zondag 28 februari 2021

op naar de zestig 132


Bedelaars en daklozen confronteren. Ze zijn ongemakkelijk. Moet je geven, of niet? De ongelijkheid is manifest, en ze is te groot. Dat besef je. Het is niet juist, zoals de zaken zijn. Maar wat kun je doen? Je kunt toch niet aan alle bedelaars iets geven, aan alle straatslapers een bed en een dak verschaffen? Je kunt het hun niet kwalijk nemen dat ze hun plaats strategisch kiezen. Waar is het ongemak het grootst? Juist, bij een geldautomaat. Terwijl je er bankbiljetten uit de muur trekt om wat verderop een take away te scoren, word je met een schuldgevoel opgezadeld.

210220

parallel 167

Ik had een afkeer van de dunne en uitpuilende kunststof, van de kleur grijs met rood en vooral van de alleen aan mij bekende ordening van spullen in de tas.

Oek de Jong, Een man die in de toekomst springt, 115-116

 

ǁ

 

Het is een rode hatchback met onderaan een grijze band en spaakwielen en twee verchroomde uitlaatpijpen.

Peter Terrin, Al het blauw, 18

wolken 4021-4024

wolkenfragmenten uit Peter Terrin, Al het blauw

4021

Hij herinnert zich dat het ’s morgens geregend heeft, er liggen grote plassen met witte wolken in. (39)

4022

Hij luistert naar zijn moeder en kijkt naar de twee schilderijen aan de muur, die de opgefriste woonkamer toch weer antiek maken. Het grootste toont een leeg, rotsig, voorwereldlijk landschap onder een drukke wolkenhemel, het kleinste is een sentimenteel portret van een oude, wit bebaarde schaapherder met een slappe pet schuin op zijn hoofd. (175)

4023

Eerst nog denkt Simon dat Pieter, terwijl hij in zijn richting staart, aan iets terugdenkt. Aan de dag die voorbij is, aan wat er is gebeurd, aan de foto’s die ze op het keienstrand hebben genomen, die zonsondergang, en dat ene verdwaalde wolkje aan de hemel, paars. (216)

4024

Ze kijkt uit het raam van de achtste verdieping, schapenwolkjes drijven laag voorbij en werpen een koude schaduw op het olijfgroene zeewater. (225)

Peter Terrin, Al het blauw

scherf 118

Twee auto’s botsen op de parking van de supermarkt tegen elkaar aan. Een stom accident, blikschade. Beide chauffeurs stappen uit, taxeren de schade, vullen wat papieren in en rijden vervolgens weg. De ene rijdt de weg links op, de andere rechts.

Met dat beeld vat Peter Terrin in het laatste hoofdstuk van zijn nieuwe roman Al het blauw zijn hele verhaal nog eens samen. Het verhaal van Al het blauw is een verhaal van liefde. Een poging tot, althans. Er zijn duizend varianten, zoals we allemaal weten, maar uiteindelijk kent de liefde maar één verhaal. Twee mensen botsen min of meer toevallig tegen elkaar aan en, ja, uiteindelijk verliezen ze elkaar. In het einde van hun liefde, in gewoonte en sleur, in de dood. (Ik weet het, er zouden naar verluidt gelukkige uitzonderingen bestaan.)

De ingrediënten van dit ene grote verhaal zijn ook gekend: aantrekking, verleiding, seks, twee verschillende achtergronden die met elkaar moeten verzoend worden, zorgen van materiële, financiële en praktische aard, rivaliteit, jaloezie, confrontatie, verveling. Kinderwens, bindingsangst.

De auteur brengt deze ingrediënten op smaak met tijdgeest en couleur locale. Ik bespaar u de details. Enkel dit. We schrijven 1988. Een en ander speelt zich af in de kantine van een zwembad. Er is iets met een schimmige financiële piramideconstructie, maar hoe dat precies in elkaar steekt, is mij niet duidelijk geworden.

Kan dit alles – ik trek het nu een beetje op flessen, dat weet ik wel – een goede roman opleveren? Jazeker. Maar is dat gegarandeerd? Geenszins.

Al het blauw is geen goede roman. Ik liet me aanvankelijk gewillig verleiden. Terrin vertelt meeslepend. Maar gaandeweg begon ik me te ergeren. Het lot van de personages gleed van me af. Onverschilligheid verdrong mijn nieuwsgierigheid. Ik vergat de nevenfiguren. Xavier, Marc, Pieter: geen idee wat ze hier komen doen en hoe het hun vergaat.

