dinsdag 26 januari 2021

Karl Ove Knausgård, Schrijver

scherf 108

Ik kan er de vinger niet op leggen. Grote literatuur is het niet – maar wat is grote literatuur? En moet ik per se ‘grote literatuur’ lezen, want vaak amuseer ik mij niet met ‘grote literatuur’? Misschien kan ‘kleine literatuur’ ook wel groot zijn, op haar manier. Enfin, ik geraak er niet uit. Zeker niet wanneer ik Knausgård lees. Nu al het vijfde van de zes delen tellende cyclus onder de ambitieuze, pretentieuze en ook aangebrande titel Mijn strijd. Dat vijfde deel heet in het Nederlands: Schrijver. Eerder waren er – en ik heb ze allemaal gelezen hoewel het stuk voor stuk turven zijn –: Vader, Liefde, Zoon en Nacht. Rest mij nu nog Vrouw, met ruim duizend bladzijden het dikste deel van de zes. Titels die telkens uit één woord bestaan. Kernbegrippen. Duidelijkheid.

Het is een hele onderneming, die Knausgård. Een beetje statusverlagend ook. Je pakt er niet graag mee uit bij belezen vrienden. ‘Wat ben je aan het lezen?’ ‘Oh, nog maar eens een deeltje Knausgård. Zo tussendoor. Ik ben nu al zo ver, ik zal nu maar doordoen. Maar daarnaast leest ik wel Joseph Roth en Bourdieu, hoor!’

Laat u niet door mij misleiden. Ik las de voorbije weken bijna uitsluitend Knausgård. Die kerel houdt me in zijn greep. Al de rest moet wijken.

En toch is het geen wat je noemt: ‘grote literatuur’.

De cyclus Mijn strijd is een nauwelijks verhulde autobiografie. In het vijfde deel, Schrijver dus, beschrijft de schrijver hoe hij schrijver is geworden. De schrijfschool, de eerste pogingen en mislukkingen, een kleine publicatie, jongere vrienden die vroeger debuteren en dan, wanneer hij het zelf niet meer verwacht, de doorbraak. Daartussendoor vernemen we allerlei trivia over het leven van de kunstenaar als jongeman: zijn lectuur, zijn toegevingen aan de arbeidsmarkt, zijn drankmisbruik, zijn vriendschappen en liefdes, zijn relatie met het familieverleden, zijn onwaarschijnlijke onzekerheid, zijn egocentrisme, zijn neiging tot zelfdestructie. Het is een psychopathologisch zelfportret, zeshonderd bladzijden lang houdt KOK zichzelf een spiegel voor en wij kijken allemaal over zijn schouder mee.

Het is geen geflatteerd zelfportret. Het is soms pijnlijk, en zelfs gênant. Nergens klinkt triomf door, ook niet wanneer daar reden toe bestaat.

En toch blijf je, blijf ik, maar lezen. Honderd, driehonderd, zeshonderd bladzijden. Het verveelt nooit. Er zit een rotvaart in.

Maar ik kan de vinger er niet op leggen. Waar zit nu die kwaliteit die mij doet voortlezen? Ik isoleer zinnetjes voor mijn rubriek wolken en merk dat het schrijfschoolzinnetjes zijn. De dialogen verlopen houterig. De essayachtige passages zijn vrijblijvende improvisaties waarin ik niets nieuws leer.

En toch.

Het heeft met ritme te maken. En ook met verteltechniek. Knausgård weeft zijn draden, houdt er op tijd mee op en begint iets anders uit te zetten. Maar je weet nog niet hoe het vorige afloopt en daar kijk je dan naar uit. Haalt hij die buit binnen (dat uitgeverscontract, die vrouw, dat tijdelijke werk)? Wordt deze of gene ontsporing afgestraft of niet? Krijgt Karl Ove (zo heet het hoofdpersonage) een tweede, derde, vierde kans? Enzovoort.

Ik denk dat het exploot van Knausgård veel verwantschap heeft met wat je op tv een soap zou noemen. Hij zet zijn personages uit, laat hen interageren, er gebeuren dingen, je bent benieuwd naar de afloop, zet je morgen maar weer voor de buis om te zien hoe het verder verloopt.

