zaterdag 29 april 2006

100 woorden (1)

‘Ja, rode.’ De krantewinkeluitbaatster schuift het pakje sigaretten en de weekendeditie van de krant naar me toe. ‘Zes euro vijfenveertig.’ Voor de drieduizendste keer moet ze aanhoren hoe meedogenloos dik die kranten in het weekend wel zijn en wie krijgt dat nu in godsnaam allemaal uitgelezen. Ik prop de papierberg in de plastic zak die ik even tevoren bij de bakker kreeg. Daar kocht ik een klein volkoren, een klein kramiek en een kratje met eieren voor bij de sla van vanavond en de asperges van morgen. Ik moet nog peterselie kopen. En echte boter. Wit, groen en geel: lente.

Overschrijven (22)

Die muggenzifterij over een woord te veel of een zin te lang vond zij intellectuele kak. Sorry hoor! Maar zij behoorde niet tot het soort dat Proust ontcijferde, twee bladzijden per uur, om geleerd te kunnen doen.

Charles Ducal, De meesterknecht, 116 (Atlas, 1992²)

725


Gent.

vrijdag 28 april 2006

Ondertussen in Brugge (32)

Ingezonden stuk

Die foto's met door vierkantjes onherkenbaar gemaakte gezichten, ze zijn zo akelig. En meer nog de beelden die door veiligheidscamera's opgenomen werden. De eindeloze herhaling daarvan, van de ogenblikken waarop alles nog mogelijk was, waarop het nog kon niet gebeuren. Het slachtoffer ademt nog, de daders hebben zichzelf nog niet veroordeeld. Zoals die kinderen in dat Engels grootwarenhuis: ze staan in het neonlicht rond die kleine, hun jassen zijn te groot, hun schouders te stoer en ze nemen hem mee. Later werd dat beeld gebruikt door een kunstenaar en legde de familie klacht neer. Later schreef een antropoloog dat het allemaal aan de verveling ligt en dat in tribale samenlevingen de kinderen bessen plukken en vuur aanmaken en geen kleine kinderen doodslaan.

724


Bekegem.

donderdag 27 april 2006

Ondertussen in Brugge (31)

Mijn woordenboek (123)

ACROSTICHON
Acrostichons worden, bij mijn weten, niet vaak meer toegepast. Coderen kun je beter op een andere manier. Ronduit doorzichtig, althans voor de geoefende en een beetje erudiete lezer, moet je de methode noemen waarbij alle eerste letters van elke zin in een tekst samengenomen het te achterhalen woord vormen. Of beter gezegd van elke regel in een gedicht want daarop is een acrostichon toch vooral van toepassing. Straks begint u misschien te vermoeden dat ik hier iets wil illustreren. Terecht, natuurlijk. Ik vond er namelijk niets beters op om dit begrip met zijn eigen toepassing aan u voor te leggen. C’s vormen daarbij, zo merk ik nu, een hinderpaal. Hopelijk vindt u het niet erg dat ik me met een jantje-van-leiden van die C af maak. Ongeveer iedereen heeft het nu wel door, denk ik. Neen, veel méér dan een spielerei stelt dit stukje niet voor: het acrostichon van dit acrostichonachtige stukje (het is namelijk geen gedicht of iemand zou zo vrij van poëticale opvatting moeten zijn het zo te noemen) is acrostichon want behalve het procédé wordt ook het resultaat ervan zo genoemd.

723

zondag 23 april 2006

Duo (1/3)

Cultuurconsumptie (4)

