar kunt zitten kijken. We nemen met goede gezindheid afscheid van Gilbert, die ik, in ruil voor zijn ezel, een exemplaar van Vaderader ter overweging geef. Hij hoopt dat de ezel in goede handen is. Aan mij om dat waar te maken.

*

(…)

De gast van de eerste aflevering van Alleen Elvis blijft bestaan is Tine Embrechts. Deze krachtige vrouw heeft er geen moeite mee dat ze vijftig is. Ze begint met Gaza, aan de hand van een fragment uit de film For Sama, over de vrouw van een dokter in Aleppo. Ik heb die film gezien: indrukwekkend. Tine vindt het onaanvaardbaar dat onze politici zich in zwijgen hullen. En dat de premier afkwam met foto’s van zijn kat vond ze schokkend. Of neen, ‘stuitend’ is het woord dat ze gebruikt. Er was ook een fragment over een actrice die, toen ze veel jonger was, seksistische commentaren over zich heen kreeg omdat ze ‘te dik’ zou zijn. In een schitterende sequentie uit de film Marriage Story (2019) maakt Scarlett Johansson ruzie met haar tegenspeler, die uiteindelijk zijn agressie van haar afwendt door een gat in de muur te slaan. Tine spreekt ook over haar scheiding. Die was pijnlijk, uiteraard, maar ze is toch trots op de manier waarop ze het heeft aangepakt. Ze heeft vier zonen: twee uit de eerste en twee uit de volgende relatie. Ze heeft het over hoe moeilijk het is om die twee maal twee, met daar nog eens haar carrière bovenop, te combineren.

8006

Zuienkerke - 260702


8005

Damme - 260630


dinsdag 4 augustus 2026

8004

Strooienhaan - 260629


8003

Lovie - 260628


maandag 3 augustus 2026

vorig jaar 418

1 augustus 2025

(…)

*

Op de radio gaat Weet ik veel over India, een onmetelijk land waarover ik niet veel, om niet te zeggen niets weet maar waarover ik met dat programma helaas ook niet zeer veel aan de weet kom.

*

(…) naar de fietsenmaker, om mijn Koga op te halen. Nieuwe tandwielen, ketting, remblokjes etcetera… - alles samen 259 euro! Maar dat geef ik graag voor een zeer intensief gebruikt vehikel dat goed moet bollen.

*

(…)


2 augustus 2025

Het heeft me moeite gekost om Stroomafwaarts langs de Donau van Péter Esterházy helemaal uit te lezen. Een bevreemdende ervaring was het. 250 bladzijden associaties, eruditie, een mozaïek van feiten en gevoelens, iets tussen reisverslag, autopsychografie en essay – en dat alles in een vrije, poëtiserende taal. Bizar en heel eigen.

*

In amper een uur bak ik een boekverhaal over Bij nader inzien van J.J. Voskuil. Tevreden daarover.

*

Wandeling rond het Stil Ende, en na de middag onverwacht bezoek van K, die voorstelt om iets te drinken in de pop-upbar in het park voor mijn deur. (…)

*

Tijdens de etappe van de Tour Femmes selecteer ik foto’s en maak ze klaar. De hele avond gaat op in drie afleveringen van de Zweedse reeks Vanguard.

*

Er was vandaag virtueel contact met B, C, D, E, F en G. En met A, die in Duitsland voor een open raam zit dat uitgeeft op een verzopen bos.


3 augustus 2025

Op bladzijde 912 van Ruim duizend dagen werk van Koos van Zomeren lees ik over uilen – waardoor ik me een droombeeld van de voorbije nacht herinner: een kerkuil die half aan het oog onttrokken achter een spinnenweb schuilt, laat zich heel dicht benaderen. Tot iemand het web met een bezemsteel wegveegt en de uil met stille vleugelslag wegvliegt.




*

(…)

*

Ik breng een stapel van wel een halve meter eierkratjes naar het buurtwinkeltje in de Beenhouwersstraat. Aan deze daad van recyclage begeef ik me zo eens om de twee, drie jaar. De stapel wordt in dank aanvaard. Ik eet niet veel eieren en gebruik ze ook niet vaak in bereidingen.

