dinsdag 7 februari 2023

gisteren 35

230204

Als de passagiers van het nog maar net opgestegen Airlux-toestel dat zouden willen, dan kunnen ze wellicht in onze hotelkamer binnenkijken.

Het was uitkijken naar een bevallige jongedame van middelbare leeftijd.

Van de tijdelijke tentoonstelling Face-à-face in het MUDAM wil ik mij vooral het werk Pietà de Kosovo van Pascal Convert herinneren: een in was uitgevoerd negatief bas-reliëf naar een foto uit 1990 van Georges Mérillon waarop een groep rouwenden is te zien rond een dode persoon. In het was zijn handvormige gaten uitgespaard, die met koper zijn afgezet.  

Avondwandeling door de chique koopstraten van de hoofdstad. Uit de etalages van de talrijke juweliers zijn alle ringen, halssnoeren en Rolexen weggehaald en blijven de presenteersokkels leeg achter. In de portieken staan, hier en daar, de kartonnen huizen van daklozen opgesteld.

 

 

 

We bevinden ons in de wereld van de waarheid en de volmaaktheid, van het licht. De andere wereld is de wereld waar de mensen niet naar de kerk gaan, waar ze niet bidden, de wereld van de dwaling, die maar zelden met naam en toenaam genoemd wordt, en dan snerend, als een godslastering: de openbare school.

Annie Ernaux, De schaamte, 60 (vertaling door Rokus Hofstede (1998 en 2022) van La honte (1997))

gisteren 34

230203

We zouden moeten kijken naar Onze natuur, zegt de aankondiging. Maar het is natuurlijk niet onze natuur. Het is onze natuur ons dé natuur toe te eigenen, haar de onze te noemen, haar naar onze wensen in te richten en haar, zo doende, kapot te maken.

Het applaus in de concertzaal van de Philharmonie weerklinkt als een stortbui op een glazen dak.

 

De vaststelling dat er in ’52 niet veel auto’s en ijskasten waren en dat Lux de toiletzeep van de sterren was, is even oninteressant als een opsomming van de computers, magnetrons en diepvriesproducten van de jaren negentig. De maatschappelijke spreiding van de dingen heeft meer betekenis dan hun loutere bestaan. Wat ertoe deed, in ’52, dat was dat je geen kraan bij het aanrecht had terwijl anderen een badkamer hadden, vandaag de dag dat je je kleren koopt bij Froggy terwijl anderen zich kleden bij Agnès B.

Annie Ernaux, De schaamte, 25 (vertaling door Rokus Hofstede (1998 en 2022) van La honte (1997))

driekleur 512

Maak ik van ’52 een snelle inventarisatie, dan herinner ik me, afgezien van de beelden in mijn geheugen, Ma p’tite folie, Mexico, de zwarte elastieken ceintuur, de crêpe jurk van mijn moeder, blauw met rode en gele bloemen, een zwart plastic nagelgarnituur – alsof het verstrijken van de tijd alleen aan voorwerpen afgemeten kan worden.

Annie Ernaux, De schaamte (vertaling door Rokus Hofstede (1998 en 2022) van La honte (1997)), 72

6730

Brugge, Koningin Elisabethlaan - 230101
 

6729

Brugge, Hugo Losschaertstraat - 230101

 

zaterdag 4 februari 2023

notitie 355

BIOPIC 2/2

Een moeilijke kwestie voor de regisseur van een biopic is de keuze van de hoofdacteur. Als we de andere films in het rijtje bekijken – Presley, Mercury, Claude François… – dan lijkt een fysieke gelijkenis onvermijdelijk. Om de een of andere reden verwacht het publiek dat. De regisseur lijkt niet anders te kunnen dan aan deze verwachting tegemoet te komen.

Dit maakt de biografische film kwetsbaar. De inzet is dat de toeschouwer in zekere zin moet kunnen vergéten dat de acteur niet samenvalt met de door hem gespeelde historische figuur. Pas dan, wanneer die suspension of disbelief er is, wérkt de betovering echt. Deze uitdaging is des te moeilijker te realiseren in een biopic over populairemuziekhelden omdat de artiesten daar meestal geen kleurloos type zijn. In een bepaald opzicht zijn zij al een karikatuur. Hun beeld is iconisch. We blijven haperen aan de geringste afwijking. Hier wordt een broos evenwicht opgezocht.

Joann Sfar moest op zoek naar een geschikte acteur om de zeer iconische en karikaturale Serge Gainsbourg te verbeelden: joekel van een neus, flaporen, ongeschoren, slordige coupe met een flinke haarpartij tussen slaap en oren, en vooral kettingrokend en bezitter van een hele reeks hem zeer kenmerkende tics en, niet onbelangrijk in het geval van Gainsbourg/Gainsbarre, een zeer kenmerkende articulatie. Het mag dan vreemd lijken dat Sfar aanvankelijk het idee had opgevat om Charlotte Gainsbourg te kiezen voor de hoofdrol. De destijds bijna veertigjarige dochter van de zanger wees uiteindelijk de rol af. Uiteindelijk kwam Sfar terecht bij Éric Elmosnino, die niet alleen wonderwel op Gainsbourg lijkt maar zich ook bijzonder goed van zijn taak kwijt. Elmosnino gaat zodanig in zijn rol op dat hij als het ware onzichtbaar wordt, daarmee bedoel ik: hij houdt op Éric Elmosnino te zijn. Elmosnino hield er in 2011 een César voor beste acteur aan over. Zoals trouwens ook de film van Sfar die bekroning te beurt viel als beste debuutfilm van het jaar.

