vrijdag 29 oktober 2010

302/365

301/365

300/365

299/365 / mirage 27

298/365

reactie

Ik vind je beschrijvingen van foto's geweldig, Pascal. Ik lees ze ontzettend graag.
Mia

terugblik 49 (725/1000)


Op dezelfde dag gemaakt als de vorige (en in hetzelfde pand): soms heb je van die begenadigde dagen waarop je zelfs twéé foto’s weet te maken die vier, vijf jaar later nog altijd deel uitmaken van je dagelijkse werkelijkheid. Ze hangen aan een muur, ingelijst en wel. Ze spreken nog altijd tot je verbeelding.

Tot de verbeelding spreken – wat een rare uitdrukking, eigenlijk.

Deze foto doet dat zeker. Toch bij mij. Ik geraak er niet op uitgekeken. Hoe die hond gelijkt op zijn baasje. Hoe die mensen met elkaar verwikkeld zijn, hoe ze een eigen wereld vormen – ik bedoel: een die afgescheiden is van die van het hondje. Hoe de hond de grond besnuffelt en de mensen elkaar. Hoe het tegenlicht op de vloer valt. Hoe die man links bijna buiten het kader valt. Hoe dat hoedje zo mooi op dat hoofd blijft staan. Hoe die vrouwen overduidelijk iets totaal anders bespreken. Hoe hun gelaarsde benen zijn geplant. Hoe die groene rok valt.

Ja, ik kan er naar blijven kijken. En het intrigerendste is: de nadrukkelijkheid waarmee dat hondje centraal blijft staan. Eerst zie je de hond. Dan heb je heel wat werk te verzetten met de mensen op de achtergrond. En dan keer je terug naar het hondje en je stelt vast dat het daar nog altijd heel centraal in het beeld aan het snuffelen is. Dat stelt gerust.

overschrijven 143

Het is een van de grootste raadsels van de laatste eeuw dat de gelovigen (met inbegrip van de aanhangers der Roomse dwaalleer) niet inzien dat ze bezig zijn de tak af te zagen waar ze op zitten. Juist het streven de teksten eigentijds en begrijpelijk te maken heeft de fundamenten van hun geloof ondermijnd.

Rudy Kousbroek, Opgespoorde wonderen, 186

2303

Bruno Van Dycke, op zijn tentoonstelling - 101017

woensdag 27 oktober 2010

dinsdag 26 oktober 2010

terugblik 48 (724/1000)


De kerk van Oudenaarde zoals – zo maak ik mij sterk – de kerk van Oudenaarde nog nooit eerder werd gefotografeerd. Een landmark gedegradeerd, en precies daardoor ge-opwaardeerd, tot een prooi in een spinnenweb. Het raamwerk vormt twee kruisen, dat is in al zijn katholiciteit heel toepasselijk. De ruiten zijn aan een sopje toe. De foto gaat over cadrage, maar ook over het leven. De paplaurieren vooraan zorgen voor een prozaïsche noot. Wie goed kijkt ziet hoe links een vrachtwagen het beeld binnenrijdt. Die brengt leeftocht mee, om voort te doen.

Iets fotograferen zoals iets nooit eerder werd gefotografeerd. Die opdracht wordt – als je ziet hoeveel en wie allemaal – steeds moeilijker te volbrengen. En toch. En toch.

2300

C.

maandag 25 oktober 2010

297/365

296/365

baraque lecture 75

Over de roman Sprakeloos van Tom Lanoye valt veel goeds te zeggen, maar er is toch ook iets mis mee.
Goed vind ik de grote voorleesbaarheid. Het lijkt wel alsof performer Lanoye zijn teksten met het oog daarop schrijft. Als je hem al eens hebt bezig gezien, hóór je hem razen en tekeergaan als je dit boek leest. Dat is een grote verdienste, het duidt op het hebben van een eigen stem – en dat is niet aan eenieder gegeven.

Goed vind ik de schets van een tijdsgewricht. Niet het tijdsgewricht van ‘twintig jaar later’, dat wordt veel vager gehouden, maar wel dat van zeg maar de vroege jaren zestig, de kindertijd van de zeer spraakzame jongste telg van zij die sprakeloos geworden is.

