fragment uit Het maaiveld
Wat
er precies gebeurd was en wat precies de aanleiding was geweest –
we hebben het nooit geweten. Maar dát de tegenaanval georkestreerd
was, zoveel was duidelijk want er deden zich tijdens de eerste week
van het laatste jaar, de zogenaamde retorica, wel opvallend veel
incidenten tegelijkertijd voor.
Onze
klas was er met goede moed aan begonnen, aan dat laatste jaar. De
sfeer was goed, er was een soort van evenwicht tot stand gekomen
tussen de volgzamen en de wat roekelozeren, de minder aangepasten, de
vrijbuiters. Al viel het nog allemaal heel erg binnen de rede. Ik
werd herverkozen tot klasverantwoordelijke en leidde nu ook de
Boemerang
genaamde,
met behulp van huisvlijt, vrijwillige inzet, stencils en nagellak
vervaardigde schoolkrant. (De nagellak gebruikten we om op de waslaag
van de stencil de onvermijdelijke tikfouten te verbeteren.) Samen met
Bert vormde ik, zonder daarom al te dominant te zijn, een
sfeerbepalend duo dat onze medeleerlingen van de zesde
Latijn-wetenschappen en ook onze leerkrachten scherp hield. Ik was
volop mijn schuchterheid aan het overwinnen. Ik voelde eigenlijk voor
het eerst in mijn leven – mijn nog kinderlijke vriend- en
kameraadschappen niet te na gesproken – dat ik iets
voor anderen kon betekenen. Dat anderen iets in mij zagen. Dat ik
gezien werd.
Ik
ging in die periode dan ook graag naar school. De vriendschap met
Bert en dat prille zelfvertrouwen compenseerden de akelige sfeer die
heerste in mijn ouderlijk huis. In dat jaar viel het huwelijk van
mijn ouders, waarvan de schijn al vele jaren hooggehouden was,
definitief uiteen. Mijn vader was vaak afwezig, maar ik miste hem
niet. Als hij dan toch thuis verbleef, heerste de stilte die er zo
ook al was tussen mijn moeder en mij alleen maar nog nadrukkelijker
omdat mijn ouders onderling ook al niet met elkaar spraken, en ik met
mijn vader al helemaal niet. Ik deed er alles aan om te ontkomen ‘aan
de stemming in mijn ouderlijk huis die steeds ondraaglijker werd, aan
het zwijgen dat zich daar steeds meer uitbreidde’.(*) Elke andere
plek was beter. De school was er een van. Daar wisten ze trouwens
niets van wat mij thuis overkwam. Of ze wisten het wel, maar ze deden
alsof ze het niet wisten.
(*) W.G.
Sebald, De
emigrés,
198; vertaling Ria van Hengel