woensdag 30 september 2009

dag 752 – 090907 maandag

Ja kameraad! Sla alvast
een vaatje wodka in,
en al wat je behoeft
om borsjtsj te bereiden!

Je zult zien: talloos vele
vrienden zullen wersten
overbruggen om oeverloze
coupletten te debiteren!

(antwoord aan een facebookvriend die vindt dat gecanoniseerde gedichten nog zo slecht niet zijn en die wou dat wij, net zoals de Russen, ze konden citeren in gesprekken met elkaar)

1912

Brussel, nationaal parlement

dinsdag 29 september 2009

facebookbericht 92

zag daarnet Jossip W. door de Brugse Steenstraat kuieren, een beetje hinkend aan de zijde van zijn lieftallige echtgenote wier naam mij intussen is ontsnapt.

dag 747 – 090902 woensdag

Er is de jongste dagen op Facebook en in de media enige commotie over de bedreiging van de privacy op netwerksites. Als ik het goed begrepen heb, want ik ben nog niet zo lang Facebook-junkie, is dat niet de eerste keer. Dergelijke geruchten duiken regelmatig op, ze werpen zich als golven op het brede strand waarop iedereen zich als de fijnste vleeswaren etaleert, en gaan dan, onnaspeurbaar, op in de branding van het wereldwijde web. Facebook zou je intiemste gegevens te grabbel en te kijk gooien. Facebook is een instrument in handen van de CIA. Op Facebook kun je je hele carrière, wat zeg ik, léven, op het spel zetten. Jaja, er is zelfs al een zoveelste ‘Facebookdode’ gesignaleerd: een vrouw die in haar Facebookstatus de omschrijving van haar burgerlijke stand van ‘relatie’ had veranderd in ‘vrijgezel’ werd prompt door haar ex vermoord. Allemaal de schuld van Facebook.

Ik vind dat flauwekul – wat het natuurlijk ook ís.

Afgezien van het feit dat het evident is dat je voorzichtig bent met het leveren van persoonlijke of private informatie op een forum dat in principe, ik herhaal, in principe, voor iedereen vrij toegankelijk is, is die zogenaamde bedreiging van de zogenaamde privacy absoluut overtrokken. Want waar gaat het om. Mag iemand niet weten of ik man ben of vrouw, homo of hetero, links of rechts, zeventien of vierentachtig? Of ik een relatie heb of niet? Ik heb daar helemaal geen moeite mee. Ik ben een heteroseksuele man van 47, sociaal links en cultureel veeleer rechts. Voilà.

En ja, ik heb een relatie.

Maar dat is geen nieuws voor u want u had dat, ook al heb ik dat nog nooit expliciet gesteld, allang opgemaakt uit wat u van mij te lezen en te zien krijgt. Hier, op Facebook of elders. Bijvoorbeeld in de werkelijkheid want die is er natuurlijk ook nog. Wat ik wél niet ga doen, is personen bezwadderen, kwaad spreken over mijn baas of collega’s, meningen ventileren die mij zouden kunnen worden aangerekend (als ik die al zou hebben), zonder hun instemming spreken over derden als dat geen algemeen belang dient, portretfoto’s publiceren zonder toestemming, ongenuanceerde prietpraat verkopen.

Mocht ik dat allemaal doen, ik zou uw interesse niet vermogen op te wekken.

Schoenmaat en lichaamsgewicht kan ik u per aparte missive doen geworden.

Hierboven zei ik ‘in principe’ want de openbaarheid van blogs en netwerksites is natuurlijk zeer beperkt. Want wie léést eigenlijk al dat geouwehoer en geleuter. Bovendien moet je op Facebook niet voor niets met iemand ‘bevriend’ zijn om je te verdiepen in zijn of haar status en voortbrengselen. Ja, in de eeuwige jachtvelden van de hogere informatica waren er ongetwijfeld types rond die uw ‘vriend’ niet hoeven te zijn om te weten te komen welk type van relatie u al dan niet hebt, maar ik vermoed dat er daar maar weinigen zijn die voor die specifieke informatie enige belangstelling zullen willen opbrengen.

Wat is dan eigenlijk het probleem met Facebook? Ben ik dan niet bang dat mijn bewegingen in het hoofdkwartier van de CIA met bijzondere belangstelling en special intelligence worden gevolgd?

Neen, daar ben ik niet bang voor. Maar ik ben – permitteer mij even het slechte Nederlands maar ik heb het nodig om deze op de voorgaande zin te laten aansluiten – wél bang dat er iets aan de hand is met ons identiteitsbesef. Met onze zin voor het verschil tussen het impliciete en het expliciete. Met onze inschatting van het belang van privacy.

Er steekt veel ijdelheid in het schermen met het recht op privacy. En dus veel leegte, want dat is het dikwijls wat ijdelheid hoort te maskeren. Het zijn over het algemeen onbelangrijke mensen die zich beroepen op het recht op privacy. Zij handelen alsof zij iets te verbergen hebben omdat ze niets te verbergen hebben. Zij meten zichzelf enig belang aan omdat ze onbelangrijk zijn.

Je hebt het ook met mensen op straat die te kennen geven dat ze niet gefotografeerd willen worden. Ik bedoel: niet op de foto willen staan die je van die straat maakt – een straat is nu eenmaal een stedenbouwkundig item waarin mensen kunnen voorkomen. Wat hebben die mensen te verbergen? Ze lopen toch niet voortdurend met die hand voor hun gezicht op straat? Wat toont mijn foto méér van hen dan wat om het even wie die hen in werkelijkheid te zien krijgt kan opmerken? Ik begrijp dat niet. Mijn enige verklaring is: ijdelheid. Die mensen meten zichzelf belangwekkendheid aan door hun leegte te verbergen.