Goed vind ik de paradoxbeheersing van Lanoye. Om het effect van zijn vertelkunst te verhogen laat de contrasten hun werk doen. Teken eerst ten voeten uit hoezeer de getroffene haar taal beheerst, dan wordt het des te duidelijker wat het betekent als zij dat vermogen verliest. Laat haar kijven, prijzen, discuteren. Laat haar pleiten, bidden, schreeuwen. Laat haar prevelen, oreren en kletsen. Laat haar alle modaliteiten van de spraak met bravoure beheersen – de stilte van na de catastrofe zal oorverdovend zijn. Net zo laat Lanoye zijn verslag van het herseninfarct – wat een klein klontertje allemaal niet kan aanrichten – voorafgaan door een barokke tekening van de ingenieuze en supercomplexe herseninfrastructuur. Zo machtig het apparaat en zo wonderbaarlijk zijn werking, zo kwetsbaar het is.

Goed vind ik het onderhuids laten meespelen, het niet-expliciteren dus, van het euthanasiethema. Dat ingehoudene, die kiese terughoudendheid maakt het pleidooi vóór levensbeëindiging ‘in bepaalde gevallen’ des te efficiënter. Lanoye weerstaat aan de verleiding om deze opinie te ventileren – het zou hem toch alleen maar hebben doen verstrikken in gortdroge en hoogst discutabele omschrijvingen en stipuleringen en definities van in dit geval wel en in dat geval niet. En per slot van rekening heeft hij het over zijn moeder. Hoe zou hij ervoor kunnen pleiten haar, die hem het leven heeft geschonken, het leven te ‘ontnemen’? Neen, door de vraag niet te stellen, schreeuwt hij des te luider om een antwoord. Of toch minstens om de bereidheid om eens serieus over de vraag na te denken.

Goed vind ik de volgende nuance die Lanoye daarbij aanbrengt. Hij zegt: er zijn toch ook nog mooie momenten in die zogenaamd zinloze laatste levensjaren, die niet veel méér bieden hebben dan een aaneenschakeling van wrede, deerniswekkende, woede opwekkende momenten van aftakeling? Ja. Maar voor wie zijn die momenten mooi? Voor de patiënt of voor haar omgeving? ‘Ik had de mooie momenten niet graag gemist. Maar nog liever had ik, met terugwerkende kracht, de gruwelijke uren en dagen uitgewist. In de eerste plaats voor haar.’ (343)

Goed vind ik de sterk geschreven zinnen, de muzikaliteit daarin. Zie, en hoor, hoe die wieldop wegrolt, om zijn as draait en uiteindelijk met luid gekletter neervalt: ‘Op een kalme zomernacht is het zover. Gekrijs van rubber op asfalt, kreten, een oorverdovende klap, gevolg door een alles wegzuigende stilte waarin alleen nog het geluid weerklinkt van een eenzaam rollende wieldop die kantelt en tot stilstand tolt.’ (219-220)

Goed vind ik de bijwijlen uitzonderlijk sterke visualisering. Kijk maar op bladzijde 215 hoe Lanoye de ratten uit de rioolputroosters laat kruipen en over de straat laat wegvluchten wanneer na een hevige stortbui alles is ondergelopen.

Goed vind ik… Enfin, ik zou nog wel een tijdje kunnen doorgaan. Er is al bij al heel veel dat ik goed vind aan dit boek – voldoende in elk geval om het een goed boek te vinden. Maar Sprakeloos is niet supergoed. Niet hét boek dat de romanschrijver Lanoye definitief uit de Vlaamse klei zou hebben opgetild en van hem een internationale grootheid zou hebben gemaakt.

Ik heb twee bezwaren. Het eerste heeft met de structuur te maken, het tweede met de algemene opzet.

Laat mij met de structuur beginnen.

Een paar keer in het boek bezondigt Lanoye zich aan de gemakkelijkheidsoplossing van de opsomming. Laat mij eens mijn verste herinneringen vertellen, zegt hij, en dan krijg je een aaneenrijging van verste herinneringen. Laat mij eens beschrijven wie er allemaal in onze straat woonde, zegt hij, en dan stelt hij aan ons de bakker voor, de caféhoudster, de uitbater van de gazettenwinkel… Op zich zijn die verhaaltjes wel allemaal plezant en vrolijk en goed verteld, het zijn levendig getekende personages (sommigen zeggen: karikaturen), maar de vraag rijst, als vanzelf: mocht het niet een beetje minder zijn? Is elk van die portretten en anekdotes noodzakelijk voor het geheel? Had de krantenwinkel niet kunnen worden overgeslagen? Dit is: redundantie. En Lanoye mag dan nog zoveel beweren als hij wil dat hij precies dit overvloedige, spilzieke, oeverloze gebabbel nodig heeft om zijn woede te counteren over het feit dat zijn moeder precies in haar sterkste eigenschap, haar taalvaardigheid, is getroffen – de literaire ‘wet’ blijft gelden dat een roman maar echt een geslaagd kunstwerk is, zoals een gedicht of een schilderij pas geslaagd kan worden genoemd, als zijn geheel én elk van zijn delen noodzakelijk zijn.