Ik heb in de afgelopen tien maanden niet zo heel veel films gezien, eigenlijk misschien maar een stuk of zes. Deze vier zijn me bijgebleven:
2 x 5 van François Ozon (2005) is een oefening in chronologie. We zien vijf episodes in een huwelijk, maar dan in omgekeerde volgorde: het begint bij de scheiding, dan is er een ruzie in de keuken, dan de geboorte van het kind, dan het huwelijksfeest, dan de kennismaking. Ozon noopt de toeschouwer tot een zelfonderzoek: in welke mate is hij gehecht aan het normale verloop van het traditionele verhaal? En interessant is ook dat we door de omkering een andere kijk krijgen op de manier waarop onafwendbaarheid tot stand komt. Je ziet, doordat de film met de slechte afloop begint, in de kleinste details al de voorafspiegeling van het slechte einde – terwijl je in een chronologisch gebracht liefdesverhaal die negatieve voortekenen wellicht niet meteen zou herkennen. Onheilspellend en gunstig worden met andere woorden steeds gezien vanuit een bepaald perspectief. De fictionalisering stelt dat perspectief bij, richt de blik en dus de interpretatie. En het vreemde is dat je, ook al word je meteen op de slechte uitkomst gewezen, tóch blijft hopen dat het goed afloopt.
De battre mon coeur s’est arrêté van Jacques Audiard is een gewaagde psychologische studie, die in grote mate draait op de verbluffende acteerprestatie van Romain Duris. Die brengt in één en hetzelfde personage op volkomen geloofwaardige manier een brute vastgoedcrimineel én een fijnbesnaarde toppianist samen. Mooi van Audiard is dat hij moralisme weet te vermijden door de vraag in hoeverre een mens zich moreel aan kunst kan opkrikken open te laten.
La stanza dell figlio van Nanni Moretti (2001) zag ik een tweede keer en de film ontroerde mij opnieuw. Meliger nochtans kan een uitgangspunt nauwelijks zijn: gelukkig gezinnetje, dochter, zoon, drukdrukdruk en geen tijd… tot de zoon verongelukt en dan ineens staat alles op de helling. Ook hier zie je dat een film misschien toch in de eerste plaats staat of valt met goede acteerprestaties. Op het laatste beeld zien we de drie overblijvende gezinsleden die, los van elkaar, op een strand dolen: aan dezelfde zee die hun geliefde zoon en broer heeft opgeslokt. Een beeld van verscheurde, gekwetste, rouwende mensen, maar mét uitzicht op een verzoening.
In Capote van Bennett Miller genoot ik niet alleen van de acteerprestatie van Philip Seymour Hoffman, die er in slaagt om op niet-karikaturale wijze een karikatuur van een personage neer te zetten (want dat moet de schrijver Truman Capote geweest zijn: een nuffige homo, ziekelijk, naast zijn schoenen lopend van de ijdelheid, zich overdreven identificerend met zijn monsterlijke personages…). Wat de film voor mij écht sterk maakt is de manier waarop Miller de verschillende perspectieven op de werkelijkheid en op de verhouding tussen werkelijkheid en fictie over elkaar heen heeft weten te schuiven. We kijken naar een biografische film over een historische figuur, met in de hoofdrol een – door de extreem metamorfiserende acteerprestatie – bijna fictief aandoend personage. De episode uit het leven van dit personage (het schrijven van het boek In Cold Blood) wordt gefictionaliseerd: het gaat om een film met een verháál – en zoals we weten is dat niet de regel voor een leven, dat er een verháál in zit, met een uitgangspunt, ontwikkeling, ontknoping, met een plot kortom. De plot van Capote draait rond de reële maar onrealistische relatie die ontstaat tussen het titelpersonage en een van zijn ‘protagonisten’, die voor zijn – in In Cold Blood beschreven – misdaad in de gevangenis op zijn – reële – terechtstelling wacht. Uit In Cold Blood krijgen we ook enkele cruciale scènes te zien, zonder dat het onderscheid tussen de verfilmde realiteit en de verfilmde op realiteit gebaseerde fictie wordt geëxpliciteerd. Ik vermoed dat dit Millers interpretatie is van het feit dat het boek van Capote geldt als eerste in het fictiegenre dat uitdrukkelijk stelt op reële feiten te zijn gebaseerd, het is met andere woorden gefictionaliseerde journalistiek of faction of hoe noem je zoiets. Capote is behalve een psychologisch portret of een biografische film ook een onderzoek van literaire genres.

