Indien ernstig zich onthouden
Koen Peeters over het in kaart brengen van een versnipperde
wereld
[Ik maakte dit interview met Koen Peeters naar aanleiding
van het verschijnen van Het is niet
ernstig, mon amour (1996). Het verscheen in De Standaard der Letteren van 30 mei 1996.]
Koen Peeters kon moeilijk een betere locatie kiezen om zijn
nieuwe roman, Het is niet ernstig, mon
amour, voor te stellen: de strikt tweetalige omgeving van Bruparck! (mét uitroepteken!), dat
onwaarschijnlijk unheimliche,
artificiële ontspanningsoord op de Heizelvlakte, vlak naast het Atomium. ‘En
zeggen dat mijn moeder, toen ze zwanger was van mij, hier in 1958 de
wereldtentoonstelling heeft bezocht. Ze wandelde hier,’ zegt Koen Peeters en
hij wijst naar het Belgische beton onder onze voeten. ‘Ik was erbij! Je kunt
gerust zeggen dat ik een exponent ben van een tijd die werd gekenmerkt door
hoge verwachtingen ten aanzien van de toekomst, door een ongeremd
vooruitgangsgeloof.’
Het ontgaat mij even of Peeters zich in deze omgeving bewust
is van de dubbelzinnigheid van het woord ‘exponent’. Maar dat zal wel.
Waar vroeger die mythisch geworden Expo ’58 plaatsvond,
heerst nu een allegaartje van architectonische wanstaltigheid. Megaparkings,
een ontroerend lelijk monument met buizen en bollen: dit moet het
dichtslibbende hart van België zijn. Brussel met andere woorden, ‘de mooiste
stad van het lelijkste land ter wereld’ (Peeters in zijn boek).
Onder meer over België gaat Het is niet ernstig, mon amour. Maar ook over kunst, over
vriendschap, een beetje over liefde en vooral over het soort van vrolijke ‘niet
ernstige’ ontreddering die ons deel wordt wanneer wij het talent hebben niet
neerslachtig te worden van de chaos in en rondom ons.
Dit is het uitgangspunt: natuurlijk is alles zinloos, het
komt er alleen op aan met die zinloosheid iets te doen. Of negatief
geformuleerd: de leegte heerst, en angst voor die leegte – horror vacui – drijft ons.
Dat denken in Peeters’ jongste boek ook de vier jongemannen
van vooraan in de twintig die het ‘Independent Research Center’ – ik noem het
hier verder IRC – oprichten om hun versnipperde wereld in kaart te brengen. Van
hun ‘wetenschappelijke’ experimenten verwachten ze geen sluitende conclusies,
laat staan heil. Ironisch stellen ze dat ze hooguit beroemd willen worden. Ze
willen de wereld verwittigen van hun bestaan.
Het IRC, een toegepaste vorm van Jongens & Wetenschap, heeft écht bestaan en bestaat nog. Zij
het, zoals het Peeters past, op dubbelzinnige wijze. De overgebleven IRC’ers
stempelt mijn exemplaar van zijn boek af: in de dubbele cirkel rond de
afkorting staat ‘Leuven-Louvain’. Als bij een postzegelstempel. Peeters tekent
er de golfjes bij: ‘Alles gaat voorbij’.
En hij toont de resultaten van enkele wapenfeiten van het
IRC. De antwoorden van het Koninklijk Huis op de door het IRC geformuleerde
voorstellen tot renovatie van het Atomium. En in een keurig en met
wetenschappelijke allure samengestelde bundel zijn de fotokopieën te zien van
de briefjes die het IRC op straat liet rondslingeren.
In de roman gaat het zo: ‘Hij raapt een morsig blad op en
toont het me. Er staat getypt: Nee, laat
dit blad liggen. Over enkele dagen rapen wij het zelf op. Het is een
experiment van Robert. Eergisternacht verstrooide hij hier vierentwintig vellen
papier. Hij vroeg zich af hoe snel papier verdwijnt. Gisterochtend raapte hij
er een op en er was een stuk af gescheurd. ’s Namiddags was het opgeraapte
specimen gevouwen, vertelt hij, en vies, en kleefde er zwarte aarde aan. En
gisternacht regende het onnoemelijk hard, en op het blad zaten schimmelvlekken.
En dit ene allersmerigste blad lijkt nu wel het laatste.’