Tweede bezwaar: de algemene opzet. En daarmee verwijs ik meteen naar de problematiek die Lanoye zelf aankaart in zijn eerste hoofdstuk, waarin hij de aarzeling beschrijft om aan dit boek te beginnen. ‘Dit boek’, schrijft hij, ‘is onvermijdelijk ook het verhaal van dit boek.’ Lanoye wijst het probleem aan – we kunnen dus veronderstellen dat hij zich minstens bewust moet zijn geweest van de verwikkelingen die erdoor konden worden veroorzaakt. En er ook door zijn veroorzaakt, vind ik nu. Want wat is er aan de hand? Sprakeloos, zo ben je geneigd te denken, had eigenlijk vooral een biografisch boek moeten zijn. Was dat niet het opzet: een portret te schetsen van de moeder, een ode te schrijven eigenlijk, ook al was dat een manier voor de schrijver om in het reine te komen met zijn woede om haar in zijn ogen gruwelijke levenseinde? Daar heeft het toch alle schijn van en daar is op zich uiteraard niets mis mee. Maar door in de aanloop de moeilijkheid om eraan te beginnen zo uitdrukkelijk te thematiseren, en door vervolgens zo uitdrukkelijk uit het eigen leven en de eigen herinneringen te putten, in die mate zelfs dat de figuur Tom Lanoye als het ware vóór de figuur Josée Verbeke komt te staan, brengt Lanoye zelf zijn hele constructie uit balans. Zijn boek is te autobiografisch om biografisch te zijn, het is te zeer een zelfportret om een ootmoedige verwerking van rouw en woede te zijn. Die rouw en woede komen uit de verf, vast en zeker, ja zelfs op een bijwijlen ronduit indrukwekkende wijze, maar de slagkracht boet in omdat er te veel aandacht uitgaat naar de eigen persoon. Sommige passages – zoals de telefonische ‘moedermoord’ en eigenlijk de hele kwestie van Lanoyes coming-out en zijn homohuwelijk – mogen zeker en vast niet ontbreken in de ooit nog te schrijven autobiografie of biografie van Tom Lanoye zelf, maar in dit door hem geschreven portret-met-belletristische-aspiraties van zijn moeder heb ik ze als hinderlijk en soms zelfs als gênant ervaren.

2299 / Ruhr 24/24

zaterdag 23 oktober 2010

overschrijven 142

Troost bestaat alleen in het onder ogen zien van de werkelijkheid, en die komt erop neer dat je geleidelijk aan alles ziet sterven. Maar je kunt proberen erbij te zijn en het te blijven zien. Als je wegkijkt heb je zelfs dat zien niet gehad.

Herman de Coninck, Intimiteit onder de melkweg, 55

2297 / Ruhr 22/24

donderdag 21 oktober 2010

mijn woordenboek 285

ALSTUBLIEFT

Er klinken vele betekenisdimensies door. Veel emoties ook. Ik hoor een vraag, ongeduld, een verzuchting, een klacht, een aanbod, ergernis, generositeit… Het woord is zo ingewikkeld dat je moet leren het te gebruiken. De ene betekenislaag na de andere. Het is een woord met veel gebruiksaanwijzingen en -voorwaarden.

Alstublieft, het is een samentrekking. Een afkorting eigenlijk – en dat wordt nog duidelijker omdat er ook echt een afkorting van bestaat: aub. De Nederlanders drijven het nog verder door, door die afkorting te abstraheren tot iets waar ze vermoedelijk zelfs niet eens altijd de etymologie van snappen: svp.

Als het u belieft. Voluit uitgesproken, klinkt de formulering maar raar. Afstandelijkheid. Beleefdheid en behoedzaamheid. Niet een ‘ik vraag u’ met een aandrang die geen tegenspraak duldt, maar een ‘mág ik u vragen’. Niet een gebiedend ‘aanvaard dit’ maar een schier schutterig ‘misschien komt het u goed uit dit te aanvaarden’. Niet een apodictisch ‘ik wil dit’ maar een ‘misschien kunt u er rekening mee houden dat het mij goed zou uitkomen’, dat er dan weer op zijn beurt rekening mee houdt dat die ‘u’ er géén rekening mee houdt. Het is hoe dan ook soms verstandig om rekening te houden met de mogelijkheid dat de wensen van de ander niet samenvallen met onze eigen wensen.