De oorzaak van deze afknapper is niet het verhaal, de spanningsboog, de afwikkeling. Dat is zoals het in duizend van die verhalen geregeld is: aantrekking, verleiding, enzovoort. Je weet hoe het gaat, maar daarvoor lees je dit soort boeken niet. Neen. Het is de manier waarop het verhaal verteld wordt.

Ik geef een voorbeeld.

‘De dag gloeit na op zijn huid, en als hij het dorp binnenrijdt is het of hij terugkomt uit het buitenland. Zijn vingers ruiken naar krab, zee en Carla, de subtiele nuances. Rocky ligt uitgeteld naast hem en wordt pas wakker als de motor stopt. Klaar om in het knisterende schuimbad te stappen, keert Simon zich naar de spiegel en sabbelt op zijn zilte vinger en sluit de ogen. Hij is weer in de duinen, de glans op de binnenkant van haar dijen. Met ingehouden adem en licht van de wijn komt hij in de wastafel.’ (197)

Rocky is een hond. De motor valt niet stil maar stopt. Aanvankelijk vraag je je af of er niet een verwarring is in de beschrijving van het badkamermeubilair, tot je beseft dat je een elliptisch beschreven masturbatiescène hebt gelezen. Ach ja, zo zit dat: Simon denkt, vooraleer in het ‘knisterende schuimbad’ te stappen, terug aan een opwindende dag aan zee met Carla en ‘komt’ in de wastafel. Ik word er warm noch koud van, ik erger mij aan de slordige schriftuur.

Dit is stug proza. Een van de oorzaken van deze stugheid is het koppige vasthouden aan de tegenwoordige tijd. Of de gebeurtenissen zich nu in het heden afspelen of in het verleden: tegenwoordige tijd. Alles door elkaar. Dat kan natuurlijk, maar je moet er wel je aandacht bijhouden.

‘Toentertijd heeft geen van hen oog voor Kathleen, de leuke meisjes doen economie en talen.’ (35)

‘Twee jaar geleden raken ze aan de praat, in zijn studio, bij het nemen van pasfoto’s die Simon nodig heeft voor zijn rijbewijs.’ (104; tiens, had je in die tijd voor een rijbewijs meer dan één pasfoto nodig?)

Terrin hakt de chronologie in stukjes, gooit deze in de lucht, en raapt ze weer bij elkaar zonder al te veel op de volgorde te letten:

‘Het laat hem niet los. John leunt met zijn voorarmen op het brede stuur, het is midden in de nacht, de snelweg schuift kaarsrecht onder zijn vrachtwagen door. Hij ziet het bloed met vertraging opwellen uit haar wenkbrauw, gelijkmatig vloeit het langs haar oog en wang naar haar hals. Hij ziet dat Carla het niet merkt, in haar blik zindert de klap na. Ze staan in de keuken. John neemt een schone theedoek uit de kast en zegt, kom, je bloedt. Hij draait het gas onder de pannen uit en neemt de autosleutels.’ (131)

Die techniek verlevendigt het verhaal, zou je kunnen zeggen – maar ze werkt op den duur aardig op de zenuwen. Toch op de mijne.

Neen, Al het blauw heeft mij niet kunnen bekoren en Peter Terrin ‘behoort’ wat mij betreft met deze roman niet ‘tot het handvol écht interessante Nederlandstalige schrijvers’, zoals een quote uit het NRC Handelsblad op het achterplat pontificaal beweert.

 

Peter Terrin, Al het blauw (2021)

6020

210220

 

zaterdag 27 februari 2021

op naar de zestig 131

 

Dat waren nog eens tijden! Rood licht of brug open? Laat maar stationair pruttelen die handel en ondertussen draaien we onze ruit open om de inhoud van onze volle asbak op straat te kieperen. Daar kraaide geen haan naar! Nu, met die nieuwe technologie en zo, waarbij alles zo ingewikkeld is dat er om de haverklap een draad verkeerd zit of iets elektronisch in de soep sukkelt, en met die fiscale regelingen die bepalen wanneer je auto afgeschreven is ook al scheelt er niets aan, moet je bij wijze van spreken een nieuwe auto kopen als je asbak vol is.