Dat ze ondertussen door tientallen bewakingscamera’s worden gefilmd, daar malen ze niet om.

facebookbericht 91

gaat vandaag een recensie schrijven over de zeer bijzondere roman-in-verzen Bittergarnituur van Arthur Wevers.

1911

Brugge, Stationsplein – 090623

ondertussen in brugge 137




maandag 28 september 2009

debuut 12

Chroomeczeem

Dansende figuurtjes op het voorplat kondigen het al aan: het universum van Saskia van Leendert (1972) valt uiteen in de polen rust en onrust. Maar de onrust overheerst en daarom is voor haar het nec plus ultra: een plek waar je even kunt toeven, tot rust en op adem komen, blijven. Zoals de slotregels van het gedicht ‘As’ het aangeven: ‘het was die dag in mei waar handen handen / beroerden, zachte huid ontbrandde in // mijn keel de adem stokte en jouw lach / naar binnen drong op zoek naar plaatsen waar // je blijven kon.’

Er is zelfs een heel gedicht aan gewijd, aan dat concept van opperste zaligheid. Het heet: ‘Een plek om te blijven’ en het gaat zo:

Hier wil ik mijn hoofd leggen
in de najaarszon die mij
langzaam draait
in haar richting
waar zij
als een deken
mij toedekt
zonder vragen
naar het waarom
en uren dagen weken
liefdesliedjes zingt.

Maar helaas, u voelt het al komen: de rust in dit Eden wordt verstoord, de bewoners van het paradijs worden verjaagd. En niet zozeer door een externe calamiteit of een eigen stommiteit, maar gewoon omdat de hang naar onrust hun ingebakken is, zoals het motto van Saskia van Leenderts debuutbundel Hoe zij mij leest suggereert:

Met alles om me heen
op de plaats van bestemming
verlang ik naar een speling van het lot

Nuja, ik weet eigenlijk niet of het een motto is. De drie regels, waarschijnlijk van Saskia van Leendert zelf want er staat geen andere auteursnaam onder, gaan aan alle getitelde gedichten vooraf, aan de bundel dus, en zouden dus als een motto kunnen functioneren.
En dan zegt dit motto: na de verlangde en verkregen rust, is onrust mijn nieuw verlangen.
Die gedachte, hoe waar en relevant ook als uiting nopens de menselijke bestaansconditie, levert nog geen sterke verzen op – zoals hierboven al is geïllustreerd. Een enkele keer lukt het Van Leendert wel, uitgerekend in het gedicht ‘Allergie’, waar ze haar weinig avontuurlijke versjes inruilt voor een werkelijk gedurfd taalspelletje:

Mijn atopische constitutie
veroorzaakt hooikoorts
urticaria en astma bronchiale.

Rhinitis, conjunctivitis
gastro enteritis, spastisch colon
dyspepsie en eczeem

krijg ik van aardbeien, pinda’s
gluten, kunststoffen, chroom
pollen, huisstofmijt

en behaarde wezens
zoals jij.

Maar meestal komt deze debutante niet verder dan onmature verzen zonder poëtische meerwaarde, zonder schoonheid. Zij maakt niet waar wat ze in het poëticale gedicht ‘Woorden’ aankondigt: ‘tweedehands[e]’ woorden ‘opnieuw rangschikken’ en ‘herformuleren’ ‘tot de taal eruit ziet als nieuw’.

Of zou ze dan toch in het geciteerde vers ‘het was die dag in mei waar handen handen’ bewust de klank van de maandnaam zijn dubbele werk hebben laten doen: in mei/in mij?


Saskia van Leendert
Hoe zij mij leest
Free Musketeers, Zoetermeer, 2009
57 p./ € 14,95



Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009/4

facebookbericht 90

baant zich, als door boter, een weg naar de slotbladzijden van Arthur Wevers' schitterende debuut - tegelijk proza- én poëziedebuut want het betreft een roman-in-verzen -: Bittergarnituur.

1910

Brugge, Pottenmakersstraat – 090626

zondag 27 september 2009

facebookbericht 89

steigert wanneer hij de VRT-sportverslaggever hoort zeggen dat Evans dan misschien niet een sympathieke maar dan toch een verdiende wereldkampioen is.

1909

Brugge, Katelijnepoort – 090626

zaterdag 26 september 2009

debuut 11

Zandkorrelkastelen

Met het Hendrik de Vriesstipendium ondersteunt de gemeente Groningen jaarlijks afwisselend een jonge beeldend kunstenaar en een jonge dichter. In 2007 viel de eer te beurt aan de toen 21-jarige ex-huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen 2005-2006 Jurre van den Berg (1986). Van den Berg is ook medewerker van de Groningse poëziestichting Doe Maar Dicht Maar.

Jurre van den Berg is zich als het ware ambtshalve al heel erg bewust van de mogelijkheden die het medium hem biedt.

De titel van het openingsgedicht van zijn debuutbundel Binnenvaart is, toepasselijk, ‘Voor het vertrek’. In dit gedicht, dat voorafgaat aan de drie cycli waaruit de bundel is opgebouwd, vuurt Jurre van den Berg ij-klanken op ons af en wikt hij en passant de anagrammatische vermogens van de werkwoorden ‘vijlen’ en ‘vlijen’.