En natuurlijk is er de niet-vertrouwelijkheid van de aanspreking. De persoon tot wie wij ons met de formule wenden is een ‘u’. Maar ook de verzachtende vorm alsjeblieft, eventueel verkort tot asjeblieft, is ingeburgerd. Als een van de talloze manifestaties van de neiging, die onze samenleving kenmerkt, om de fundamentele ongelijkheid tussen individuen en alle veruitwendigingen daarvan, ook in de taal, onder de mat te vegen.

2295 / Ruhr 18/24

reactie

U hebt een punt daar waar Erik L. het heeft over 'links' nationalisme. De basken zijn daar nog zo'n voorbeeld van. Enkele jaren terug in een discussie verzeild geraakt in Mirafuentes met enkele basken omtrent nationalisme. Omwille van enige babylonische spraakverwarring begrepen deze dat onze stelling was; nationalisme is rechts! Bijna gingen ze op de vuist die linkse rakkers. En toch, we hadden de neiging hen sympathiek te vinden.
Zijn wij Vlamingen niet eerder geneigd los van links of rechts, eerder te gaan voor de underdog?

Ikzelf zie een kil cdu-achtige Vlaamse staat helemaal niet zitten en dit vooral omwille van die sfeer van 'wij kunnen het beter'.

Kozen wij ook niet partij tegen de Serven toen zij indertijd hun wil wet wouden zien worden tegen de andere volkeren van het voormalige Joegoslavië? Die schotten en welshmen zijn toch ongelooflijk veel sympathieker dan die arrogante bingedrinkende engelsen (eens met een schot beginnen drinken?)

De Noord Ierse onafhankelijkheidstrijd (hoor Bono al zingen) kreeg bij ons toch ook enig goedknikkend gebaar van steun tegenover die protestantse Paisly, vazal van de britten.

En kijk tenslotte naar onze broeders in Bergues, Bray Dunes, Hondtschoote en Duinkerke; zouden we niet graag deze vlamingen één laten worden met onze toekomstige natie?

Johan B.

reactie

Ik woonde gisteren een lezing van VUB-politicoloog Kris De Schouwer bij. Hij vertelde dat de duur van deze regeringsvorming zeker niet exceptioneel is, in de politiek kwakkelende jaren '70 waren er verschillende regeringsvormingen die even lang duurden.
Achteraf vroeg ik hem hoe hij de relatie tussen politiek en media inschat - of de media de kijk van het volk op politiek beïnvloeden - en uiteraard kon De Schouwer daar als 'niet-media involved' geen gestaafd antwoord op geven. Naar zijn mening beïnvloeden de media de kijk op politiek echter veel minder dan vaak wordt verondersteld, wat dus zou betekenen dat het niet de media zijn die van De Wever een vedette hebben gemaakt. Ikzelf heb bij dat laatste, net als meneer De Wilde, zo mijn twijfels. De waarheid zal wel weer in het midden liggen zeker?

Alexander

woensdag 20 oktober 2010

reactie

Beste Pascal
ik begrijp uw bezorgdheid, en deel die ook wel een beetje. Anderzijds: Wallonië blijft sowieso liggen waar het ligt, en separatisme is dan wel het streefdoel van N-Va, maar duidelijk niet op korte termijn: ik heb de De Wever-nota gelezen, en vond die constructief. Diepgaander: "En filosofisch voer ik het argument aan dat het terugplooien op zichzelf in een wereld die globaliseert absoluut anachronistisch is." Ik vind "anachronistisch" allang geen pejoratieve term meer: in mijn eigen leven probeer ik (ik ben 50) stilaan zoveel mogelijk anachronismen te koesteren, en wat is er menselijker dat je in globaliserende stormen vast te houden aan een knus plekje, desnoods zelfs "rond de kerktoren", zoals het minachtend heet? Bovendien deel ik de analyse van BDW dat een "Belgische" res publica niet meer bestaat – geen Belgische partijen, geen Belgische media, geen Belgische publieke ruimte, geen Belgische socialisatie.

