zondag 23 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 373

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen


15 januari 2015


KRAS

Weet je wat ik erg vind?’

Ik zat met Peter in de kroeg en we hadden al de hele tijd gesproken over zijn moeder die nog maar net overleden en begraven was. Mijn vriend ging er naar mijn smaak nogal luchtig over. Maar zo kende ik hem wel: zelden inkijk. De doodsoorzaak, hoe de buurvrouw haar – na drie dagen – had aangetroffen, waar hij zelf was en wat hij deed toen hij werd opgebeld met het slechte nieuws. En dan een summiere samenvatting van haar leven. Zo weinig dat er al meteen van een mens overblijft! Het viel me bovenal op hoe weinig goeds Peter over zijn moeder te vertellen had. Ik wist dat hij geen al te beste relatie met haar had gehad, maar dat het in die mate alleen maar kommer en kwel was, had ik toch niet voor mogelijk gehouden.

Ik wees er hem op. Dat kon toch niet zijn? Er moest toch iets?

Ah,’ zuchtte hij. ‘Ik weet het. Ik pijnig mijn hersens, maar ik weet zo weinig positiefs over haar te vertellen. Ja, ze heeft goed voor ons gezorgd, ook na de dood van mijn vader, maar er was zo weinig vreugde. Die vreugde hebben we altijd zelf moeten zoeken.’

Peter was vijftien toen zijn vader stierf.

Was ze werkelijk zo kil, ook toen je nog klein was?’

Er kon wel eens een knuffel van af. Maar meestal waren mijn ouders aan het werk in hun kruidenierszaak. Ik heb het nooit anders geweten. Ik heb daarin trouwens ook mijn deel moeten doen. Het leven ging niet vanzelf en toen de zaak overkop ging al helemaal niet. Mijn vader is die slag nooit te boven gekomen en wij moesten allemaal het gelag betalen. Later, toen het eindelijk weer wat gemakkelijker had kunnen gaan, was hij al finaal verknocht aan de fles en begon het schip te zinken. Na zijn dood versomberde mijn moeder helemaal. Wij verloren elkaar uit het oog. De weinige keren dat we elkaar zagen, vroeg ze niet eens hoe het met me ging. Ik moest het haar zelf zeggen en dus deed ik dat op den duur ook niet meer.’

We gingen even buiten staan om een sigaret te roken.

Ze zag van alles altijd eerst en eigenlijk uitsluitend de zwarte kant. Zo vertelde ze me onlangs eens over een uitstap naar Parijs die ze met de seniorenclub had gemaakt. Ze waren naar het graf van Napoleon gaan kijken. Ken je het, in het Dôme des Invalides? Ja? Wel, daarvan had ze onthouden dat er iemand, terwijl zij binnen waren, een kras op de autobus had gemaakt en hoe ontroostbaar de chauffeur was. De man had er zijn hele kapitaal in gestoken, hij stond er bij te huilen. Die kras zou hem zeker 50.000 frank kosten. Dat had mijn moeder onthouden. Het voorval dateerde nog van voor de euro blijkbaar. Of die chauffeur drukte zich nog in franken uit, ik weet het niet. Maar over Napoleon wist ze niets te vertellen. Ze herkende de tombe niet eens toen ik er haar op Google Afbeeldingen een foto van toonde.’

We gingen terug naar binnen en aangezien we op weg naar ons tafeltje voorbij de toog passeerden, bestelden we nog een pint.

Peter was nog niet uitgepraat. Het moest er uit, kennelijk. ‘Ik herinner me dat ik haar, op weg naar haar huis nadat ze eens bij mij gegeten had, op de wolken wees: de witte voorbijzeilende wolken die op een heldere, winderige herfstdag afstaken tegen het koele hemelsblauw. “Kijk, hoe mooi”, zei ik haar. Ze begreep niet meteen wat ik bedoelde. “De wolken,” verduidelijkte ik. Ze snapte het niet. “De wolken, hoe mooi ze zijn.” “Het gaat regenen,” antwoordde mijn moeder. “Pardon?” vroeg ik want er hing in de verste verte geen regen in de lucht. “Ja, het gaat regenen,” bevestigde mijn moeder. “Wolken brengen toch regen?”’

Peter keek voor zich uit. Hij herbeleefde het voorval. Ik begreep wat hij bedoelde. Ik dacht erover na terwijl hij ging pissen. Ooit leerde ik dat op de schilderijen van Morandi de ruimte tussen de flessen even belangrijk was als de flessen zelf. De moeder van Peter zag alleen de wolken, maar niet de hemel ertussen. Ik vroeg mij ook nog af of het onvermogen om te onthouden wat goed is geweest erfelijk was. En wat de relatie was tussen drank en geheugen. Die relatie kon getroubleerd geraken, wist ik.

Bestellen we er nog eentje?,’ vroeg Peter toen hij terug was maar nog niet opnieuw was gaan zitten.

Gôh,’ antwoordde ik. ‘Ik weet het niet. Mijn glas is nog half vol.’




7234

Jabbeke, Museum Permeke - 240603


zaterdag 22 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 372

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

11 januari 2015


AUTEUR

Schrijven kunnen we allemaal. Sommigen noemen zich schrijver. Slechts enkelen worden een auteur.

Je kunt ook auteur zijn als het over andere activiteiten gaat. Iemand kan de auteur van een moord worden genoemd, om maar iets te zeggen. Maar daarover wil ik het niet hebben. (...)

Meestal spreken we van een auteur als we het over schrijven hebben.

Maar wat onderscheidt de schrijver van de auteur? Strikt genomen niets. Het gaat veeleer om een klankkleur, een nuance. De auteur doet namelijk nog net iets meer dan alleen maar schrijven. Hij publiceert. Hij is de erkende maker van zijn werk – uiteindelijk is hij de maker van een oeuvre. Het auteurschap is een titel die je maar in retrospectief kunt claimen. En in die zin, wanneer we het over een auteur hebben, komt het werk ook los te staan van de persoon die het geschreven heeft. Het werk verzelfstandigt. Een auteur lijkt daardoor iets onpersoonlijkers dan een schrijver. Minder van vlees en bloed. Hij kan niet mislukken. De auteur is meer een idee dan een levende mens.

Ik schrijf veel en vaak en zou bijzonder graag een auteur zijn. Dat is eigenaardig want ik ben toch liever een levende mens dan een idee? Toch kennen we allemaal die drijfveer. Het is een zeer menselijke drijfveer. Tegelijk weten we dat velen geroepen zijn en weinig uitverkoren. De kans dat ik ooit voor auteur zal worden aangezien, ook door mensen die mij helemaal nooit als levende mens zullen hebben gekend en die nu niet weten dat ik al wel eens iets schrijf, wordt met het jaar dat voorbijgaat kleiner. Toch blijft het verlangen hevig – al krijgt het op den duur natuurlijk ook wel iets pathetisch. Daarom vraag ik mij af wat de diepere aanleiding is tot het verlangen een auteur te zijn.