Er is een lijst gemaakt met plaatsen
en tijden van aankomst.

Als we de kinderen een lepel
jenever hebben gegeven
kan er gesproken worden

over wat in diepe zakken
te bewaren, wat we achterlaten
waar onze pijngrenzen liggen.

We wegen de bagage
vijlen onze nagels
poetsen tanden zacht

vragen de cartograaf de kaart
nog één maal uit te leggen

terwijl we onze vingers vlijen
aan het voeteneinde
van hoogtelijnen.

En in al die ij-klanken resoneert de pijn mee.

In ‘Fragmenten uit een kleine geschiedenis’ test Van den Berg de alertheid van de lezer door twee strofes subtiel te moduleren:

Iemand nam zich voor van iemand anders
te gaan houden.
[…]
Iemand nam zich voor van iemand
anders te gaan houden.

In ‘Overdaad’ speelt de debuterende universiteitsdichter sluw met klanken:

Hoe het rook in de metro
god- en mensvrezende Polen

te witte lakens
en Pakistani in Parijs.

Ik bedoel maar: het zijn wellicht de klanken en medeklinkers die maakten dat het Polen en Pakistani moesten zijn, het had minder goed geklonken met Denen en Irakezen.
De drie gedichten waaruit ik de voorbeelden van Van den Bergs mediumbeheersing put, maken deel uit van de eerste cyclus, ‘Zandbanken’. In het laatste gedicht daarvan, ‘Weegschaal’, tref ik een fragment aan, een scherf, die mij de mogelijkheid biedt de hele bundel duidend te omvatten. Het gedicht eindigt met:

het gruis uit de tuin
dat door mijn handen gleed

wat je niet vast kunt houden
kun je niet wegen.

Er is dan al sprake geweest van zandbanken, strandjutten, graven, bodem en aarde verplaatsen.
Net zo is er sprake van ‘zelfbedachte spraak’, ‘woorden’ en een ‘verhaal’: ‘Het verhaal is vaak mooier / dan het einde.’ Beide betekenisclusters, en nog andere, haken in elkaar en raken verknoopt in een complex weefsel dat je vele malen moet herlezen om de betekenis ervan, of een aanzet daartoe, tot je te laten doordringen. Boeiend!

De gedachte dat de chaos beheersbaar dient te worden gemaakt, het vluchtige stilgezet, het onoverzichtelijke toch overzien, komt vaker terug. We hadden al de cartografen. In het eerste gedicht van de openingscyclus gaat het over ‘landmeters [die] kwamen / om na te gaan of alles inderdaad zo was / als het leek’. En helemaal achteraan in de bundel, in het poëticale laatste gedicht (‘Toevoeging’) van de derde cyclus (‘Uitgestelde sluitertijd’), komt de gedachte van het ordenen, het oplijsten, het in kaart brengen nog een laatste keer terug en wordt meteen het gruis, het wegsijpelende zand, nog een keer opgevoerd:

We scheppen orde uit wanorde
bouwen kastelen van korrels zand
herkennen dieren aan hun sporen.

Het evenbeeld van afwezigheid
is dat er niets aan ons voorbij gaat.

Ik zie de dingen scherper nu ze
weg zijn: koffiekringen op de tafel
een slot bungelt aan een hek.
Wat blijft is dit

bewaarde licht
met uitgestelde sluitertijd

de twijfel aan het einde
van de regel (er slaapt lucht
tussen de haakjes). Dit dus

is een toevoeging aan dat
wat niet kwam, aan dat
wat er niet is, aan dat
wat niet gaat komen

en er gaat niets aan mij voorbij.

De gedichten van de tweede cyclus, ‘Wij zijn hier pas sinds gisteren’, bevatten citaten uit of verwijzingen naar, of zijn toch in elk geval geïnspireerd op passages uit het boek Job.
Ook hier brengt Jurre van den Berg – op het hermetische af – betekenissen en motieven samen. Het gaat over taal, over lang wachten met spreken en dat dan uiteindelijk toch doen, en wat er dan verandert, over het herhalen, over een stad die niet vraagt, niet wekt (in ‘Tekens’):

De stad vraagt niet of ze hier
moet blijven, ze wekt niet de indruk
een indruk te willen wekken
of te zwijgen over alles wat ze zag.


Ik wil niet de indruk wekken hier alles over mijn indrukken te hebben gezegd. Er is veel meer, er is veel meer. Binnenvaart is een intelligente bundel, ondanks zijn geringe omvang overvol, soms misschien wat te hermetisch en daardoor zelfs een beetje vrijblijvend, maar in elk geval een zeer geslaagde entree in de poëzie.

Jurre van den Berg
Binnenvaart
Passage, Groningen, 2009
46 p./ € 14,50

Deze recensie verscheen in Poëziekrant 2009/5

1908

Brugge, opening Visartpark – 090627

vrijdag 25 september 2009

facebookbericht 88

stelt vast dat de systemen die hij in het leven heeft geroepen om zijn leven ordentelijk te laten verlopen inmiddels zo talrijk en tijdrovend zijn dat ze een nieuwe chaos veroorzaken.

