4 september 2025
Telefoon
van X met een heel ingewikkeld verhaal over een juridische
aangelegenheid in verband met (…), waarvan ik dacht dat het voor
hem duidelijk was dat ik mij er niet voor wens te engageren. Hij
ratelt maar door over plannen, over het gebouw, over bevoegde
instanties en de geijkte procedures enzovoort, en ik durf hem, half
slaperig want ik was na alweer een veel te vroeg ingezette ochtend
terug in bed gekropen, niet te onderbreken. Wanneer hij dan eindelijk
stopt, en nadat ik al min of meer in paniek was geslagen, kan ik hem
dan eindelijk zeggen dat ik daar allemaal niets van af weet en hem
dus niet zal kunnen helpen. Pas dan herkent hij mijn stem – ik had
hem nog niets kunnen zeggen – en dringt het tot hem door dat hij
niet de bevoegde schepen aan de lijn had. Hij heeft de verkeerde
persoon opgebeld. Waarna het telefoongesprek, dat er dus geen was,
met een beleefd afscheid wordt afgebroken.
*
(…)
*
Het idee om mijn bibliotheek in twee
afdelingen op te splitsen: enerzijds de boeken die ik in dit leven
nog wil lezen of herlezen, en anderzijds de rest. Die rest moet uit
het zicht verdwijnen. Op die manier kan ik – zeker nu het ernaar
uit begint te zien dat ik uit dit alsmaar kleiner wordende
appartement nog niet meteen weggeraak – meer plaats creëren, maar
kan ik ook de psychische druk doen afnemen, met name het
ontmoedigende effect dat uitgaat van een te groot geworden
bibliotheek – en van het slinkende aantal levensjaren.
*
Bij
De Reyghere maak ik een praatje met X, over haar kinderen en zo (zij
vraagt niet naar de mijne). Ze wonen nog alle vier thuis. De oudste
is al 27: alleen gaan wonen is onbetaalbaar duur. In de bibliotheek,
waar ik de daarover gaande ambtenaren tot de aankoop van enkele
exemplaren van Vaderader
probeer te bewegen, loop ik Y tegen het lijf. Dat leidt tot een
absurd gesprek waarin zowat elk onderwerp dat er tussen ons toe doe
uit de weg wordt gegaan. (…) In de Raaklijn koop ik De
Schönwalds van Philipp Oehmke,
Wat we kunnen weten
van Ian McEwan en Achter de donkere wouden
van Alexander Skorobogatov, waarvan ik de lectuur meteen na mijn
thuiskomst aanvat.