DRAMA’S
MET SCHAPEN EN LAMA’S
Er
was de voorbije week op de digitale platformen een hoogoplopende
discussie over schapen en lama’s. U weet wel: het zijn allebei
zoogdieren waar je sokken van kunt breien, ze gelijken enigszins op
elkaar, maar ze verschillen toch ook aanzienlijk. Schapen kunnen
bijvoorbeeld niet spuwen, wonen niet alleen maar in Zuid-Amerika en
hebben geen disproportioneel lange nek. Ze hebben wel een d
íkke
nek. Om maar dat te zeggen. Als ik aan schapen denk, denk ik aan
Blauwke. (U begrijpt die associatie niet, maar dat is niet erg. En
maakt u zich vooral geen zorgen want het is een associatie die
slechts weinig mensen kennen – allemaal mensen, overigens, die op
de een of andere manier deel uitmaken van mijn privéwereld, zodat
het heel normaal is dat mensen die daar geen deel van uitmaken niet
weten wat of wie Blauwke is. (Blauwke is wijlen een van de schapen
die toebehoorden aan mijn vriend J.)) Dat voor wat betreft de
schapen. Als ik aan lama’s denk, ziet mijn geestesoog altijd dat
ene prentje in een Kuifje-album waar kapitein Haddock, oog in oog met
zo’n specimen, een lamafluim in het oog krijgt (en onmiddellijk
daarna in het oog krijgt). Waarna hij aan het vloeken slaat op
de manier die we van hem kennen en waar we dus niet meer van
opkijken. Heftig, brutaal en grappig. Stel dat een schaap zo
opvliegend zou uitvliegen, dát
zou wat anders zijn. Maar dat geheel terzijde.
Nu
goed, er was een discussie. In eerste instantie op de kijkbuis:
tussen een lama en een schaap. Het schaap had zijn nek uitgestoken en
kreeg me daar een flodder in zijn oog die hem nog lang zal heugen.
Hij lachte schaapachtig. De goegemeente was getuige en raakte er niet
over uitgeblaat. Iedereen, schapen én lama’s, had een mening klaar
en gaf daar luidruchtig lucht aan op de daartoe bestemde kanalen, die
nauwelijks breed genoeg waren om al het sputum te kanaliseren.
Ik
moet toegeven: ik had ook een mening klaar. En wel mijn mening.
Maar ik las de verzuchtingen van deze lama en gene schaap, en ik
stelde vast dat mijn oorspronkelijke mening niet anders dan prematuur
kon worden genoemd want ze was grotendeels op vooroordelen gebaseerd.
En dan moet ik nog iets toegeven: ik werd bang. Ik schrok ervoor
terug om mijn mening kenbaar te maken. Met wat ik was toegedaan zou
ik zowel in het kamp van de lama’s als dat van de schapen op
beuh!-geroep worden onthaald. Ja, misschien kreeg ik wel een digitale
fluim in mijn oog. Zoals peteine Dok, zoals een van mijn
kinderen, toen hij nog klein was, de trouwe, misschien wel enigszins
pedoseksuele vriend van Kuifje een tijdje noemde – tot de Gameboy
in zijn verbeeldingswereld de jonge reporter definitief naar de
achtergrond wegduwde, maar dat is een ander probleem.
Voor
ik het wist, was de week voorbij en had ik alle mogelijke meningen –
van schaap- tot lamaminded en alles daartussen – zien
defileren en had ik zelf alle stadia doorlopen: besef van
prematuriteit, twijfel en de angst die me ontraadde mijn nek uit te
steken. En dan zie ik nu iedereen alweer zijn digitale ganzenveer
aanscherpen voor het volgende efemeer incident, dat er ongetwijfeld
zal komen, en dringt het tot me door dat het nu wel rijkelijk laat is
om mijn mening over schapen en lama’s te ventileren en daarbij het
risico te lopen mij te laten insmeren met pek en veren.
Ik
zet mijn mening dus maar aan de kant en van de vrijgekomen tijd maak
ik gebruik om een metamening te vormen. Een metamening over mijn
meningitis.
Want
wat is dat eigenlijk, die drang om niet alleen meningen te hébben
over lama’s en schapen (het hadden evengoed geiten en ezels kunnen
zijn, of, waarom niet, mannen en vrouwen)? En niet alleen meningen te
vormen – meningen worden gevormd vanuit de grondstof ‘vooroordelen’
– maar ze ook nog eens te verkondigen, te delen, te publiceren, op
de sociale media te zetten in de hoop dat anderen
ze zien passeren?
Passeren
in twee betekenissen:
voorbijkomen
en voorbijgaan.
Wat
doet het ertoe dat u weet wat ik denk over schapen of lama’s en
over hoe die twee met elkaar omgaan als de ene zijn nek uitsteekt en
de andere spuwt? Dat is toch volstrekt onbelangrijk?
Ik
vind: schapen en lama’s zijn allebei zoogdieren. Zoals wij, met
onze meningen, dat ook zijn. Daar moeten we het mee doen. Of we nu
zelf een lama zijn of een schaap, we moeten luisteren naar elkaars
verhalen. Laat ons de afspraak maken dat we elkaars eigenheid
herkennen en erkennen. Dat we verschillen aanvaarden en
aanknopingspunten zoeken. Misschien is dat blaten en blazen en spugen
niet altijd zo boos bedoeld als sommigen het nu laten uitschijnen.
Misschien zit daar een vriendelijke kernboodschap achter. Veel lama’s
hebben bovendien iets schaapachtigs (bijvoorbeeld de wol), en vice
versa: veel schapen hebben, bijvoorbeeld met die rare blik van ze,
iets lama-achtigs. (Of schrijf je dat met een trema in plaats van met
een koppelteken: lamaächtigs? Laat me niet lachen! Overigens, en
opnieuw geheel en al terzake, pardon, terzijde: door zijn
klankverwantschap verwijst het woord ‘trema’ naar tremor en
trillen. Van woede, van begeerte. En ja, het koppelteken, dat
wijst zichzelf uit.)
Dus,
neen, ik ga mijn mening over de hoogoplopende discussie niet
ventileren. Als u goed hebt gelezen, dat wil zeggen: tot voorbij de
prietpraat, dan kent u haar wel. Dan hoef ik daar geen tekeningske
bij te maken.