719

vrijdag 21 april 2006

37 * 28,69 * 169

Een blauwe reiger vliegt rakelings over het water mee op, sneller dan mij, met zo’n vijfenveertig per uur, schat ik. Hij vliegt door het rode scheepvaartlicht, wint dan tegen de wind in hoogte, kijkt om terwijl hij zowat tot stilstand is gekomen (het silhouet doet mij denken aan de uitgebroken archeopterix van Tardi in, ik denk, Isabelle en het monster), zwenkt en dwarrelt neer tot net boven het watervlak. Daar hapt hij toe en haalt, verrassend trefzeker, een vis van wel twintig centimeter op. Zonder met meer dan met alleen de bek het water te hebben geraakt, begint het beest weer te vliegen en ik zie nog mooi hoe hij de vis, de kop eerst, in zijn bekgleuf naar binnen laat glijden. Wat verder haal ik een Nederlandse aak in, de Allegro. Bij het zijwaarts uitspugen van een slijmklodder waait mijn zonnebril van mijn neus, ik moet terug en even zoeken voor ik hem in de graskant terugvind. Waar ik de vorige keer het vrachtvliegtuig zag en de kiekendief, zie ik nu een tweemotorig schroefvliegtuig en een torenvalk. De kiekendief vliegt wat verderop over, met de wind mee van noord naar zuid. Bij het rood licht aan de Scheepsdalebrug neemt een drietal oudere wielertoeristen afscheid: ‘Toete volgende zittinge’. Ze hebben koersbroeken van Bouwonderneming Pascal Gilbert.

717

Doornik (5/5)


L'accrochage et le chauffage.

donderdag 20 april 2006

Uit het nieuws

Het is nu al een paar weken dat het me, regelmatig bekijker van het middagjournaal op Canvas, opvalt: hoe de overheid via de media het onveiligheidsgevoel aanwakkert. Steevast staat vooraan in het nieuws niet een item dat nationaal – laat staan internationaal! – objectief het belangrijkste of relevantste zou kunnen worden genoemd (in dit geval zou dat het protest kunnen zijn tegen de opsluiting van minderjarige kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers in gesloten asielcentra, of de opstand in Nepal (met Belgische wapens onderdrukt!)), maar een onderwerp dat zeer opvallend de emoties van de modale kijker moet aanspreken.
En zo’n modale kijker wil ik dus niet zijn en ik hoop van u hetzelfde.
De uitzending van deze middag kan als exemplarisch gelden. De eerste negen minuten van het middagnieuws gingen, het was te voorspellen, naar de begrafenis van de jongen die een paar dagen geleden werd neergestoken in het Centraal Station in Brussel: emoties, niet al te veel respect voor de door de ouders gevraagde privacy, organisatie van verder collectief rouwbetoon door zeer expliciet de mogelijkheid te suggereren om op de plaats van de moord steun te betuigen of om deel te nemen aan een betoging, die dit weekend een soort van tweede Witte Mars moet worden. En passant maakt de openbare omroep nog eens reclame voor de eigen website door fier te verkondigen dat na het tonen van de beelden van de twee moordenaars gisteren in het journaal (ongeveer tien keer na elkaar!) er een recordaantal hits is geweest van nieuwsgierigen die de beelden nog eens wilden zien – of waren ze uit op beelden van de eigenlijke moord (die wél gefilmd is maar, uit kiesheid, niet op tv vertoond). Negen minuten gaan voorbij en wat is het nieuws? Dat die jongen begraven is, en daar hebben wij strikt genomen geen zakens mee.
De volgende drie minuten gaan naar een jongetje van elf dat op school gepest werd en nu beteuterd met een blauw oog naast zijn knuffels op de bank zit. Zijn verwondingen worden uitvoerig en met chirurgische precisie in beeld gebracht. Het pesten op school wordt steeds erger, zegt de commentaarstem, en de hulp die de ouders al maanden inroepen, heeft niets opgeleverd. Boodschap: u mag blij zijn als uw kroost niet met ingeslagen schedel thuiskomt, en als het toch gebeurt moet u niet de moeite doen om er iets tegen te ondernemen.
Deze vorm van sfeerschepping, je kunt het nauwelijks berichtgeving noemen, is de regel op Canvas (ik kijk niet naar andere zenders maar ik vermoed dat het daar niet anders is). U moet maar zelf eens de proef op de som nemen. Veiligheid is niet alleen van het Vlaams Blok het belangrijkste programmapunt.