210219

21.1 * 36,4 * 24,8 * 36,4

 Nieuwege - Plassendale - Stalhille - Houtave - Meetkerke

op naar de zestig 130


Fotograferen is leuk! Net als de man met de rode tas heb je natuurlijk ook die oneigentijdse rooie sjaal rond de nek van het standbeeld opgemerkt. Je ziet de man denken: ‘Daar ga ik een mooie foto van maken.’ Dan moet je vlug handelen want je hebt net dat ietsje méér gezien. Jouw onderwerp is niet het roodgesjarelde standbeeld maar wel het kleurrijm van de sjaal en de tas van de man die positie kiest, voor de beste invalshoek en kadrering en zo. Dat heb je goed gezien! Of toch niet helemaal? Want thuis zie je nog een derde laag.

210218

afscheid van mijn digitaal bestaan 210

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

30 januari 2009

Hoe kan iemand die zwaar in het krijt staat het goedmaken? Bijvoorbeeld na een vergrijp dat een gans leven diepgaand heeft beïnvloed, dat een kwetsuur heeft veroorzaakt die een kwarteeuw later nog schrijnt? Is een spijtbetuiging, een uitdrukkelijk verwoord excuus genoeg? Hoe kun je weten dat zo’n excuus gemeend was? Bestaan er criteria om dit uit te maken? Hoe voelt een oprecht gegeven hand aan? Hoeveel zand, en welk soort zand, heb je nodig om definitief te kunnen zeggen: zand erover! Ligt er misschien – in moreel opzicht – iets essentieels besloten in de onzekerheid die met dit alles gepaard gaat?

facebookbericht 1168

Stijn De Paepe:

Graag vatte ik
‘t vertalen van
het werk van
Shakespeare aan,

maar híj is dood
en ik nog niet,
dus nee, dat zal
niet gaan.

 

Wat een flauw excuus
het lijkt wel Truus,
om niet aan ’t Shakespeare-vertalen te slaan
omdat men nog niet is komen te gaan.

6019

V. - 201121

 

vrijdag 26 februari 2021

facebookbericht 1167

Club Brugge 0-1 Dynamo Kiev

Op dezelfde dag dat de firma op de beurs gaat, wordt de door corona geteisterde ploeg uit de Europa League geknikkerd. Moraal van het verhaal: de koers zal pas stijgen als de koorts gedaald is.

scherf 116

WAAROM ER GEEN JOHAN ANTHIERENSEN MEER ZIJN

Na het bekijken van de tweede aflevering van Guinevere Claeys’ portret van Johan Anthierens ben ik milder gestemd dan na de eerste aflevering, misschien ook wel omdat mijn verontwaardiging over de aanwezigheid van een paar kopstukken die behalve te rechts ook te jong zijn om Anthierens te hebben meegemaakt en geapprecieerd al wat bekoeld is. We wennen inderdaad verdacht snel aan de aanwezigheid van (extreem)rechts op de buis.

Qua opzet verschilt de tweede aflevering niet noemenswaardig van de eerste. Guinevere loopt voortdurend als haar beminnelijke zelf door het beeld, en er is daarnaast ook nog wel wat ruimte voor enkele interessante en minder interessante getuigenissen. Doornaert spant in de tweede categorie (die van de minder interessante getuigenissen) opnieuw de kroon. Veel verder dan een weinig vérdragende lofzang op haar idool Brel – ongeveer haar enige band met Johan Anthierens – komt ze niet. (Gisteren trapte de weduwe in De Standaard nog eens lustig na met onder meer de onwaarschijnlijk zelfingenomen en onrespectvolle ‘persoonlijke’ noot dat ze blij is dat ze het nooit heeft hoeven meemaken dat Anthierens ook haar eens in de pan hakte – lees impliciet: dat hij daarvoor niet lang genoeg leefde. (Hier de link, met excuses voor de betaalmuur.)) Beklijvender was in elk geval het interview met Benjamin Anthierens, de zoon die een tijdlang verloren is gelopen. Enkele fragmenten uit de brieven die vader Johan schreef naar de instelling waar Benjamin van zijn verslaving afkickte gingen door merg en been. (Die brieven zijn consulteerbaar in het door Brigitte Raskin opgetrokken monument Leve mij.)

