maandag 3 oktober 2022

afscheid van mijn digitaal bestaan 250

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

23 augustus 2010

ALLERLAATSTE

Het is een van de moeilijkst te vatten begrippen. Eigenlijk is het niet te vatten.

Ja, toen mijn stad nog heel wat leuke cafeetjes in de aanbieding had en het nog niet de gewoonte was om zich in een park met een paar flessen wodka uit de nachtwinkel lazarus te zuipen, plachten wij lachend te zeggen dat we onszelf nog een ‘allerlaatste voorlaatste’ gunden alvorens in vriendschap uit elkaar te gaan en ons naar de eigen sponde te begeven – maar dat is alweer heel lang geleden. In onze uitdrukking lag ironie vervat, en de onwil om zich aan het al te definitieve karakter van de ultieme dingen te onderwerpen. We zeggen toch ook niet: ‘het Allerlaatste Oordeel’?

Nu zijn we dertig [meer dan veertig, inmiddels] jaar verder en het woord krijgt stilaan, heel stilaan, een andere invulling. Bitterder, wijzer, gelatener. We weten dat, inderdaad, sommige dingen zich een allerlaatste keer aan ons voltrekken. We komen in de menopauze van het bestaan. De allerlaatste keer kijkt een bouwvakker zonder meewarigheid naar ons om als wij met een zweem van heupwiegen aan zijn stelling voorbijgaan. Gelukkig dat wij dat op dat moment niet beseffen. De allerlaatste keer zien wij Napels zonder meteen te sterven. De allerlaatste keer trekken wij een deur achter ons dicht. Maar we weten het nooit helemaal zeker. We zeggen, bijvoorbeeld na een verhuizing: kijk, dit is de laatste keer dat we deze deur, die we zovele malen hebben geopend en weer hebben dichtgedaan, achter ons hebben dichtgetrokken en we zijn ons met enig aplomb en eindigheidsbesef bewust van dat gegeven – maar vijf minuten later vinden wij aan onze bos nog een sleutel waarvan we denken dat hij op die deur past maar we zijn het niet zeker waardoor wij hem toch nog eens, de proef op de som makend, moeten openmaken, waarna wij hem nóg eens een allerlaatste keer achter ons moeten dichttrekken.

Gisteren vertelde iemand me dat hij op reis een man had ontmoet en die had gezegd: ‘Wat doet het er toe? Het is de laatste keer dat wij elkaar zien. Wij zullen elkaar nooit meer terugzien.’ Hij was nog jong, die man, en daardoor klonk zijn uitspraak al té berustend. Maar het is waar natuurlijk: we lopen hier met veel te veel mensen rond, wat de waarschijnlijkheid van een weerzien erg gering maakt. En toch lijkt het me beter om bij elk afscheid wél een weerzien in te calculeren. Je weet maar nooit dat we iets vergeten zijn, dat we vergeten zijn hoe definitief het had moeten zijn. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk – misschien herziet Hij alsnog Zijn Laatste Oordeel en is Hij ons genadig.

6604

Omgeving Alençon - 220808

 

zondag 2 oktober 2022

notitie 304

VLEUGELSLAG

Enkele lezers van mijn notities, onder meer de altijd zeer kritisch over komma’s struikelende S.B., wezen mij erop dat een mot geen nachtvlinder is. Terecht. Een mot is inderdaad geen nachtvlinder. In mijn notitie van gisteren (303) heb ik die twee abusievelijk met elkaar verward. Dat doe ik trouwens al heel mijn leven. Wat eigenlijk een nachtvlinder is, zo’n op een vlinder gelijkend gevleugeld en meestal donker en enkel ’s nachts actief insect, heb ik altijd een mot genoemd.

Ik haal er even de Van Dale bij (veertiende editie, 2005). Daar is een mot, in de eerste van acht betekenissen: ‘naam van een familie van zeer kleine vlindertjes met smalle vleugeltjes’. Terwijl een nachtvlinder is, in de eerste van drie betekenissen (waarvan de laatste luidt: ‘iem. die graag ’s nachts uitgaat’): ‘onderorde der vlinders die met of na het vallen van de avond tevoorschijn komen’. Die laatste omschrijving lijkt mij weinig accuraat, maar ik begrijp uit beide definities toch dat zo’n bij duisternis ‘tevoorschijn’ komende vlinder geen mot is. Motten zijn van die stoffige heel kleine vlinderachtigen die zich vooral met het ondermijnen van kleren bezighouden. (Of met mythes, zou Paul Claes zeggen.)

Bon, dat zou ik dus moeten aanpassen. Ik zou in mijn stukje elke mot door een nachtvlinder moeten vervangen – want over een nachtvlinder had ik het wel degelijk: ‘een grote, zwarte mot’. Die dus geen mot was. Indien het er een zou geweest zijn, dan zou ik hem wellicht nooit hebben opgemerkt. (‘Hem’? Ook dat is blijkbaar een probleem. Volgens aandachtige lezer G-W. R. is een mot vrouwelijk…)

Maar het zal niet gaan, dat vervangen. Het zou niet bij de vervanging van dat ene woord kunnen blijven. Hoe zou ik dan immers de aanwezigheid van Andrew Motion kunnen verklaren, van wie die mot, die dus een nachtvlinder zou moeten zijn, het enige boek dat in mijn verzameling aanwezig is uitkoos om zich achter te verschuilen? Mijn nachtvlinder zou ergens ter hoogte van het punt waar mijn Nabokov-collectie aanleunt tegen de boeken van Péter Nádas voor het daglicht moeten zijn gaan schuilen. (Wat natuurlijk, zo bedenk ik nu, wel een mooie kans zou bieden om de lepidopteroloog in eerstgenoemde onder de aandacht te brengen.)