*

56 kilometer op de koersfiets, eerst tegen een stevige westenwind in naar Oudenburg en dan in een wijde boog terug. Ik stuit twee keer op een wegversperring wegens een aan de gang zijnde triatlon. Ik maak in eerste instantie mijn beklag tegen de in gele hesjes gehulde regulatoren over het feit dat het allemaal niet bijzonder goed staat aangeduid, maar sla dan toch een vriendelijkere toon aan: deze mannen staan hier vrijwillig en waarschijnlijk niet helemaal onverdeeld voor hun plezier.

*

(…)

8002

Brugge, UNESCO-rotonde - 260627


8001

Brugge, Stationsplein -  260627


zondag 2 augustus 2026

vorig jaar 417

30 juli 2025

Fietsenmaker Wanneyn heeft geen voorste middenblad in huis om het versleten exemplaar op mijn trekfiets te vervangen. Ik zal zo moeten vertrekken. De remmen kunnen het nog wel even houden. Ik schrik altijd wanneer ik de fietsenwinkel van Wanneyn betreed. Het is er altijd alsof ik word terechtgewezen. En een prettige sfeer hangt er toch ook niet bepaald. Thuis begin ik aan het uitstippelen van mijn reis. Brugge-Bazel-Vannes-Brugge: dat zal wel veel te ambitieus zijn. We zullen het zien, er zijn nog altijd ‘internationale treinen’, zoals Richard Minne wist. (…)

*

Weet ik veel gaat vandaag over het gestolen paneel van het Lam Gods. Het zou jammer zijn dat ze het zouden vinden want dat zou een einde maken aan het mysterie – dat is zowat de teneur van het programma.

*

Op bezoek bij X. Eerst het gezondheidsbulletin: hersentumor, prostaatkanker, een tumor op de maagwand. Hij lijkt overal op tijd bij te zijn. Twintig jaar geleden zou hij misschien al niet meer leven. Als het op gezondheidszorg en sociale zekerheid aankomt, wonen we hier in de best mogelijke aller werelden. Volgens X’s broer, die arts is in de VS, behoren de urologen van Brugge tot de wereldtop. We hebben het over het kankerverwekkende ultrabewerkte voedsel dat we allemaal eten. Maar, zegt X, ik eet al decennia uitsluitend bio. Zijn echtgenote is daar behoorlijk fanatiek in. ‘En kijk…’ X heeft gewoon pech. Genetisch voorbestemd. Het is een loterij, het is een kloterij. Het tweede deel van ons gesprek gaat over Vaderader, de nasleep daarvan. De vlinder in het Amazonewoud: gebeurtenissen van vijfenveertig jaar geleden hebben nog altijd hun uitwerking. X noemt de naam van iemand die volgens hem ook slachtoffer is geweest: (…). En hij heeft het ook over L, de vroegere secretaresse van Pina. (…) Pina is nu vijfennegentig, maar zou nog voldoende bij de pinken zijn om kennis te nemen van het feit dat alles wat hij indertijd in de doofpot heeft gestopt daar nu uit aan het ontsnappen is. (…)

*

(…)


31 juli 2025

Naar de bibliotheek, om er met Els D te spreken. Els D gaat over de aankopen fictie, maar Els D telewerkt vandaag. Daarom staat Katelijne of Katrien mij te woord. Katelijne of Katrien is op de hoogte. Ik doe nog eens mijn uitleg, maar Katelijne of Katrien vertrekt eerstdaags op vakantie. Ik ook, zeg ik. We zullen mijn verzoek dus eind augustus of begin september moeten bespreken – enfin, ik krijg de indruk dat de een zich achter de ander verstopt in dit ondoorgrondelijke en ondoordringbare ambtelijke apparaat. Ik sta als ‘K.’ onderaan de rots waarop, terneerdrukkend, het ontoegankelijke Slot op me neerkijkt. En dat allemaal om een in eigen beheer uitgegeven ‘boekje’ – wat haat ik dat verkleinwoord – in de zogenaamde ‘openkastcollectie’ van de stadsbibliotheek te krijgen.