Er komen overigens nog enkele bekende iconen over de vloer, onder meer Brigitte Bardot, Juliette Gréco en Boris Vian. Ook daar slaagt Sfar erin de kijker te doen vergeten dat deze rollen door acteurs worden gespeeld. Sfar zelf heeft trouwens ook een rolletje, de bescheiden bijrol van Georges Brassens. Een pijnlijke kwestie is de rol van Jane Birkin, vertolkt door Lucy Gordon. Nog voor de première van de film benam Gordon zich van het leven. Wie dit weet, kijkt met nog meer verwarring en compliciteit naar deze acteerprestatie.

 



 

Joann Sfar, Gainsbourg. Vie héroïque (2010)
zie ook:
http://pascaldigital.blogspot.com/2013/02/gainsbourg-vie-heroique.html

vrijdag 3 februari 2023

gisteren 33

230202

Er kwamen – ik verzin het niet – 69 mensen kijken naar de Gainsbourg-biopic die ik mocht inleiden. Année érotique!

X zegt dat de wijsheid van het ouder worden bestaat uit het inzicht dat 99 procent van de kennis die wij waarheid noemen berust op aannames die helemaal niet op waarheid berusten. Maar wat is die 1 procent dan? Daar zullen we het later eens over hebben, zei X. Ik houd hem aan zijn woord.

 

Het gevecht vond plaats op Marmottendag, dat wil zeggen op de tweede februari. Het weer was gunstig, namelijk niet regenachtig of zonnig en van een neutrale temperatuur.

Carson McCullers, De ballade van het trieste café, 95-9616 – vertaling (1999) door Jo Fiedeldij Dop van The Ballad of the Sad Café (1951)

notitie 354

BIOPIC 1/2

Biopics doen het de laatste jaren opvallend goed. Biografische films, of verfilmde biografieën, over een bekende figuur uit politiek, kunst, sport, wetenschap, muziek… Voor de vuist weg kan ik een paar namen noemen: Gandhi, Mandela, Churchill, Gerhard Richter, Vincent van Gogh, Frank Vandenbroucke (de wielrenner), Alan Turing, Stephen Hawking, Wolfgang Amadeus Mozart, Charlie Parker, en zeer recent ook in het populaire muziekgenre Elvis Presley, Elton John, Freddy Mercury, Claude François – het rijtje is verre van volledig.

De uit 2010 daterende film Gainsbourg. Vie héroïque past in dit rijtje. Maar deze biopic is toch een buitenbeentje, en dat om – minstens – twee redenen.

De eerste reden is dat de film van Joann Sfar zeker geen hagiografie is. Sfar gaf niet toe aan de verleiding om de moeilijke en donkere kanten van zijn held onderbelicht te laten. Dat maakt zijn film genuanceerder dan veel van de verfilmde levensverhalen van vedettes uit het populaire genre. Sfar ziet in Gainsbourg, die hij in de film van kindsaf aan volgt, niet alleen de aanvankelijk zowel als beeldend kunstenaar én als zanger/componist falende eigenzinnigaard, maar ook een door demonen achtervolgde getormenteerde ziel. Gainsbourg, dat is ook: de onzekerheid, de mislukkingen, de pose van m’enfoutisme, het zorgvuldig onderhouden imago van provocateur, de onstuitbare zelfdestructie en het ronduit schabouwelijke gedrag voor het voetlicht van de gretige media. Hij mag een muzikale vernieuwer en zachtzinnige minnaar en toegewijde vader zijn geweest, voor zijn entourage was Gainsbourg zeker geen gemakkelijke mens, om het op zijn zachtst te zeggen. Sfar verdoezelt ook de verslavingen niet waaraan Gainsbourg uiteindelijk ten onder is gegaan: liefdesverslaving, erkenningsverslaving, middelenverslaving.

Hoe kritisch de film ook moge zijn, hij blijft liefdevol en respectvol. Sfar geeft gelukkig niet toe aan de gemakkelijke oplossing om zich te focussen op de meest spectaculaire provocaties van Gainsbourg. En ook diens dood wordt met de nodige terughoudendheid omkleed.

Toch leverde zijn zin voor nuancering Sfar de nodige kritiek op: sommigen waren er niet van gediend dat hun idool tot al te menselijke proporties was herleid.

De tweede reden waarom Gainsbourg. Vie héroïque een apart geval is in het biopicgenre is de bijzondere vorm. Regisseur Joann Sfar was aanvankelijk – en is nog altijd – in de eerste plaats een striptekenaar. Dat is te merken vanaf de begingeneriek. De kijker moet bereid zijn om zich te laten meeglijden in een fantasiewereld, die eerst bizar lijkt maar nadien vertrouwd wordt en zeer functioneel blijkt te zijn. Sfar trekt ons mee in zijn eigen beeldende, plastische taal – die meteen ook die van Gainsbourg zelf evoceert. Zo bekeken is er een vereenzelviging tussen de maker en zijn onderwerp – en daardoor gaat deze biografische film een eind vérder dan andere voorbeelden van het genre die eenduidiger en louter beschrijvend zijn. Sfar deelt overigens niet alleen het tekenaarschap met zijn held. Hij is ook een jood, een niet onbelangrijk gegeven in deze film.