Pogingen om die kunstmatig te reconstrueren, daar geloof ik niet in. Daarom steun ik BDW als die een Vlaamse "res publica" wil, met democratische controle over (zoveel mogelijk) beleid en belastingen – maar ik onderscheid dat scherp van de rechts-liberale invulling die hij van die democratie wil geven – overigens zie ik geen enkele reden waarom "links" zich in die Vlaamse res publica zou moeten laten uitrangeren. Ten slotte: ik krijg de kriebels van de oproep van de "200 acteurs, schrijvers en muzikanten" in De Morgen vandaag. De morele superioriteit. Het dédain. "Ja weet u, wij zijn met cultuur bezig, identiteit interesseert ons niet, en Vlaanderen nog minder." "Wij zijn cultuurmakers, dus hypersensitief: kanaries in de mijnschacht!" Als er ooit iets is dat mij N-VA doet stemmen, zullen het dat soort manifesten zijn. (Overigens zou ik wel graag eens iets zinnigs lezen over de vraag waarom het Schotse nationalisme wèl de steun krijgt van linkse en progressieve schrijvers en kunstenaars, zoals door de door mij bewonderde Alasdair Gray.)

Vriendelijke groet

Erik L.

2294 / Ruhr 16/24

dinsdag 19 oktober 2010

terugblik 47 (709/1000)


Sommige onderwerpen zijn heikel. In moreel opzicht, bijvoorbeeld op plekken waar de privacy van de aanwezigen in het geding is, zoals een bejaardentehuis; in esthetisch opzicht, bijvoorbeeld op plekken die platgefotografeerd zijn. Als morele en esthetische heikelheid zich met elkaar vermengen, wordt het fotograferen al helemaal problematisch.

De begraafplaatsen van de Commonwealth – in Noord-Frankrijk en in onze Westhoek door de grillen van de geschiedenis zeer gul over het landschap uitgestrooid – zijn uitermate fotogeniek. Met hun flatterend wit-groen palet van perfect gerijde zerken, hier en daar onderbroken door een tuil verse bloemen of een scheef gegroeide treurberk, en met hun Wimbledon-precies getrimde gazons vormen zij al te keurige perspectieven, die fel afsteken tegen het grauwe achterland van akkers en oprukkende kmo-zones. Deze vormgeving is zo nadrukkelijk dat het cliché nauwelijks kan worden vermeden. (Zie hier en hier). Anderzijds is en blijft het ook wel zo dat onder elke steen een lijk – of wat daarvoor moest doorgaan – is vergaan, en dat je door al dat gemillimeterde gras en het tot in de eeuwen der eeuwen verzekerde herdenken zou vergeten dat hier een niet in te schatten veelvoud van verdrieten rust en dat elke zerk een schamele poging is om ‘altijd iemands kind, altijd iemands vader’ te memoreren – om het met alweer een onvermijdelijk cliché te zeggen.

Op de begraafplaats ‘Voormezele Enclosure nr. 3’, waar deze foto werd gemaakt (maar het had op talloze andere plekken gekund), is het niet anders: hoe vermijd je het cliché, hoe maak je toch iets wat recht doet aan de plek, aan wat daar gebeurd is en nog steeds gebeurt, aan datgene waaraan je respect verschuldigd bent.

Het confronteert je met de vraag of het ‘überhaupt’ wel zinvol is om op dergelijke plekken te fotograferen. Wat in godsnaam zou je nog kunnen toevoegen?

2293 / Ruhr 15/24

reactie

Belgie blijf bestaan!!! Het is zo leuk om in Wallonie rond te kuieren, het is fijn om de andere landstaal vloeiend te kunnen spreken... en nog zoveel meer. Helaas, een groot, groot vraagstuk is het koningshuis. In geen enkel land met een koning, niet in de werkelijkheid, niet in sprookjes, heeft ooit een koning geweigerd de talen van zijn volk te spreken. Alle problemen in Belgie zijn daardoor begonnen, en zullen nooit ophouden met te bestaan. Een republiek Belgie lijkt mij wel wat, alle belgen gelijk voor de wet, kinderen leren de twee talen en overal in belgie worden de twee talen gerespecteerd. Dat zou te gek zijn, want Belgie is een leuk landje, zeker als je als ik gek bent van dat landje, maar het koningshuis behouden, neen, die zijn te zwaar in de fout gegaan en zie ik liever ophouden met te bestaan.