De methodes van het IRC zijn pseudowetenschappelijk, de
onderzoeksterreinen – de typografie van huisnummers bijvoorbeeld – weinig
urgent. Op de resultaten van dit IRC zit niemand te wachten. Het IRC is ‘een
laboratorium van de leegte’. De talrijke vergaderingen zijn ‘oefeningen in
wendbaarheid’. Niet zo absurd is dat, de wendbaarheid beoefenen in een
richtingloze tijd.
‘Het is bekend,’ schrijft Peeters, ‘wat men weggooit is men
zelf.’
Kan hij, die alles blijft verzamelen, dan buiten wat hij
produceert iemand zijn? Zo leer ik hem ook kennen: als een personage van zijn
eigen fantasie. De man voor mij is meer Robert dan Koen: een ironicus die onder
gefronste wenkbrauwen mijn vragen naar wat zich áchter de artistieke façade
schuilhoudt, ontwijkt door knipselalbums boven te halen.
Peeters: ‘We noemden onzelf “Independent” omdat dat goed
bekte. De leden waren op een uitzondering na allemaal jongens. Meisjes houden
zich met andere flauwekul bezig.’ De andere leden van het IRC zijn niet beroemd
geworden, maar ze bestáán: ze zijn op de voorstelling van het boek aanwezig.
De vriendschap? Ja, daar gaat Het is niet ernstig, mon amour ook over, vindt Peeters. ‘De weemoed
die je ook bij Nescio aantreft. Het terugdenken aan een tijd dat we voortdurend
met elkaar optrokken in de overtuiging dat de wereld op ons wachtte. Het is
inmiddels allemaal meer dan tien jaar geleden. Maar we zien elkaar nog. Niet zo
vaak meer, je weet hoe dat gaat: we hebben intussen vrouw en kind, een baan,
een mooi huis…’
Op het voorplat – ‘Heb je gemerkt dat het boek dikker is dan
mijn vorige?’, grijnst de auteur – staat De
kus van Masereel in zwart, geel en rood. ‘Omdat het een romantisch boek is.
Maar ook, Masereel is een van die vele Belgische kunstenaars aan wie ik in het
boek aandacht besteed: Broodthaers, Magritte, Hergé…’
- Inderdaad:
Belgische kunstenaars. Maar u schrijft: ‘Voor de kunst is nationaliteit van
geen belang, peu importe’?
‘Volgens W.F. Hermans is het surrealisme in Brussel
uitgevonden, niet in Parijs. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de zin voor
ironie die de Brusselaars kenmerkt. Ze nemen de zaken niet ernstig. Jan
Walravens merkte het terecht op: de bezetter was er nog maar net of de
doorsneeburger, een marchandeur,
plantrekker en profiteur, keerde zijn kar al.
België zelf is surreëel, want surrealisme bestaat in het
samenvoegen van dingen die niet samenhoren. België is kunst, want kunst is
altijd een metafoor, brengt uiteenliggende zaken samen. Maar België is gedoemd
te verdwijnen. De grenzen worden steeds moeizamer overschreden. Vlamingen weten
nauwelijks nog wat er aan de andere kant van de taalgrens gebeurt.
Oud-strijders, Franssprekende Vlamingen, monarchisten pur-sang: ze sterven
allen uit. Ik vrees dat België snel verdwijnt.’
- Wie komt nu nog
voor België op?
‘Bijna niemand. Enkele kunstenaars. De grootste groep is
onverschillig. Een onderzoek van de Leuvense socioloog Jaak Billiet wees het
uit: slechts tien procent van de Belgen denkt separatistisch over België.’
- Waarom is het
jammer dat België verdwijnt?
‘Och, het heeft gewoon iets esthetisch. België is een lege
doos waar kunstenaars iets mee kunnen doen. Het is zoals met Brussel: die
rommelstad waar oud en nieuw op scandaleuze
wijze samenkomen. Er is maar één stad in de wereld waar zo wordt geknoeid.
Brussel is tegelijk een prachtig oerwoud met de mooiste fauna en flora, en een
verschrikkelijke jungle waar alles kan.
Die idee van de grootstad heeft Masereel voortreffelijk
uitgebeeld: het gewriemel als van mieren, en midden daarin vrienden of
geliefden die elkaar vinden.’
- Ik kan me moeilijk
voorstellen dat uw nationalisme anders dan ironisch is.