716

Tervuren.

Twee geestige fouten

In de zesde druk van de roman Bekentenissen van Zeno (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985) staat, als ik het goed heb gezien, tot bladzijde 300 (waar ik nu ben gekomen), maar één drukfout. Dat hoeft niet te verbazen want, zo vermeldt Johan Polak zelf in de ‘Bibliografische aantekening’ achteraan, de tweede editie uit 1974 is het resultaat van een door vertaalster Jenny Tuin grondig bewerkte eerste vertaling uit 1964, en de derde druk uit 1979 ‘werd opnieuw gecorrigeerd, zodat een klein aantal fouten en ongerechtigheden alsnog kon worden geëlimineerd’. De daaropvolgende drukken (de vierde, vijfde en zesde) zijn dan ongewijzigde herdrukken. Alleen al deze omstandige bibliografische aantekening verraadt dat uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep minstens een gunstige orthografische reputatie nastreeft en het moet gezegd, die geniet ze ook wel. Ook nu Johan er al een tijd niet meer is om er over te waken.
Dat alles maakt die ene drukfout die ik in die eerste driehonderd bladzijden heb aangetroffen – op bladzijde 282 – des te grappiger. Het is deze – en u moet er de (sic) bij denken:

‘Gedurende mijn afwezigheid had je toch op z’n minst alle brieven nauwkeurg moeten doorlezen!’

Uitgerekend in dát woord!
Een tweede geestige fout trof ik aan in de Nederlandse vertaling door Marijke Arijs van het boekje De reis van Hector van François Lelord over een naïef formulerende psychiater die de wereld afreist op zoek naar definities van het geluk – maar daar gaat het hier niet over. Het boekje is voortreffelijk uit het Frans vertaald en zorgvuldig geredigeerd – er staat dan ook, opnieuw voor zover ik het goed heb gezien want dat weet je natuurlijk nooit – geen enkele fout in. Op, alweer, ééntje na. En opnieuw is het een geestige, nu niet zozeer omwille van een inhoudelijke maar omwille van een formele eigenschap: de enige fout in het boek staat in de laatste zin, en in die laatste zin in het laatste of voorlaatste woord (het hangt er van af hoe je die zin leest). We bevinden ons al niet meer in het eigenlijke boek maar in de dankbetuigingen. Dat betekent niet dat de aandacht mag verslappen: onzorgvuldig geformuleerde dankbetuigingen klinken niet echt gemeend.
Die laatste zin is deze:

Ik dank ook Odile Jacob zelf, voor haar toewijding en de goede raad die ze me heeft geeft.

Een schip dat zinkt bij het binnenlopen van de haven; na een lange reis struikelen over een losse tegel in het tuinpad. Het doet mij denken aan die keer, een paar jaar geleden, dat Erik Zabel te vroeg zijn handen in de lucht gooide in Milaan-San Remo, waardoor Oscar Freire in extremis kon winnen. Toen schreef ik een stukje, en dat zoek ik nu op want het komt hieronder hierboven.

woensdag 19 april 2006

715

In nood.

Overschrijven (21)

Ondanks zijn hogere handelsschool had Guido weinig notie van debet en credit. Hij keek verbaasd toe hoe ik de kapitaalrekening opstelde en ook hoe ik de uitgaven boekte. Later raakte hij zo doorkneed in de boekhouding, dat hij elke transactie die hem werd voorgesteld eerst vanuit boekhoudkundig oogpunt analyseerde. Hij vond dat de kennis van het boekhouden de wereld een totaal nieuw aspect verleende. Overal zag hij debiteuren en crediteuren opduiken, ook als twee mensen met elkaar vochten of elkaar kusten.