Zou het kunnen dat ik uiteindelijk de auteur wil zijn van mijn eigen leven? Dat ik mij verzet tegen de idee, of de vaststelling, dat ik de regie van mijn leven niet in eigen handen heb? En wat wordt er van gemaakt, behalve een potje? Want geef toe, hoe onvoorspelbaar in de details het levensverhaal ook mag zijn, al bij al is de plot tamelijk voorspelbaar. De ending is nooit happy, een catharsis blijft al te vaak uit, de personages lopen in en uit het decor, de gehanteerde stijl is vaak amechtig, potsierlijk, bij het haar getrokken of ronduit knullig. Het toeval en het lot vallen net iets te vaak samen. Niet elke mus die uit de dakgoot valt, doet er toe. Neen, ik wil het fraaier, geëlaboreerder, met kruisverwijzingen en echo’s die bijdragen tot de betekenis van het geheel. Ja, ik wil dat het geheel een betekenis hééft. Of gééft. Ik wil met mijn leven méér betekenen dan een lijn van wieg tot graf en hier en daar wat accidenten die altijd wel, gegeven onze constitutie, min of meer binnen de verwachtingen blijven. Ik wil een afgestofte en opgepoetste versie. Ik wil, binnen de grenzen van de betamelijkheid, een held zijn in plaats van de brokkenpiloot die de auteur van mijn werkelijke leven van mij maakt.

Het verlangen een auteur te zijn is niets anders dan het in een vorm gegoten verlangen autonoom te zijn, los van het lot en van God, en daardoor vrij te worden van het onvermogen om zich aan de voorgeschreven levensloop te onttrekken.


7233

240603


vrijdag 21 juni 2024

Christophe Vekeman, Tot God

notitie 427

GODSDIENSTWAANZIN

Een tijd geleden veroorzaakten Kristien Hemmerechts en Christophe Vekeman nog eens een rimpeling op de ingedommelde vijver der Vlaamse letteren door wereldkundig te maken dat ze zich tot het rooms-katholicisme hadden bekeerd. Ze deden dat simultaan, zodat men zich kon afvragen of het hier een georkestreerde actie betrof teneinde het verhoopte effect nog wat te verhevigen. Ik ben niet in mijn literaire voorkeuren maar wel inzake de manieren waarop mensen in hun levens zin proberen te ontwaren in hoge mate pluralist en zal mij dientengevolge niet uitspreken over de wendingen naar den hoge in deze schrijverslevens. Ik heb niet te oordelen over de manier waarop mijn medemensen leemtes opvullen, zoals ik ook wens dat zij ook mij met rust laten. Zolang we maar verdraagzaam blijven en de ander niet de nek omwringen of opblazen omdat hij/zij/hun een ander geloof of een andere overtuiging heeft. Voor de dood zijn we immers allen gelijk.

Maar over het literaire spoor dat dergelijke wendingen trekken heb ik wel iets te zeggen. In het geval-Vekeman is dat het niet als roman gepresenteerde boek Tot God.

Geen roman is dit, inderdaad. Vekeman stelt – in het boek zelf – expliciet dat hij is opgehouden met het schrijven van fictie. Is de inspiratiebron waaruit hij zijn verhalen putte opgedroogd, of is hij teleurgesteld door het matige succes dat zijn fictioneel oeuvre heeft geoogst? Ik vermoed dat de waarheid ergens in het midden ligt. Maar met Tot God beoefent hij wel het autobiografische genre, zij het dat het mij voorkomt dat de lezer het, zeker bij een aantal passages die wel heel lyrisch worden, toch moet benaderen als zijnde met een stevige korrel fictionalisering angehaucht. Precies deze onduidelijkheid – fictie of niet? – maakt dit boek interessant.

Maar er zijn nog andere redenen om Tot God een merkwaardig, opmerkelijk en interessant boek te vinden.

Eerst en wat mij betreft vooral: Vekeman schrijft van het mooiste Nederlands dat ik de jongste vijftig jaar al ‘tot mij genomen’ heb. Hij benadert daarmee, zonder een beate epigoon te zijn, zijn helden Gerard Reve en Jeroen Brouwers. Vekemans proza is barok en overdadig, exuberant en hyperbolisch, maar grammaticaal zuiver en buitengewoon ritmisch en muzikaal: ondanks de ingewikkelde constructies leest het werkelijk ‘als een trein’! Zijn stijl is zo goed dat je er de inhoud voor lief bij neemt. Want Tot God gaat, zoals de in kruisvorm op het voorplat gezette titel al meteen duidelijk maakt, over een bekering, een wending tot de goddelijke instantie – en dat is voor de atheïst of agnost (dat laat ik nog even in het midden) die ik ben niet bepaald my cup of tea.

Vekeman is duidelijk niet over één nacht ijs gegaan. Hij heeft zich grondig ingelezen. In de Bijbel eerst en vooral, maar ook in een aantal theologische geschriften en in het werk van auteurs die hem op dezelfde weg zijn voorgegaan. Een van de argumenten die hij uitspeelt, is precies dat gezagsargument: kijk eens hoeveel respectabele namen, ook in de muziekwereld en meer bepaald de countrymuziekwereld, ook gelovig zijn of zijn geworden – dat kan toch niet op los zand berusten, dat kan toch niet allemaal hersenschimmig zijn! Dat gezagsargument is uiteraard het zwakste argument – maar gelukkig blijft het daar niet bij. Vekeman put zich uit om de ervaringen te beschrijven die hem tot zijn religieuze inzicht hebben gebracht, ja, een inzicht voorwaar dat gepaard ging met emoties die de hevigheid evenaarden van wat Saulus moet hebben ervaren toen die van zijn paard werd gebliksemd en als Paulus weer bij zijn positieven kwam. Het relaas van de genese van Vekemans godsbesef culmineert in een aan het delirium grenzende donderpreek – letterlijk ‘donder’ want de scène speelt zich af tijdens een antediluviaans onweer – waarin de bevlogen argumentatie ontaardt of ontspoort in een zwijmelend gezwatel, een geraaskal waar ik alvast – en ik geef een willekeurig gekozen citaat om dit te illustreren – geen touw meer aan kan vastknopen: ‘Kortom, vaak doet de waarheid gewoon niet ter zake, filosofeerde ik, vaak doet zij gewoon niet ter zake, nee, de waarheid, behalve die ene dan, die ene waarheid, die door Johannes in de Openbaring wordt verkondigd en die inhoud dat er “een nieuw Jeruzalem” zal nederdalen op die ouwe, door en door, tot op de draad versleten en tot in de kern verziekte wereld van ons, een nieuw Jeruzalem waarin de dood en de hel in de poel des vuurs zullen worden geworpen, en de duivel erbij, sis sis sis, en de straten van de stad zullen als goud zijn en het licht van lampen zal evenmin nog nodig zijn als het licht van de zon, want het zal geen zon meer zijn, en het zal geen lamp meer zijn, maar het zal het Lam zijn dat licht geeft.’ (246) (Pas nu, bij het overtikken, merk ik de wat flauwe woordspeling lamp/Lam op.) Het moge duidelijk zijn dat Vekeman zich laat inspireren door het archaïsche Nederlands van de Statenbijbel, meer dan van de Willibrordvertaling, alsook door het ritme dat we kennen van predikanten die in de Bible Belt (waar cowboys het soort hoeden dragen waarmee ook Vekeman tot voor kort graag mocht pronken) ten overstaan van een merkwaardig volgzaam en met geheven armen instemming verlenend publiek hun waarheden verkondigen (alvorens hun gages te incasseren).