(wordt vervolgd)

 

Joann Sfar, Gainsbourg. Vie héroïque (2010)
zie ook:
http://pascaldigital.blogspot.com/2013/02/gainsbourg-vie-heroique.html

6728

Brugge, Gouden Handstraat - 230101

 

driekleur 511

De ploeg bestaat uit twaalf mannen die allemaal zwart-wit gestreepte gevangenispakken dragen en aan de enkels geketend zijn. Er is een bewaker met een geweer; zijn ogen zijn samengeknepen tot rode spleten ten gevolge van het felle licht. De ploeg werkt de godganse dag, ze komen opeengepakt in de gevangeniswagen kort na het aanbreken van de dag en worden in de grijze augustusschemering weer weggevoerd. De hele dag is er het geluid van houwelen die in de lemen aarde hakken, verzengend zonlicht en de lucht van zweet. En iedere dag is er muziek. Een donkere stem begint een melodie, half gezongen en als een vraag. Even later valt een tweede stem in en weldra is de hele ploeg aan het zingen. De stemmen zijn donker in de gouden gloed en de muziek is een complex van stemmingen, zowel somber als blij.

Carson McCullers, De ballade van het trieste café, 108-109

donderdag 2 februari 2023

gisteren 32

230201

Het was een vreemd en openhartig gesprek, met een man die ik voor het eerst ontmoette, een bijna leeftijdsgenoot, over gebeurtenissen van vier decennia geleden waar wij elk afzonderlijk vanuit onze hoek deel aan hebben gehad. Het waren geen prettige gebeurtenissen.

Een wandeling door de binnenstad om half negen ’s avonds op een 1 februari. Dit is Brugge op zijn allerverlatenst. Een verademing.

 

Neem Multatuli. Die beklaagde zich er juist over, dat men niet inging op wat hij beweerde, maar dat men ontweek in een estetisch standpunt en zei, dat het 'zo mooi geschreven' was. In zijn Ideeën vergelijkt hij dat ergens met een verdrinkend, om hulp schreeuwend kind, waarvan de omstanders zeggen: 'Wat heeft hij een mooie stem.' Maar Van het Reve wil uitdrukkelijk deze ontwijkende houding van de lezer, want het is die van hemzelf. Daarom is wat Multatuli schreef achtenswaardig en nog steeds modern, wat Van het Reve schrijft verachtelijk en achterlijk.

Harry Mulisch, Het ironische van de ironie (1976), 50

afscheid van mijn digitaal bestaan 293

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

 

2 juli 2011


ANTIQUARIAAT

Het altijd min of meer toevallige aanbod van het modern antiquariaat of de tweedehandsboekenwinkel heeft vele jaren de groei en invulling van mijn bibliotheek gestuurd. Toen ik zo’n dertig jaar geleden boeken begon te kopen, was mijn beurs eigenlijk te nauw voor nieuwe boeken – ik herinner mij dat de onbetaalbaarheid voor mij begon bij vierhonderd frank. (Een brood van 800 gram kostte toen vijfentwintig frank. Mijn grens lag dus op zestien broden.) Een gelukkige omstandigheid is dat een beginnende bibliotheekbezitter een basis van klassieken legt – en laat dat nu net het soort boeken zijn dat je gemakkelijk in tweedehandsboekenwinkels aantreft. Ik heb nooit een bezwaar gehad tegen boeken die sporen van gelezenheid vertoonden. Enkel voor scheve ruggen, uit elkaar vallende, met inkt bekriebelde of een schimmelgeur verspreidende exemplaren maakte ik, en maak ik nog altijd, voorbehoud.

Mijn aarzelende start als koper van boeken ontwikkelde zich tijdens de eerste fase van mijn bibliotheekuitbouw onafwendbaar richting boekenverslaving. Mijn koopwoede werd, gelukkig voor mijn portemonnee, in een tweede fase gedeeltelijk getemperd door de toevloed van recensie-exemplaren. Honderden boeken zijn op die manier al dan niet tijdelijk in mijn bezit gekomen. Veel van die boeken zou ik eigener beweging nooit gekocht hebben, ja, ik zou zelfs nooit van hun bestaan hebben geweten. Maar in de mate dat ik toch gedeeltelijk de keuze van mijn lectuur als recensent zelf kon bepalen, heb ik tijdens mijn journalistieke bestaan mijn boekenbezit toch enigszins in de richting van mijn persoonlijke voorkeuren weten te sturen. De aanwas van mijn bibliotheek met recensie-exemplaren was overigens vooral in financieel opzicht een opsteker: niet alleen kostten de nieuwe boeken mij niets, ik verdiende er ook nog eens aan. Een aanzienlijk deel van de centen die ik met mijn op maat geschreven stukjes opstreek, belandde, u raadt het al, in de klauwen van de immer vriendelijke zaakvoerders van Cursief, De Eenhoorn en Den Elder, de drie tweedehandsboekenwinkels die in die tijd in Brugge opgeld maakten.

Toen kwam er in mijn stad een filiaal van De Slegte. En in die tijd stierf ook de recensent in mij een stille dood. Ik heb nog een paar jaar ramsjboeken gesignaleerd voor De Morgen: derde fase. Dat was prettig want enkele moderne antiquariaten in andere steden stuurden mij regelmatig boekenpakketten op, en ik mocht eens om de twee of drie weken in De Slegte zelf een paar titels uitkiezen – en uiteraard deed ik dat zoveel mogelijk in functie van mijn voorkeuren.