dag 745 – 090831 maandag

baraque lecture 28

Het standpunt dat Marguerite Yourcenar in Het hermetisch zwart inneemt, is effenaf duizelingwekkend. Ze weet alles, ze velt geen oordelen, ze juxtaponeert waardoor je de indruk krijgt dat voor haar, of beter: voor haar verteller, alles even belangrijk is, evenwaardig. Alle rangorden en hiërarchieën vallen weg, het goddelijke komt naast het banale te staan, de mens staat tegelijk in het midden van het heelal én hij zweeft verloren in de verste periferie. Een verhaal over het einde van de ‘duistere’ middeleeuwen, de aanzet tot humanisme en renaissance en uiteindelijk verlichting? Jazeker, maar Het hermetisch zwart is meer nog dan dat een filosofisch onderzoek naar de consequenties van een postmodernistisch aanvoelen van de wereld: wat gebeurt er als alle verhoudingen verschuiven, als alles wat waarde had in evidente rangordes aan twijfel wordt blootgesteld en de wereld plots kan worden bekeken vanuit een ander perspectief? Dan gebeurt wat Yourcenar beschrijft in het essentiële hoofdstuk ‘De afgrond’:

Tijd, plaats en materie verloren de kenmerken die voor ons hun begrenzingen uitmaken; de vorm was niet anders meer dan de uitgerafelde schors van de materie; de materie druppelde langzaam weg in een leegte die niet zijn tegenstelling was; de tijd en de eeuwigheid waren slechts één zelfde ding, als een zwart water dat in een onbeweeglijke plas van zwart water stroomt.

Er is geen vooruit of achteruit meer, geen links of rechts, alle tegenstellingen gaan op in elkaar en in een eeuwige terugkeer van hetzelfde, het menselijke streven wordt richting-, stuur- en betekenisloos. Een afgrond gaapt. De schrijfster laat deze existentiële ervaring opgaan in de metafoor van de alchimie, waarin het zogenaamde ‘hermetische zwart’ een fase is. Dat is een nevenspoor. Met een superieure glimlach komt Yourcenar daar in haar ‘Noot van de schrijfster’ op terug.

De titel Het hermetisch zwart, aan dit boek gegeven, duidt op de zwarte fase, in het procédé der hermetische filosofen de fase van de scheiding en oplossing der stof, die naar men zegt het moeilijkste deel van het Grote Werk was. Men is het er nog niet over eens of die uitdrukking sloeg op vermetele proefnemingen op de materie zelf, of symbolisch opgevat moest worden als de beproevingen van de geest die zich bevrijdt van sleur en vooroordelen. Waarschijnlijk heeft hij beurtelings of gelijktijdig het ene en het andere betekend.

facebookbericht 87

is zeer enthousiast over het door Carl De Keyzer ingevulde nummer van De Standaard.

1907

donderdag 24 september 2009

mijn woordenboek 231

AFWENNEN
Inertie en nieuwsgierigheid zijn aan elkaar tegengestelde drijfveren. Bij inertie is overigens drijven, in de zin van aandrijving of opjagen of sturen, welbeschouwd geen goed werkwoord, maar goed. Inertie is een vorm van stilstand, inertie kan het gevolg zijn van neofobie. (Maar een kater kan daarbij evengoed als trigger fungeren.) Inertie kan echter ook samenvallen met een beweging, zij het dan wel een constante, rechtlijnige en voorspelbare beweging. Een waarbij alles bij het oude blijft. De komeet die door de oneindige ruimte suist en blijft suizen omdat hij door niets wordt afgeremd, is inert. Bij inertie, stilstaand of eenparig bewegend, neigt alles naar het niet-aanvaarden van verandering. Ja zelfs naar het niet eens overwegen ervan. Hieruit put de conservatief zijn jeugd (en zijn deugd): uit het verlangen alles bij het oude te laten. Deze neiging, nauwelijks een wil of streven te noemen, is voor de mens een basiscategorie. Een basisrecht ook: het recht om stil te staan bij wat hij gewoon is, bij wat hij gewend is. Eenieder komt het recht op luiheid toe. In dat licht vergt het besluit om iets af te wennen, om te ontwennen, gewetens- en daadkracht. Je moet je losrukken uit een sleur, uit iets waaraan je met een zeer stevige lijm zit vastgeklit. De man die stopt met roken of blowen of pruimtabak kauwen onttrekt zich aan zijn eigen haren aan de zwaartekracht. Hij engageert zich in een aartsgevaarlijk avontuur, een ongewisheid die hem ver van het knusse huis zal brengen, in dichtbegroeide jungles vol slangen, in schroeiendhete woestijnen met luchtspiegelingen, in berggebieden vol hectometers diepe kloven en steile wanden met verraderlijk losse stenen. Het is een moedige onderneming – en veel meer valt daar niet over te zeggen.

facebookbericht 86

zag daarnet op de trein iemand lezen in het verzameld werk van Willem Elsschot.

1906

De Panne - 090722

woensdag 23 september 2009

dag 768 – 090923 woensdag

Beste direttore, presidente, voorzitter.
CC zijn volgelingen-wieltjeszuigers + incluis de polderbizon en andere exoten

Heer Rik III, baas der wielervrienden-van-de-zondagvoormiddag, sorry dat ik u zo plechtig aanspreek.