Zal ik morgen al aan dat laatste deel, Vrouw, beginnen, of laat ik het nu eerst een tijdje rusten en neem ik een serieus boek ter hand? Maar wat is een serieus boek? 


Karl Ove Knausgård, Schrijver (2014; vertaling door Marianne Molenaar van Min kamp. Femte bok (2010))

5987

Sint-Andries, Hogeweg - 201010

 

maandag 25 januari 2021

driekleur 459

De buurman in zijn hoge laarzen en gele regenjack klom naast de tractor op de grond, bleef er een tijdje naar staan kijken en volgde toen de sporen terug. Hij liep de helling op, dwars door de rodebessenstruiken, stapte over het hek, zonder omhaal neergeploegd door de tractor, en verdween uit het zich terwijl wij hem van achter het raam nakeken. Een tijdje later hoorden we het geluid van een andere tractor, die van de grindweg afboog en hobbelend de akker op reed: de buurman stond op de treeplank terwijl hij zich aan de portiersponning vasthield, een andere buurman zat achter het stuur. Opa bleef voor het raam staan terwijl zij de ketting tussen de beide tractors bevestigden en allebei de motor startten, hij zag de dikke, zwarte rook uit de uitlaatpijpen opwellen terwijl de motoren opgevoerd werden en de eerste tractor heen en weer schokte tot hij na een paar minuten op de vaste grond getrokken werd en de andere buurman naar huis kon gaan. 

Karl Ove Knausgård, Schrijver, 566

wolken 3965-3990

wolkenfragmenten uit Karl Ove Knausgård, Schrijver

3965

De bomen stonden er doodstil bij, grijzig onder het dichte wolkendek, meer op het dode lijkend dan op het levende. (10)

3966

In de stromende regen, die in combinatie met het zware, donkere wolkendek het hele landschap veranderde, het in zichzelf opsloot, slenterde ik de heuvel weer op. (34)

3967

De motregen, de wolken die boven ons langsjoegen, aan de onderkant verlicht door alle lichten van de stad, Yngves ernstige gezicht. (38)

3968

Het wolkendek, dat vlak boven de stad hing, was grijswit en het licht dat de straten om ons heen vulde, mild, maar zonder verhullend of verfraaiend te zijn, het was meer alsof de dingen er in hun eigen waarde in naar voren traden. (40)

3969

Toen we buiten kwamen, zetten Asbjørn en Yngve allebei een zonnebril op. De mijne was binnen, maar het zou te opvallend zijn om terug te gaan en hem te halen, dus liet ik het erbij en liep samen met hen richting stad, door de natte straten, glimmend in de weerschijn van de zonnestralen die door de gaten in het wolkendek boven ons vielen. (49)

3970

(…) het wolkendek boven me was dicht en grijs, op zwart af, en hing boven de stad als een tentdoek dat bol stond van het water. (70)

3971

‘Dat op zich is al een cliché, weet je. En verder “de zon gluurde door het gebladerte” en “de dreigende zwarte wolken die onweer voorspelden” – onweer voorspelden! En dan dat “met de colt veilig in de hand rustend” – veilig rustend. Enzovoort, enzovoort.’ (80)

3972

Een paar zwarte wolken hingen als schijven op de achtergrond. (104)

3973

Buiten op straat begon het al donker te worden, maar zonder de zware regenwolken had de schemering iets zomerachtigs, iets openers, lichters, veelbelovends. (107)

3974

Het regende niet meer, maar het was nog steeds bewolkt. (133)

3975

Het wolkendek boven de stad was dicht en grijswit, het licht tussen de huizen bijna melkachtig. (145)

3976

Het was in de loop van de nacht wat opgeklaard, het was nog steeds bewolkt, maar het wolkendek was lichter en het regende niet meer. (194)

3977

(…) dan heb je een graf in de wolken daar lig je niet krap (Knausgård citeert Paul Celan; 204)

3978

Het vochtige, hunkerende van de kleuren in de herfst en de winter was verdwenen. Nu waren ze droog en luchtig en in combinatie met de krijtwitte huizen, die het licht reflecteerden, zelfs het indirecte dat ontstond als de zon achter de wolken hing, messcherp en glanzend, was het alsof de hele stad oprees. (235)

