Stuurloos
op de roetsjbaan
Lieven
de Cauter over de ervaringswijze van na de grote verhalen
Deze
recensie verscheen in De
Standaard der Letteren van 24 augustus 1995
Lieven
de Cauter brengt met Archeologie van de kick een interessante
analyse van de moderne en postmoderne manieren waarop mensen zichzelf
en de wereld ervaren. Het boek bestaat uit een verzameling essays
over Leonardo da Vinci, de roes, art deco, wereldtentoonstellingen,
skiën, toerisme en frivoliteit.
De
moderniteit heeft de vanzelfsprekendheid waarmee de mens zijn wereld
ervoer vernietigd. ‘Sociale disciplinering en de economische en
maatschappelijke rationalisering verbonden met de industriële
revolutie en het leven in de grootstad hebben een onvermijdelijk
gevoel van vervreemding met zich meegebracht.’ De Cauter vindt bij
cultuurcriticus Walter Benjamin de pertinentste beschrijvingen van
dit verval van de ervaring. Hij schrijft zich dan ook in diens
project van een archeologie van de moderne ervaring in.
Walter
Benjamin nam de aristotelische definitie als uitgangspunt: ervaring
is als ‘een humus van herinneringen die tot een bepaald soort
inzicht of vaardigheid leidt’. Onmiskenbaar heeft deze vorm van
ervaring een collectief en onbewust aspect; hij wordt gevierd in
feesten en riten, van generatie op generatie overgeleverd in
tradities.
Het
bombardement van prikkels dat de moderne samenleving en bij uitstek
de stedelijke cultuur kenmerkt, vernietigde de tradities. Wat
overblijft, is een gefragmenteerde en stuurloze ervaring, die haar
zin in zichzelf zoekt. Die ervaring wordt autonoom, raakt aan
zichzelf verslingerd, wil altijd maar heviger zijn.
De
kick, door De Cauter gedefinieerd als ‘de als aangenaam
ervaren shock’, is de uitverkoren ervaringswijze van de
tegenwoordige tijd. In de kick zoekt de moderne mens de euforie van
de snelheid. Hij voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken door de
duizeling van de afgrond. Daarin zoekt hij aan zichzelf te ontkomen
en aan zijn onvermogen om zichzelf in een ruimere context te
situeren. Elastiekspringen – een inmiddels alweer wat gedemodeerde
uitkomst van het onvermoeibaar en vindingrijk verhevigen van kicks –
zou naar verluidt bevredigende resultaten opleveren, maar natuurlijk
ook de talloze andere attracties, stunts en sensatiemachines.
‘De
val (…) is de kick ten top gedreven: het afstevenen op de
bewusteloosheid, de desintegratie.’ Dit uiteenvallen van het
bewustzijn is de perfecte allegorie van het uiteenvallen van het
wereldbeeld.
De
tijd van de grote overzichten is definitief voorbij: het sprookje is
uit dat de mens zich het universum volledig zou kunnen toe-eigenen.
‘De wereld is onherroepelijk “onoverzichtelijk” geworden.’
Het
essay ‘De panoramische extase’ toont aan hoe de geschiedenis van
de wereldtentoonstellingen vanaf 1851 deze afbrokkeling weerspiegelt.
De wereldtentoonstellingen degenereerden van indrukwekkend overzicht
tot pretpark, waar de bezoekers hun kicks komen zoeken en waarin de
decors belangrijker blijken dan de tentoongestelde triomfen van de
wetenschap.
Deze
evolutie is niet noodzakelijk negatief. Het vooruitgangsgeloof leidde
ertoe dat al wat vreemd was op zijn nuttigheid werd getoetst en
ingelijfd. Nu dat soort optimisme wegvalt, haalt de verscheidenheid
het van de gelijkschakeling. De auteur verzuimt trouwens niet de
wereldtentoonstellingen, voor zover ze ook schaamteloos het
kolonialisme propageerden, te hekelen als ‘getuigenis van de
westerse barbarij’.
Ook
het skiën illustreert de metamorfose van de ervaring. De duurzame
overzichtelijkheid van de Alpenpanorama’s ging ten onder in de
vluchtige sensaties van de wintersport, leert ons het essay ‘Korte
geschiedenis van het skiën’. ‘Het verhevene [van
het alpiene natuurschoon] wordt opgelost in de verheviging.’ De
Cauter vist een hilarisch citaat op van die
kunstcriticus-uit-een-andere-tijd, om met betrekking tot het skiën
de gewijzigde ervaringsmodus te illustreren: ‘Met een Britse zin
voor overstatement
schrijft [Ruskin]: “De Alpen zelf, die onze dichters zo eerbiedig
vereerden” worden gebruikt als “ingezeepte palen die beklommen
worden en waarvan men naar beneden glijdt met kreten van
verrukking”.’