Maar dat privilege viel weg. In een vierde fase kocht ik nagenoeg geen boeken meer. Ik had het een beetje gehad. Bovendien noopten plaatsgebrek en enkele opeenvolgende verhuizingen mij ertoe een aanzienlijk deel van mijn collectie …tweedehands te verkopen. Honderden ooit aan mij toebehoord hebbende boeken staan nu op andere planken te wachten op koesterende handen en genietende hersenen. Of ze leiden een sluimerend bestaan in ‘voorlopig’ gestockeerde kartonnen dozen op hopelijk droge zolders. Soms gedenk ik ze.

Intussen zijn de tweedehandsboekenwinkels in mijn stad al jaren een langzame dood aan het sterven. ‘De mensen kopen geen boeken meer,’ klaagt Arthur van De Eenhoorn. Of: ‘Ze kopen alleen nog maar de waan van de dag.’ In Den Elder blijven vele romans, soms ook romans die ik er zelf nog in ruil voor – altijd veel te weinig – harde valuta heb laten staan, vele jaren wachten op een belangstellend hart dat zich erover ontfermt. De vertraging van de roulatie van deze boeken neemt dramatische vormen aan. Je moet geen helderziende zijn om te voorspellen dat er binnen enige tijd in Brugge, en wellicht ook elders, nauwelijks nog tweedehandsboekenwinkels zullen zijn. Boekenmarkten legio, of, erger, boekenkramen op rommelmarkten. Die zijn er à volonté. En ook met De Slegte gaat het niet goed: het modern antiquariaat ligt op apegapen.

Zelf koop ik nog nauwelijks tweedehandse boeken. Als ik vandaag – vijfde fase! – boeken koop, dan vooral in De Slegte of, eerstehands en voor de volle prijs, in De Raaklijn. Ik kan het beter betalen dan vroeger blijkbaar. En inderdaad, mijn subjectieve aanvoelen van de overgang tussen betaalbaar en te duur is, een beetje afhankelijk van de uitgave, intussen verschoven van tien naar twintig of vijfentwintig euro. En dat is in plaats van onder de gemiddelde prijs van een gemiddeld boek erboven – hetgeen uiteraard comfortabeler is.

In de tijd dat ik op vierhonderd frank mijn subjectieve grens legde tussen betaalbaar en te duur, kostten goede boeken van gemiddelde omvang ongeveer zeshonderd frank of vijftien euro. Vandaag kun je – grofweg – stellen dat dit soort boeken ongeveer achttien euro kost. Een brood kost vandaag twee euro. Mijn subjectieve grens lag indertijd op twee derde van de prijs van het gemiddelde boek. Als ik die tweederdenmaatstaf handhaaf, zou ik nu op twaalf euro uitkomen. Daar koop je nu nog zes broden mee. En geen zestien, zoals in 1980 voor vierhonderd frank. Broden zijn dus, volgens deze ‘subjectieve’ berekening, veel sneller duurder geworden dan boeken. Wat veel zegt, denk ik, over de waarde die in onze samenleving aan het boek wordt gehecht. Gradaties van onmisbaarheid, zeg maar.

6727

Brugge, Sint-Gillis - 230101

 

woensdag 1 februari 2023

afscheid van mijn digitaal bestaan 292

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

18 juni 2011


ANTIKLERIKAAL

’t Is niet omdat ik vlees eet dat ik iets tegen vegetariërs heb. ’t Is niet omdat ik mij, in seksueel opzicht, door vrouwen aangesproken voel dat ik homofoob zou zijn. En al evenmin ben ik antiklerikaal omdat ik al 35 jaar geleden van mijn, mij door mijn omgeving aangeprate, geloof ben gevallen. Het is niet omdat er enkele priesters met hun poten niet van de ‘onschuldige kinderen die zij tot zich hebben laten komen’ kunnen blijven, dat het allemaal pedo’s zijn. En het is al evenmin omdat de kerk in de negentiende en gedurende de grootste helft van de twintigste eeuw een instrument is geweest van het kapitalisme, dat deze instelling alle verdiensten moet worden ontzegd (…). Wie afstand neemt, heeft alvast het voordeel een overzicht te krijgen. En dan kun je niet anders dan zien dat te extreme afwijzingen voortvloeien uit verblinding, domheid, haat. Uit irrationele, rabiate en viscerale afkeer. Uit frustratie, rancune en wraakgevoelens.

Antifascistisch bijvoorbeeld, dat ben ik natuurlijk wel. Er bestaan geen goede fascisten. Ik ben ook tegen de banken, tegen de gsm-operatoren, tegen mensen die met een SUV rijden. (…) Maar ben ik antiklerikaal?

Overigens klinkt in het woord klerikalisme iets vestimentairs door. Ik ben te jong om de kerk van kant en ruches te hebben meegemaakt, met het wierookvat werd in mijn tijd al veel minder enthousiast gemolenwiekt, en de catechismus zat al in zijn vagevuur tussen kerkstoelgleuf en rommelmarkt. Maar soms denk ik: de soutane en de Romeinse boord hadden toch het voordeel van de duidelijkheid. Als je dan al antiklerikaal wou zijn, dan was de vijand tenminste zichtbaar.

