7
augustus 2025
Om
7 uur ben ik in de bakkerij die ik gisterenavond op mijn wandeling
heb gezien. Croissant en koffie. Een gezelschap, bestaande uit twee
jongemannen, een erg jong meisje en een vrouw die waarschijnlijk haar
moeder is, zit aan het tafeltje naast het mijne en praat over
Oekraïne en over de maatschappij waarin we zijn komen te leven. Een
van de jongemannen, met kleine oogjes van een nachtje stappen, zegt
dat hij daar volledig buiten staat en ook wil staan: geen sécurité
sociale, geen uitkeringen, gaat
niet stemmen, etcetera. Het meisje zegt: ‘Quand j’avais douze
ans.’ Dat klinkt alsof het
een half leven geleden is maar ze kan het over hooguit
drie of vier jaar terug in de
tijd hebben. De andere
jongeman, met basketpet, ruimt na het ontbijt alles netjes op.
Ik
vertrek om halfacht uit Valenciennes. Met een
hevige hoofdpijn, die
gelukkig na een twintigtal kilometer verdwijnt. Ik fotografeer even
buiten de stad een door bomen en groen overwoekerde bunker.
Ik zoek
moeizaam mijn weg: Sebourg, Bry, Saint-Waast. In
Bavay is om negen uur niets
open. Behalve de grande
surface, waar
ik mijn inkopen doe. Die lijkt alle
leven uit het stadje naar zich toe te hebben gezogen.
Picknick achter
de kerk van Saint-Rémy-Chaussée. Het is nog maar elf
uur. Een ambtenaar sloft de mairie
in, en uit, en weer in, en weer uit. Alles op zijn tijd, geen haast.
Enkele kilometers verderop zie ik een man zijn mobilhome poetsen. Ik
vraag hem of hij mijn waterfles wil bijvullen. De mobilhome, zegt
hij, is voor zijn dochter, die met haar dochter op reis gaat. Om zelf
te reizen vindt de man zichzelf te oud. Hij bezorgt me gekoeld water,
dat is meer dan ik had
gevraagd.
Om halféén ben ik in Avesnes, waar ik een foto stuur naar
G, die hier, toen we twintig
jaar geleden samen met nog
twee andere vrienden naar Marseille fietsten, een overstekende hond
aanreed en zwaar ten val kwam
waardoor hij de reis die hij zelf had georganiseerd in de volgwagen
moest doorbrengen. Ik
zie een koppel fietsreizigers op zoek naar iets en nodig hen uit om
samen met mij een koffie te dringen op het terras van het café
tegenover de kerk. Eric is informaticus; Constance werkt in het Musée
Matisse in Le Cateau-Cambrésis. Ze zijn elf dagen samen onderweg,
leggen 30 kilometer per dag af.
In Fourmies begint de hitte te wegen.
De hellingen doen dat ook: mijn bagage, fiets en ik zijn, samen, te
zwaar. Een raam waarachter een reproductie te zien is van een
popart-schilderij van Lichtenstein trekt mijn aandacht. Een van de
luiken die aan weerszijden van het raam zijn opgehangen hangt scheef.
Na Anor en Hirson begint in Bucilly
het mooie dal van de Ton.
Hier wonen blijkbaar veel Nederlanders, te
zien aan de autonummerplaten.
De Proxi van Aubenton brengt
soelaas voor mijn suikerklop. Het wordt nu echt veel te heet. Na
Aouste stuurt mijn gps mij de jungle in.
Om halfzes kom ik aan bij
Mireille en Theo, twee Dendermondenaren die hier een deel van hun
tweede verblijf verhuren aan passanten die, zoals ik, zijn
ingeschreven bij de organisatie Vrienden op de Fiets. De ontvangst
verloopt allerhartelijkst: met dorstlesser, een alcoholvrij biertje
als apéro, een stevige maaltijd. Het klikt en we praten heel wat af.
Theo was leraar lichamelijke opvoeding, Mireille onderwijzeres op een
methodeschool. We behandelen uiteenlopende thema’s: verslavingen,
individualisering in de maatschappij, etcetera.
Om tien uur naar bed.
Twijfels of ik onder deze weersomstandigheden mijn reis kan
voortzetten.