Vekeman wisselt theologische expertise af met ironie en slapstick, een mengsel dat we kennen van Gerard Reves literaire strapatsen. Net als bij Reve blijft het – althans voor mij – ook hier onduidelijk wat gemeend is en wat Spielerei. Maar precies die spanning maakt deze lectuur boeiend: Vekeman lijkt te onderzoeken hoever hij kan gaan in het de lezer op het verkeerde been zetten. Ik vermoed dat de bekeringsgeschriften van zijn synchrone geloofsgenote niet door dit spel met waarheid en fictie worden gekenmerkt – maar dat heb ik nog niet kunnen nagaan.

Ik ben serieus beginnen twijfelen aan de oprechtheid van Vekemans bekering want soms neem hij toch echt wel een loopje met het sérieux dat men van zoiets gewichtigs als de getuigenis van een bekering mag verwachten. Wanneer hij bovendien zijn collega Herman Brusselmans (249) ophemelt, wat op zich onschuldig is, maar tot overmaat van ramp ook het kindermisbruik door volwassen mannen minimaliseert (166), wat mij minder onschuldig lijkt, verliest Vekeman mijn bereidheid tot suspension of disbelief. Wat ik overhoud is een merkwaardig en uitstekend geschreven document waaraan ik veel leesplezier heb beleefd, maar dat, ook al was dat wellicht niet de bedoeling, mij op geen enkele manier tot andere gedachten nopens religiositeit in het algemeen en aanhorigheid aan de rooms-katholieke God in het bijzonder zal vermogen te bewegen.



Christophe Vekeman, Tot God, 2023

7232

Gent - 240531


donderdag 20 juni 2024

28 * 47,9 * 26,9 * 1540,0

Varsenare - Jabbeke - Ettelgem - Oudenburg - Plassendale - Nieuwege 


facebookbericht 1150

Sinds een week of twee vliegen er hier soms één, soms twee, soms drie, een enkele keer vier helikopters in formatie over, boven de westkant van Brugge, richting noord. Voor een leek als ik zijn ze identificeerbaar als vrij zware militaire toestellen, compleet met raketlanceerders en dergelijke. Daarnet vloog er in omgekeerde richting zo’n groot exemplaar met twee wentelwieken over. Heeft iemand een verklaring voor dit drukke luchtverkeer van militaire helikopters?


afscheid van mijn digitaal bestaan 371

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen


9 januari 2015


BELGA

Ik heb deze voormiddag in de ziekenhuiswinkel een pakje sigaretten gekocht. Nu het toch geen kwaad meer kan. Ik vroeg om Belga, maar ze gaven me Lucky Strike. Ik vroeg of ze dan geen Belga meer hadden. Maar mijnheer, antwoordde de uitbaatster, Belga is nu Lucky Strike gewórden! Ik vroeg nog sedert wanneer, maar daar wist ze het antwoord niet op.’

Dat moet toch al een half jaar geleden zijn,’ wist ik. Ik had er iets over gelezen in de krant. In dat artikel werd ook Jean-Pierre Van Rossem opgevoerd, herinnerde ik mij. Hoewel ik het in deze omstandigheden futiel vond, vertelde ik dat aan Marc, die er nog mee kon lachen. ‘Ja,’ zei hij, ‘Van Rossem.’ Ik vertelde dat Van Rossem had gezegd dat hij het een ramp vond. En dat hij nooit Lucky Strikes zou willen roken. Wat gek is natuurlijk, want in datzelfde artikel stond dat het dezelfde sigaretten zouden zijn, met dezelfde samenstelling. Enkel de naam veranderde.’

Alles is futiel, nu.

Vind je het wel een goed idee om opnieuw met roken te beginnen?’ Ik besefte dat mijn poging weinig overtuigend klonk. Ik vond dan ook geen weerklank.

Ach, waarom niet.’

Ons gesprek stokte.

De koele ziekenhuiskamer. Airco. Buiten was het grauw weer. Populieren in de verte. Wolken zeilden over en zouden dat nog vele jaren doen.

Wat zat ik hier te lullen over herbeginnen. Ik was zelf een paar jaar geleden herbegonnen. Dat was na het bekijken van de film Smoke, wellicht de beste tabakscommercial aller tijden. Het roken wordt daarin zo positief afgeschilderd, als een verbindende activiteit, een celebratie van de vriendschap, dat ik dacht: tja, waarom niet eigenlijk. Later ontwikkelde ik over het herbeginnen een andere theorie. Ik had zes jaar niet gerookt. Ergens had ik gelezen dat na zeven jaar alle lichaamscellen, behalve een paar heel speciale, zich hadden vernieuwd. Zou het kunnen dat de laatste cellen die zich nog niet hadden vernieuwd zich de verslaving herinnerden en beseften dat ze nu tot roken moesten aanzetten of het zou te laat zijn: het volledig vernieuwde lichaam zou nooit nog met roken willen herbeginnen en op die manier zou die compensatie voor het sterfelijkheidsbesef voorgoed teloorgaan.

Toen ik het sofistische van die theorie had doorgrond, en haar had ontmaskerd als een ingewikkeld en onzinnig excuus, was ik weer met roken gestopt.

Mijn stervende vriend leverde er trouwens op zijn beurt de weerlegging van. Hij had twintig jaar niet gerookt. In die tijd hadden zijn cellen zich bijna drie keer vernieuwd. En intussen was ook zijn merk van naam veranderd.

Weet je nog wanneer en hoe je met roken bent begonnen?’ vroeg ik nog. Ik vroeg Marc in die laatste weken wel vaker om herinneringen op te halen. Toen kon het nog.