Italo Svevo, Bekentenissen van Zeno, 270-271 (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985, 6de druk)

Doornik (4/5)

Ondertussen in Brugge (28)

maandag 17 april 2006

Uit het nieuws

Kan iemand mij vertellen of de Verenigde Staten en het Vaticaan nu al de verkiezingsoverwinning van Romano Prodi hebben erkend? Kan iemand mij vertellen wat die jonge Duitse toerist daar in Katmandu staat te verkondigen dat koning Gyanendra als een Hitler voor zijn volk is? Kan iemand mij vertellen waarom het middagjournaal van Canvas beelden moet uitzenden van een racewagen die – ‘de ravage was enorm’ – in Turkije het publiek binnenrijdt? Kan iemand mij vertellen hoe het met de vogelgriep zit?

Doornik (2/5)

713


Brugge, Werfplein.

zondag 16 april 2006

37 * 28,39 * 132

Een koppel aalscholvers doet aan simultaanduiken, wat verderop zit er eentje zijn vleugels te drogen: met Pasen nog aan het kruis. Een blauw shirt rijdt driehonderd meter voor me uit, tweehonderd, honderd. Net op het ogenblik dat ik hem inhaal, draait hij linksaf. Ik rijd rechtdoor en hoor de bel van de overweg, waar mijn gangmaker nu wellicht aan het treinincident van vorige week in Parijs-Roubaix staat te denken. Ik memoriseer op dit nieuwe parcours de ijkpunten: acht kilometer aan de brug van Houtave, dertien aan die van Stalhille, het keerpunt op achttien. Dan zit de wind goed en haal ik makkelijk 32, 34. In de dorpskom van Stalhille vieren de narcissen in perkjes hun wederopstanding, hangt voor een raam van een hoekhuis een reclame voor Eskimo-ondergoed. Wat verderop zie ik mijn eerste zwaluw van het jaar, dit wordt dus niet het eerste zonder – dat is altijd een geruststelling, hoe lang nog? Laag overvliegend maakt een cargo zich klaar om te landen op Oostende, een bruine kiekendief blijft daar een heel eind onder. In de verte doemt het Sint-Janshospitaal op, ik schat op vijf kilometer maar het blijken er, als ik er opnieuw langs de vaart voorbijrijd, dubbel zoveel: de Polders geven een vertekend beeld van verte.

712 / Doornik (1/5)

vrijdag 14 april 2006

Mijn woordenboek (122)

ACROBATIE
Uit de tijd, voorbijgestreefd, gedemodeerd. Geen kat die nog wakker ligt van balancerende koorddansers, heen en weer slingerende geblinddoekte trapezespringers (salto mortale!), kerels die ter plaatse trappelend op een bol de piste oprollen, schaarsgeklede amazones die als een veer op en af een dol in het rond rennende pony springen, er bovenop gaan staan, of op de schouders van een zich al op de schoft van genoemd dier bevindend manspersoon naar de gunsten van het publiek dingen, enzovoort… (Ach, wat maakt het uit, die pony draaft maar cirkels en de wuivende pluim op zijn hoofd kan niet verhullen dat zijn enige bestemming de volgende voorstelling is.)
Van dat soort dolle fratsen hebben we onze buik vol. Circusacrobatie. Gecontroleerde accidenten. Met voorbedachten rade over de kop gaan en daarbij enkel rekenen op de bijval omstanders die voor deze voorspelbaarheden een fikse kneep uit hun maandbudget veil hebben. Het lijkt een niet meer in deze tijd passende onderneming. Bovendien is dit soort evenwicht-tartend geklungel al duizendvoud uitvergroot en verhevigd in computergestuurde sequenties van acrobatenfilms als The Matrix of in een partijtje zwerkbal in de Zweinstein-arena of in - alweer! - een tienduizendkoppige gevechtsscène in een of andere sequel van In de ban van de ring.
De ring!
Veel interessanter is de acrobatie die zich onverwachts en niet als dusdanig aandient, waarop wij allen soms eens een beroep moeten doen om, bijvoorbeeld, overeind te blijven bij een onverwachte koerswijziging of tuimelperte. Hier is de wonderlijk doeltreffende correctie, die ons lichaam zonder denkwerk, gratis en in een fractie van een seconde verwezenlijkt, gericht op de doelgerichte voortzetting van de beweging die wij maken, niet op het steriele ronddraaien in circuscirkels. De torenhoog met pakjes beladen man die struikelt en er in slaagt om tegelijk én naar de bevallig gillende winkeljuffrouw te knipogen, én de dame met handtas die hij onwillekeurig zwierezwaaiend heeft aangestoten zijn verontschuldigingen aan te bieden, én met drie, neen vier of vijf handen (zo lijkt het wel) de stapel in zijn armen overeind te houden – om dan te doen alsof er niets is gebeurd. Of de fietser die, na in volle afdaling in een bocht naar rechts over een kei te zijn gereden, naar links zwiept, zijn volle gewicht corrigerend de tegenovergestelde richting uitstuurt, om vervolgens door de overcompensatie vervaarlijk naar de andere kant over te hellen – en die dan nog eens, al even automatisch, dezelfde evenwicht-herstellende bewegingen uitvoert, maar nu in de tegenovergestelde richtingen, en na dat alles toch blijkt niet te zijn gevallen en rustig, zij het nu met knikkende knieën, de ideale lijn zoekend verder naar de vallei afdaalt: dát is de acrobatie die bewondering afdwingt.