‘Ik volg Kurt Schwitters en Joyce wanneer ze het
nationalisme verwerpen. (Neemt een boek
van Schwitters ter hand.) Schwitters zei: “Ik kan alleen nationalist zijn
van mijn eigen stad, of zelfs van mijn eigen straat, of beter nog, van de kant
van de straat met de oneven huisnummers.” Jef Lambrecht heeft het mooi
verwoord: “Er is slechts één volk dat het heeft aangedurfd zijn vlag op een
dweil te plaatsen.” Het Belgisch nationalisme heeft het grootste watergehalte.’
Journalist Lambrecht stempelt later op de avond in mijn
exemplaar van Het is niet ernstig, mon
amour het logo van zijn Belgische
Volkspartij naast dat van Peeters’ IRC.
Peeters, bedachtzaam: ‘Je kunt het je afvragen, of dat
individualistisch omgaan met gewichtige staatsnoties wel gepast is. Maar, in
alle bescheidenheid, Rushdie en Grass doen het toch ook?’
- Maar blijft het
niet bij een ironische nostalgie? (Ik denk aan de Marc van het boek die na de
dood van Boudewijn de vlag niet wil uithangen: ‘Men zou me misschien verdenken
van ironie.’)
‘Misschien wel. Maar het beantwoordt dan wel aan een
sociologische werkelijkheid. Kijk maar naar de belgicistische betoging op 25
april 1993. Ik was daar ook. En ik was daar niet alleen.’
- Het boek drijft op
weemoed. Is dat geen gevaarlijk gevoel?
‘In onze tijd, bijvoorbeeld in Brussel, vermengt het nieuwe
zich alsmaar sneller met het oude. Daarom noem ik Brussel ook een zelfportret.
Maar het gaat allemaal te snel. We verwijderen ons steeds verder van de bron.
Ik voel die onweerstaanbare drang om naar mijn biotoop terug te keren, het opnieuw
op te bouwen. Maar ik weet dat ik me er precies daardoor nog verder van
verwijder. Het gaat om een melancholische, verkrampte liefde. Alleen door open
te staan voor de esthetiek van het verval valt ermee te leven.’
Koen Peeters haalt een album boven dat hij heeft volgeplakt
met artikels en foto’s uit twee Vlaamse kwaliteitskranten die hij leest. Foto’s
van verval inderdaad. ‘Kijk, hoe mooi dat uitkomt op dat zwarte papier.’ Ik zie
ineenstortende nieuwbouw en daarna de voormalige burgemeester van Brussel,
Demaret. ‘Dat is allemaal echt,’ grinnikt Peeters. ‘Ik heb dat niet
uitgevonden!’
- U heeft het
uitvoerig over de koning. Ook in dat verband schrijft u: ‘Het was niet
duidelijk of dit royalisme menens was of pose.’ Toch laat u in het erg mooie
dagboekhoofdstuk over de dood van Boudewijn eventjes uw gevoelens de vrije
loop. U noemt immers de drukwerken die al heel snel in de winkels liggen
‘schaamteloos’?
‘Dat was omdat ze in kleur waren. Een krant moet zwart-wit
zijn. Een goede zwart-witfoto vormt het begin van de geschiedenis. Maar
inderdaad: ik bén mijn gladiolen gaan afgeven, en ik bén samen met een half
miljoen andere Belgen in de rij gaan staan om de laatste groet te brengen.
Boudewijn was een heel interessante figuur. Mijn leven valt samen met zijn
koningschap. En hij was een surreële koning. Waar anders dan in België kan een
koning voor één dag géén koning zijn? Daarenboven: de levensloop van de koning
geeft het leven van de burger vorm. Als zelfs de koning moet sterven…’
- Bij progressieve
intellectuelen bestaat er nogal wat scepsis ten aanzien van het Vlaams
nationalisme. Neemt u met uw ironisch belgicisme stelling in?
‘Ik engageer me niet politiek. Maar wel als kunstenaar: de
Belgische fictie is veel interessanter dan de realiteit van een nieuwe staat
die actief culturele entiteiten definieert. Ik hang trouwens een ouderwetse
politieke theorie aan die zegt dat het in politiek altijd alleen over macht
gaat. Wat je nu ziet gebeuren, is dat nieuwe groepen naar de macht grijpen. Het
is de taak van de kunstenaar daar vragen bij te formuleren. De politici moeten
die vragen oplossen. Méér dan vragen stellen hoort de kunst niet te doen. Daar
houdt het engagement van de kunstenaar op.’
