donderdag 4 september 2014

driekleur 155



Ik keek naar de ene en naar de andere kant van de straat in de gelige en roodachtige nacht, er gingen twee auto’s voorbij, ik vroeg me af of ik zou wachten of een andere straat zou zoeken, verder gaan via de General Rodrigo, de mist noodt niet tot wandelen, mijn ademhaling produceerde wasem. Ik stak mijn handen in mijn broekzakken en haalde iets uit de ene omdat ik het niet onmiddellijk op de tast herkende zoals men zijn eigendommen herkent: een kledingstuk, een beha die kleiner was dan hij had moeten zijn, ik had hem gedachteloos in mijn zak gestoken toen ik het kind achternaging naar zijn kamer nadat het in de slaapkamer was verschenen, dat had ik gedaan om te voorkomen dat het kind hem zag. Ik rook er even aan midden op straat, de verkreukte witte stof tegen mijn stijve zwarte handschoen, een geur van goede eau-de-cologne en tegelijk een beetje zurig.

Javiier Marías, Denk morgen op het slagveld aan mij, 64-65