Ondertussen in Brugge (26)

710


Dieu a voulu.

maandag 10 april 2006

Ouderlijk huis

Het ouderlijk huis houdt op het ouderlijk huis te zijn als je er je laatste droom in doorbrengt.
(als reactie op een post op Mikzlog)

Populisme

Wat zeggen we eigenlijk als we zeggen dat Silvio Berlusconi, Nicholas Sarkozi en Jean-Marie Dedecker populisten zijn? Ik waag een definitie:

populisme is een politieke strategie die, in een democratisch bestel, is gebaseerd op het onderscheid tussen domme en verstandige kiezers

of:

populisme is de postmoderne politieke stijl die cynisch de op vertrouwen in democratie, waarheid en de fundamentele goedheid van de mens gegrondveste macht (kwalitatief gegeven) inruilt voor een op kortetermijnrendement mikkend uitbuiten van het feit c.q. veronderstelling dat er meer domme dan verstandige mensen zijn (kwantitatief gegeven)

Het populisme, vandaag ten overvloede geïllustreerd in Italië, vertaalt zich in bestudeerde oneliners, onbeschaamd loze beloften, door mediatraining en spindoctors gestuurde publieke optredens (parelwitte lach en gitzwarte haren, kijken in de camera in plaats van in de ogen van de gesprekspartner, ingestudeerde en moeilijk met één korte tussenkomst te weerleggen argumentaties, als grap vermomde intimidatie…). Politici die hun macht op populistische wijze proberen te verwerven of bestendigen, doen dat niet alleen vanuit een berekende strategie of een bewust misprijzen voor het volk dat ze – kop per kop – nodig hebben, maar ook vanuit een fanatieke anti-intellectualistische reflex (zelfs in de minderheid vormen verstandigen een gevaar want zij kunnen eventueel de domme meerderheid, die zich koestert in haar onveiligheidsgevoel, overtuigen van het nefaste, fundamenteel anti-democratische en cynische van het populisme). Politici die het, tegen de mediastorm in, nog aandurven om niet populistisch te zijn (en die dus op een steeds naïevere, idealistischere en koppigere manier democraat proberen te zijn, en aanhanger van de gedachte dat er zoiets als een nastrevenswaardig algemeen belang bestaat dat de – fundamenteel goede – burger en niet enkel de eigen carrière moet dienen), moeten rekenen op het steeds verder terugschrijdende aandeel van kiezers dat openlijk durft te aanvaarden dat niet alle voorgestelde maatregelen per se aangenaam zijn.

Overschrijven (20)

DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U.

Gerard Reve (1923-2006), uit: Nader tot U, 160 (Van Oorschot, 1984 (18de druk))

706 / Voormezele Enclosure nr. 3 (3/3)

zondag 9 april 2006

Mijn eigen namen (36)

AMUNDSEN
‘Hij zat zo vastgevroren in zijn droom als zijn schip in de ijszee.’ Dat soort heroïek, exponent van een blind vooruitgangsgeloof, is inmiddels ondergegaan in postmoderne scepsis. Alles is ontdekt, het grote afsmelten is begonnen, de ontoegankelijkste plekken zijn gebagatelliseerd tot toeristische attractie.
Lees (hoewel het niet over Amundsen gaat maar wel over vastgevrorenheid): Christoph Ransmayr, De verschrikkingen van het ijs en de duisternis, Bert Bakker, 1990).