Met andere woorden: die ene fout (verwarring mot-nachtvlinder) leidt tot een schier onoverkomelijke reeks van noodzakelijke aanpassingen. (Het doet mij denken aan dat vaak gebruikte beeld van de vlindervleugelslag in het Amazonewoud die aan de andere kant van de wereld een cycloon ontketent.)

(Nog een laatste iets, nu ik toch aan het corrigeren ben. Gisteren schreef ik dat dat boek van Andrew Motion, Het verdichtsel van dokter Cake, door mij ongelezen was. Dat bleek geen waar te zijn. Tot mijn grote ontzetting bleek ik het wél al gelezen te hebben, en wel onmiddellijk na de aankoop ervan in 2010, in het toen nog in mijn stad aanwezige filiaal van De Slegte.)

6603

Omgeving Alençon (F) - 220808

 

zaterdag 1 oktober 2022

notitie 303

MOT

Een paar dagen geleden was er een mot in mijn slaapkamer. Een grote, zwarte mot. Hij botste voortdurend tegen het plafond aan. Het beest deed me geen kwaad. Vangen met een doosje en een stuk karton en hem vervolgens het huis uit zetten, in wat ik dan veronderstel dat voor hem de vrijheid zou zijn, zou niet lukken. De ramen openhouden leek mij, gezien de huidige gasprijzen, geen goed idee. De mot stoorde me niet, ik was er niet bang van. En ik was ook niet van plan om mezelf te verontrusten met de voor de hand liggende maar geheel vrijblijvende associatie mot-dood. Ik realiseerde me wel dat het eigenlijk vreemd is dat ik van vlinders en motten minder bang ben dan van bijvoorbeeld spinnen. Als je ze met een macrolens bekijkt, zien ze er al even monsterlijk uit. Gisteren observeerde ik een van de spinnen die voor mijn raam op aanvliegende buit wachten. (Ik was blij daarvoor even mijn lectuur van Op weg naar De Hartz te kunnen onderbreken.) Ik zag hoe het beest vanuit zijn tegen de raamrand geweven nest naar het midden van zijn web spurtte, onmiddellijk nadat een vlieg daarin verstrikt was geraakt. De spin pakte de vlieg, die ongeveer een vierde van zijn eigen lichaamsvolume had, in met meegebrachte draad en sleepte het slachtoffer naar zijn nest. Daar zette hij zich aan het smullen. Hij deed er wel een paar uur over om zijn prooi leeg te zuigen. Er huizen meerdere spinnen voor mijn raam. Ik zie ze week na week groeien. Langzaam maar zeker.

De mot van een paar dagen geleden verdween uit beeld en uit mijn geheugen. Ik vergat hem. Tot hij deze ochtend opnieuw opdook, nu in de woonkamer. Of was het een andere mot? Dat kan ik nooit verifiëren. Ik neem aan dat het dezelfde was en dat hij, moe en verdoofd van het vruchteloos tegen het plafond aan botsen, een paar dagen rust had genomen achter een rij boeken op een van de planken. Wellicht bij dat ene boek van Andrew Motion dat ik bezit, Het verdichtsel van dokter Cake. Ik neem het boek ter hand, zie dat het hier al meer dan twaalf jaar op me wacht en besluit het dan toch eindelijk eens te lezen.

Ik was eigenlijk van plan iets helemaal anders te schrijven, maar toen was die mot daar en die deed me denken aan de mot van een paar dagen geleden en aan de spinnen voor mijn raam. En nu zit ik hier met dokter Cake op schoot.

 


 

6602

Forêt d'Ecouves nabij Alençon (F) - 220808

 

vrijdag 30 september 2022

6601

Alençon (F) - 220807

 

donderdag 29 september 2022

notitie 302

ONDERMIJNEND 

 

Mijn afkeer van reclame is niet enkel door esthetische overwegingen ingegeven. Uiteraard storen slechtgemaakte reclames me, uiteraard enerveert herhaling. Jazeker, dat komt maar al te vaak voor, maar ik ben niet zo rabiaat anti dat ik blind (of doof) zou zijn voor pareltjes van inventiviteit, goede en grappige vondsten, meesterstukjes van fotografie, enzovoort. Neen, esthetische overwegingen wegen niet door om mij te doen zeggen dat alle reclame zou moeten worden verboden. Ik ben die mening toegedaan omdat reclame totalitair is, omdat ze de taal ondermijnt en een aanfluiting is van de menselijke waardigheid. Omdat reclame een bedreiging vormt, niet in de eerste plaats in esthetisch maar wel in ethisch opzicht.

Er is gelegenheid te over om zich te ergeren en te bezinnen over de vraag hoe het komt dat reclame niet al lang verboden is. We worden er dagelijks mee gebombardeerd. (Met als gevolg dat de redelijke mens die ik nog altijd probeer te zijn zich er zoveel mogelijk probeert van af te schermen – maar er is geen ontkomen aan.)

Sta even samen met mij stil bij drie reclameboodschappen die de jongste weken door de openbare omroep VRT worden verspreid. (Ja, de openbare omroep. De ondanks ons belastinggeld armlastige openbare omroep die, tegen alle gemaakte afspraken in, zich op reclame-inkomsten moet verlaten om zijn taak te kunnen blijven vervullen. En die dus in die zin bezwaarlijk een ‘openbare’ omroep kan worden genoemd.)

