woensdag 12 september 2018

de herfst van 2018 – 6


Een paar zondagen geleden leerde ik Pieter Waterdrinker kennen door het programma ‘Zomergasten’. Ik had nooit eerder van hem gehoord. Waterdrinker bleek een schrijver, Ruslandkenner en bijzonder boeiend verteller. Ondánks de interviewster, Janine Abbring, die mij in vorige afleveringen al mateloos had geërgerd met haar akelige uitspraak van een verminkt Nederlands en met haar consistente geönderbreek, bleef ik kijken en besloot ik zo snel mogelijk iets van die Waterdrinker te lezen.

Het toeval besliste dat het Tsjaikovskistraat 40 werd, een weergaloos verteld autobiografisch relaas, over Waterdrinkers wederwaardigheden in Moskou en Leningrad, over zijn jeugd en ouders in Zandvoort, maar ook over de Russische geschiedenis in 1917, de instorting van de Sovjet-Unie zeven decennia later en de huidige kapitalistische anarchie en normloosheid die er heersen.

In hoofdstuk 13 heeft Waterdrinker het over het proces dat hij aangesmeerd kreeg vanwege vermeend antisemitisme in een van zijn vroege boeken. Uit alles wat hij daar zegt – aanleiding, verloop van het proces en de vrijspraak, die werd bevestigd in beroep – blijkt dat dat proces hem ten onrechte was aangedaan. Waterdrinker besluit dan ook: ‘Het geld kregen we terug, maar ik kan aan deze geschiedenis niet anders dan met walging terugdenken.’

Uiteraard vond Abbring, tuk op sensatie (en daarom ook vissend naar biografische gegevens die behoren tot de privésfeer), het nodig om deze oude case terug op te rakelen. Dat was niet naar de zin van Waterdrinker. Hij mocht dan al tonen dat hij absoluut geen zin had om op die kwestie in te gaan, ze bleef maar doorvragen. Zijn verontwaardiging daarover was oprecht maar bleef zeer voorkomend-ingehouden.

Nu ik in Tsjaikovskistraat 40 de passage over dat antisemitisme-proces heb gelezen, kan ik niet anders dan de houding van Abbring totaal verwerpelijk te vinden. En ik kan niet anders dan met instemming en aan Abbring denkend de zin citeren die Waterdrinker enige bladzijden eerder over de aanklaagster van het Openbaar Ministerie in dat bewuste proces schrijft, een zin waarin hij het voorspellend lijkt te hebben over Janine Abbring: ‘zodra ik door een kenau met een hete aardappel in haar strot op beschuldigende toon werd ondervraagd’.