Toen ik jong was gingen priesters die hip wilden zijn iets te gemakkelijk op in de grijze massa. En nu, ja nu, kwijnen ze weg in bejaardentehuizen of Franse kloosters. Ik denk, met soutanes liepen ze nu misschien nog fier op straat.

Als er al een clerus is waar ik tegen ben, dan is het tegen de clerus die het Latijn heeft afgezworen. Georges Brassens, een zeer tolerante en humanistische mens, wist het al:

 

Ils ne savent pas ce qu’il perdent, tous ces fichus calotins,
Sans le latin, sans le latin, la messe nous emmerde.
A la fête liturgique, plus de grandes pompes, soudain,
Sans le latin, sans le latin, plus de mystère magique.
Le rite qui nous envoûte s’avère alors anodin,
Sans la latin, sans le latin, et les fidèles s’en foutent
O très Sainte Marie, mère de Dieu, dites à ces putains de moines
Qu’ils nous emmerdent sans le latin.

 

https://www.youtube.com/watch?v=slfBwIi03yM

gisteren 31

230131

Heb ik dat goed gehoord, dat een voorzitter van een partij die ook deel uitmaakt van de Vlaamse regering het woord ‘staatsgreep’ in de mond nam?

Bezorgde ouders: compleet geschifte larie en apekool, maar je blijft het lezen, ook nu je oud genoeg bent om het gedweep van je jonge jaren allang achter je te hebben gelaten. En ja, het gedweep is zeker weg, maar de stijl en de bezwering zijn gebleven.

 

Misschien zou er zonder die whisky nooit een café gekomen zijn. Want de drank van juffrouw Amelia heeft een unieke eigenschap. Hij is zuiver en scherp op de tong, maar eenmaal in de man gloeit hij vanbinnen nog lang na. En dat is nog niet alles. Het is bekend dat als je op een schoon vel papier met citroensap een mededeling schrijft, er geen spoor van is te zien. Maar als het papier even voor het vuur wordt gehouden, worden de letters bruin en wordt de betekenis duidelijk. Stel dat de whisky het vuur is en dat de mededeling iets is dat alleen in de ziel van een man bekend is, dan kan men de verdienste van de drank van juffrouw Amelia begrijpen. Dingen die altijd zijn veronachtzaamd, gedachten die diep in het onderbewustzijn zijn opgeborgen, worden plotseling opgemerkt en begrepen.

Carson McCullers, De ballade van het trieste café, 15-16 - vertaling (1999) door Jo Fiedeldij Dop van The Ballad of the Sad Café (1951)

6726

Brugge, Ieperstraat - 221228

 

dinsdag 31 januari 2023

gisteren 30

230130

Toch wel ongemakkelijk, het gevoel dat ik heb wanneer ik hoor hoe Christophe Vekeman zich in alle bochten wringt om het vermeende racisme van de Grote Volksschrijver met de mantel van zijn beate bewondering toe te dekken.(https://www.vrt.be/vrtnu/podcasts/radio1/r/reve-tot-leven/1/christophe-vekeman/)

A. vertelt dat ze zich van het laatste oorlogsjaar herinnert dat haar moeder haar verbood om bij de buurman, die een grote tuin had, het afgemaaide gras op te halen waarmee de konijnen konden worden gevoederd. Buurman had zich de voorbije tijd verrijkt terwijl anderen nood leden. De konijnen lustten geen Duits gras.

□ Een consistent slordige spelling geeft, als aspect van het midden dat onze taal is, nillens willens uitdrukking aan een slordig denken en juist daardoor aan een on-zorgvuldige verhouding tot de wereld.

(Joris Vlieghe & Wiebe Sieds Koopal in een opiniestuk in De Standaard van 30 januari 2023)

 

notitie 353

FILE IN HET SANITAIR

U zult mij niet horen zeggen dat alcohol een onschuldig product is. Dat op tijd en stond een neut geen kwaad kan. Dat er te pas en te onpas, en liefst al van bij het middagmaal, moet worden geschonken en geklonken. Enige oplettendheid is geboden. Het goedje heeft, in al zijn verleidelijke gedaanten en distillaten, wel degelijk addictieve bijwerkingen. Het ondermijnt, indien niet met mate genuttigd, lever en leden. En leven. Dat is allemaal juist.

Maar te veel is te veel.

Ik verklaar mij nader. Ik heb mezelf per 1 januari drooggelegd. We zijn aan het eind van de maand gekomen en ik moet zeggen: un mois sans heeft mijn gezondheid (santé in het Frans) geen kwaad gedaan. Ik slaap beter, een kilo of twee van de atomen die zich tot voor kort in mijn lichaam ophielden heeft elders in het universum een onderkomen moeten zoeken en ik geniet vooral van de psychische voldoening dat ik blijkbaar nog in staat ben om een gedragspatroon, dat zich in grote mate aan mijn vrije wil leek te hebben onttrokken, alsnog in een andere richting te duwen.

Dat heb ik zélf gedaan – en dáár heb ik het over wanneer ik zeg dat te veel te veel is. Want als ik zeg dat te veel te veel is, dan heb ik het niet over het niet-onschuldige product maar over de betutteling.

Ik neem De Standaard er even bij. Bijna elke dag is er wel een alcoholgerelateerd artikel.