*

Ik trek lijnen op de kaart, verbind onbekende plaatsen met fluostift, overwin talloze vooralsnog abstracte hoogtemeters: de reisvoorbereiding is een uitdagen, een tarten van het fatum. Misschien loert op een van die talloze kruispunten wel een onverbiddelijk lot, dat, door de aaneenrijging van talloos veel voorafgaande contingenties, op mij zal toeslaan.

*

(…)

*

Ik dacht dat Paul Weller een ernstig drankprobleem had, maar in de documentaire over zijn plaat Wild Wood wordt daar met geen woord over gerept. Ik word er wel aan herinnerd hoe prachtig en krachtig sommige van de nummers op die plaat zijn. Ik heb me niet vergist toen ik, inmiddels alweer een twintigtal jaar geleden, enige tijd veel aandacht aan deze artiest heb besteed. Tot hij, samen met zowat alle muziek, door de dematerialisering van de muziekdragers uit mijn leven verdween. Door de digitale technologie, maar ook door het teveel. (…)

*

Laatste aflevering van Queen of Fucking Everything. De Finse sfeer: absurdistisch en onbehaaglijk. Kaurismäki. De misdaad wordt beloond. Mijn vijftigjarige heldin – die er zestig uitziet – komt ermee weg.


8000

Brugge, Minnewater - 260627


7999

Omgeving Virelles - 260625


zaterdag 1 augustus 2026

34 * 54,4 * 26,0 * 128 * 1928,3

Vivenkapelle - Moerkerke - Maldegem - Kleit - Oedelem - Assebroek - Sint-Kruis 



mijn stad

notitie 520


In zijn dagboeken (1) lees ik dat Wannes Van de Velde omstreeks de millenniumwissel een paar keer Brugge bezocht. Uiteraard ontgingen ook hem het ‘(p)aardengetrappel en horecawalmen alom’ (411) niet. Maar hij bekeek Brugge ook met een buitenstaandersblik die probeerde zich niet te stoten aan oppervlakkige ergernissen. Wannes spreekt met gemengde gevoelens over Brugge, dat volgens hem ‘meer dan één irreële dimensie’ heeft. ‘Er is iets met de leegte hier. Bruges, la Morte? Toch wel, ja, als je maar voorbij de uiterlijkheden wilt kijken. Dan vertelt ze iets over het onstuitbare verlies. Haar diepe stilte, die Fernand Khnopff (2) zo kon intrigeren, is verdwenen, maar er leeft een onderhuidse echo van voort. Men wil – en dat is eigen aan het Vlaanderen van het jaar 2000 – dat Brugge een dynamische stad wordt, een glunderend gezicht van Vlaanderen, maar toch is er hier een aanwezigheid die ons meewarig blijft aankijken en ons tot stilte noopt.’ (407) In augustus 2000, toen hij samen met zijn vrouw twee weken lang, op vankantie in eigen land, in Brugge verbleef, schreef hij: ‘Ik een borrel en Christa een Stella in Café Soeur Sourire, op een goede honderdvijftig meter van het Minnewaterpark. Een volks café. Er wordt uitsluitend Brughs (sic, PC) gesproken, maar wanneer twee Duitse dames komen informeren naar de Parkplatz van hun bus, antwoordt de bazin in trefzeker Duits. Zonder hapering vliegt het eruit, en tschüsz! Merkwaardig volk toch. Ze spreken moeiteloos vier, vijf talen. Je vraagt je af waarom ze niet trotser zijn.’ (459-460)



Ben ik trots op ‘mijn stad’? In welke mate kan ik Brugge ‘mijn stad’ noemen? Schuurt en wringt in die vraag niet meteen iets?