705


Oostende.

Ondertussen in Brugge (24)

Voormezele Enclosure nr. 3 (2/3)

zaterdag 8 april 2006

60 * 25,98 * 95

Ik haal D op in Male. We rijden, vanwege de windrichting, noord- en dan westwaarts: tegen de wind in naar Damme, Heist, Dudzele en, door het gehavende landschap, langs het Boudewijnkanaal richting Lissewege. Ik zie een kraai bovenop een liggende koe. Vlak voor Lissewege is er een weg geplaveid met betonnen tegels die afwisselend bolle korte zijden hebben en holle lange zijden, en holle korte zijden en bolle lange zijden, zodat ze op een vreemde maar toch consequente manier in elkaar passen. De weg ligt er zo al een paar decennia bij: D herinnert zich dat zijn kinderen, toen hij met hen langs hier naar zee fietste, zich al over het vreemde tegelpatroon verbaasden. In Zuienkerke haal ik een fles cola uit een automaat: de suikerspiegel schreeuwt om bevoorrading. Tussen de weg van Brugge naar De Haan en Stalhille ligt een wrede kasseistrook. Piëteitsvol (Parijs-Roubaix van morgen in gedachten) nemen we die zonder morren, heel professioneel de handen bovenop het stuur. Het laatste stuk laten we ons met meer dan 32 per uur drijven op de stevige rugwind – gelukkig dat die er is want ons beider bobijn is af.

Voormezele Enclosure nr. 3 (1/3)

704


Ieper.

vrijdag 7 april 2006

Mijn woordenboek (121)

ACRIBIE
Acribie, het klinkt als een vloek. Uiterste nauwkeurigheid, en vooral dan in talige uitingen (waarvoor het woord hier en daar nog wordt gebruikt), is passé. In het woord hoor je niet de plastic dreun van het klavier maar het gekriebel en gekras van de ganzenveer. Akkerdzjie, in het scriptorium weerklinkt een vloek: alweer een vlek.
Waarom put ik mij uit, span ik mij in om accuraat te verwoorden? Welke neurose noopt mij daarbij de haast te ontlopen? Wie fluistert mij in aan een adequate formulering te hechten? Acribie in – godbetert – een blog, past dat niet als een tang op een varken?
Hé, dat is een goed idee: waarom eens niet googlen op ‘acribie’? Je komt, voor je het weet, uit bij een zaalvoetbalclub, een groep belastingadviseurs, een huidverzorgster en, warempel, toch ook nog een vertaalbureau. En, door de willekeur van de digitale snelweg geleid, zeer onfilologisch dus, vind ik langs deze weg op een site over reformatorische wijsbegeerte volgende, behoorlijk zorgvuldig geformuleerde onwillekeurige witz: ‘Het komt mij voor, dat de onderzoeker die de minimale acribie te boven wil komen, met het studiemateriaal van Kor Bril een zeer goede kans van slagen heeft.’
Het is, al bij al, een woord dat ligt te verstoffen op de talloze aan de vergetelheid prijsgegeven schappen van ongebruikte bibliotheken. Het maakt deel uit van een wereld waarin nog verschillen bestaan, wat nauwkeurigheid noodzakelijk maakt en een half woord onvoldoende.