25 januari: ‘Dertien alcoholvrije bieren voor u getest’
26 januari: ‘Ierse waarschuwing op flessen wijn valt verkeerd in Italië’
28 januari: ‘Meer fans van minder alcohol’
28 januari: ‘Hoe schadelijk is drinken, ook als je het met mate doet?’
30 januari: ‘Is niet meer drinken het nieuwe marathon lopen?’

En dan zullen er nog wel andere plaatsen in de krant zijn geweest waar de lezers tot niet-drinken worden opgevoed. Of geconditioneerd, als u dat werkwoord eventueel zou verkiezen, wat ik niet uitsluit. Enfin, ik sluit het voor mezelf niet uit want er worden ons dezer dagen wel meer zaken subliminaal bijgebracht.

Ik herhaal, vooraleer u in uw pen kruipt om mij virtuele billenkoek te verkopen en het over kankers te hebben of huiselijk geweld of verkeersongelukken: alcohol ís schadelijk, er wórdt te veel gezopen, het overmatige gebruik ervan strekt níet tot aanbeveling. We kunnen eventueel nog discussiëren over waar precies ‘met mate’ in ‘overmatig’ overgaat, maar wees gerust – en ik herhaal de zin waarmee ik dit stukje begon: u zult mij niet horen zeggen dat alcohol een onschuldig product is.

Maar ik ben er ook van overtuigd, en ik zal dat altijd blijven, dat de hang naar roes van alle tijden is en er altijd zal zijn. Dat het uitbannen van het ene genotsmiddel na het ander het algemene welzijn níet ten goede komt. Dat een leven zonder conviviale uitbundigheid en op tijd en stond een exces vlak en géén leven is. Dat het ontraden en vervolgens verbieden van de ene drug de opkomst van de volgende alleen maar in de hand werkt. En dat we dan wel een rookvrije en straks alcoholvrije generatie in het leven mogen roepen, maar dat die in een ander gif soelaas zal zoeken voor de dagelijkse kommer en kwel en het onder ogen moeten zien van de eigen sterfelijkheid.

Nog twee artikels uit de krant:

31 januari: ‘Wat snuiven acteurs op de set wanneer ze “coke” gebruiken?’
31 januari: ‘Lachgashulzen doen Brusselse verbrandingsovens stilvallen’

En dan hebben we het nog niet gehad over de ontsporende drugscriminaliteit en nog een paar andere vormen van chaos die je alvast met door regulering in goede banen geleide genotsmiddelen, noem het voor mijn part drugs, als tabak en alcohol niet of dan toch in veel mindere en in elk geval veel minder maatschappij-ontregelende mate hebt.

Gisteren had ik het erover met X, een vijftien jaar jongere vriend die zelf vaak contact heeft met kerels die nog eens vijftien jaar jonger zijn. X heeft dus zicht op een leeftijdscategorie waar ik nauwelijks nog iets van weet. Ja, de jongeren drinken minder, bevestigde X toen ik hem vertelde dat ik had gelezen dat dat zo was. Maar in de toiletten van het café waar ik wel eens kom, zei X, staat er een opvallend lange file. En dat is niet omdat ze allemaal tegelijk moeten gaan kakken.

6725

Brugge, Carrefour Scheepsdale - 221205

 

maandag 30 januari 2023

afscheid van mijn digitaal bestaan 291

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

 

19 mei 2011

 

ANONIEM

Wat zegt het aantal aanwezigen op een begrafenisplechtigheid over het sociale gewicht van de aflijvige? Of, anders uitgedrukt, over het voorschot dat hij, of zij, al bij leven nam op de vergetelheid? Zou daar al sociologisch onderzoek naar zijn verricht? En hebt u het zich al afgevraagd hoeveel mensen er naar uw begrafenis zullen komen? Dat hebt u vast en zeker al gedaan. Bijvoorbeeld tijdens een begrafenisplechtigheid – die momenten lenen zich uitermate tot dat soort zelfonderzoekjes. Uw aandacht verslapt bij de eentonig uitgesproken waanwijsheden over leven en dood, u kijkt wezenloos naar de foto die op de kist staat en naar de bloemen voor het altaar, u schat het aantal aanwezigen, uw blik blijft daarbij hangen bij een iets te lang uitwaaierend en te hoog gehakt vrouwenbeen, u mijmert over uw eigen verscheiden en hoeveel mensen daarvoor een halve dag congé zouden aanvragen.

Ik heb er een keer eentje meegemaakt met niet meer dan acht (8) aanwezigen, priester en kraaien exclusief – die kraaien stonden trouwens, toen wij ter plekke aankwamen, op het pleintje voor de kerk geleund tegen hun duistere limousine, te grappen en te roken. Zij hadden net de kist binnengedragen en wachtten nu het moment af waarop zij hem wederom konden ophalen voor verdere afhandeling. Wij waren als toerist in Caen, wij zouden de Abbaye aux Hommes bezoeken. Dat is een bijzonder grote kerk, een van de hauts lieux van de Romaanse bouwkunst. Dit tegen de tand des tijds bestande prestige vermorzelde de nauwelijks bijgewoonde eenvoudige plechtigheid waarvan wij met de gepaste terughoudendheid een tijdje vanuit een zijbeuk getuige waren al helemaal. De indruk van eenzaamheid en vergeefsheid was verpletterend. Het was duidelijk: de afwezigheid van de persoon die hier ten grave werd gedragen zou de volgende dagen in het straatbeeld ternauwernood worden opgemerkt; de kans dat over twee weken nog iemand het nieuwe hiaat zou opmerken, was onbestaande.