Neen, dit wordt niet de zoveelste jeremiade over het overtoerisme in het zogenaamd middeleeuwse Brugge. (Al zal ik het toch even niet kunnen laten.) Of over het zichzelf ‘fietsstad’ noemende ‘openluchtmuseum’. Over de excentrisch gelegen niet eens zo grote provinciestad waar bestuur en handelaars gezamenlijk de plak zwaaien en waar de nooit eerder voldoende uitgedaagde bewindvoerders kritiek al te gemakkelijk als ‘activistisch’ wegzetten.

Maar we gingen het niet over politiek en wel over ‘mijn stad’ hebben.

Wat betekent dat, ‘mijn stad’? Het bezittelijk voornaamwoord drukt geen bezit maar een relatie uit. (Neen, geen ‘relatietje’.) Een relatie, zoals in ‘mijn kinderen’ of ‘mijn leven’. Als ik Brugge als ‘mijn stad’ beschouw, zou dat kunnen betekenen dat ik er geboren ben, dat ik er al mijn hele leven woon, dat deze stad een wezenlijk bestanddeel vormt van mijn identiteit.

Ik ben niet in Brugge geboren, maar woon er nu wel al meer dan zestig jaar. Veertig jaar lang groeide ik op in de randgemeenten Assebroek en Sint-Kruis, en ik woon nu al twintig jaar ‘op’ Kristus-Koning. Ik woonde dus nooit in de binnenstad. Alleen daardoor al mag ik mijzelf minder, vind ik, als een ‘echte’ Bruggeling beschouwen.

Als kind overbrugde ik maar zelden de 5 kilometer die de Populierendreef 29 van de Grote Markt scheidden. Mijn leven speelde zich af op Ver-Assebroek, in de Sint-Lutgardiswijk, het Paalbos, Ryckevelde. Later kwamen daar Sint-Kristoffel bij, waar ik school liep, en Sint-Kruis, waar enkele vrienden woonden. (Veel ‘Sinten’, merk ik nu.) Pas vanaf mijn zestiende of daaromtrent, we schrijven 1977, leerde ik de binnenstad wat beter kennen. Ik frequenteerde enkele van de toen nog talrijke bruine kroegen samen met een goede vriend en later met mijn eerste lief. ‘A city becomes a world when one loves one of its inhabitants,’ schreef Lawrence Durrell. Ik onderschrijf dat: Brugge werd, op die manier, mijn wereld.

De meeste bruine kroegen zijn in rook opgegaan. *Pun intended* want het rookverbod zit daar natuurlijk in grote mate tussen. Maar er is méér aan de hand. De gemeenschap is de voorbije drie decennia uit elkaar gevallen, onder meer door het individualiserende schermgebruik en de doorgedreven digitalisering. Dat veranderde de wereld en derhalve ook de stedelijkheid, ook in Brugge. En niet ten goede, als je het mij vraagt.

Ik herhaal de vraag: is Brugge ‘mijn stad’? Ik zou het over om het even welke stad kunnen zeggen waarvan ik een ingezetene zou kunnen zijn mocht het lot daar anders over hebben beslist – wat best had gekund want noch mijn vader noch mijn moeder was ‘van hier’. Ze belandden in 1963, toen ik 2 jaar was, min of meer toevallig in Assebroek. We spraken – niet onbelangrijk – een andere taal dan het dialect dat in onze omgeving werd gebezigd. Ook dat dreef een wig tussen mij en Brugge.

Toen ik halfweg de jaren tachtig, na enkele jaren in Leuven te hebben geleefd, naar Brugge terugkeerde, liep de tijd van de bruine kroegen stilaan op zijn eind. Brood op de plank vond ik vooral in Brussel. Brugge bleef voor mij lange tijd – en dat is het eigenlijk nog altijd – niet veel méér dan een verzameling vaste ankerpunten: de bibliotheek, de bioscoop, enkele favoriete winkels. Onnodig te zeggen, denk ik, dat ik het dan niet heb over de ketenfilialen in de winkelstraten, die, volgens de entente van politiek en commerce in onze stad, ‘made for shopping’ zijn. Die winkelstraten zijn trouwens een van de factoren die mij doen aarzelen om mij te vereenzelvigen met Brugge. Om de heel eenvoudige reden dat ze overal min of meer hetzelfde zijn en bijgevolg niets zeggen over de identiteit van ‘mijn stad’.