 

Waar de eerste aflevering het vooral had over Anthierens’ opgang, ging het nu over de opmerkelijk vroege val. Alles begon mis te lopen met de beslissing om het podium dat hij bij Knack had – mede daardoor kon dat blad groot worden – in te ruilen voor het krankzinnige avontuur om een Vlaamse Canard enchainé te maken. Die ambitie was te groot – Vlaanderen is er mutatis mutandis te klein voor. En Johan Anthierens was te zeer een ongeleid politiek projectiel en te weinig een zakelijke organisator. Zelfs de centen van zijn vriend Herman Van Hove konden De Zwijger niet levensvatbaar houden.

Zeer interessant in deze tweede aflevering vond ik de schets van de bredere context waarin de neergang van Anthierens zich voltrok. Hand in hand transformeerden ontzuiling en commercialisering het medialandschap. Voor eigenzinnige en koppige vrijbuiters slash scheenschoppers slash woordkunstenaars was er geen plaats meer. Hun dwarsliggerij zou wel eens lezers en, belangrijker nog, adverteerders op stang kunnen jagen. Anthierens nam dan ook zeer lapidair positie in: de komst van VTM leidde volgens hem regelrecht naar de barbarij. De commercialisering van de media luidde niets minder in dan het einde van de beschaving. Laten we dit dictum als een hyperbool interpreteren want het einde van de beschaving zal niet alleen van de toestand van de media afhangen.

Interessant in dit hoofdstuk was de getuigenis van Joël De Ceulenaer. Hij stelde, stevig stafrijmend ten overstaan van de immer glimlachende Guinevere Claeys en in een bizar ruimteschipachtig decor waarvan ik voor hem hoopte dat het niet zijn woonkamer is, dat ‘de bandbreedte van de baldadigheid’ danig is vernauwd. Maar hij zei ook dat hij zichzelf censureert: je moet ervoor zorgen dat je mensen overhoudt met wie je door één deur kunt. (Hier had ik even de indruk dat iets wat off the record bedoeld was per ongeluk on the record was beland.)

Waarom ik deze getuigenis interessant vond – uiteraard in het licht van de compromisloosheid (‘niemands meester, niemands knecht’) van Johan Anthierens? Omdat hier een – hoe je het nu ook draait of keert – prominent opiniemaker cynisch aangeeft dat hij zich neerlegt bij de huidige stand van zaken. En wat is de huidige stand van zaken? Deze: dat de commercialisering tot opportunistische conformering heeft geleid want journalisten, ook kritische, doen aan zelfcensuur en kleuren maar zelden buiten de lijntjes van de politieke correctheid.

(Een uitzondering was wellicht Koen Meulenaere, die onder het mom van stilistische kwaliteiten en humor jarenlang in Knack en De Tijd schijnbaar onafhankelijke satire bedreef maar in werkelijkheid met een welhaast sadistisch genoegen karakters moordde en bovendien de kluit belazerde aangezien tegen het eind van zijn carrière steeds nadrukkelijker bleek dat hij uit de hand van Huts at. Fernand Huts, welteverstaan, sponsor van de uitgaven van Meulenaeres jaarlijkse bloemlezingen.)

Deze evolutie naar commercialisering en zelfcensuur bij publicisten heeft uiteraard een impact op het democratisch gehalte waarin wij denken te leven en de vrijheid van meningsuiting die wij denken te hebben. Want wat (de door Mia Doornaert in haar beschouwinkje verguisde) Caroline Pauwels in de uitzending zei, is uiteraard meer dan waar: er zijn maar meningen mogelijk als er afwijkende meningen zijn. Denken is alleen mogelijk als anderen ánders denken. Of zoals Johan Anthierens het zelf zei: ‘Zonder dwarsliggers kan de trein niet rijden.’

Meer dan terecht wees Hugo Camps dan ook, vanuit een riant appartement aan de Knokse Casinovijver, op wat volgens hem Anthierens’ grootste verdienste was geweest: dat hij de angst voor censuur negeerde. En Marc Reynebeau bevestigde in dezelfde lijn, behoedzaam op Boon variërend, dat Anthierens de journalistiek een geweten had geschopt.