Hebt u dat ook al ervaren: dat iemand zegt, ja maar, die of die is al zes maanden of twee jaar of nog langer dood – en u had het niet eens gemerkt? Het betrof iemand die regelmatig op straat te zien was, of in de krantenwinkel om de hoek – en ja, inderdaad, het is al een tijd geleden dat u hem, of haar, hebt gezien.

Mensen die een anoniem bestaan leiden. Ze hadden er evengoed niet kunnen geweest zijn, ze kúnnen er evengoed niet zijn.

Anonimiteit is de regel – we moeten daar niet flauw over doen. Het is geen schande naamloos door het leven te gaan. Natuurlijk zijn we altijd wel bij dat statistisch min of meer te voorspellen handvol familieleden, vrienden, collega’s of buren bekend. Een paar professionals weten ook van ons bestaan: de maaltijdbezorger, de poetsvrouw, een verpleegster, de wijkagent. Ieder weet zich opgenomen in een stam of clan: een groep van plusminus zestig personen waarmee je voldoende intens contact kunt hebben om de relaties in een iets meer dan louter formele gedaante te handhaven. Daarover bestaat in elk geval wél sociologisch onderzoek, over hoeveel mensen dat ongeveer zijn. Die zestig, plusminus, zullen wel opmerken dat je niet meer op gezette tijden op bepaalde plaatsen verschijnt en zullen wellicht naar je begrafenis komen. Als ze congé krijgen. Maar als je ouder wordt, slinkt de clan. Er komen geen nieuwe leden bij. Er vallen er alleen maar weg. En zo kan het gebeuren dat er bijzonder weinig overblijven om je uit te wuiven.

De basisregel is dat élk bestaan anoniem is. Het zijn maar de uitzonderingen die – op een goede dan wel een laakbare wijze – boven het maaiveld uitsteken en naam en faam verwerven. Maar ook zij ontkomen niet, nooit, aan Magere Heins zeis en aan het grote naamloos worden…

gisteren 29

230129

Meer dan een halfuur doet mijn overjaarse desktop-pc erover om herop te starten na een foutmelding die ik nooit eerder zag. (De pil van deze foutmelding werd verguld met een droefenis uitdrukkend emoticon ;-( .) Ondertussen protesteert de ventilator in de zwarte doos hevig. Na andermaal, de tweede keer in korte tijd, langs de afgrond van een totaal externgeheugenverlies te hebben gescheerd, overweeg ik nu toch een spoedige investering in ‘state of the art’ elektronische apparatuur.

Een kleine ontgoocheling. Ik installeer me op de bank met gebak en koffie voor het WK veldrijden en dan blijkt dit pas volgend weekend te zullen plaatsvinden. Ik blijk op het verkeerde been te zijn gezet door het nu al dagenlange gespeculeer en de oeverloze commentaren – Van der Poel of Van Aert? – op allerlei nieuwskanalen die mij ongevraagd bereiken.

Ondertussen worden de geesten verder gemasseerd en voorbereid op de Vlaamse onafhankelijkheid. Als het niet via het parlement kan, dan maar via een ‘extralegale’ coup. De bedoeling is wellicht dat niemand er nog van zal opkijken als deze dan eindelijk zal blijken te zijn gepleegd.

 

Eens was ik jong en schoon. / Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen / medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.

Gerard Reve, ‘Avondrood’ (fragment), in *Verzamelde gedichten*, 118

6724

Oostende - 221203

 

zondag 29 januari 2023

notitie 352

TWEEDE DAG 1-5

 

II – 1

In de domkerk van Treviso ligt de kruier Heinrich opgebaard. Het hem bij leven toegedichte vermogen om te genezen zou hij ook nu hij dood is niet zijn kwijtgespeeld. De nar Martellino uit Florence is in de stad. Hij hecht geen geloof aan Heinrichs wonderbaarlijke vermogen. Hij wendt verlamming voor en laat zich door zijn twee kompanen, Stecchi en Marchese, tussen de toegestroomde menigte door tot bij de lijkbaar slepen. Daar wendt hij een plotse genezing voor. De menigte slaakt oh's en ah's. Maar een Florentijn, toevallig in de kerk aanwezig, kent de nar en weet dat deze helemaal niet aan paralyse lijdt. Hij verraadt hem. Stecchi en Marchese proberen Martellino uit de greep van de woedende menigte te redden. Dat lukt pas met de hulp van de waard van hun herberg, die een zekere Sandro Agolanti kent, een vertrouweling van de stadhouder van Treviso, die de rechter aan wie Martellino is uitgeleverd kan ompraten.

 

II – 2

Koopman Rinaldo d’Asti bidt elke dag tot Sint-Juliaan voor een behouden dagreis en geschikt logies. Maar dat kan niet voorkomen dat hij door drie rovers wordt uitgeschud. Zijn knecht laat hem bij dat incident in de steek. Rinaldo vindt onderdak in een huis waar markies Azzo wordt opgewacht door zijn maîtresse, een weduwe. Toevallig moet de markies net die avond verstek laten gaan. De lustige weduwe zorgt dat het Rinaldo aan niets ontbreekt. En alsof dat nog niet genoeg was om zijn pech te compenseren, vindt hij ’s anderendaags zowel zijn knecht als zijn bezittingen terug: de drie rovers zijn bij een ander misdrijf gevat en zullen worden opgehangen.