Brugge is ook niet ‘mijn stad’ wanneer ik me, altijd zeer geduldig en nooit agressief gebruik makend van mijn fietsbel, een weg probeer te banen door de toeristenmassa – daar zijn ze, de toeristen! Brugge is overigens ook niet ‘mijn fietsstad’ wanneer ik daarbij over schier onberijdbare kasseien of dolomietpaden moet dokkeren. Brugge is evenmin ‘mijn stad’ wanneer ik moet vaststellen dat het stadsbestuur met nóg meer evenementen nóg meer mensen probeert aan te trekken. Vô wiens z’n illiggen, eigentlik?

Ik kan Brugge bezwaarlijk ‘mijn stad’ noemen wanneer ik het gevoel krijg dat iets van mij wordt afgenomen wanneer – bijvoorbeeld – tijdens de kerstperiode in zwarte containers brol wordt verkocht of als het belfort als projectiescherm wordt gebruikt voor Vlaams-nationalistische propaganda en – toch zeker in 2025 – reclameboodschappen. Dat laatste heb ik van horen zeggen want ik kon mezelf er nog niet toe kunnen bewegen om dat spektakel te gaan bekijken.

Maar ik noem Brugge zeer graag ‘mijn stad’ wanneer ik op een teamdag mijn collega’s uit Antwerpen en Gent en Tienen en Leuven en Brussel door de stille straten van Sint-Gillis leid en mij probeer voor te stellen hoe zij al dat fraais met de nieuwe ogen bekijken die ik niet meer heb, of wanneer ik met een podcast in mijn oortjes op een zondagmorgen over de Vesten wandel. Die raad geef ik altijd aan toeristen mee die zich de moeite getroosten om hier langer dan drie uren te ‘cruisen’: stap de toer van de Vesten, dan heb je een beter idee. Verdwaal op dag twee moedwillig in het stratenlabyrint van de binnenstad, liefst voor dag en dauw. En bezoek dan op dag drie de culturele hotspots die je als toerist toch moet hebben gezien vooraleer je terugkeert naar waar je vandaan komt.

Want ja, Brugge is een fenomenaal mooie stad. Generaties particuliere eigenaars, beleidsmensen en vaklui hebben haar uit de grauwe negentiende eeuw getild en er een fraai geheel van gemaakt waarvan je alleen maar kunt zeggen dat het een voorrecht is er te mogen wonen.

Toch is er – en terecht – ongenoegen. Dat zich, gek genoeg in deze stad van reien, moeilijk laat kanaliseren.

De protestactie SOS Brugge van een veertigtal jaar geleden bleek van meet af aan een bourgeois-aangelegenheid. Ik herinner mij dat op de stichtingsvergadering – ja, ik was daar bij – iemand zijn beklag maakte over de golfslag van de bootjes tegen de kade van zijn cijnsgrond. SOS Brugge ging dus niet, of in elk geval niet genoeg, over waar ik me toen reeds en nu nog altijd zorgen over maak(te): de gentrificatie van de binnenstad en de jongerenvlucht naar Vlaamse en buitenlandse steden die blijkbaar meer kansen boden – en nog altijd bieden – voor ontplooiing. Dat Brugge ooit de kans niet greep om KUL en PMMK (nu MuZEE) binnen te trekken, is een historische gemiste kans gebleken.

Toch is het zo dat wie zegt dat er in Brugge niets te beleven valt, zich vergist of kwaadwillig is. Er is meer cultuur in Brugge dan een mens behappen kan. Brugge 2002 en het Concertgebouw hebben de stad een enorme impuls gegeven. Ik bid dat de Lumière mag blijven bestaan. Heel wat culturele evenementen in de openbare ruimte zijn ook voor Bruggelingen democratisch toegankelijk. BRUSK zal hopelijk een nieuwe dynamiek op gang brengen.