1. Belfius en Proximus gebruiken het veertig jaar oude lied ‘Beats of Love’ van Nacht und Nebel om hun ‘Beats’-campagne te ondersteunen. Deze service, die bancaire en telecommunicatiediensten combineert, richt zich vooral op jongeren. Oké, niets aan de hand. Maar ik vind het niet kunnen dat een gitzwart lied waarvan de rechten blijkbaar voldoende verstreken zijn zodat de eerste-de-beste zakkenwasser zich ervan kan bedienen om zijn waar aan de man te brengen hier zomaar wordt geannexeerd. Dit stuit mij tegen de borst. De groep, waarvan de naam aan duistere praktijken tijdens de naziperiode refereert, werd geleid door de tragische figuur Patrick Nebel – ik vraag mij af wat hij ervan zou denken als hij zou hebben kunnen weten wat er nu met zijn lied gebeurt.

2. De reclamemakers van Lidl blinken tegenwoordig uit in arrogant cynisme. Pesterig cynisme. Want hoe kun je een reclameboodschap anders noemen die na een scherp repetitief geluid dat iedereen in de gordijnen jaagt zegt: ‘We weten dat dit irritant klinkt, maar het is best wel interessant. Want zo vestigen wij jullie aandacht op ons commercieel aanbod.’ Waarop dan een actie wordt toegelicht die kippenvlees aan 3,90 euro per kilo aanprijst. 3,90 euro per kilo. Wat blijft er na voeder, energie- en infrastructuurkosten, transport, verpakking, distributie enzovoort nog over voor de boer die die kip heeft ‘geproduceerd’? En welk leven heeft die kip geleid? Geleden?

3. De in mijn ogen ergerlijkste campagne loopt al vele maanden. Het is die van Bio-Planet, nota bene een warenhuisketen die teert op een imago van fairtrade, duurzaamheid, bio-kwaliteit en milieuvriendelijkheid. De slogan van deze warenhuisketen voor de gegoede milieubewuste middenklasse laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘There ís a Planet-B’ – met klemtoon op ‘is’. Iedere keer dat ik die slogan hoor, ben ik verwonderd over het feit dat er blijkbaar nog altijd weldenkende medeburgers zijn die zich nog níet – klemtoon op ‘niet’ – hebben voorgenomen daar nooit nog een stap binnen te zetten.

Neen, ik moet ze niet die reclame. Ik vind het een aantasting van mijn eerbaarheid dat ik er niet aan kan ontkomen en ik vind het onbegrijpelijk dat niemand er iets tegen onderneemt.

6600

Alençon (F) - 220807

 

woensdag 28 september 2022

6599

Omgeving Le Mans (F) - 220807

 

dinsdag 27 september 2022

6598

Omgeving Le Mans (F) - 220807

 

maandag 26 september 2022

6597

Le Mans (F) - 220806

 

zondag 25 september 2022

driekleur 497

Tijdens handenarbeid drukte ze potjes rode en blauwe plakkaatverf achterover, en een pakje zwarte pijpenragers voor de buitenmaatse brillen. Ze gapte watten van een medicijnkarretje; van de schoonmakers jatte ze een gele mop.

Lionel Shriver, Tot de dood ons scheidt, 211

6596

Le Mans (F) - 220806

 

zaterdag 24 september 2022

notitie 301

SCHEEF 

 

Ik was snel door de hele tentoonstelling gelopen, had mij door niets aangesproken gevoeld. Of ik was niet in de stemming of de kunstwerken waren van dien aard dat ze geen aansluiting konden vinden bij mijn smaak en referentiekader. Of allebei: een wederzijds gebrek aan afstemming. Maar het ligt natuurlijk het meest aan mij want ik heb een volkomen voorbijgestreefd verwachtingspatroon wanneer ik een museum of tentoonstellingsruimte betreed. Ik ben in de negentiende eeuw blijven steken.

Enfin, soit, wij werden naar de receptiezaal geleid, waar zou worden gesproken. Een aanwezige kunstcriticus, die tot wanhoop van de tapper-van-dienst tegen de mobiele tapinstallatie aanleunde, stak zijn vreugde niet onder stoelen of banken toen hij hoorde dat de schepen van Cultuur niet aanwezig was omdat hij elders andere verplichtingen had. Bij de vorige manifestatie met actuele kunst was dat ook het geval geweest.

Diegenen die wel spraken kwamen niet verder dan dankbetuigingen, het noemen van namen, een vage verklaring van de aan een getallenreeks, of aan de kwadratuur van de cirkel, refererende titel van de tentoonstelling.

Voor het ophalen van mijn Brugse Zot wachtte ik tot de eersten bij de tapinstallatie waren gepasseerd, zo zou ik niet al te gulzig lijken.

Ik ging bij X staan, de enige persoon van het gezelschap die mij aanspreekbaar leek. Hij was in gesprek met Y, die mij van Facebook kende. Haar naam kwam mij bekend voor. Wij bleken met elkaar verbonden via een transgender- en een queerconnectie. En ook via een voormalige schoonbroer van mij, met wie Y, zei ze, ooit nog eens een scheve schaats had gereden.

X verwonderde zich over de uitdrukking ‘een scheve schaats rijden’. ‘Toch een mooie uitdrukking,’ zei hij. Ik herinnerde mij dat ik daar vroeger ook al eens had bij stilgestaan. Y vroeg zich af wat de etymologie van de uitdrukking kon zijn. Zij zou het thuis eens opzoeken. ‘Welk scheef zou worden bedoeld?’ vroeg ik. Schaatste je plots een andere richting uit, een andere dan de beoogde? Of doelde de uitdrukking op het niet mooi rechtop schaatsen, met de schaatsen een scherpe hoek vormend ten aanzien van het ijsvlak, zoals beginnende schaatsers doen?