Mijn vriend reageerde nauwelijks. Hij was er heel vroeg aan begonnen. Toen hij een jaar of tien was. Of misschien nog vroeger. Maar dat was nog niet echt roken. Dat kwam pas op zijn zestiende. En dat echte roken had hij een jaar of twintig volgehouden.

'Weet je wat ik ook erg vind?’

Marc gaf het gesprek een ernstige wending. Dat kon je zo voelen. Ik keek naar de rijen populieren achter Marc, die zijn ogen neergeslagen had.

Neen.’

Dat ik niet die herinneringen zal hebben.’

Welke herinneringen, Marc?’

Ik sprak zijn voornaam uit.

Wel, die herinneringen die je krijgt als je ouder wordt. Ik heb daarover gelezen. Oude mensen beginnen zich opeens van alles te herinneren. Dingen die ze allang vergeten waren. Dingen waarvan ze allang vergeten waren dat ze ze vergeten waren. Plots zijn ze daar weer. Je krijgt dat rond je zestigste, zeggen ze. Dat fenomeen is onderzocht en beschreven.’

Ik heb daar ook van gehoord, ja.’

Wel, dat ga ik niet meer hebben. Dat vind ik verschrikkelijk.’

Toen viel er opnieuw een stilte. We zijn dan naar buiten gegaan. Hij rolde die kapstok op wieltjes door de gangen voor zich uit. Als een giftige vrucht hing dat zakje met levenselixir erin. En daar, in de ziekenhuistuin, heeft Marc gerookt. Hij stak de ene sigaret met de andere aan. En, man, wat had ik zin om met hem mee te roken, zo kwaad dat ik was.




7231

Gent - 240531


woensdag 19 juni 2024

parallel 213

Er is in het Nederlands een lange rij van woorden op te sommen die zijn samengesteld met -moedig en die dus betrekking hebben op een eigenschap van het gemoed of het innerlijk: deemoedig, ootmoedig, edelmoedig, goedmoedig, grootmoedig, hoogmoedig, kleinmoedig, wankelmoedig en lankmoedig.

Cornelis Verhoeven, Een register, 179

Laat ons behalve deemoedig, en weemoedig, en ootmoedig, en lankmoedig, toch ook moedig zijn, bedoel ik, voldoende moedig om een vorm van schoonheid na te streven, en om hoop te houden tot glorie van God, halleluja!

Christophe Vekeman, Tot God, 258


afscheid van mijn digitaal bestaan 370

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

28 december 2014


Doordat gisteren iemand op Facebook er reclame voor had gemaakt, zat ik deze voormiddag te kijken naar het interview met Jeroen Brouwers op Nederland 1. Ik zou er nooit weet van hebben gehad. Voor weinig schrijvers zou ik mij deze inspanning getroosten, maar voor Brouwers, toch een van mijn préférés, maak ik graag een uitzondering. Naar verluidt komt hij helemaal niet vaak op televisie, en het evenement had bovendien, vanwege de gevorderde leeftijd en de krakkemikkige gezondheidstoestand van de geïnterviewde, ook de allure van een afscheidsgesprek. Het soort interviews, denk je dan, waaruit voor de televisuele necrologie fragmenten zullen worden geput. Zoals je bij het fotograferen van oude mensen soms de bijgedachte kunt hebben dat dit misschien het laatste portret wordt, en dat het mogelijk in aanmerking komt om het doodsprentje op te sieren.

Het interview verloopt moeizaam. Wim Brands heeft duidelijk veel respect voor de bejaarde en kortademige schrijver, maar de bejaarde en kortademige schrijver is stug en vermoeid: hij heeft, zo zegt hij, na het verschijnen van zijn ‘laatste’ roman Het hout al een stortvloed aan interviews over zich heen gekregen. Een paar keer beantwoordt hij een vraag met ‘Lees mijn boek, daar staat het allemaal in’, maar dan vraagt Brands, die uiteraard zijn publiek te bedienen heeft, beleefd of het toch mogelijk is het ten behoeve van de kijkers nog eens uit te leggen. Waarop Brouwers braaf zijn mantraatje opzegt.

Een van de vragen die hij te beantwoorden krijgt, echt een necrologievraag, is hoe hij tot schrijven gekomen is. ‘Ik wou eerst acteur worden, maar daar had ik geen talent voor. Dan maar regisseur, maar dat mocht niet. Dan componist, maar dat bleek te moeilijk. Schilder? Neen, toch maar niet. Toen dacht ik, laat ik schrijver worden. Daar heb je enkel een papier en een potlood voor nodig, dat kan iedereen en dus ik ook.’ Een broodjeaapverhaal, gebracht met een clausiaans aandoende valse bescheidenheid. Brouwers voert een nummertje op.

Later op de dag staat de radio op terwijl ik aan de afwas sta. Radio 1, met het programma Touché, waarin Friedl’ Lesage zeer verdienstelijk belangrijke en soms ook minder belangrijke cultuurmensen interviewt. Het is, vanwege de eindejaarsperiode, een compilatie van hoogtepunten uit het voorbije jaar en op die manier kan het gebeuren dat Jeroen Brouwers ook hier de revue passeert. Dat moet een van de vele interviews zijn geweest die hem zo vermoeid voor Wim Brands heeft doen plaatsnemen. Hoe hij tot schrijven is gekomen, vraagt Friedl’ (het afkappingsteken staat echt daar, ik heb het gecontroleerd). ‘Ik wou eerst acteur worden,’ begint Brouwers, ‘maar daar had ik geen talent voor.’ Enzovoort.

Het interview is een moeilijk genre. Eigenlijk moet de interviewer maar één ding vermijden, en dat is het soort vragen te stellen die de geïnterviewde uitputten en een weerzin bezorgen om hoe dan ook in een dergelijke situatie te belanden, een waarin hij steeds dezelfde vragen met steeds dezelfde riedels moet beantwoorden. Dat is niet gemakkelijk want welke vragen moet je als interviewer dan wel stellen? En je moet aan je publiek denken! En aan het gegeven dat die mens die voor je zit binnenkort misschien dood is. En dan moet je nu eenmaal aan een schrijver vragen hoe hij tot schrijven is gekomen.

't Is hoe dan ook een misvatting te denken dat die mensen iedere keer iets anders te vertellen zullen hebben. En als iemand zo oud en ziekelijk is, wordt het gênant. Interview zo’n mens dan één keer en verkoop dat interview aan de verschillende media, denk ik dan. Maar zo werkt het natuurlijk niet.