Ik zal, in weerwil van uw vriendelijke uitnodiging, zondag alweer niet op post zijn maar het tegendeel zou u hebben verbaasd. Het leven dat ik tegenwoordig, en eigenlijk al een jaar of drie, vier leid, valt zo goed als niet te verzoenen met het profane zondagochtendritueel dat mij telkenmale in wisselende bewoordingen en met gevarieerde incentives wordt voorgespiegeld en dat bestaat uit: in kleurrijke pakjes op gekke fietsen een traject van ettelijke decakilometers af te leggen ten einde ten slotte op hetzelfde punt uit te komen. Volgende zondagochtend, ik zal het u zeggen, zal ik, terwijl u zich met uw volgelingen in de zonet beschreven activiteit bekwaamt, in De Panne ontwaken, naar de bakker aldaar stappen, aanzitten aan het ontbijt met mijn liefste en haar 86-jarige moeder, naar Brugge rijden (per automobiel), het middagmaal bereiden en het vervolgens verorberen met nu mijn 81-jarige moeder en met mijn liefste (dezelfde - grammaticaal gesproken zou het, vanwege het gebruik van de exclusieve superlatief, nonsensicaal zijn mocht het een andere zijn). U ziet, mijn volgende zondagvoormiddag staat in het teken niet van de fiets maar van de liefde, de bejaardenzorg en de gastronomie, in die volgorde! Fietsen in kleurrijke pakjes en op gekke fietsen zal er niet bij zijn!

Maar ik denk met toenemende weemoed en dito lichaamsgewicht terug aan de tijd dat ik op zondagochtend met zeer veel plezier fietsend door de Polders mocht meeneuriën met rondborstig gebrachte gezangen van een ideologische strekking die niet naadloos bij de mijne aanleunde maar, alla, we zagen het door de vingers, diezelfde vingers die zich handschoenloos en haaks om de buffelhorengewijs naar voren gekrulde remapparatuur vlijden. Het was een tijd dat ondergetekende af en toe ook eens, laat ons bescheiden blijven, voor polderwisent mocht spelen en het neuriënde pelotonnetje op sleeptouw nemen. Of voor poldergems. Langs bochtige wegen. Tussen de wit-zwart gevlekte koeien. Op zondagochtend. Ontwaakt! verworpenen der Aarde...

Maar ik dwaal af.

Het fietsen an sich blijf ik natuurlijk hoog in het vaandel voeren. Ik blik terug op een rijk wielerleven (weliswaar, Karel Van Wijnendale indachtig, geen 'rijk Vlaamsch wielerleven') én vooruit naar een hopelijk rijke wielertoekomst. De aandachtige volgelingen van Pascal Digital onder u zullen hebben gemerkt dat ik er ook iets aan doe: afgelopen zomer fietste ik bijna 500 kilometer in de Cevennen waarvan, dat spreekt voor zich binnen de geografische logica in een Franse landstreek waar nagenoeg niets polderplat is, ongeveer de helft uit klimkilometers bestond. Ik zal niet zeggen hoe traag en hoe moeizaam het ging en welke calvarieachtige proporties sommige hellinkjes aannamen, maar toch! Om maar te zeggen dat ik het fietsen nog niet volledig ontrouw ben geworden.

A propos, vrienden van de zondagvoormiddag, ik denk wel dat ik het mag zeggen: ik kwam laatst lid, piot, waterdrager J.R. tegen, en wel op de trein, en uit zijn mond kon ik zijn voornemen noteren om binnen afzienbare tijd terug te keren naar het peloton. Of toch tenminste naar het stalen ros, en wel voor het vermalen van kilometers die vérder zullen strekken dan de bakker of het station. Een termijn wilde hij daar nog niet op plakken, ook niet met solucie, maar het is toch al een begin - mijn hart jubelde bij het herstel van het zijne! Men zegge het voort. Rondborstig en joviaal! De internationa-a-le...

Vrolijk gestemde groeten van uw infidele renner, uw afvallige zondagochtendrecreant, uw spijts het inmiddels ontelbare aantal afwezigheden nog steeds in uw adressenbestand vertoevende zondagmorgenwielervriend,

Pascal

facebookbericht 85

weet van sommige sleutels aan zijn sleutelbos niet meer welke sloten hij ermee kan ontsluiten.

facebookbericht 84

leest over de trainer van Anderlecht, die zich zou willen distantiëren - en meer dan terecht, zou ik zeggen - van de zeden en gebruiken in het huidige voetbalwereldje, dat hij 'slecht communiceert'.

1905

De Panne - 090724

dinsdag 22 september 2009

facebookbericht 83

had vandaag met J een gesprek over Schaarbeek en viel van zijn stoel.

reactie

Dag Pascal

En dan heb je 4 uren les gegeven aan volwassenen, die hoogstwaarschijnlijk er zelf voor gekozen hebben om in je les te zitten! In het middelbaar daarentegen hebben je leerlingen die keuze niet gehad, je hebt dan als lesgever te maken met pubers die vaak een heel gamma problemen in de klas brengen: gescheiden ouders, ADHD, dyslexie, autisme, schoolmoeheid enz.

Troost je: alles went. Mettertijd zal je vermoeidheid veel minder worden! Ik spreek van ondervinding.

Vriendelijke groet

Christiane

facebookbericht 82

was gisteren uitgeput van twee keer twee uur volwassenenonderwijs en heeft grote bewondering voor wie dagelijks tot een uur of zeven voor een klas staat.

1904

Sint-Michiels, Magdalenastraat - 090725

mijn woordenboek 230

AFWENDEN

Het is niet door de andere kant op te kijken dat je het noodlot kunt verhinderen om in zijn ene, dwaze, duidelijke richting zijn gang te gaan. Wie het hier denkt te hebben afgewend, komt het daar toch tegen. Het hoge Ispahan-gehalte van de loop der dingen noopt tot deemoed en moedig vooruitkijken.