Anoniem

goeie vraagstelling: ik meen dat het kiesgedrag in hoge mate bepaald wordt door de media, ze hebben van De Wever een vedette gemaakt.


staf de wilde

20 procent wil wakker worden in de republiek Vlaanderen en de meesten daarvan zullen pas later voelen wat daarvan de nadelen zijn.

Slechts een minderheid wil zich informeren, nadenken en zich inzetten voor het algemeen belang, en toch zweren we bij een democratie die nog steeds toestaat dat mensen gemanipuleerd worden om enge belangen van enkelen te verdedigen die dat niet nodig hebben maar geen maat kennen?

Anoniem

maandag 18 oktober 2010

niemand wil het en toch...

Iemand moet mij eens uitleggen waarom de zaken lopen zoals ze lopen terwijl – volgens een peiling die ik hier nu niet bij de hand heb, maar ik meen toch mij het resultaat levendig voor de geest te kunnen halen – 80 procent van de Vlamingen niet wil dat het land wordt gesplitst. Daaruit leid ik af 20 procent van de Vlamingen morgen niet wakker wil worden in de Republiek Vlaanderen. Laat ons, voor de gemakkelijke rekening, zeggen dat nog 10 procent stemt voor het Vlaams Belang. Blijft er nog 10 procent over. Laat ons nu, ook voor de gemakkelijke rekening, zeggen dat dit tweede 10 procent van die 20 procent die willen dat het land uit elkaar valt N-VA’ers zijn. Dat zou niet verwonderlijk zijn want die partij ventileert toch een Vlaams-nationalistisch gedachtegoed? Niet dat ze het openlijk zeggen dat ze morgen wakker willen worden in de Republiek Vlaanderen, maar het is toch minstens op hun hidden agenda een punt. Welnu, als mijn telwerk klopt, dan zit er een onverklaarbare rest op mijn rudimentaire rekening. Meer dan de helft van de kiezers van N-VA wil morgen niet wakker worden in de Republiek Vlaanderen – en straks eind november, als we inderdaad opnieuw moeten gaan stemmen, zal dat twee op de drie N-VA’ers zijn aangezien die partij, alweer volgens de peilingen, naar 30 procent en meer zal groeien.

Iemand moet mij eens uitleggen hoe dit komt want ik begrijp het niet en ik doe nochtans heel hard mijn best. Er zijn in het verleden al erge dingen gebeurd in democratieën. Leiders en partijen die aan de macht komen terwijl hun ideeën echt niet door een meerderheid worden onderschreven. Irrationaliteit speelt mee. Domheid ook. Persoonlijke aversies. Iets wat me is bijgebleven van de berichtgeving de voorbije weken is die compilatie van ‘off the record’ opgetekende ergernissen bij de onderhandelaars. Als je van mekaar begint te zeggen dat je te veel wafels vreet of uit je bek stinkt – ik stel het nu met opzet wat grof –, dan kun je het wel schudden. Vergeet het maar dat je dan nog compromissen kunt sluiten. Dat is geen bereidheid meer tot samenwerken, dat is: haat.

Van dat soort emotioneel geladen gedragingen en verhoudingen tussen individuen die elkaar kotsbeu zijn hangt nu de toekomst van ons land af. En neen, ik ben niet sentimenteel gehecht aan het Belgique à papa. Ik zweer geen dure eden van trouw aan die aftandse monarchie. Ik erken dat de vervreemding tussen beide landsgedeelten nog nooit zo groot is geweest. Maar ik denk heel pragmatisch aan de kosten van een scheiding. En filosofisch voer ik het argument aan dat het terugplooien op zichzelf in een wereld die globaliseert absoluut anachronistisch is.

Slechts een minderheid wil het, en toch dreigt het te zullen gebeuren. Is dat democratie?

2292 / Ruhr 14/24

vrijdag 15 oktober 2010

driekleur 27

Tegen een antracietzwarte leegte sperden zich wellustige bloemen open met een doorsnede van een meter, hun bladen uitgevoerd in krijtwit en schijtgroen, hun stampers in knaloranje, hun meeldraden in kanariegeel.

Tom Lanoye, Sprakeloos, 131

baraque lecture 74

[uit een mail aan S.]
(…)
Daarna las ik, niet sprakeloos, in Sprakeloos. Ik heb nooit graag Lanoye gelezen. Hij stijgt niet boven de heimat uit, bezondigt zich aan fiorituurtjes, hoort veel te graag zichzelf spreken. Ik heb ook niet graag dat opkrikken tot dramatiek van een gewoon mensenleven. Dat wordt heel snel gezwollen, idolaat, beaat.
(…)

overschrijven 141

Herfst
Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werkelijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen
van de steeds naderende duidelijker dood.
Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivere helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd
en er is haast geen tijd meer voor mij over.
Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen:
aan het zwarte water is een hert gekomen,
en door het oevergras schijnt laag de zon...
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,
dat mij bevrijden zou, zo ik 't vertalen kon.

