fragment uit Het maaiveld
Vierset (1)
Wanneer ging ik voor het eerst op reis? – afgezien van de familiebezoeken in Limburg dan, welteverstaan. Ik weet het niet meer precies. Ik denk dat het naar Vierset was, de eerste en meteen ook laatste keer dat ik op kamp ging met de CM, de Christelijke Mutualiteiten.
Vierset ligt in de buurt van het tussen Namen en Luik aan de Maas gelegen stadje Hoei (Huy). Naar de CM-kampen trokken indertijd elke zomer vele duizenden kinderen van bij dat ziekenfonds aangesloten gezinnen. Daardoor hebben ze in die mate in het Vlaamse collectieve geheugen een plaats gekregen dat velen in het algemeen en zo goed als iedereen die opgroeide in de christelijke zuil in het bijzonder weten wat Tom Lanoye bedoelde toen hij zijn debuutroman Kartonnen dozen noemde: elke kampganger kreeg bij de inschrijving als reiskoffer een kartonnen doos, waarop naam en adres zorgvuldig in het daartoe bestemde vak dienden te worden ingevuld. De jongste kinderen mochten, of moesten, op kamp in de Ardennen, voor de ouderen waren er kampplaatsen in Zwitserland.
Ik was een jaar of elf, denk ik. Mijn deelname was zeker geen vrijwillige keuze. Het zal wel een strategie van mijn ouders zijn geweest om dat jaar nog maar eens ongehinderd door kroostzorgen een reisje naar de Moezel of de Rijn te kunnen maken.
Veel is mij van dat kamp niet bijgebleven. Waaraan dat te wijten is, aan hersendeficiëntie of aan psychoanalytisch te duiden verdringing, laat ik in het midden. Van de kampplaats kan ik mij slechts een zeer rudimentair beeld voor de geest halen. We logeerden in een witgekalkte herenboerderij waarvan minstens een van de vleugels in ruïneuze staat verkeerde. De slaapzaal was ingericht boven de stallen. We konden de varkens horen wanneer ze vroeg in de ochtend om eten burrelden. Wie daardoor nog niet uit zijn slaap was gerukt werd gewekt door een flauwe plezante die er niets beters op gevonden had dan het instrumentale hitje Popcorn door een centraal op het binnenplein opgestelde luidspreker te laten schallen. Dit vervelende, met behulp van een xylofoonachtige syntheziser uitgevoerde melodietje bleef daarna de rest van de voormiddag in je kop nazeuren. Na het obligate wassen en tandenpoetsen werd er appel gehouden. Gehoorzamend aan een opvallend militaire discipline stelde het honderdtal kinderen zich op in ‘vendelformatie’. De kampleiding sprak ons toe. Telkens wanneer ik later een beschrijving las van het langdurige rechtop staan op het exercitieplein van een concentratiekamp, een vaak terugkerende topos in de holocaustliteratuur, kwam – zolang de zin voor relativering nog niet over mij was neergedaald, alsook het besef dat beide termen van de vergelijking totaal onvergelijkbaar waren – de herinnering aan dat CM-appel me voor de geest.