Ethische overwegingen zijn nooit afdoend om het afwenden van de blik te rechtvaardigen. Leven in de waarheid: het is een hoog aangeschreven en hooggestemd ideaal. Maar esthetische zijn het wel. Afdoend. Om het afwenden van de blik te rechtvaardigen. Je slaat kies de ogen neer, je kiest ervoor niet te kijken. Díe vrijheid heb je. Te allen tijde. Ten aanzien van sommige fenomenen mag je zwak zijn.

Daarom is het zo wreed om, zoals in A Clockwork Orange gebeurt, iemands ogen open te spalken en hem tot kijken te dwingen. Eigenlijk kun je van niemand verwachten dat hij alles wat hem wacht onder ogen ziet. Het afwenden van de blik waardoor – ik herhaal het – nooit een noodlot zal worden afgewend, is iets wat altijd een privilege van de zwakke mens hoort te blijven. Het is weliswaar niet hoogstaand om bij de afrekening te moeten toegeven ‘het niet te hebben geweten’, zeker niet in het Duits, maar het is wellicht wel vergeeflijk, zeker als zowat iedereen de andere kant uitkeek zodat je niet meer kon weten in welke hoek de slagen vielen. Ik dénk dat het vergeeflijk is – het is een moeilijke kwestie.

maandag 21 september 2009

dag 746 – 090901 dinsdag

De film Partir is een ongelooflijke draak, u moet er absoluut niet heen gaan.

facebookbericht 81

maakt zich echt zorgen over de volksgezondheid als hij in het park aan de andere kant van de straat de meisjes van de naburige school in hun donkerblauwe collants en bleekblauwe T-shirts na een half rondje strompelen al amechtig naar lucht ziet happen, de handen in de zij.

1903

Brugge

zondag 20 september 2009

zaterdag 19 september 2009

facebookbericht 80

las vandaag, deels in zijn geliefde Ryckevelde en grotendeels met gemengde gevoelens, Speeldrift van Juli Zeh uit.

mijn woordenboek 229

AFWEKEN

Laat mij toe even – voor één keer maar, ik beloof het – nostalgisch te zijn. En wel over deze kwestie: toen postzegels nog échte postzegels waren en dus tandjes hadden en op hun achterkant een met spons of tong te bevochtigen lijmlaagje, kon je ze afweken. Meestal gebeurde dat vanuit filatelistische overwegingen: je ‘spaarde’ postzegels, dat wil zeggen dat je van zoveel mogelijk verschillende postzegels minstens één exemplaar beoogde te verwerven, die je dan zorgvuldig met een pincet in de kalkpapieren vakjes van een speciaal postzegelalbum schoof. Maar ook kwam het verzamelen van postzegels vanuit decoratieve overwegingen voor, zij het toch in beduidend mindere mate: met de afgeweekte postzegels (of met de dubbele) kon je immers prachtige collages samenstellen. Deze collages waren verwant met de toch iets vaker beoefende kunst van het beplakken van flessen met sigarenbandjes. (Sigarenbandjes, lieve kinderen, waren met prentjes bedrukte strookjes papier die, als een ring rond een vinger, rond de sigaar zaten die vader na de maaltijd opstak. Een sigaar is een tien tot vijftien centimeter lange cilinder, nooit veel dikker dan een wijsvinger, bestaande uit een hoeveelheid tabakskruimels en -drendels, gevat in een vakkundig gerold tabaksblad. Een sigaar opsteken doe je door hem aan de ene kant in brand te steken. De rook die hierbij vrijkomt, wordt langs de andere kant, die tussen de lippen wordt gebracht, opgezogen en circuleert vervolgens enkele seconden in de mondholte, alvorens te worden uitgeblazen.)

Maar goed. Het afweken van postzegels kon op twee manieren. Ofwel dompelde je een aantal uit de enveloppen geknipte postzegelhoeken onder in een liefst platte kom water en wachtte je geduldig tot de lijm was opgelost en de zegels het stukje envelop waaraan ze nog vasthingen loslieten, ofwel hield je de uitgeknipte zegelhoek van de envelop, of de volledige envelop of ansichtkaart waarop die zegel door de afzender was aangebracht, een tijdje in de damp boven de tuit van een ketel met kokend water, er angstvallig zorg voor dragend dat je bij die operatie je vingers niet verbrandde.

Ja, postzegels afweken, dat was een heel avontuur. Dáár hielden wij ons op regenachtige vakantiedagen mee bezig. Wij konden wegdromen bij de afbeeldingen op de zegels, van koningen of prinsen, kleurige vogels en insecten, vliegtuigen, kunstwerken, oorden, beroemdheden… of bij de adressen op de envelop, de afzenders, de bestemmelingen, de datum en plaatsnamen van de stempel, de inhoud van de handgeschreven groeten uit zonnige oorden op de achterkant van de ansichtkaarten, enzovoort… Postzegels openden een wereld. E-mail, facebook en al dat soort zaken zijn ongetwijfeld een grote vooruitgang – maar dat kleurige universum van papier en gom en tandjes en pincetten is toch jammerlijk en voorgoed verloren gegaan!