Het
laatste hoofdstuk, ‘Over frivoliteit. Proeve van een postmoderne
antropologie’, maakt een chaotische indruk. Jammer, want
uitgerekend daar probeerde De Cauter tot een synthese te komen.
In
de Don Juan en de dandy ziet hij de vertegenwoordigers par excellence
van de nieuwe ervaringswijze.
De
dandy zwerft van roes naar roes. Hij acht ‘zijn sensaties
belangrijker dan de rede of het belang van de zaak’. Dit
experimenteren met ervaring karakteriseert de frivole levenshouding.
Frivoliteit kenmerkt ook het fladderen van Don Juan. Diens houding
zou met protokapitalistisch
kunnen noemen: Don
Juan verabsoluteert, net als de kapitalist, de ruilwaarde van zijn
‘object’. Net zoals de kapitalist evengoed zeep kan verkopen als
wijn, luidt het credo van Don Juan: ‘tout
le plaisir de l’amour est dans le changement’.
Frivoliteit
is nihilistisch. De frivoliteit legt ‘de immense futiliteit van al
onze pogingen’ bloot. Toch is het, althans volgens deze
‘postmoderne antropologie’, geen louter destructief verschijnsel.
‘Frivoliteit is geen symptoom van verval, maar een centraal
fenomeen binnen de beschaving als zodanig. (…) Cultuur ontstaat
door frivoliteit...’ De antropologie kan talloze voorbeelden geven
van maatschappij-bestendigende riten die heersende normen
overschrijden of op hun kop zetten.
In
de postmoderne samenleving is de roes, en dus de frivole
overschrijding van de heersende normen, gedesacraliseerd. Wat
overblijft is een stuurloze, gratuite
excessiviteit: van het overmatige consumeren – grondslag van het
kapitalisme – tot de complete verdoving in de vroege uurtjes van
een houseparty.
Een
andere representant van de frivole levensvorm is de gokker. Hij
speelt ‘het kapitalistische spel bij uitstek’: roulette. Het
verband tussen frivoliteit en kapitalisme wordt hier eens te meer
uitgelegd. Het verschil tussen gokken en speculeren is slechts een
kwestie van gradatie. ‘Het nihilisme van het gokken is een perfecte
spiegel van het nihilisme van de kapitalistische maatschappij.’
Het
valt op dat de auteur negens de recente metamorfose van de ervaring
afwijst. Hij geeft niet toe aan de verlokkingen van de nostalgie.
Integendeel: de postmoderne condition humaine hoeft niet per
se tot doemdenken te leiden. Het opgeven van het vooruitgangsgeloof
geeft de diversiteit meer kans.
Ook
het massatoerisme, waaraan De Cauter zonder al te veel misantropie
een interessant essay wijdt, heeft minstens tot gunstig gevolg dat
het cultureel patrimonium in stand wordt gehouden. En de roes is al
evenmin een negatief fenomeen. In de roes slaagt het individu erin
alle hinderlijke barrières met de buitenwereld te overstijgen; zijn
individualiteit wordt erin opgeheven (opgegeven), en in dit opheffen
(opgeven) resideert, volgens Benjamin, de esthetische ervaring. In de
roes wordt de wereld ‘weer bezield’. ‘Zoals de roes niet alleen
verdoving schenkt maar ook de dagelijkse vernauwing openbreekt die
wij werkelijkheid noemen,’ schrijft De Cauter in zijn essay over
art deco.
Mensen
die met cultuur begaan zijn kennen Lieven de Cauter allicht nog van
het televisieprogramma ‘over beschaving’ Container, dat
hij samen met zijn collega-cultuurfilosoof Bart Verschaffel maakte en
dat na enkele afleveringen op schaamteloze – schaamteloos omdat men
het met ongeschikte criteria beoordeelde – werd afgevoerd. Het
enthousiasme dat Lieven de Cauter daar aan de dag legde, straalt ook
af van zijn boek. Hier en daar lijdt zijn tekst onder deze
spontaniteit. De auteur bezondigt zich enkele keren aan overlappingen
en onafgewerkte constructies, waarbij allerlei uitweidingen het
betoog verzwaren. Sommige formuleringen zijn weinig toegankelijk voor
de modale mens.
Afgezien
van dit bezwaar heb ik niets dan lof over voor dit boek, waarvan ik
hier slechts een bondige samenvatting heb kunnen geven, zonder recht
te doen aan de zinvolle complexiteit van De Cauters ‘verhalen’,
zijn eruditie en de schat aan cultuur- en kunsthistorische
verwijzingen waarmee hij ze heeft opgehoogd: de vrucht van een
decennium lectuur en denkwerk.
Lieven
de Cauter, Archeologie van de kick. Verhalen over moderniteit en
ervaring, Uitgeverij De Balie, 1995