 

II – 3

De drie broers Lamberto, Tebaldo en Agolante worden door de onverwachte dood van hun vader in één klap schatrijk. Maar even snel jagen ze hun fortuin erdoor. Berooid vluchten ze naar Londen, waar ze met woeker opnieuw rijk worden. Ze keren terug naar Florence, waar ze andermaal grote sier houden. Ondertussen probeert hun neefje Alessandro hun zaken in Londen te behartigen, maar oorlogsomstandigheden kelderen de markt. Hij keert terug naar Florence, waar de drie broers inmiddels in de gevangenis zijn beland. In Brugge sluit Alessandro zich aan bij een kandidaat-abt die op weg is naar Rome. De jonge prelaat wordt verliefd op Alessandro en besluit hem te helpen. Door een toeval komen ze in dezelfde herberg terecht, en vervolgens in hetzelfde bed. Daar ontdekt Alessandro, geenszins tot zijn teleurstelling, dat de kandidaat-abt van de vrouwelijke kunne is. Het koppel reist samen verder naar Rome. Tijdens een audiëntie bij de paus blijkt dat de jongedame de dochter is van de koning van Engeland. De paus zegent het huwelijk van de prinses met Alessandro in. De prinses koopt op haar terugweg naar Londen, waar zij zich met haar vader wil verzoenen, en passant te Florence de drie broers vrij.

 

II – 4

Bij een poging zijn rijkdom, die op zich al groot genoeg is, te verdubbelen door een verkoop op Cyprus verliest de koopman Landolfo Rufolo ei zo na het leven. Met zijn resterende centen koopt hij een brigantijn waarmee hij Turkse schepen kaapt. Deze criminele praktijk levert sneller gewin op dan eerlijke handel. Maar op zijn beurt wordt Landolfo door kapers gekaapt. Het kapersschip waarop hij gevangen zit vergaat in een storm. Landolfo klampt zich vast aan een dobberende kist en spoelt, ‘dankzij de goddelijke voorzienigheid of doodgewoon dankzij een gunstige wind’ op Korfoe aan. De kist blijkt een juwelenschat te bevatten, die Landolfo dubbel zo rijk maakt als bij het begin van zijn avontuur. Hij besluit om voortaan een rustig rentenierenbestaan te leiden en niet meer uit te zijn op een verdubbeling van zijn vermogen.

 

II – 5

De jonge paardenkoopman Andreuccio di Pietro uit Perugia trekt naar de paardenmarkt van Napels. Door een valstrik belandt hij in de klauwen van een vrouw, die hem niet alleen wijsmaakt dat zij zijn halfzus is maar hem ook verleidt. Later op de avond valt Andreuccio, door toedoen van een losse plank in het huis van de vrouw, in de plee. Naakt en stinkend wordt hij niet meer binnengelaten – en het ziet er bovendien naar uit dat hij mag fluiten naar zijn centen. Op de weg terug naar zijn herberg komt onze onfortuinlijke paardenkoopman – hoeveel pech kan een mens hebben – twee stoere binken tegen die op het punt staan het graf van de nog maar pas overleden aartsbisschop te schenden. Na eerst in een waterput te zijn achtergelaten en vervolgens in de aartsbisschoppelijke grafkelder, waaruit hij telkens op wonderbaarlijke wijze weet te ontsnappen, komt Andreuccio ongeschonden aan in zijn herberg. Met een meegegriste aartsbisschoppelijke ring, die vele paarden waard is, vat hij de terugreis naar Perugia aan.

 

Giovanni Boccaccio, Decamerone (ca. 1352), vertaling Frans Denissen (2003)

gisteren 28

230128

Honderden stoffige Franse pockets die, als ze niet worden gered, de papierversnipperaar niet zullen ontlopen. Het verzameld werk van Honoré de Balzac en ettelijke jaargangen van het jaarboek L’Année balzacienne. De sporen op het behangselpapier van de lijsten die decennia aan de wanden hebben gehangen. Eikenhouten meubilair, kloeker dan een mens maar geen mens maalt er nog om. Tientallen balpennen. Beddengoed. De opruiming van een huis, het wegzetten van een verleden. ‘Ze is 93 geworden en heeft hier tot het einde gewoond,’ zegt de schoonzoon. ‘Maar dan ging het opeens snel. In nog geen drie maanden was ze wég.’ 

 

[Jules Destrée] belijdt zijn Waals nationalisme en tegelijk richt hij zijn pijlen op degenen die niet aan hun vaderland gehecht zijn of geen liefde koesteren voor hun geboortegrond of die eigenlijk geen vaderland hebben. Volgens hem behoren de bezitters van grote fortuinen, de “ontwortelde kosmopolieten” die op de bovenste trap van de sociale ladder staan, tot degenen voor wie het vaderland een loos begrip is. Destrée houdt niet van mensen die zich nergens echt thuis voelen of zich overal thuis voelen.

 Jean-Philippe Schreiber, ’Jules Destrée: tussen separatisme en nationalisme’, in: Anne Morelli (red.), De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië (1996), vertaling door Ann De Laet en Johan De Roey van Les grands Mythes de l’histoire de Belgique, de Flandre et de Wallonie (1995)