X had intussen oog opgevat voor de hellingsgraad van de vloer van de zaal waarin we ons bevonden. ‘Wellicht voor de vergaderingen die hier ooit moeten hebben plaatsgevonden,’ opperde hij. Ik veronderstelde dat hij bedoelde dat de belangrijkste aanwezigen op de lager gelegen plek in de zaal beter konden worden gezien door wie achteraan in de zaal, maar dan wel iets hogerop, hadden plaatsgenomen.

Ondertussen had de dj het nodig gevonden om met muziek de gesprekken onmogelijk te maken. Of dan toch ernstig te bemoeilijken. Dreiklangsdimensionen, Eisbär – de man had een duidelijke voorkeur voor een bepaald soort Duitse muziek van langgeleden.

Ik verplaatste mij naar een andere zaal waar ik een zitbank wist. Daar was de vloer ook scheef, maar dan wel overdreven, onnatuurlijk scheef: een ingreep van de architect die het oude gebouw had ingericht met het oog op zijn nieuwe functie van tentoonstellingsruimte voor actuele kunst. Ik nam plaats en keek naar de video die op de tegenoverliggende muur werd geprojecteerd en naar het op de scheve vloer uitgestalde ensemble met de voorwerpen die in de video voorkwamen. Op de videoloop schoof telkens een citaat van Sartre uit La Nausée voorbij. Ik las het verschillende keren maar het is mij toch niet bijgebleven. Ik zag een jongeman die, onhandig stappend op de scheve vloer, met zijn smartphone het voorwerpenensemble filmde en dan ook de video. ‘Voor mijn vriendin thuis’, zei hij. ‘Ik beloofde haar wat beelden door te sturen.’ Ik vond het een sympathieke jongeman. Wat later – ja, ik bleef daar een hele tijd zitten – kwam een al wat oudere man naast me zitten. Zijn uiterlijk deed mij aan een andere ex-schoonbroer van me denken. Hij vroeg of ik Z kende, een van de kunstenaars die door de curator in haar tentoonstelling was opgenomen. Ja, ik kende Z. De man kende hem alleen van naam van op Instagram. Hij wou hem wel eens ontmoeten en vroeg mij hem te beschrijven. Ik beschreef Z. Dat viel niet mee. Ik zei aan de man dat ik Z voor hem zou zoeken en zou vragen om naast hem op de zitbank te komen plaatsnemen. Ik doorliep nog eens de hele tentoonstelling op zoek naar Z. Ik keek geen tweede keer naar de werken. Ik vond Z nergens. Ik betrad de zaal met de video en de erg scheve vloer en gebaarde naar de oudere man, die nog altijd op het bankje zat, dat ik Z niet kon vinden. Ik hief mijn armen en vormde een gebaar van vruchteloosheid. Ik draaide me om en stapte naar de uitgang.

Het leek me dat ik niet veel anders kon doen dan naar huis gaan. Het was inmiddels beginnen te regenen. De stenen glommen. In de restaurants zaten koppels tegenover elkaar. Ze aten en spraken. Of spraken niet en aten zwijgend. Het viel me op dat de vrouwen meestal met hun rug tegen de muur zaten en de mannen met hun rug naar de zaal gekeerd.

6595

Le Mans, autocircuit - 220806

 

vrijdag 23 september 2022

6594

Le Mans, autocircuit - 220806

 

donderdag 22 september 2022

notitie 300

DRIEHONDERD

 

Na een derde honderdtal notities kan ik voor mezelf in deze notitie 300 nagaan waar mijn aandacht vooral naar uitgaat. De cijfers betreffen de nummering van de notities. Ze zijn terug te vinden via de zoekfunctie op mijn blog: tik in het vak links bovenaan ‘notitie ###’. Een overzicht van de eerste honderd notities is hier te vinden en van de tweede honderd notities hier.

https://pascaldigital.blogspot.com/2022/01/notitie-100.html
https://pascaldigital.blogspot.com/2022/05/notitie-200.html

 

Literatuur (21 (29/30 in de tweede en de eerste 100)) – totaal 80

201. Een monoloog van Sam Louwyck
215. Ulysses van James Joyce
217. Leesprojecten
218. Kritiek op mijn boek
223. Hoe een criticus heel erg fout kan zijn: Reich-Ranicki over Sebald
224-225. De Ouariachi-rel
226. De Sebald-biografie van Carole Angier
229. De dagboeken van Daniël Robberechts
237. Christa Wolf, De cesuur
238. David Grossman, Jij bent mijn mes
246. Mogen wij nog Céline lezen?
270.
Michel Houellebecq, Sérotonine
272-273. Jeroen Theunissen, Ik = cartograaf
276. Wessel te Gussinklo, De verboden tuin
282 en 290. Salman Rushdie, Joseph Anton
291. Daniël Robberechts, Een leven lezen
296. Bibliotheekbeleid
297. Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar


Observaties uit het persoonlijk leven (33 (20/23)) 76

202. Bij de bakker
204. Ouder worden
206. Bekeringsijver
210. In de wachtkamer
211. Een droom over de kerk
216. Rijden met een hedendaagse auto
218. Een literaire ontmoeting in Oostende
220. Schrijven en erkenning
221. Een moment van verdriet
222. Trammelant om een ladder
230. Een verstoord gesprek
231. De procedures van het alledaagse leven
247. Een vroegochtendlijke fietstocht
251. Een kafkaïaanse droom
255. Hugo Claus in mijn straat
256-269. Fietsreis in Frankrijk
281. Kassapanne
283. Een nachtelijke fietsrit
285. Ontmoeting met een Facebookvriend
294. Emoji in den Aldi

