notitie
521
Ik
ben de voorbije dertig jaar wel een keer of twaalf, misschien
vijftien, naar de Poëziezomer van Watou geweest. Ik heb niet alles
in digitale vorm bewaard, maar op mijn blog is achter de zoekterm‘Watou’ wel het een en ander – in woord én beeld – daarover
te vinden. Ik vind dat ik recht van spreken heb als ik zeg dat de
editie 2026 van de Poëziezomer – tegenwoordig heet het evenement
‘Kunstenfestival’ – de meest teleurstellende is die ik al heb
bezocht.
Ik
ga niet in op de beeldende kunst of de gedichten. Ik had geen zin om
de catalogus te kopen die ik daarvoor nodig zou hebben. Niet alleen
omdat ik 25 euro entreegeld al meer dan genoeg vond, maar ook omdat
wat er te zien viel mij daartoe niet noopte. Van de vaak zeer
marginaal aangebrachte gedichten las ik hier en daar een flard, maar
toch ook niet veel meer dan dat. Het gedicht van Pim Cornelussen in
de kerk las ik wel helemaal. Het sprak me aan omdat het adequaat
verwoordde wat ons allemaal bezighoudt of zou moeten bezighouden
omdat het maar zeer de vraag is of we een tweede kans zullen krijgen,
een toegift, een toe-kans:
Ergens aan de andere kant van de
evenaar
wordt een bos gerooid, bezwijkt een veld
vol
palmbomen en opvliegende toekans.
In
een van de kamer weerklonk de vertrouwde stem van de onlangs
overleden Leonard Nolens, en een van de drie debutantengedichten,
keurig verdeeld over drie stalletjes van de Douviehoeve, sprak me ook
wel aan. Ik geloof dat het van Sarah de Koning was.
Van
de kunstwerken zal ik al evenmin veel onthouden, vrees ik. Ik bekijk
de foto’s die ik maakte en stel vast dat ik vooral off topic heb
gefotografeerd: dingen die me opvielen maar die niet als ‘kunst’
bedoeld waren. Dingen die eigenlijk altijd te zien zijn in Watou, ook
wanneer het jaar er zijn gewone beloop kent. Ik zeg niet dat er niets
waardevols was (ik kan, om dat te verifiëren, nog altijd eens de website van het kunstenfestival raadplegen), wel dat mijn blik
afdwaalde, dat ik er mijn aandacht niet voldoende bij hield. Ik weet
hoe dat kwam. Het was omdat de algemene teneur van de presentatie –
rommelig, onverzorgd, zonder duidelijke eenheid – mijn aandacht
niet vasthield.

In
enkele kamers leek een vrachtwagen van de kringloopwinkel zijn lading
te hebben uitgestort. Vensters die zijn volgekleefd met allerhande
documenten vermogen ook niet lang mijn aandacht vast te houden. En
als ik een in prikkeldraad verpakte urinoir zie – en wie denkt dan
niet aan Marcel Duchamp? – met daarin reproducties gekleefd van
iconische gruwelfoto’s (de pistoolexecutie van een man door een
soldaat ergens in het Verre Oosten; de foto van het naakte meisje dat
vlucht voor een napalmaanval), dan voel ik mij geschokt,
verontwaardigd, kwaad. Iconische foto’s zijn foto’s die je maar
beter niet gebruikt, en al zeker niet in een al te nadrukkelijke
uitbeelding van…, ja waarvan eigenlijk? De prikkeldraad lijkt te
suggereren dat de iconische foto’s, die de kunstenaar zich heeft
toegeëigend, uit dat op zich ook al iconische recipiënt niet wég
kunnen. Ik weet niet wat ik daarbij moet voelen of denken.
Het
experiment met de door AI ‘vervaardigde’ gedichten vond ik
interessant. Je moest uit drie geanonimiseerde gedichten het ene
gedicht selecteren dat níet
door AI was geschreven. Met dit leuke spelletje kon je ten overstaan
van je medebezoekers pronken met je vermogen om echte poëzie van
lukraak geproduceerde versjes te onderscheiden. Ook een stel
tarotkaarten met visualisaties van de toestand waarin onze wereld
verkeert, vermocht mijn aandacht te trekken.

Na
het in vergelijking met vroegere edities vrij mager uitgevallen
parcours in het dorp wordt de bezoeker, die uiteraard waar voor zijn
dure entreekaartje wenst, uitgenodigd om zich naar de laatste locatie
te verplaatsen: het kasteel De Lovie in Proven. Binnen in dat kasteel
was het aanzienlijk frisser dan buiten, dat viel dus mee. Maar de in
verschillende ruimtes aangebrachte kunstwerken oogden minder ‘fris’.
De vermenging van gerenommeerde highbrow kunst met de maaksels van
amateurs uit de plaatselijke hobbyclub draagt nu eenmaal niet bij tot
een juiste focus. En wat de betekenis was van de ultratrage
choreografie die in een van de grotere kamers door enkele jonge
dansers van beiderlei kunne werd uitgevoerd, werd mij ook niet
duidelijk. Waarom dat topless moest gebeuren al evenmin.
De
afgelegen locatie van De Lovie (7 kilometer verwijderd van het
dorpsplein van Watou) noopte niet tot een terugkeer naar een van de
horecazaken in Watou voor een nabeschouwing – ik kan mij
voorstellen dat de plaatselijke neringdoeners niet zo opgezet zijn
met dit manoeuvre.
Het
mooiste kunstwerk – ook al was het waarschijnlijk niet de bedoeling
het als kunstwerk in dit kunstenfestival op te nemen – vond ik het
horizontaal bewaarde restant van een monumentale boom op de site van
de Douviehoeve. Een verwijzing naar de duizenden slachtoffers, bomen
maar ook andere levende wezens, van de hitte en de
klimaatverandering. Het was inderdaad bijzonder warm, daar in Watou.
Er viel alweer een ‘record’ te noteren. Neen, niet in het aantal
bezoekers, want het viel toch wel op dat die zeer weinig talrijk
waren. Als Watou wil blijven bestaan, zullen de toekomstige curatoren
het over een andere boeg moeten gooien.