Vasalis (1909-1998)
uit: Parken en Woestijnen (1940)

met dank aan Laurens Jz. Coster

2289 / Ruhr 8/24

woensdag 13 oktober 2010

baraque lecture 73

[uit een mail aan S.]
(…)
Ik ga op de trein nog wat lezen, als ik niet in slaap val. Ik wil nu eindelijk Célines Reis uitlezen. Het is heel bizar: in onderdelen vind ik het magistraal, maar het geheel zakt als een pudding in elkaar. Het ene moment laat het mij Siberisch koud, dan ben ik weer verbluft door zijn vermogen om met dat drammerige en gedrevene een diep-melancholische sfeer op te roepen. Het is als een ver feest en het waait en je vangt bij vlagen het feestgedruis op. Het komt af- en aanwaaien. Je vergeet dat het feest er is, maar dan hoor je het weer en je betreurt het even dat je er niet bij kunt zijn. Die woede van Céline over de mensen en over alles wat fout loopt en over de 'ware' drijfveren achter alles, dat is één grote maskerade, zo lijkt mij, om dat ene, diepe, fundamentele verdriet achter weg te stoppen, het verdriet dat te maken heeft met het besef dat het leven inderdaad een reis is naar het einde, en dat iedereen gedoemd is om op een gegeven ogenblik de diepste nacht in zichzelf onder ogen te zien. Om daar niet blind voor te zijn.

(…)

286/365 / woord in beeld 9

285/365 / woord in beeld 8

284/365

283/365

2287 / Ruhr 6/24

100 woorden / om te onthouden 3

Hij zag er uit als een arbeider. Groot, zwaarlijvig, een iet of wat lijzige blik. Manke gang. Hij stak, tot overmaat van cliché, een groene Michel op. Het was weliswaar Groene Michel filter, maar wie steekt er nu nog groene Michels op? Wat komt die man hier zoeken, op de boekenmarkt? Waarop volgt: een les in onvooringenomenheid. De man komt naar ons kraam en vraagt of wij boeken hebben over de Russische tsaren. Neen. Over Napoleon misschien? Neen, ook niet. Wij moeten u teleurstellen. Waarop hij zijn manke gang langs de kraampjes voortzet. Een arbeider misschien, maar autodidact vorser en napoleontoloog.

dinsdag 12 oktober 2010

terugblik 46 (676/1000)


De fotograaf Henri Cartier-Bresson theoretiseerde graag over ‘le moment décisif’: het geheim van de geslaagde foto ligt – onder meer – in het juiste moment (van afdrukken). Niet te vroeg (komt minder voor), niet te laat (dat gebeurt al vaker, zeker met compact camera’s, die trager reageren dan een spiegelcamera), maar precies op het juiste, beslissende moment: het moment waarop de betekenis, die later in en uit de foto zal blijken, zich voltrekt.

Deze foto is gemaakt in het Musée Gustave Flaubert in het Hôtel-Dieu in Rouen. We zien de binnenplaats van dat voormalige ziekenhuis (waar Gustaves vader chirurg was en waar Gustave opgroeide tussen kermende zieken en foetussen op sterk water), en op die binnenplaats staat een figuur op het punt rechts uit beeld te verdwijnen.

De foto is door een ruit heen gemaakt, maar dat doet hier weinig ter zake. Het gaat over het moment van afdrukken. Dat was, herinner ik me zeer goed: te laat. Ik had de binnenkoer gezien en ik had, op die binnenkoer, de in donkere kleren gehulde vrouw met de zware draagtas van links naar rechts door het beeld zien gaan. Ik haalde in allerijl mijn compact camera boven (geen spiegelreflexen in musea waar fotograferen verboden is!) en probeerde nog voor de vrouw het hoekje zou omgaan (letterlijk dan) het beeld te vatten. Helaas, het toestel aanzetten en vervolgens afdrukken nam zodanig veel tijd in beslag dat ik te laat was.

Dácht ik.