 

Maatschappelijke problemen 15 (6/13) 34

205 en 207. Graffiti in de openbare ruimte
212-213. Burn-out
227. Vegetarische varkens
233. De ethiek van de middenstander
241. Management
243. Tax-on-web
244. Gemeentebelasting op ontmenselijking
245. Woke
277. Newspeak in de bedrijfswereld
284 en 286. Eten in de bioscoop
291. Vernederende reclame
298. Frankrijk sterft


Media (11 (16/1)) 28

208-209. Facebookstrategie
245. Meereizen op Facebook
252. Emoties in de Tour
253. Sensatie
287-288. Zin om te stoppen met Facebook
292. Een interview met Michel Verschueren
293. Een interview met Chantal Akerman
295. Oorlogsverslaggeving
299. Notitie over deze notities


Film (4 (9/7)) 17

234. Feo Aladag, Die Fremde
271. John Maloof & Charlie Siskel, Finding Vivian Maier
279. Mariano Cohn en Gaston Duprat, Competencia Oficial
289. Nir Bergman, Here we are


Politiek (3 (4/8)) 15

228. De communicatie van de CD&V
240. De Vlaamse feestdag
249. Een groene oase in Antwerpen


Televisie en radio (3 (2/7)) 12

235. Junior op zoek naar de liefde
242. Wielercommentaar
254. De taalkloof tussen Nederland en Vlaanderen


Fotografie (5 (1/4)) 10

203. Poseren
214. De zelfportretten van Vivian Maier
271. John Maloof & Charlie Siskel, Finding Vivian Maier
274. Straatfotografie
275. Straatfotografie en privacy


Milieu (2 (4/0)) 6

248. Klimaatscepticisme
249. Een groene oase in Antwerpen


Corona en vaccinatie (0 (0/5)) 5


Muziek (2 (2/1)) 5

239. Daniel Lanois en Van Morrison
278. Lagelandenlijst


Beeldende kunst (1 (2/1)) 4

236. Arne Quinze


Sport (1 (2/0)) 3

232. Voetballers en wielrenners

6593

(F) - 220806

 

woensdag 21 september 2022

notitie 299

NOTITIES

 

De column van Pierre Plum was vele jaren elke dag omstreeks acht uur het eerste wat ik op Facebook onder ogen kreeg. Ik was erop gesteld geraakt en vond het dan ook jammer dat hij er de brui aan gaf, toevallig kort nadat ik mij had voorgenomen om met dagelijkse notities zijn voorbeeld te volgen. Ik heb aan Plums beslissing overigens ook een notitie gewijd: notitie 26.

Pierre oogstte steevast veel reacties. Op basis van het aantal duimpjes en hartjes dat hij oogstte, schat ik dat hij door enkele honderden mensen werd gelezen. Welke columnist die niet in een krant publiceert kan dat zeggen? Met Facebook kun je, als je goed schrijft en iets te vertellen hebt, echt wel veel mensen bereiken. Ook als je meer woorden nodig hebt dan wat velen al te veel vinden om er hun aandacht en een paar minuten van hun tijd aan te besteden.

Dat was dus vanaf 27 september 2021, toen ik hier mijn ‘notitie 1’ plaatste, mijn plan: ik zou proberen meer mensen te bereiken door goed te schrijven en – uiteraard – vanuit de pretentie iets te vertellen te hebben.

Ik ben niet in mijn dubbele opzet geslaagd. Aan de eruditie en het associatief vermogen van Pierre Plum kan ik niet tippen. Plum is veel luchtiger en kluchtiger – ik heb al vlug de neiging om in ernst en somberte te vervallen. Plum is ideologisch neutraler, hij strijkt niet tegen haren in. En wat ik ook niet kan zoals Plum, is een eigen universum met vaste personages en rekwisieten creëren waar de mensen mee vertrouwd geraken.

Dat betekent niet dat ik ontevreden was met de respons. Ik werd minder dan Plum gevolgd, maar toch ook door een voldoening schenkend aantal lezers. En ik kreeg ook vaak reacties, die af en toe uitgroeiden tot inhoudelijke uitwisselingen. Soms ontstond er wel eens wat gebakkelei, maar dat bleef meestal beleefd en respectvol.

Ik heb veel plezier beleefd aan het schrijven van deze notities. Niet alleen door de reacties, maar in de eerste plaats omdat ik graag schrijf. Zonder het graag te doen, zou ik er niet in geslaagd zijn om in een jaar driehonderd stukjes te schrijven – ik vraag mij trouwens nog altijd af hoe Plum het klaarspeelde om zijn tempo van een column per dag vele jaren aan te houden en daarbij bijna altijd een hoge kwaliteit te bereiken.

Nu is voor mij het vat af. Als het een opdracht wordt, houd ik het liever voor bekeken. Dit is nog altijd een vrijetijdsbesteding, ik ben niemand iets verplicht. Ik hield sinds enige tijd het cijfer 300 voor ogen als een goed moment om te stoppen met deze vrijwel dagelijkse notitie. Ik kan meerdere redenen voor mijn beslissing aanvoeren, maar die doen hier niet ter zake. (Een ervan is dat ik mijzelf er steeds vaker op betrap aan zelfcensuur te doen en bijgevolg heikele thema’s uit de weg ga. Ik ben de blijkbaar onvermijdelijke polarisering beu – ik wens daar in elk geval niet zelf toe bij te dragen.)