Maar wat deze stad wel mist, is… stedelijkheid. Dat gemis is geen typisch Brugs probleem. Het wordt veroorzaakt door de zogenaamde samenleving waarin we leven en door het totalitaire kapitalisme. Brugge is te weinig een plaats van ontmoeting en gesprek. Of van flaneren – wat nog iets anders is dan shoppen. Of van democratische experimenten aan de toog van betaalbare cafés waar je ook als je niets wenst te eten welkom bent. Stedelijkheid wordt ook niet verzekerd door een opdringerige commercie, met schaamteloos gemarchandeer met prullaria en chocolade in de zogenaamde Gouden Driehoek. Ik zou ook een stedelijkheid willen met minder leegstand en met betaalbare huisvesting waar ook de ‘gewone’ Bruggeling een dak vindt en niet enkel de vermogende tweedeverblijvers die, samen met de airbnb-exploitanten, alleen maar de vastgoedprijzen de hoogte in jagen.

Is Brugge ‘mijn stad’? De vraag is überhaupt of het wel een ‘stad’ is. Het ‘Ei’ telt nauwelijks 20.000 inwoners. Een minderheid is dat, in vergelijking met de tienduizenden die hier elke zogenaamde ‘top’-dag een paar uur komen rondslenteren met kleine winkelzakjes waarin de chocolade al volop aan het smelten is.

Ik hou van Brugge en besef wat een bofkont ik ben dat ik hier in goede omstandigheden mag leven. Ik moet er onmiddellijk bij zeggen dat ik een gemiddeld bemiddelde en nog altijd redelijk gezonde en goed tegen onheil verzekerde blanke man ben die zich een appartement tegenover een park kan permitteren. Ik denk er niet aan om in een andere stad te gaan wonen – heb het zelfs nooit serieus overwogen. Alleen al omdat het hier in de steeds ondraaglijker wordende zomers vijf graden minder heet is dan in het binnenland, omdat er relatief veel groen is, en omdat het zeer bereikbare Ommeland, waar het wél leuk fietsen is, zo mooi is.

Brugge, ‘mijn’ Brugge en ik? Het is geen onstuimige liefdesverhouding. Er is onmin. Maar ik blijf trouw.


(1) Wannes Van de Velde, Dagboeken, Uitgeverij P, 2018
(2) Zie de illustraties


vorig jaar 416

27 juli 2025

Ook Wieringa komt [in Optimisme zonder hoop] niet verder dan het op niets gestoelde vertrouwen dat het wel goed komt als we allemaal iets kleins doen. Plant een boom en wees lief voor elkaar. Il faut cultiver son jardin. Op Facebook zie ik dat F het ook heeft over de plicht vrolijk en vriendelijk te blijven. (…)

*

Tijdens het koken snijd ik met de binnenrand van een leeg tomatenpureeblikje een ferme jaap in mijn vinger. Het bloedt nogal heftig, een vervelende wonde.

*

De dag gaat grotendeels op in lectuur en tv-kijken: de Tour, nu ook voor vrouwen. Die voor de mannen krijgt een spektakelrijke laatste rit in Parijs: Van Aert lost Pogačar op de keitjes van Montmartre en wint solo op de Champs-Elysées. Daarna Vive le vélo en nog twee afleveringen Klem – nog eentje te gaan.


28 juli 2025

(…) In Lissewege drinken we een koffie en beklimmen we de toren: 264 treden en een weids uitzicht over de haven, de zee, Blankenberge, Brugge. (…)

*

(…) de allerlaatste van de drie maal tien afleveringen van Klem. Alles wordt wat haastig afgewikkeld; de misdaad van de helden blijft ongestraft; de goede held kan zijn gevoelens van vriendschap voor de slechte held met de grootste moeite onderdrukken. Dag, Hugo Warmond en Marius Miller!