7230

Plassendale - 240528


dinsdag 18 juni 2024

notitie 426

NIET MIJN WERELD

‘Het is maar een vlag.’ Zo luidt een van de reacties onder een foto die ik enkele dagen geleden op Facebook postte. Ik maakte een kritische bedenking over het feit dat het democratisch gekozen bestuur van mijn stad (Brugge) een campagne ondersteunt ter bevordering van het shoppen: ‘This street is made for shopping’ prijkt er, samen met een tekening van het Belfort en het logo van de stad, op de boven de winkelstraat opgehangen banieren die de passanten wijzen op wat hun te doen staat.

‘Het is maar een vlag,’ reageert Rita zeer bondig. Haar onderliggende boodschap is uiteraard: ‘Waar maak jij je eigenlijk druk om?’ En eventueel: ‘Er zijn ernstiger problemen.’

Maar neen, Rita, het is niet ‘maar een vlag’. Deze vlag staat voor iets.

Ik heb het hier niet over het particuliere onbehagen dat mij bekruipt wanneer ik op een zaterdag door de drukste winkelstraat van mijn stad wandel. Ik heb het, los van mijn persoontje, over de monocultuur van internationale winkelketens. Ik heb het over de eenzijdige gerichtheid op consumeren. Over de door kinderen aan elkaar genaaide kleren en schoenen. Over het door kinderen opgegraven coltan. Over de overvloed aan nutteloze en meestal weinig duurzame voorwerpen en kleren die hier te koop worden aangeboden. Ik heb het over de uitbuiting waarop het consumentisme draait, en over de ecologische last van het door de stad Brugge gepromote consumeren. (Is het niet goed dat de winkelstraat verkeersvrij is?, hoor ik al tegenwerpen. Jazeker, maar wie denkt er aan de tonnen CO2 die de lucht in worden gejaagd om al die waren, brol meestal, hier te krijgen?)

Ik heb het ook over het opzichtige leugenachtige omzeilen van de handelswetgeving (‘presales’, koppelverkoop, etcetera). Over de veralgemeende mercantiele mentaliteit. Over de verveling op de gezichten van de passanten. Over het wegduwen van het stedelijke samenleven.

En dan toch particulier: over het gevoel dat mij overvalt dat ik hier niets te zoeken heb. Ik heb het over het besef dat ik deze straat meestal mijd, dat deze straat, hoewel de belangrijkste en mooiste van mijn stad, niet meer mijn straat is en dat deze stad dus voor een deel niet meer mijn stad is.

Een van de personen die ook op mijn post reageerde, kleinzoon van de uitbater van een winkel in dezelfde Steenstraat als waar nu die shoppingvlaggen hangen, zegt ‘moe’ te worden van de ‘constante verontwaardiging’ en is van oordeel dat het ‘voortdurende, bittere, zinderende gezeur afstompend werkt’. Ik veronderstel dat hij het heeft over mijn verontwaardiging en gezeur, en dat van stadsgenoten die evenzeer verontwaardigd zijn en – in zijn ogen – tot zeuren geneigd. Hij noemt hen ‘dorpsfilosofen’. Hij verwijt ons geen ‘constructief alternatief’ voor te stellen.

Mijn constructief alternatief, Tijs, is dat we ons eens grondig bezinnen over het kapitalisme waarin we verstrikt zitten, en eventueel ook over wat stedelijkheid méér kan en eigenlijk zou moeten inhouden. Mijn constructief alternatief is ook dat we kritische zin niet meteen wegzetten als intellectualistisch gezeur, maar dat we er wel degelijk een betrokkenheid in herkennen die een kwalitatievere deelname aan het stadsleven wil dan de conformistische passiviteit waarmee het koopvee door de winkelstraat slentert.

Dat een kritische bedenking bij de huidige samenleving, waarvan de winkelstraat een van de meest zichtbare en opzichtige manifestaties is, door lieden die toch beter zouden kunnen weten, zoals Rita en Tijs, wordt weggezet als gezeur, bevestigt mijn overtuiging dat die samenleving totalitaire trekken heeft. Daarover verontwaardigd te zijn, en niet alleen dat, die verontwaardiging ook te uiten: ik beschouw het als een morele plicht.

Nog een constructief voorstel: laat ons eens met z’n allen wat minder gaan kopen. Laat ons eens nadenken over het verschijnsel mode. Laat ons eens op zoek gaan naar zinvollere vrijetijdsbestedingen want, geef toe, veel van dat door de stad aangemoedigde ‘shoppen’ heeft toch vooral met verveling en innerlijke leegte te maken.

De reactie ‘Het is maar een vlag’ probeert mijn post weg te relativeren. Welnu, ik laat mijn ‘bittere’ (Tijs) verzuchting niet wegrelativeren. Maar ik sta wel open voor een redelijke argumentatie die mij overtuigt van de positieve waarde van de door de stad gesteunde indoctrinatie (‘This street is made for shopping’). Ik verwelkom elk tegenargument dat mij verlost van mijn – inderdaad misselijkmakende – overtuiging dat er geen tegenspraak meer mogelijk is: de louter mercantiele, op winstbejag, versuffing en uitbuiting georiënteerde wereld waarin we leven is totalitair. In die mate zelfs dat veel mensen het probleem niet meer kunnen of willen zien: zeggen dat het ‘maar’ een vlag is ontslaat hen van nadenken over de wereld waarin ze leven.

Het is méér dan een vlag, Rita. Het is een wereld. En het is niet mijn wereld. Het zal, zolang ik er mij nog enigszins aan kan onttrekken, nooit mijn wereld zijn.

7229

Snellegem - 240525


maandag 17 juni 2024

27 * 48,4 * 27,8 * 1492,1

Nieuwege - Stalhille - Plassendale - Plassendale - Oudenburg - Ettelgem - Jabbeke - Sint-Andries



afscheid van mijn digitaal bestaan 369

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen


23 december 2014


AU SÉRIEUX

Ik veronderstel dat we er niets achter moeten zoeken en dat het niet veel meer is dan een linguïstische toevalligheid, maar ik vraag mij toch af of het typerend is voor ons volkje dat we een uitdrukking uit een andere taal bezigen om aan te geven dat we iets ernstig opnemen. Alsof het Nederlands er zich niet toe leent om ten volle en grondig op de dingen in te gaan. Alsof we met onze woorden – of ze nu zacht en smeuïg door Vlamingen worden uitgesmeerd, dan wel gutturaal en in alle opzichten luider boven de Moerdijk weerklinken – onvermijdelijk afketsen op de buitenkant van de wereld, op ons onvermogen om met gelaagdheid en gewichtigheid om te gaan.

Doe maar gewoon, dat is al gek genoeg.

Dat is natuurlijk te ver gezocht. Onze moeizame omgang met ernst heeft niets met de taal te maken. Maar misschien wel met het klimaat, met de overwegend grijze kleur, de wakke nevel waarin alles hier verwikkeld is? Of met het reliëf, het oeverloos platte van het ons omringende?