703

woensdag 5 april 2006

35 * ? * 35

Na een lange en kille winter vind ik eindelijk wat tijd en goesting en het waait niet te veel en het is niet te koud of te nat enzovoort – zodat ik me de fiets op hijs. Dat ik de indruk heb dat het ding het na meer dan een halfjaar stilstand nog aardig doet, is ongetwijfeld te danken aan het feit dat ik m’n fietsverplaatsingen in die periode op een gammele damesfiets heb verricht: vanuit dat perspectief gezien bolt álles goed. Alleen de ‘kilometriek’ doet het niet, zodat ik u mijn gemiddelde snelheden voorlopig schuldig moet blijven – maar dat is sowieso niet iets om mee uit te pakken in mijn huidige conditie. Er staat een behoorlijk frisse noordenwind, ik rijd het kanaal naar Oostende op en af. Er zijn dit jaar alweer meer aalscholvers dan het vorige jaar, een blauwe reiger vliegt een eindje met me mee op. Net voorbij het keerpunt in Zandvoorde begint mijn voorste band te lossen. Pas in Stalhille is de fut er helemaal uit, een jongeman die zijn auto staat te wassen geeft me wat lucht – heel vriendelijk maar tevergeefs. Ik rijd de laatste twaalf kilometer ‘op de zante’, zoals ze dat hier zeggen – mijn voorste buitenband is toch aan vervanging toe, dus kan het geen kwaad. (Naar aloude gewoonte heb ik nooit reservemateriaal bij…) Door het noodgedwongen gezapige tempo ben ik nog in staat een wulp te zien en een koppel tafeleenden: de kop van het mannetje vlamt ros op in de avondzon.

701

Alexander von Humboldt (5/5)

dinsdag 4 april 2006

Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (42)

De l’octroi, la voiture s’étant arrêtée pour un instant à une telle hauteur au-dessus de la mer que, comme d’un sommet, la vue du gouffre bleuâtre donnait presque le vertige, j’ouvris le carreau ; le bruit distinctement perçu de chaque flot qui se brisait avait, dans sa douceur et dans sa netteté, quelque chose de sublime.
(II:898)

Nadat het rijtuig bij het tolhuis even halt had gehouden op een zodanige hoogte boven de zee dat het uitzicht op de blauwige afgrond bijna hoogtevrees inboezemde, alsof we ons op een bergtop bevonden, opende ik het raampje. Het duidelijk hoorbare gedruis van elke brekende golf was zo zacht en helder dat het iets subliems had.

Bij de tol – het rijtuig een ogenblik op zo grote hoogte boven de zee gestopt zijnde dat, als vanaf een bergtop, het gezicht van de blauwige afgrond haast duizelig maakte – deed ik het raampje open; het scherp te onderscheiden geluid van iedere brekende golf had, zacht en helder als het was, iets subliems.
(Cornips IV:305)

700

Ondertussen in Brugge (22)

maandag 3 april 2006

Mijn woordenboek (120)

ACOLIET
Wie niet ophoudt zijn leermeester slaafs te volgen, blijft uiteindelijk verweesd achter en zal onbekwaam zijn om op zijn beurt een voorbeeld te zijn. Zolang de leerling niet autonoom een onderscheid kan maken tussen goed en kwaad, tussen mooi en minderwaardig, tussen verkieslijk en te vermijden, neemt hij min of meer klakkeloos de waarden en oordelen over van zijn goeroe, die altijd niet meer dan tot op zekere hoogte competent kan zijn en derhalve vooral op basis van wat gemakshalve uitstraling of charisma wordt genoemd, en van een kritiekloze adoratie bij zijn acolieten, een ongenaakbare status geniet. De leerling schildert in dezelfde trant, echoot dezelfde frasen, ziet de wereld met dezelfde ogen. Maar eens moet dan toch de vadermoord worden voltrokken. Al was het maar omdat de wereld verandert en omdat op onveranderde wijze de wereld blijven zien een ontoereikendheid in de blik verraadt. Hoe graag ook de meester werd gezien, hoe onvoorwaardelijk ook zijn waarheid voor waar werd aangenomen, hoe kritiekloos ook zijn boodschap werd aanvaard – hij moet er aan, en als hij wijs is, weet hij dat zelf ook wel. Wie acoliet blijft voor het leven, is een slechte leerling. Of heeft een slechte leermeester gehad, een die zich door die blinde, onvolwassen adoratie in zijn ijdelheid liet strelen en niet tot vadermoord heeft aangezet. Ja, ’t is een kwestie van volwassenheid – aan beide kanten.

699


Rood-wit-blauw.

zondag 2 april 2006

698

Brugge, zondag, kwart over negen. De Ronde van Vlaanderen start straks in de regen.