29 juli 2025

Ik zie Benoni vervaarlijk dicht bij een trap die naar een metrotunnel afdaalt voetbalkunstjes uithalen samen met een groepje allochtone straatjongens. Hij delft het onderspit, maar blijft niettemin verwoed doordoen; hij blijft geloven dat hij hen kan overtroeven; hij weigert te berusten in het feit dat hij zijn beste tijd heeft gehad. Het is duidelijk dat dit slecht zal aflopen. In een volgende droom of droomsequentie bevind ik mij eens te meer in een stationsdoolhof. Trappen, gangen, tunnels… Talrijke spoorwegambtenaren zitten zich te vervelen. Ik zie er die kaart spelen. Een van hen is lusteloos aan het vogelpikken. Het gezelschap waar ik deel van uitmaak bestaat uit collega’s van het werk. We zitten in een kring. Dan moeten we poseren voor een foto en daarbij moeten we er zo verdrietig mogelijk uitzien. Ik imiteer Stan Laurels huilmime: grimas en grijpen in de haren bovenop mijn kruin. Grienen.

*

(…) Afspraak om tien uur met P aan de kerk van Ver-Assebroek. Een prettig weerzien na drie maanden. We ‘leggen eerst de politieke week netjes neer’: media, reclame, het gebrek aan autoriteit in de opvoeding van de kinderen. We horen onszelf zagen en benoemen elkaar als witte boomer-cismannen, incels bovendien. (…) We sluiten de wandeling af in Het Leenhof, voor een steak américain en een Orval. Bij het afscheid probeert P met Payconiq zijn deel van de rekening te vereffenen, maar het lukt niet. Leve de technologie! Ik ben amper een kwartier thuis, of A is daar al, stipt op tijd. (…) Hij heeft een cadeautje meegebracht: La mélancolie de Zidane van Jean-Philippe Toussaint. Na twee uur en een korte rondleiding in mijn bibliotheek vertrekt A. (…)

*

(…) twee afleveringen van de bizarre Finse reeks Queen of Fucking Everything. De uitstraling van de bijna vijftigjarige hoofdactrice houdt mijn aandacht gaande. (…)


7998

Omgeving Cul-des-Sarts - 260625


7997

Omgeving Auvillers-les-Forges (F) - 260625


vrijdag 31 juli 2026

facebookbericht 1240

Klimaatspecialist Jean-Pascal van Ypersele is woedend omdat de politiek niets doet. 

Het komt de heren en dames politici zeer goed uit dat het parlementaire zomerreces in de, euh, zomer valt. Of dat er in de zomer een parlementair reces is. Tegen dat ze terug starten, is de ergste hitte voorbij. LEEF!

vorig jaar 415

26 juli 2025

Ik lees Stroomafwaarts langs de Donau nu zo goed als diagonaal, net traag genoeg om de verhaallijn, voorzover die er is, niet los te laten, maar toch: ik laat me meedrijven op de snelle stroom van Esterházy’s halve, losjes aan elkaar geregen zinnen, de associaties, de half-vertelde anekdotes, het vele dat te raden wordt overgelaten. Ik weet nu al dat ik nauwelijks iets van dit boek zal onthouden, en ook dat ik er nauwelijks iets van zal hebben gesnapt, maar ik lees het gráág. De Memoires van een biograaf van Onno Blom, over zijn werk als levensbeschrijver van Jan Wolkers, bevalt me op een andere manier. Blom bespreekt zijn onderwerp liefdevol. Door hem daartoe aangezet, neem ik me voor Terug naar Oegstgeest te lezen.