Neen. Dat is het allemaal niet. Toch blijft dat we in het Frans zeggen dat we iets in het Nederlands ernstig opnemen. En ja, ook, dat we dat uitdrukkelijk zeggen – alsof ernst niet vanzelfsprekend is.

Ik ben niet zo goed in het verzinnen van titels maar op eentje ben ik toch nog altijd fier: ‘Het belang van ernst’ stond boven een artikel dat ik lang geleden schreef over doemdenken. Ik zou het eens moeten opzoeken, het komt me voor dat wat ik toen vond nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Als ik het mij goed herinner, was die titel ingegeven door de vaststelling dat een fundamenteel probleem van communicatiepsychologische aard het noodzakelijke besef van de ernst van de toestand van de wereld afremt. We blijven niet lang genoeg bij de les en laten ons verstrooien door wat aangenamer is. We hebben de neiging om het hoofd af te wenden, de kop in ’t zand te steken. Om de brenger van onheilstijdingen, hoe waar en relevant ze ook mogen zijn, te beschimpen en zijn argumenten weg te wuiven.

Trek je kop in want je riskeert boven het maaiveld uit te komen.

Gewoon omdat het niet grappig is. Omdat het ons even met onszelf en ons afgrondelijke onvermogen om het leven in alle ernst onder ogen te zien confronteert. En uiteraard omdat dat leven nu eenmaal géén lolletje is. Hetgeen we allemaal weten natuurlijk, maar we zien het liever niet onder ogen.

En dan gebruiken we woorden uit een andere taal om aan te geven dat we niet altijd kunnen lachen in de onze.




7228

Roksem - 240525


zondag 16 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 368

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

22 december 2014


AURA

Wellicht omwille van de gouden bijklank komt het mij voor dat een aura een half-transparante, glinsterende sluier is die iets positiefs en waardevols half aan het oog onttrekt maar tegelijk toch ook toont. Of er toch minstens de mogelijke zichtbaarheid van onthult. Maar wat is een aura werkelijk, als het al bestaat? Is het iets zichtbaars, tastbaars, navoelbaars? Ja, dat laatste misschien wel. Toch in zekere zin. Het heeft iets met uitstraling van doen. Je voelt dat je in de buurt komt van zin en betekenis. Een aura is in elk geval warm, niet koud. Ach, ’t is onduidelijk. In de devotionele iconografie zien we iets wat veraanschouwelijkt wat een aura zou kunnen zijn: het aureool. U kent het vast wel: dat schijfvormige iets achter het achterhoofd van de desbetreffende. Ik snap wel wat hiermee wordt bedoeld, maar ik heb nog nooit zo iemand aangetroffen in de Carrefour en elders ook niet.

Maar goed, een aura is niet iets zicht- of tastbaars. Iets anders is de vraag of het aura van elke persoon kan worden waargenomen. Dat weet ik niet. Ik ben geneigd te denken van wel omdat ik niet in die mate misantroop ben dat ik ga beweren dat er mensen bestaan over wie niets positiefs te vertellen valt. Zeker is in elk geval dat het goed mogelijk is dat een en dezelfde persoon voor de ene wel en voor de andere niet een aura heeft: iemand uit mijn omgeving kan hoog oplopen met het aura van de gemeenschappelijke kennis wiens uitstraling mij dan weer niet raakt.

Dat uitstralen gaat duidelijk niet alle kanten uit.

Wat ziet ge eigenlijk in die mens? Ik snap niet dat ge daar verliefd op kunt zijn.

Aha, het heeft met liefde te maken. Zoveel is zeker. En dus met onszelf. Het aura is niet een objectief gegeven; het heeft te maken met de manier waarop wij ‘kijken’. Het aura van de ander ligt meer bij ons dan bij die ander. Het heeft meer met alchemie te maken dan met scheikunde, meer met goud uit oud ijzer smeden dan met het effectief aanwezig zijn van goud. Het aura is de projectie van mijn subjectieve eigenschap in de objectieve aanwezigheid van de ander. Het heeft vaak te maken met hunkering, met liefde inderdaad, met hoe wij zelf zouden willen zijn. En dus met eenzaamheid en onvermogen.


7227

240521


zaterdag 15 juni 2024

facebookbericht 1171


Het logo van Stad Brugge staat op het spandoek, dus ondersteunt de stad de misselijkmakende boodschap van de plaatselijke middenstandsvereniging.

Gelukkig bracht net op dat moment de stadsbeiaardier een hommage aan Françoise Hardy met zijn interpretatie van 'Tous les garçons et les filles', een lied uit onschuldiger tijden.


afscheid van mijn digitaal bestaan 367

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

8 december 2014


TERUGKEREN

Onlangs waren we voor het eerst sinds lange tijd nog eens ’s avonds in Oostende. Daar gingen we de voorbije negen jaar een paar keer heen. We maakten een wandeling over de zeedijk, langs de bocht van het Casino, en gingen daarna nog een trappist drinken in café De Tijd aan de Langestraat. De Tijd was een bruine kroeg die was ondergebracht in de bel-étage van een statig herenhuis. Je moest een trapje op om bij de voordeur te komen. Binnen weerklonk goeie muziek, die bovendien niet te luid stond zodat je gemakkelijk kon praten. Een oudere man met lange grijze haren draaide, duidelijk voor niets anders dan voor zijn plezier en een goed glas, jazzplaten. Er hingen ingelijste zwart-witfoto’s van jazzcoryfeeën aan de muren. En voor het raam hing een grote ronde wijzerplaat. Je kreeg er bij het binnenkomen, ook al kwam je er bijna nooit, een vriendelijke groet.

Zo gingen we het dus nu ook weer doen. En we verkneukelden ons al op voorhand.

Maar we vonden café De Tijd niet. Of toch niet meteen. Een echte staminee word je niet als je maar eens in de drie jaar over de vloer komt, dus was het nu ook weer niet zo raar dat we onze favoriete Oostendse bar niet meteen konden lokaliseren. Ik herinnerde mij: het is in de straat parallel met de dijk en, kijkend in de richting van de Noordzee, rechts van het Casino. Wegstappend van de roulettetafels en de slots, ligt De Tijd links.

Op de plek waar ik dacht dat het café zich moest bevinden, hield een pand zich achter stellingen schuil. Aan een van de buren, de uitbater van een ander café, een dat eigentijdser was dan De Tijd, vroeg ik waar De Tijd was: het was toch daar waar nu die stellingen stonden, of vergiste ik me dan zo erg?

Inderdaad, bevestigde de man, die buiten stond te roken. Daar waar nu die stellingen staan, was vroeger café De Tijd.