Indien ik op tijd zou zijn geweest had ik een zonder meer banale foto gemaakt. Door te laat te zijn, was ik op tijd! Ik vatte het beslissende moment. Door pas af te drukken op het ogenblik dat die gestalte half om de hoek verdween, wist ik het ‘moment décisif’ te vatten. Ik had: chance!

Hoe dat precies te duiden valt, zie ik pas nu. En ik moet toegeven, dat is veel later dan het moment waarop ik van de foto ben gaan houden. Ik liet een afdruk van de foto maken, en die afdruk heeft al een paar jaar, ingelijst en al, bij mij aan een muur gehangen zonder dat ik hem écht gezien heb. Nu pas zie ik wat van die foto een geslaagde, goede, interessante foto maakt. Ik had het, echt waar, niet eerder opgemerkt. (En dan vind ik van mezelf, en zeggen anderen mij soms, dat ik goed kan kijken.)

Links achter de door mijn laattijdigheid gehalveerde figuur is een in de muur ingewerkt beeld te zien. Het is een beeldengroep, gehelmde figuren, waarschijnlijk een oorlogsmonument. De figuren zijn, net zoals de vrouw op de voorgrond, half in de gevel verzonken. Op die manier wordt de om de hoek verdwijnende vrouw op de voorgrond ook als een bas-reliëf, en als zodanig ‘rijmt’ zij met de beeldengroep op de achtergrond.

Op de een of andere manier heeft het geslaagde van deze foto met het onnadrukkelijke van deze correspondentie te maken. Het gaat hier om waarnemingen die zich op een halfbewust niveau afspelen.

Los daarvan zegt deze foto nog iets anders. Iets wat met kadrering heeft te maken. Een perfect horizontale horizonlijn is moeilijk te verkrijgen. Je moet je er al echt op toeleggen. Bij snapshots, zoals deze, moet je geluk hebben. Hier is de horizonlijn bijna perfect horizontaal. Het lijkt minder belangrijk, en dat is het ook, maar het is toch ook een element dat bijdraagt tot de réussite van deze opname.

2286 / Ruhr 5/24

maandag 11 oktober 2010

droom # 36

Op weg naar mijn werk kom ik in een dreef. Aan de rechterkant van de dreef zie ik de jeugd. Ze hangen daar maar wat rond en kletsen ondertussen in hun gsm: enfin, ze gedragen zich zoals ik de jeugd tegenwoordig stereotiep en bevooroordeeld waarneem. Een jongen, uiteraard met een pet scheef op zijn kop en een zwart-wit geblokt hiphopshirt, trapt naar iets op de grond, iets levends, iets weerloos. Ik ga dichterbij en zie dat het een uil is. Een groot exemplaar, een oehoe bijna. Het beest kan niet meer vliegen, strompelt voor de jongen uit. Ik pak het dier op en zet het aan de andere kant van de dreef. Daar is het echter modderig en het beest zak al vlug tot zijn borst in de blubber weg. Aan een van de meisjes vraag ik om op haar mobieltje het telefoonnummer van de dierenbescherming op te googelen. Ze weet niet hoe ze dat moet doen. Ik leg het haar uit. Tik gewoon ‘dierenbescherming Antwerpen’ in, zeg ik want we bevinden ons in Antwerpen. Ze doet het en even later dicteert ze me het nummer, dat ik op mijn gsm intik. Ondertussen zakt de uil steeds verder weg in de modder.

In het tweede deel van deze droom bevind ik mij in een kleedkamer. Is dit mijn werk? Het lijkt erop maar ik kan het niet met zekerheid zeggen. Het heeft ook iets van de school, of de sportclub, of het leger. Zeker is dat de uil, die buiten in de modder voor zijn leven vecht, vlakbij is. Samen met een paar jongemannen ben ik in slechts een slip gekleed. Ik zit ineengedoken op het bankje. Damp slaat uit de douches. De jongemannen zijn groot, gespierd en slank. Uitgelaten zingend staan ze in een groepje bij een volledig geklede man die hun een soepje oplepelt zoals een moeder haar kind een soeplepel hoestsiroop doet innemen. Een voor een slikken ze het goedje. Wat zit erin? Een of ander euforiserend, of juist kalmerend, of onderdanig makend product? De jongemannen lijken zich er geen vragen bij te stellen. Ik neem me voor om, als het mij wordt aangeboden, de lepel te weigeren.

Deel drie. Terug buiten. De jeugd is weg, de uil is weg, ik zie ook niemand van de dierenbescherming.

2285 / Ruhr 4/24