Ik blijf wel actief op Facebook (en op mijn blog) – maar het zal in een andere vorm en met een andere frekwentie zijn. Morgen volgt enkel nog een overzicht van de onderwerpen die ik in de voorbije honderd notities heb aangeraakt.

Ik zie overigens tot mijn vreugde dat Pierre Plum stilaan zijn oude gewoonte terug opneemt, zij het met een andere invulling. Allen daarheen dus!

6592

(F) - 220806

 

dinsdag 20 september 2022

notitie 298

HET UUR SLAAT 

 

Ik heb het met X over Frankrijk. Zoals steeds in gesprekken over Frankrijk gaat het over hoe het daar vroeger was, en hoe het land nu is. Vroeger, dat is: tot een jaar of dertig geleden. Ik ben Frankrijk beginnen bereizen vanaf 1979 ongeveer, toen ik achttien was. X, die hier al bijna een decennium langer rondloopt, kwam er vaak met zijn ouders in de jaren zestig. Hij heeft nog meer gezien van wat al verdwenen was toen ik het voor het eerst had kunnen zien mocht het er nog geweest zijn.

X herinnert zich hoe hij als kind achterin de Pontiac van zijn vader naar Normandië meereisde. In de dorpen kwamen de kinderen die auto aanraken: de traction avant was nog niet helemaal uit het straatbeeld verdwenen en een DS hadden ze wel al eens gezien, maar zo’n Amerikaan, neen, dat was du jamais vu. X herinnert zich ook hoe ze in Lisieux de bedevaarders zagen die op hun knieën de trap naar de basiliek beklommen.

Beelden die meer dan een halve eeuw geleden op het netvlies van een kind werden gebrand en nu tussen pot en pint worden verwoord.

Maar we hadden het over Frankrijk, dat – zoals we allemaal weten – onherkenbaar veranderd is. En niet ten goede! (Volgt de gekende litanie van de door snelwegen en supermarkten vermoorde en uitgestorven dorpen zonder winkels, bakkers en cafés.) ‘Ik herinner me nog,’ zegt X, ‘dat onze auto in een benzinestation werd volgetankt door een pompbediende, en dat die pompbediende een witte schort aanhad.’ Ja, toen was er nog klasse. Hiërarchie. In de dorpen waren er ambachtslui, elk met zijn specialiteit. En in het hotel werd je opgewacht door een maître d’hôtel die je koffers naar je kamer bracht. Nu mag je al blij zijn als je er een levende mens te zien krijgt.

X vertelt over hoe hij vroeg in de jaren zeventig met zijn lief, nu nog altijd zijn vrouw, op een brommertje Frankrijk doorkruiste. Toen al, vindt X nu, waren de dorpen aan het indommelen. Zo kwamen ze in Solesmes. Het viel X op dat het uurwerk op de toren stilstond. Hij betrad de kerk en klom in de toren. Toen ging dat nog, nu zijn de kerken meestal gesloten. En boven in de toren vond X het mechanisme van het uurwerk. Er scheelde niets aan, men had het uurwerk gewoon niet opgewonden. X wond het uurwerk op, het marcheerde feilloos. ‘Toen ik opnieuw beneden was en op het plein stond, sloeg de torenklok het middaguur. Dat had men hier al een tijd niet meer gehoord. De mensen kwamen verbaasd de straat op, ze dachten dat er een wonder was gebeurd.’

In de Franse dorpen staan de uurwerken op de kerktorens vaak stil. Niemand blaast ze leven in. Weinigen zouden nog naar buiten komen indien ze plots de klok het uur zouden horen slaan. Wie niet te doof is om het te horen of te kreupel om nog de straat op te strompelen, is allang vertrokken naar andere oorden.

6591

Omgeving Cerdon (F) - 220805

 

maandag 19 september 2022

facebookbericht 1147

Bibliotheken verkopen de boeken die te weinig worden uitgeleend. Oké, ik kan dat tot op zekere hoogte begrijpen: plaatsgebrek en dergelijke. Maar wat ik hier aankaart is de kortzichtigheid, de blinde selectie van de boeken die worden afgevoerd (*). Die selectie getuigt vaak van weinig inzicht in het belang van bepaalde auteurs, die dan misschien weinig gelezen worden, maar die toch niet mogen ontbreken in de collectie. Javier Marías is een van de vele voorbeelden.


(*) Ooit ijverde een lezeres van de Brugse bibliotheek ervoor om het stempel 'AFGEVOERD' op de titelbladzijde van de veroordeelde boeken te vervangen door 'UITGELEZEN'. 'AFGEVOERD' riep bij haar akelige connotaties op. Haar verzoek werd ingewilligd en nu krijgen de boeken hier het stempel 'UITGELEZEN'. Maar dat roept op zijn beurt heel wat connotaties op. Minder akelige misschien, maar toch wel paradoxale: deze boeken, die worden verwijderd omdat ze niet worden gelezen, laat staan uitgelezen, en die dus in de ogen van het publiek blijkbaar niet uitgelezen (uitverkoren) zijn, worden uitgelezen (gekozen) om te worden verwijderd.

Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar

notitie 297

Het moet geleden zijn van De pianiste van Elfriede Jelinek dat ik mij nog in die mate heb geërgerd aan een boek dat ik tot het einde moest uitlezen omdat ik mij daartoe had verbonden. (De pianiste gooide ik destijds in een hoek van de kamer, waarna ik het in vier stukken uit elkaar trok. En nog was mijn woede niet bekoeld. Dat kan tellen want ik ga zorgvuldig en schier sacraal met boeken om. Maar Elfriede had me zodanig het bloed van onder mijn nagels gepest dat ik niet aan deze vernielzucht kon weerstaan. Overigens was het maar een pocketje van Rainbow, dus bleef de schade beperkt. En ik heb de stukken bewaard. Als herinnering aan mijn uitval, maar ook uit respect voor de auteur want De pianiste is zeker geen slecht boek.)

Nu had ik het bijna met De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo, dat ik helemáál moest lezen omdat we er binnenkort een leesclub over hebben. Ik las eerder al De verboden tuin, het eerste deel van de tetralogie waarvan De hoogstapelaar het derde is. Deel 2, De opdracht, dat evenveel tekst bevat als 1 en 3 samen, sloeg ik over. En dan wacht ook nog het eveneens lijvige deel 4, Op weg naar De Harz.

De hoogstapelaar, wat kan ik erover zeggen? Moet ik er eigenlijk wel iets over zeggen? Ik zal het kort houden. Het gaat over een jongen van zeventien die zijn identiteit vormt. Hij laat zich daarbij inspireren door het gedachtegoed van de Franse existentialisten – dat hij overigens maar zeer oppervlakkig kent. Eerst denkt hij dat hij met uiterlijk vertoon en zelfbeheersing aanzien en populariteit kan verwerven, maar wanneer hij eindelijk heeft begrepen dat erkenning niet kan worden afgedwongen, besluit hij dat hij enkel met inzicht en innerlijke rust zijn innerlijke leegte zal kunnen vullen. We bevinden ons in een summier getekende Nederlandse stad ergens eind de jaren vijftig, begin zestig. Er is een summier getekende vriendenkring, en enkele summier getekende kroegen en een summier getekende kerk zijn de decors. Ewout, zo heet onze jongeman, leeft onder één dak met zijn moeder, een weduwe die stilaan haar greep op hem begint te verliezen. Te midden van deze schimmige wereld gaat de meeste aandacht uit naar het innerlijke leven van het uitermate onsympathieke hoofdpersonage, die een tirannieke narcist blijkt te zijn die de mensen in zijn omgeving manipuleert en uiteindelijk bijna tenondergaat aan lethargie en depressies. Bij dat alles verschuilt een ondertoon van ontluikende homoseksualiteit zich achter homofobie. En ja, er wordt ook veel gerookt en cola gedronken.

Voilà. Daar heeft Wessel 376 bladzijden voor nodig. Dat is meteen ook mijn grootste bezwaar: dat Te Gussinklo met al zijn aarzelingen, herformuleringen, herhalingen, moduleringen en variaties op steeds hetzelfde thema, gecombineerd met een zeer eigenzinnige grammatica die misschien wel vlot wégleest maar die, vind ik, elementair is, hard als beton en van schoonheid gespeend – dat Wessel te Gussinklo dus bijzonder veel ruimte nodig heeft om een al bij al zeer beperkt thema uit te werken. Het mag dan al zijn dat hij hiermee de werking van een zoekend puberbrein evoceert, zijn stijl en traagheid werkten danig op míjn systeem, met de hierboven beschreven, ternauwernood onderdrukte reflex tot gevolg.

Vreemd genoeg verwijst de titel van dit boek – bedoeld of onbedoeld – naar een van de vrolijkere werken van Thomas Mann: Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull. Een Hochstapler is, zo leert mij het vertaalwoordenboek: een bedrieger, een oplichter. Dat klopt dus wel, maar het verband dat ik onderken tussen het saaie boek van Te Gussinklo en de klucht van Mann is bevreemdend. Andere verbanden zijn leuker – om toch op een positieve noot af te sluiten. Plezierig is het om, in de vorm van toespelingen, Oek de Jong (een jurk die opwaait (27)), de stalmeester van Wim Sonneveld (‘afstand moest er zijn’ (112-113)), J.J. Voskuil (‘mieters’ (38)), Nescio (‘aardige jongens’ (175)) en Gerard Reve als cameo’s te zien voorbijfietsen, die laatste in de gedaante van ‘Frits’, een van Ewouts schlemielige vrienden. Reve? Op het achterplat staat een quote van Peter Buwalda, ter aanprijzing: ‘Beter dan De avonden!’ Buwalda dwaalt.

 

Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar (2018)

6590

Cerdon (F) - 220805

 

zondag 18 september 2022

notitie 296

AFGEVOERD 

 