Waarop Peeters terugkeert naar zijn zwarte album. ‘Zie eens,
de amusementswaarde van kranten is toch erg groot. De mensen zouden meer
kranten moeten lezen!’
Op bladzijde 41 van zijn roman staat: ‘Dit boek strijdt niet
voor het geluk van de mensheid. Dit is ontspanning voor de lezer, van zeven tot
zevenenzeventig.’
De roman van Koen Peeters heeft vier hoofdpersonages: vier
jongemannen, eigenlijk jongens, die samen het IRC uitmaken. Marc, een
‘voorbeeldige burger’, fronst zijn voorhoofd, zoals Peeters zelf. Robert, die
zijn haar ‘op fenomenologische wijze’ naar achteren gooit, is verliefd op oude
logo’s en archaïsche formules. Hij robertiseert
voortdurend, dat is: iets neutraliseren en reduceren tot middelmatigheid door
het te vatten in een encyclopedische omschrijving. Manu is ‘de meest
onverschillige van het gezelschap’. Zolang het bij experimenteren blijft. Eens
de liefde voor een vrouw komt aankloppen, wordt hij evenwel alerter.
- Ik vond het thema
van de liefde minder overtuigend uitgewerkt; het blijft in elk geval impliciet.
‘Ik claim het
onderwerp menselijke verhoudingen niet. Andere schrijvers beheersen het beter.
Misschien moet ik er van afblijven. Ik wou alleen even onderzoeken of het wel
klopt, de manier waarop iemand als Nescio over vrouwen schrijft. Liefde heeft
iets absoluuts, en dat wringt met de ironische aanpak van het IRC.’
- Waarom vier
personages? Wat draagt elk bij tot het verhaal?
‘Robert, Marc en Manu vormen drie facetten van één persoon. “Manu”
is Latijn voor hand. Zo krijg je: Robert Marc-hand, Robert Marchand, het
hoofdpersonage van mijn vorige boeken. Hij is het die ook dit boek heeft
geschreven. Het boek is een verlengstuk, of een orgelpunt zo je wilt, van de
activiteiten van het IRC.’
Daarom, denk ik, begint het laatste van de vierentwintig
hoofdstukken zo: ‘Heden ben ik, Robert, een kunstenaar.’ Eén kunstenaar, kun je het lezen: niet meer die halve waarvoor Manu
hem op een gegeven ogenblik verslijt. À propos, vierentwintig hoofdstukken zijn
er omdat er vierentwintig albums van Kuifje zijn, ze komen allemaal aan bod in
het boek. Zo simpel kan het er in een spel aan toe gaan.
Peeters vervolgt intussen: ‘Felix is de gelukkige Robert
Marchand. Zoals Robert uiteenvalt in verschillende persoonlijkheden, zo lijd ik
zelf aan een onschuldige vorm van schizofrenie. Ik ben burger, vader,
echtgenoot, ik werk in een bank en ben schrijver. Dat leidt soms tot
contradicties…’
- Met het opgepepte
taaltje dat Felix uitkraamt, komt u wellicht ambtshalve vaak in contact?
‘Ik scherm dat deel van mijn leven zorgvuldig af.’
Het gesprek zit erop. Peeters moet naar zijn vrienden op de
voorstelling van zijn boek. Hij heeft een bordje meegebracht: ‘Koen Peeters –
Independent Research Center’. Ik bestel nog een
koffie/un café en herlees het zeer geslaagde hoofdstuk 18: ‘Portret van
Brussel als zelfportret’: ‘O, Brussel, stad van het goede leven, waar kan men
beter zijn? Stad van één miljoen goedzakken, broodeters en burgemeesters zonder
hersens. Stad van Serafijn Lampion die een rally houdt op je gazon. Stad van
marchands, amateurs, arrangeurs, stad van de grinnikende burgers die niet
houden van groot vertoon. (...) Alles is hier geweest of is er nog. Het is een
stad van de nieuwe tijden: eclectiek, art nouveau, interbellum of de
sympathieke lelijkheid van de jaren zestig. Het leven is een vloeiende lijn.
Brussel is een vriendelijk galmende koepel, een koninklijke serre waarin wij
parkieten zijn. Deze stad is ons zelfportret. (…) Je herkent jezelf niet meer
in de pêle-mêle, de mikmak. (…) Dit is de mooiste stad van het lelijkste land
ter wereld.’

Koen Peeters, Het is
niet ernstig, mon amour, 1996
foto in het artikel: Guy Puttemans