reactie

De enquête over “de hoofddoek”:
De stelling brengt bij mij alvast enkele dualiteiten naar de oppervlakte. Die zijn louter aan mijn eigen denken te wijten.
In de context die ik me hierbij voorstel, zie ik “de hoofddoek” inderdaad als symbool van de vrouwonvriendelijkheid in de islam.
Ik geef toe dat ik hiermee een algemeen oordeel formuleer over een ideologie, een religie die naar mijn mening door middel van haar religieus karakter zichzelf in leven houdt binnen een populatie.
Het is daarom niet a-priori een oordeel over een individu binnen deze populatie. Hoe ik het individu aan den lijve percipieer, zal ertoe leiden dat ik hem of haar al dan niet als vrouwonvriendelijk beschouw. Mijn eventueel oordeel over zijn of haar religie zou ik hier buiten laten.
Toch was deze reflectie voor mij niet voldoende om mijn “vote” te kunnen plaatsen. Noodgedwongen ging ik op zoek naar een ruimere accepteerbare context.
Is de afgeleide stelling, dat de islam vrouwonvriendelijk is, wel juist?
Hier kon ik twee wegen mee uit:
Weg één: je neemt de Koran ter hand, je leest het boek uit en je evalueert het op vrouwonvriendelijkheid. Je doet dit bovendien voor een aantal versies. Maar net zoals de meeste onder ons, heb ik daar noch de tijd, noch de goesting voor. Ik kan enkel terugvallen op artikels en auteurs die dit voor mij al gedaan hebben, op het gevaar af dat mijn perceptie een opinie van een opinie is.
Kritisch als ik ben, weet ik dus nog steeds niet naar welke kant mijn waardemeter uitwijkt.
De andere weg dan maar: de populatie zoals ik ze vrij abstract noem. Jammer genoeg ken ik vrij weinig mensen die zich islamitisch noemen. Het enige waar ik kan op terugvallen is de stereotype van een bevolkingsgroep (Marokkanen, Turken…).
Maar het plaatje wordt helemaal troebel als ik mij realiseer dat ik het effect van vrouwonvriendelijkheid binnen de lagere sociale klasse ook nog moet uitfilteren. Conclusie: ik weet het nog steeds niet.
En toch gevoelsmatig blijft mijn lijf eraan vasthouden: ik blijf bij mijn antwoord.
In een poging om toch tot acceptatie te komen en finaal te stemmen, sus ik mijn innerlijk conflict dan maar als volgt.
Het feit dat ik akkoord ben met de stelling, wil niet zeggen dat ik iedere vrouw de vrijheid ontneem om een hoofddoek te dragen, of ze nu de islam, het christendom of het hindoeïsme praktiseert. Integendeel.
Als ik nu vandaag mijn hele gedachteproces rond deze stelling heranalyseer, kom ik uiteindelijk tot de essentie waar het voor mij om gaat:
“de samenzwering tussen ideologie en religie”.
Een ideologie op zich is een standpunt. Het laat nog altijd vrijheid toe, tenzij het juist die vrijheid in twijfel trekt.
Een religie heeft stricto sensu een ritueel karakter. Het zou enkel een vorm mogen zijn die het individu aanzet tot een bepaalde beleving. En het individu beseft wel degelijk dat het om een middel gaat ten behoeve van een ervaring.
Met de komst van de grote religies is rite of symboliek gelijk geworden aan ideologie en omgekeerd.
Op zich is dit nog geen erg voor zover je er geen kwaad mee aanricht. Je kan het hoogstens een vorm van dwaasheid noemen.
Maar wanneer het “religisch middel” indruist tegen wat ik mijn eigen ingebakken “oer-ethische norm” noem, dan ben ik niet akkoord. Ik ben dan ook gerustgesteld dat de meeste deelnemers aan jouw enquête hebben geantwoord zoals ikzelf. Ik kan enkel hopen dat ze het vanuit een vergelijkbare redenering hebben gedaan.

D.F.

1901

Brugge, Pottemakersstraat

vrijdag 18 september 2009

dag 763 – 090918 vrijdag

Sinds ik op facebook actief ben, heb ik daar toch al heel wat plezier aan beleefd. Je hebt contact met nieuwe mensen – ook al is het virtueel, het is dan toch contact dat je anders helemaal niet zou hebben gehad; je krijgt allerlei impulsen (een filmflard, een stuk muziek, een verslag van een verre reis); mensen tonen belangstelling voor wat je doet en jij leert zelf ook de interesses van anderen te waarderen, ook al ken je hen van haar noch pluim; je leert een hele nieuwe communicatietechniek onder de knie te krijgen; je hernieuwt het contact met mensen uit een ver verleden… Je hebt het met Dirk van Bastelaere over de dictatuur van het format. Je herkent in Didier Van De Steene een schitterende tekenaar. Bernard de Coen blijkt een gretige vertaler. Enzovoort.

Er zijn natuurlijk ook ambetante ervaringen. Een ervan was de hier volgende. (Niet dat ik op het negatieve wil focussen, maar ik vind het belangrijk te pleiten voor bedachtzaam formuleren – hetgeen veel narigheid zou kunnen voorkomen.)

Op een berichtje van Jan Haerynck over de pulpjournalistiek op De Standaard Online –

leert elke dag dank zij de site van de kwaliteitskrant de standaard bij wat het échte nieuws is: freya krijgt een zoontje, els en danny zijn stiekem getrouwd, en nu jij!

– schreef ik een vrij onbenullig commentaartje, waar ik nu niet bepaald trots op ben:

en de verkoopcijfers van De Morgen, die naar verluidt inhoudelijk niet bepaald de 'goede' richting uitgaat, stijgen het meest van al - ^¨° zucht

Let op de ironische smiley-imitatie. Mijn meninkje was gebaseerd op enerzijds een bericht op De Standaard Online van een paar dagen geleden over de verkoopcijfers van de ‘kwaliteitskranten’, anderzijds op enkele onafhankelijk van elkaar ingewonnen negatieve reacties van De Morgen-lezers, die zelfs in die mate ontgoocheld zijn in die krant dat ze te kennen gaven hun abonnement te zullen opzeggen. Zelf ben ik geen lezer van die krant, vandaar: ‘naar verluidt’.