Was?, vroeg ik en er zal wel iets van teleurstelling in mijn stem hebben meegeklonken.

Ja, antwoordde de man, niet na eerst nog eens flink aan zijn sigaret te hebben gezogen. Ze moesten uit dat pand weg. Het was onbewoonbaar verklaard nadat er een stuk van de gevel naar beneden was gevallen. Bij elk woord ontsnapte er een wolk rook uit zijn neus en mond. Ik had zin in een sigaret maar dat kon niet want ik ben zes jaar ex-roker.

Dus, het bestaat niet meer?, probeerde ik nog.

Toch wel, zei de man – en hij zette ons op weg. Aan ons verloor hij geen klandizie want mensen die de oubolligheid van café De Tijd opzoeken zou hij toch nooit winnen voor zijn blitse zaak vol glitter en luidruchtige tv-schermen waarop halfnaakte zwarte deernen zich wulps kronkelend aan corpulente blingblingnegers aanboden. De caféuitbater legde ons uit dat café De Tijd nu al meer dan een jaar geleden was opgedoekt en dat de gerant twee straten verder een onderdak had gevonden. Hij legde ons uit waar we dat onderdak konden vinden.

Drie kwartier later verlieten we de nieuwe vestigingsplaats van café De Tijd. We hadden het nieuwe adres vrij vlug gevonden. ’t Was nauwelijks driehonderd meter verderop, in een landinwaarts gelegen parallelstraat, aan dezelfde kant van het Casino maar nu als je van roulettes en slots wegstapt aan de rechterkant van de straat gelegen. Je moest een trap afdalen: het café was ondergebracht in een souterrain. Onmiddellijk hinderde ons de geur van vocht en schimmel. Een eenzame klant zat op een kruk aan de toog achter een pint waarvan het schuim al een tijd geleden verdwenen was. Enkele lampjes her en der aan de muren aangebracht probeerden een stemming teweeg te brengen. De jazzfoto’s herinnerden aan de sfeer van weleer. Op de muren was met reliëf witte verf gespateld. De oudere man die platen draaide was vervangen door een computer. We kregen een trappist voorgezet, maar ik wist al meteen dat hij niet zou smaken.

We rekenden af, verlieten de zaak, trap op naar de straat, en wisten toen wij opnieuw buiten stonden en in de kille bries opgelucht konden ademhalen, dat de tijd dat wij naar café De Tijd zouden terugkeren nooit zou terugkeren.




7226

Brugge, Grauwwerkersstraat - 240518


vrijdag 14 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 366

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

7 december 2014


Opeens is het daar: luciditeit. Een moment dat je denkt: nu ben ik helder, nu moet ik het opschrijven. Maar er is een nieuw facebookappèl, je wil eerst nog die laatste bladzijde van dat hoofdstuk lezen, er komt een sms-bericht binnen. Of er moet een aflevering van een Britse misdaadreeks worden bekeken. En voor je het weet is het weg. Trouwens, opschrijven? Wat opschrijven?

Hoe je je voelt, bijvoorbeeld.

Maar wat is dat: voelen? Je begint te kijken naar die aflevering van een Britse misdaadreeks waarvan je al op voorhand weet dat je na een kwartier het noorden kwijt zult zijn. En zo geschiedt het ook. Maar net voor je afhaakt, hoor je een van de personages, de dochter van het slachtoffer, vragen of het normaal is dat ze niets voelt. ‘Ik moet iets voelen, dat weet ik. Maar ik voel niets. Is dat normaal?’

Je bent in verwarring want dit personage wordt vertolkt door een actrice die in een vorige serie de gerechtsdokter was. Dat zet de zaken nog meer op hun kop – en je bent zo al niet mee. Je ‘voelt’ dat je maar beter iets anders kunt doen want vanaf hier wordt het bekijken van deze aflevering een louter passieve onderdompeling in een sfeer. Het verhaal ontglipt je. En tegelijk ook de interesse die je ervoor hoorde te hebben. Je hebt amper door wat het probleem behelst dat moet worden opgelost.

Terug naar dat op te schrijven iets. Hoe je je voelt.

Am I supposed to feel something?

Er gaat van alles door mijn hoofd dezer dagen. Het zijn stormachtige dagen. De dingen zijn onvast. Ik veroorzaak schade. Alles gaat zo snel – wat vreemd is, want er lijkt stilstand te zijn in mijn hart.

En dan kost het me ook nog eens moeite de binnenwereld met de buitenwereld te laten sporen.

Een zanger sterft. Een koningin sterft. De rouw wordt opgeklopt tot mediatieke dimensies. Er is een enorme behoefte aan rituelen. Deze massa’s, zo denk je dan, zouden voor om het even welke kar kunnen worden gespannen. Geen loze gedachte want het land is overgeleverd aan bewindslui die overtuigd zijn dat ze binnen hún context de juiste beslissingen nemen. Maar hún context is niet de juiste context. De wereld is veel groter. Op die manier wordt het beleid harteloos en hatelijk. Dit drukt terneer. Alles wordt zwart-wit. Je bent voor, of tegen. Als er over bepaalde zaken wordt gesproken, demp je je stem. De polarisering zet zich overal door. De samenleving is hierdoor verziekt.

Vandaag is het 6 december. Begin december. Tien of twintig jaar geleden, heb ik de indruk, was het nu al volop: kerstsfeer. Eindejaarslichtjes. Consumptieplezier. Steeds meer valt het me op dat het alsmaar minder wordt, die kerstpret. Jaar na jaar. De mensen houden zich in. Geen kerstbomen, of toch weinig. Geen lichtjes in de enige boom die in het voortuintje staat. Geen kerstmannen die tegen de gevel opklimmen. ’t Is allemaal veel soberder en rustiger. De enige kerstanimositeit is deze in de commerciële centra. De winkelstraten, de ijspiste op de Grote Markt.

Maar daar kom ik niet. Daar zien ze me niet.

Wat ik zie, als ik door het raam naar buiten kijk, is dat de mensen die passeren helemaal niet op koude gekleed zijn, dat er nog bladeren aan de bomen hangen, dat alles grijs en stil is.

Er heerst somberte. En droefenis. Of vergis ik mij?

7225

Brugge, Poortersloge, werk van Jasper Rigole - 240518


donderdag 13 juni 2024

7224

Ver-Assebroek - 240517


woensdag 12 juni 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 365

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

28 november 2014


ATTEST

Wie van u heeft ooit een attest of ‘getuigschrift van goed gedrag en zeden’ moeten kunnen voorleggen? Het klinkt een beetje ‘inbreuk op de privacy’-achtig, maar het heeft wel degelijk onder die naam bestaan. Nu heet het, grammaticaal correcter, ‘attest van goed zedelijk gedrag’ of, nuchterder maar tegelijk ook incriminerend, ‘uittreksel uit het strafregister’.