Ik beeld mij in dat ik een literatuurliefhebber ben én – statistisch moet het niet onmogelijk zijn –Harelbekenaar. Ik beeld mij daarenboven in dat die Harelbeekse literatuurliefhebber via Facebook geconnecteerd is met Ivo Kievenaar. Ivo Kievenaar is een Nederlandse uitgever van vertaalde literatuur. Ik beeld mij nog meer daarenboven in dat die Harelbeekse literatuurliefhebber op de tijdlijn van Ivo Kievenaar de link heeft zien staan naar een in 2009 geregistreerd en later op YouTube geplaatst interview met de al geruime tijd in verband met de Nobelprijs genoemde maar helaas onlangs veel te vroeg overleden Spaanse schrijver Javier Marías. Ik beeld mij al helemaal in de wolken in dat mijn Harelbeekse literatuurliefhebber, na dit interview te hebben bekeken en beluisterd, spoorslags naar zijn plaatselijke bibliotheek rent om er het enige exemplaar van de verhalenbloemlezing Geen liefde meer op te halen of dan toch minstens te reserveren omdat Marías in dat interview zo mooi en, jawel, begeesterend spreekt over geesten, meer bepaald in het verhaal ‘Cuando fui mortal’ dat, door Aline Glastra van Loon als ‘Toen ik sterfelijk was’ vertaald, in die verhalenbloemlezing werd opgenomen. Welnu, onze Harelbeekse literatuurliefhebber zal van een kale reis terugkeren want in zijn bibliotheek is het – veronderstel ik – enige exemplaar van dat boek niet meer aanwezig. En hoe weet ik dat zo zeker? Wel, omdat het in mijn bezit is. Want in tegenstelling tot mijn verbeelde Harelbeekse literatuurliefhebber moet ik niet naar de openbare bibliotheek van mijn gemeente hollen om dat boek op te halen, neen, het volstaat om in mijn eigen boekenverzameling dat boek op te snorren – en ja, laat dat nu net het exemplaar zijn dat om een of ander onnaspeurbare reden werd verwijderd uit de, blijkens het stempel op de titelpagina, ‘Plaatselijke Openbare Bibliotheek St. Salvator, Marktstraat 88 – 8530 Harelbeke’, tel. (050) 73 70 73’. Waarschijnlijk omdat het daar te lang onaangeroerd op de planken was blijven staan. Geen liefde meer werd in 1998 bij Meulenhoff uitgegeven, in datzelfde jaar door St. Salvator aangekocht, en in 2009 voor een habbekrats door mij verworven. (Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat het in de afgelopen dertien jaar niet door mij werd gelezen, maar daar zal nu dus wel verandering in komen – allicht ten detrimente van de door mij opgevoerde hypothetische maar niet geheel en al onwaarschijnlijke Harelbeekse literatuurliefhebber, die nu naar een andere bibliotheek zal moeten gaan, in de hoop dat ze daar minder kortzichtig zijn geweest.)

 


 

6589

Gien (F) - 220804

 

zaterdag 17 september 2022

notitie 295

IZJOEM 

 

‘Dergelijke traumatische ervaringen zijn niet na te vertellen.’ Dat schrijft Christophe Boltanski in De schuilplaats, na een vijf bladzijden lange opsomming van de gruwelen die een soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog kon meemaken: loopgraven, modder, gepunte palen, obussen en granaten, paniek, ‘lijken die met wijd gespreide armen als vogelverschrikkers in het prikkeldraad hangen, het onafgebroken kermen van gewonden in de nacht’ (83), ‘bloot liggende organen’ (85), ‘lauwwarme viezigheid’ (85), ‘evenveel aanvallen als stapels lijken’ (87), enzovoort. ‘Dergelijke traumatische ervaringen zijn niet na te vertellen.’ (87) (Dit doet denken aan het zwijgen, het onvermogen om na te vertellen van diegenen die zijn teruggekeerd van de concentratiekampen.)

Die bladzijden las ik – toevallig – net nadat ik op de radio VRT-journalist Rudi Vranckx had gehoord. Vranckx bracht verslag uit vanuit Oekraïne, vanuit nog maar eens een oorlog, nu bijna 110 jaar later – maar er is niets veranderd, het is de verschrikking van de eeuwige terugkeer.

Soms, moet ik toegeven, verdenk ik Rudi Vranckx ervan een beetje te teren op de heroïek van de oorlogsverslaggever. Er zit een obscuur randje aan dat opzoeken van gevaar. Er is het zorgvuldige met een zwaai in de sjaal opgebouwde imago van de vrijbuiter. Maar dan duw ik dat vooroordeel weg en gelóóf in de oprechtheid van deze man-met-een-missie. Hij wil tonen wat ontoonbaar is maar móet worden getoond. Hij wil het onuitsprekelijke dat toch moet worden gehoord een stem geven. Hij wil de traumatische ervaringen die anderen – ménsen toch ook – meemaken navertellen. En dat is een noodzakelijk werk.

Het verslag is indrukwekkend. Ik beluister het nog eens (dat kan hier). Vranckx staat op het punt om, onder escorte, het pas ontdekte massagraf in een bos nabij de door Oekraïense strijdkrachten op de Russen heroverde en compleet vernielde stad Izjoem te bezoeken. Daar zouden 440 mensen begraven liggen. Forensisch onderzoek zal moeten uitwijzen hoe ze aan hun eind zijn gekomen. Er wordt gewag gemaakt van folteringen, maar er zouden ook veel slachtoffers van de bombardementen bij zijn. Vranckx heeft ter plekke gesproken met Oekraïeners die het halve jaar Russische bezetting hebben doorstaan en overleefd. Een ervan vertelde dat zijn zoon werd opgehaald om lichamen te begraven. Sommige lichamen waren verminkt. De oren waren afgesneden. ‘Wat is daar in hemelsnaam allemaal gebeurd?’ zucht Vranckx. ‘Hoe kan je, als je maandenlang in een kelder hebt proberen te overleven, in hemelsnaam (nog eens in hemelsnaam) vertellen wat je voelt en hoe dat is? Er is een soort van verdwazing.’ Het is dát onvermogen om het na te vertellen waarover Boltanski het had, vermoed ik – en meer dan vermoeden kan ik niet want ik heb niets meegemaakt dat, hierbij vergeleken, ook maar de moeite van het vertellen waard is.

 


 

https://radio1.be/luister/select/de-ochtend/massagraf-met-440-lichamen-ontdekt-in-bevrijde-oekraiense-stad-izjoem-onderzoek-moet-uitwijzen-wat-er-gebeurd-is

Christophe Boltanski, De schuilplaats (vertaling (2016) door Prescilla van Zoest van La Cache (2015))