3979

De lucht was donkerblauw, de zon roodachtig en hij stond boven Askøy, de wolken in het oosten leken wel in brand te staan. (244)

3980

(…) zo ten hemel schreiend anders dan het Fjällrävenachtige gebanjer van de meisjes thuis, dat er alleen maar op neerkwam je voort te bewegen, licht voorovergebogen, elk moment voorbereid op een wolkbreuk, leek het wel, dribbelend, sjokkend, zonder elan, met alle kracht vooruit! (270)

3981

Midden op de dag stak de zon zelfs, ook al hing hij achter een wolkensluier, en de enige gele kleur in de vegetatie kwam door de droogte. (270)

3982

Buiten scheen de zon door de wolken. (290)

3983

Het licht van de bewolkte hemel buiten vulde de kamer, het viel op onze bleke lichamen, op haar gezicht, op haar ogen, die me bleven aankijken. (298)

3984

Het was bewolkt, warm en windstil. (325)

3985

Het wolkendek aan de hemel was langzaam en nauwelijks merkbaar opengebroken. (343)

3986

(…) ik had me net zo luchtig door de dag bewogen als de wolken langs de hemel (…) (349)

3987

(…) het was zo’n fantastische dag, nergens een wolkje te bekennen (…) (358)

3988

Onder ons lag de fjord, grijs en zwaar, aan de overkant liep de bergwand loodrecht af naar het water, als het ware ingepakt in wolken en mist. (460-461)

3989

Tegen de avond loste het wolkendek op, de laaghangende zon wierp zijn oranje licht over de stad terwijl de schemering langzaam over de grond kroop (…) (592)

3990

Maar het meest van alles hield ik van de hemel, hoe de wolken er ’s nachts in het donker langsgleden, als schepen op weg naar de kust, of hoe ze zich opstapelden als er slecht weer op komst was, dat altijd uit het westen kwam en het hele huis deed schudden en trillen, zuchten en steunen. (632)


op naar de zestig 104


Allez vooruit, na de zonderhaatstraat en de knikjesstraat hebben we nu de zonderzondestraat. Je acht het niet voor mogelijk, die drang van mensen om hun morele voortreffelijkheid te afficheren, hun hunker naar een eenvoudige samenhorigheid. Wat is hier de bedoeling van? Wat is de boodschap? Een straat zonder zonde? Ik denk meteen aan stenen en ruiten ingooien, maar dat zal allicht niet de bedoeling zijn. Anderzijds is het ingooien van dit raam niet aan de orde want een eerste steen zal nooit geworpen worden aangezien niemand... Gratuit gemoraliseer is dit, zonder enige inzet of risico. Ik verlang naar een zondersentimenteleraambordjesstraat.

 210123

op naar de zestig 103


Vandaag gaat het laatste exemplaar van mijn boek de deur uit. Op mijn weg naar het postkantoor kom ik op de Vesten N. tegen. Dat gebeurt wel vaker: ze gaat elke dag lopen en ik wandel daar vaak. Ze is aan het telefoneren, ijsberend. ‘Dag N.’ en ‘Dag Pascal’. Een praatje zal voor later zijn. In de post moet ik een tijdje wachten vooraleer ik met mijn wachtnummer 086 aan de beurt kom. Dan keer ik terug langs dezelfde weg en, jawel, daar staat N. nog altijd. Ze is net aan het afsluiten, dus komt dat praatje er toch nog.

210122

5986

Houtave - 200901

 

zondag 24 januari 2021

getekend 349

 


op naar de zestig 102

 


Wachten op de pendeltrein van acht uur is, zeker in de winter en a fortiori in deze coronawinter, een van de meest troosteloze aangelegenheden ever. Daar sta je dan, met dat mondmasker op je snoet. Ook in het administratief centrum achter de perrons zal vandaag weinig leven te bespeuren zijn. De mensen werken thuis, weetjewel, online. Maar dan zie je plots dat sprankeltje hoop, een vurige noot in deze koude wereld. Kijk goed: het kantoor op de eerste verdieping, ter linkerzijde – een poster aan de muur, als was het de slaapkamer van een recalcitrante puber. Hasta la victoria siempre, Comandante!     

210121