Vreemd eigenlijk, maar wel veelzeggend, dat talig herijken van juridische begrippen. Taal en moraliteit sporen niet altijd comfortabel. De taal heeft moeite om de snel veranderende moraliteit te volgen. Denk maar aan de staande uitdrukking ‘misdaad tegen de mensheid’. Opeens staat iemand op en zegt: dat kan toch niet, je kunt toch geen misdaad plegen tegen de ‘mensheid’. Voortaan moet iedereen zeggen: ‘misdaad tegen de menselijkheid’. Het gevolg is dat beide termen door elkaar worden gebruikt en dat niemand nog weet wat nu juist is. Overigens denk ik dat het wél kan, hoor, misdaden tegen de mensheid. Ik hoorde Naomi Klein gisteren op tv de uitdrukking ‘klimaatcriminaliteit’ bezigen. En in die zin kan het dus wel: als wij nu niet tijdig bijdraaien, dan begaan wij met z’n allen een misdaad tegen de mensheid. De huidige én de toekomstige.

Trouwens, menselijkheid, is dat per se iets positiefs, waartegen je dan misdaden zou kunnen begaan? Soms heb je toch vormen van menselijkheid die je het liefst de kop zou indrukken en genadeloos uitroeien?

Maar goed, daarover wou ik het niet hebben.

Niet dat mijn levenswandel zo onbesproken of onbespreekbaar is, maar ik heb het slechts één keer moeten ophalen, zo’n attest waarmee ik moest bewijzen dat mijn gedrag conform de op dat ogenblik van kracht zijnde zedelijkheid was. Ik herinner het mij niet goed meer, het is dan ook al lang geleden, maar ik denk dat ik er een nodig had voor een sollicitatie. Voor een krant, als ik me niet vergis. In die tijd vroegen kranten daar nog om. Denkelijk is daar sedert de ontzuiling definitief een eind aan gekomen. Of neen, nu is er het internet: die kranten vissen eerst zelf wel uit met wie ze in zee gaan.

En dan bezin ik mij over de natuur van het woord attest, de gebruiksaanwijzing. Waarvoor kun je een attest krijgen, hoe moet iets zijn om attesteerbaar te zijn?

Gezondheid of ziekte wordt geattesteerd; op school kun je een diploma verwerven, net als een zwembrevet is dat eigenlijk ook een attest; vreemdelingen brengen maanden door met wachten op attesten die in zekere zin moeten bewijzen dat ze bestaan, enzovoort. ’t Gaat er altijd om dat een attest iets moet staven wat niet in alle situaties meteen verifieerbaar is. Ik moet geen attest hebben voor het feit dat ik grijze ogen heb, maar wel met betrekking tot mijn bloedgroep of mijn wil om na mijn dood organen te doneren. Hoe kan ik in godsnaam zonder attest bewijzen dat ik een blanco strafblad heb? Hoe maakt een Senegalese vluchteling duidelijk dat hij een Senegalese vluchteling is? Hoe bewijs ik dat ik zwemmen kan zonder zwembad in de buurt? Hoe bewijs ik dat ik kan autorijden zonder auto?

Attesten moeten het gesjoemel tegengaan dat kan ontstaan in de marge tussen gepretendeerd kwaliteit en opportuniteit om die kwaliteit toe te passen. Of om een niet-vermogen niet toe te passen.

Zo mocht ik ooit in opdracht van de groendienst van de stad waarvan ik ingezetene ben foto’s maken van stadsgroen in ’t algemeen en van speelpleintjes in het bijzonder. Het duurde niet lang of ik werd beticht van pedofiel geïnspireerd voyeurisme. Ik ben toen maar een brief gaan ophalen waarin werd geattesteerd dat genoemde, houder en voorlegger van deze brief, wel degelijk in het kader van een serieuze opdracht foto’s maakte waarop, gezien de aard van de beoogde zaak, mogelijkerwijs wel eens een peuter of kleuter zou te zien zijn. Genoemde had geen andere dan louter documentaire bedoelingen. Officieel briefpapier. Naam en handtekening van de directeur van de groendienst. Stempel. Ik voelde mij door dat attest eerlijk gezegd in mijn hemd gezet, ik was enigszins op mijn pik getrapt zeg maar. Alsof ik enkel met dit document kon bewijzen dat ik geen oneerbare bedoelingen had – en strikt genomen was dat zo: ik kón het niet bewijzen. ‘k Heb me dan ook van die opdracht, of van dat onderdeel van die opdracht, eerlijk gezegd met enige haast gekweten. Wie op die speeltuinfoto’s naar kinderen speurt, zal een loep moeten bovenhalen. De groendienstbrief heb ik als curiosum bewaard.

Wat zou er met mijn zwembrevetten gebeurd zijn? Wij kregen ze na het succesvol afleggen van zwemtesten in de lagere school. Mijn eerste brevet betrof het zonder verdrinken en in een bepaalde duidelijk omschreven zwemstijl afgelegde badlengte: 25 meter. Dan ging het verder op naar 50 en 100 meter – en telkens mocht moeder het verkregen lapje stof op de zwembroek naaien! Ik herinner mij die insignes: zwarte stof, op de voorkant de afbeelding van een manspersoon die gereed staat om in het water te duiken (durfde ik toen nog niet), op de achterkant een warrig kluwen van gekleurde draden, het resultaat van een ondoorgrondelijk weefproces. Ik heb meerdere van die brevetten behaald, mijn moeder heeft er denk ik maar eentje opgenaaid. Waar zijn ze heen?

En dan was er ook de ‘erekaart’, herinner ik me nu. Naast het trimestrieel rapport konden wij in de lagere school ook nog ‘erekaarten’ behalen op basis van voorbeeldig gedrag, inzet, goed presteren. Maar wat is goed presteren? Ook de domste van de klas kon zijn best doen – maar dat werd niet of toch maar zelden met een erekaart beloond, vreemd genoeg. En wat was nog de waarde van een erekaart als je er élke keer een kreeg, of als je ouders het niet leuk vonden dat je er een keer géén mee naar huis kreeg? ’t Was een oubollig en discriminerend systeem – het mag een vooruitgang heten dat het niet meer bestaat, ik meen zelfs dat ik de afschaffing ervan nog heb meegemaakt en dat zou dus in het begin van de jaren zeventig zijn geweest. Ja, die afschaffing was een van de gevolgen van mei ’68!

Maar ik herinner me wel dat mijn schoolrapport, al dan niet vergezeld van erekaart, een hele kerst- of paasvakantie lang bovenop de schoorsteenmantel te prijk werd gezet. Zo was het gebruik bij ons. Ik herinner mij dat nog.