 

Het heeft niet mogen baten. We weten allemaal hoe het medialandschap er tegenwoordig uitziet. En dat er geen Johan Anthierensen meer zijn, ook al hebben we daar nu meer dan ooit nood aan. Dat the powers that be (Huts en alles waar Drabs, Pohlmann, Doornaert et tutti quanti voor staan) Johan Anthierensen kunnen missen als kiespijn, bewijst de ‘postume politiek-ideologische ontmanning’ waarop uiteindelijk, volgens Ludo De Witte (en ik ben het in grote trekken met hem eens), dit televisieportret neerkomt – ik citeer hier de volledige commentaar van De Witte:

 

<<Ik keek gisteren naar de tweedelige documentaire ‘Johan Anthierens’, en begot, de man werd postuum politiek-ideologisch ontmand. De uitgerekte aandacht voor zijn sympathie voor extreem-rechts, als opstapje naar niet ter zake doende interviews met rechtse rakkers Doornaert, Drabbe en Pohlmann… Of het de bedoeling was van interviewster Guinevere Claeys of niet (allicht niet, ze had het te druk om in beeld te komen en te blijven), of van de bedenkers van de doc, je kreeg de metaboodschap dat Anthierens’ werk van iedereen is, van links tot rechts, van republikeinse belgicisten tot Vlaamsnationalisten. Van iedereen en niemand dus. Gooi daarbovenop een halve karaktermoord (Anthierens, het verwende, recalcitrante jongetje dat schopt om te schoppen, lees: zoek er niet al te veel inhoud achter) en de conclusie luidt dat Anthierens een mooischrijver/taalvirtuoos/woordkunstenaar was, en niet meer dan dat. Zéker geen politiek (ideologisch) baken, en dat zullen nogal wat geïnterviewden en anderen die de liberale massamedia volschrijven met eenheidsworst (ex-DS ‘marketeer’ Peter Vandermeersch op kop) graag beamen. Ondertussen is het wachten op een docu over Walter De Bock, gelardeerd met interviews met Rudy Collier, Yves Desmet, barones Mia Doornaert en Rik Torfs.>>

 

Einde citaat.

 

Tegen het einde van zijn leven gaf Anthierens toe dat hij onnodig vrienden had geschoffeerd. ‘Uitschuivers’ noemde hij dat. Niet meer goed te maken. Maar ze zijn hem wel duur komen te staan, die uitschuivers. En het inzicht kwam te laat: hij was al geruime tijd uitgerangeerd. Op dat trieste spektakel ging deze tweede aflevering omstandig in – wat het aanzien van Johan Anthierens in de ogen van jeugdige kijkers zeker zal hebben beschadigd.

Door herhaaldelijk tegen de schenen van enkele hooggeplaatste lieden te schoppen, onder meer Hugo Claus, en door zijn ondoorgrondelijke carrièremoves, maakte Anthierens zich op den duur totaal onmogelijk. Na het debacle van De Zwijger bleek niemand, zeker niet in het gecommercialiseerde medialandschap, nog geïnteresseerd in zijn scherpe pen en dito tong. Anthierens was geïsoleerd geraakt en, op die manier, geneutraliseerd. De vroege ziekte en dood – hij werd maar 63! – deden de rest.

Het is een uitermate treurige epiloog. De poging die Peter Vandermeersch, toenmalig hoofdredacteur van De Standaard, in 1999 ondernam om de gevallen engel alsnog een podium te bieden (allicht uit niet veel meer dan mercantiele overwegingen, Vandermeersch was tenslotte nog maar net gelauwerd als ‘marketeer van het jaar’), kwam te laat.

 

De twee delen samen van deze documentaire geven een alles bij elkaar zeer interessant, maar met een handleiding te bekijken portret van een markant figuur, volgens een van de getuigen wellicht een van de belangrijkste naoorlogse journalisten in Vlaanderen, maar ook verschaffen ze een kijk op het medialandschap waarin we ons bevinden, waardoor we misschien beter begrijpen wat politieke correctheid, commercialisering en nivellerende angst om zich te uiten daarin betekenen. En wat de ‘politiek-ideologische ontmanning’ (De Witte) betreft: Anthierens’ ideologische parcours lijkt mij iets te grillig om zo’n gekleurde stelling te verkondigen. Belangrijker dan het met links of rechts in te kleuren, lijkt mij dat een scherpe waarnemer de facto monddood was gemaakt, geneutraliseerd. Grotendeels door eigen toedoen, dat wel, maar het kwam de macht natuurlijk goed uit. Kandidaat-opvolgers wezen bij deze gewaarschuwd: een politiek geloofwaardige en relevante commentator ben je niet alleen met een geslepen pen, er zijn ook strategische skills voor nodig. En je broodwinning mag er niet van afhangen.