*

De uitvaartplechtigheid van PL. Ik heb hem niet lang en grondig genoeg gekend om radeloos verdriet te voelen – al ligt dat misschien ook aan mijn gebrek aan empathisch vermogen. Een tabakspot fungeert als urne. Die is het pièce de résistance van het stilleven dat vooraan in de kille zaal van de Brug staat opgesteld: een foto, een pot met penselen, een stukje antiek. En dan die tabakspot, begot! Een cynische knipoog d’outre-tombe van een man die zich letterlijk dood heeft gerookt. ‘Ik weet wat ik mezelf heb aangedaan,’ heeft hij ooit iemand vanop zijn ziekbed toevertrouwd. Ik neem tijdens de lange en mooie dienst enkele notities. Na Le temps des cérises, ik denk in de versie van Yves Montand, spreekt GH een laudatio uit. Hij heeft het over P’s ‘moedige spreken’, over het belang dat hij hechtte aan taal, en over hoezeer P doordrongen was van de arrogantie waarmee het Westen zich aan de rest van de wereld opdringt. Over hoe hij, G, met P alle mogelijke onderwerpen kon bespreken: ‘van Brugse kant tot Immanuel Kant’. Ik krijg spijt dat ik P, nadat ik hem pas een jaar geleden voor het eerst ontmoette, niet vaker heb opgezocht. Na zijn laudatio leest G het door P zelf geschreven In memoriam uit. Daarin gaat het onder andere over de verwachting van wat er na de dood komt: ‘Waar de katholiek rijstpap met gouden lepeltjes krijgt, krijgt de ongelovige niets: je bent er geweest.’ Maar ook: ‘Wie bewaard wil blijven voor het nageslacht, moet iemand geworden zijn.’ Dan volgt een fragment uit de cyclus Het jawoord van Herman de Coninck: ‘luisterend naar de huidspraak / van het woord liefde’. We krijgen een videoclip te zien: van de ‘postuum’ uitgekomen single Free As A Bird van The Beatles. X, die er als mantelzorgster heel vaak naast heeft gestaan en gezeten, vertelt over het ziekbed van P. ‘Wat een luxe om op die manier afscheid te kunnen nemen,’ zou hij hebben gezegd. Ook J spreekt een afscheid uit: ‘Als ornitholoog classificeer ik jou bij de nachtraven.’ (…) E, de jonge collega van toen hij nog werkte, die vaak op bezoek kwam en op wie P volgens sommigen toch wel een beetje verliefd was (hij kon het niet laten, maar ja, hij was een man, ook met zuurstoftoevoer in zijn neus en een resterende longcapaciteit van 20 procent) –, die E dus leest, in het Engels, een fragment voor uit Of Human Bondage van W. Somerset Maughan, naar verluidt een van P’s lievelingsboeken. De zin van het leven wordt in dat fragment vergeleken met een Perzisch tapijt. ‘Het weefsel blijft betekenisloos, tenzij je het voor jezelf ontdekt.’ We krijgen foto’s te zien met daarop P als bonvivant, als enthousiaste lesgever, als zachte en liefhebbende man. Ni dieu ni maître van Léo Ferré. (…) Op de receptie na de dienst zie ik F in een hoekje alleen op een stoel zitten. Ik ga even naast hem zitten. Hij voelt zich niet goed, krijgt voor mijn ogen een bloeddrukval. Akelig is dat. Schokken gaan door zijn lichaam en dan blijft hij wezenloos voor zich uit kijken. Hij lijkt wel dood. P snelt ter hulp, zij weet dat hij moet liggen, de benen omhoog. Er komt weer leven in de man. Iemand belt een ambulance.

*

De twee glazen wijn die ik op de receptie in mijn nuchtere maag heb gekieperd hypothekeren de rest van mijn dag. (…) Ik slaag er toch nog in om bijna het volledige essay Optimisme zonder hoop van Tommy Wieringa te lezen, maar dat moet een mens niet doen om vrolijk van te worden.

*

Deze avond is er een luidruchtig ‘dansfeest’ in het park voor mijn deur. Ik ga er even kijken, maar voel me er totaal niet op mijn plaats. De dansvloer is zodanig volgepakt dat er van dansen geen sprake kan zijn. Honderden mensen, maar geen bekenden. Ik heb geen zin om een minuut langer te blijven. Vlug naar bed, waar ik gelukkig, nadat ik alles heb afgesloten en ook de binnendeuren heb gebarricadeerd, geen last heb van de beats.