Wat later verschijnt onder mijn reactie een nieuwe reactie, en wel van De Morgen-coryfee Walter Pauli:

@Pascal Cornet: U schrijft: "De Morgen, die "naar verluidt" inhoudelijk niet bepaald de 'goede' richting uitgaat." Naar verluidt, dus. Ik stel voor dat u De Morgen ofwel leest, ofwel niet leest, maar dat u uw oordeel laat afhangen van uw eigen lectuur. Tenzij u analfabeet bent, of verstandelijk onvermogend, of een van die mensen die zijn mening graag laat bepalen door hear say en een vage common sense. Ik ken u niet persoonlijk, maar dat laatste zou dus wel eens het geval kunnen zijn. Naar verluidt.

Ik moet toegeven, dat is wel even schrikken. Pauli heeft zeker een punt: een ‘naar verluidt’ is wel een erg smalle basis om een oordeel te vellen. Anderzijds ken ik De Morgen toch wel een béétje (ik heb er zelf een jaar of acht als freelancer voor gewerkt en ik léés natuurlijk om de zoveel weken wel eens in die krant). Bovendien vind ik dat het oordeel van mensen die wél dagelijks met die krant omgaan en duidelijk uiting hebben gegeven aan hun ontgoocheling - zonder dat ik hen daar om heb gevraagd - toch wel íéts waard is. Maar goed, ik heb een mens die zich met lijf en leden voor zijn werk inzet op de ziel getrapt. Dat betreur ik. Maar nu is dat toch ook weer geen reden om met insinuaties à la ‘analfabeet’ en ‘verstandelijk onvermogend’ te komen aandraven. Dat ik al helemaal niet strook met het door Pauli opgehangen beeld dat ik mijn mening laat bepalen door ‘een vage common sense’, zal iedereen die bijvoorbeeld mijn blog volgt kunnen bevestigen. Maar het is vooral de laatste zin in Pauli’s reactie die mij verontrust. Ik antwoord hem dan ook met een volgende reactie onder Haeryncks bericht:

@Walter Pauli. U schrijft: "Ik ken u niet persoonlijk, maar dat laatste zou dus wel eens het geval kunnen zijn. Naar verluidt." Kunt u mij uitleggen wat u daarmee bedoelt?

Ik kan het niet laten in die woorden een soort van dreigement te lezen – of toch minstens een intimiderende intonatie.

Ik heb op mijn vraag nog geen antwoord mogen ontvangen.

Wel kreeg ik een reactie van Xavier Roelens, die toch enige opheldering verschaft:

Met 'dat laatste' wordt toch gewoon verwezen naar 'een van die mensen die zijn mening graag laat bepalen door hear say en een vage common sense'? En met die laatste twee woorden wil hij je een koekje van eigen deeg geven.

De heer Pauli klinkt alsof hij wel erg snel op zijn tenen getrapt is, maar ik zou het niet al te persoonlijk nemen. Want dat zit ook in die laatste twee woorden inbegrepen: 'Ik (Walter Pauli) weet ook wel dat ik mijn uitvlieger enkel op deze korte, spontane reactie baseer en dat dit niet voldoende is om een iemand te be/veroordelen.

'Verder alle respect voor het werk van Pauli. Als ik mij tegenwoordig erger aan De Morgen, dan zal het zeker niet aan zijn eruditie en scherpe pen liggen. Het ligt eerder aan het feit dat ze zichzelf nu verkopen 'met hoofdletter K van Korting' en met een radiospotje waarin futurisme voorgesteld wordt als een leeg doek.

Ja, je komt op facebook volk tegen. En je steekt er veel van op.

facebookbericht 79

verzet bergen lectuurwerk: een aangename job.

1900

G. – Le Bois du Casier, Marcinelles – **0208

donderdag 17 september 2009

dag 743 – 090829 zaterdag

baraque lecture 27
Lectuurcoïncidenties. Nog maar net heeft Zeno in Het hermetisch zwart op zijn vlucht een blinde doedelzakspeler ontmoet, of Djavid heeft het in Ultramarijn van Henk van Woerden over de blinde luitspeler Ozan: ‘Ozan is misschien blind, maar hij kijkt met de pupillen van zijn hart.’ Zoals Yourcenar zegt dat het toch eigenaardig is dat blinden zich ‘te pas en te onpas’ bedienen van het woord ‘zien’: ‘hij zag dat Zeno een man in de kracht van zijn leven was en een goede ontwikkeling bezat; hij zag dat de zon nog op zijn hoogtepunt stond; hij zag dat hetgeen over het pad achter hen passeerde een wat gebrekkige vrouw was die een juk droeg waaraan twee emmers hingen.’ (221)

zomerreis 2009

Wie de 34 foto's 'zomerreis 2009' nog eens wil bekijken, kan dat hier. Dubbelklik op de eerste foto en bekijk dan de rest.

facebookbericht 78

besprak met zijn neef een onontkoombaar thema: de onontkoombaarheid van familierelaties.

facebookbericht 77

had vanmorgen op de trein 'Bert très émo' van The Portables op de iPod en vindt dat een fantastisch nummer.

1899

G. – Visartpark, Brugge – 090627

woensdag 16 september 2009

winkelwagenblues 13

facebookbericht 76

kocht net in De Slegte Zwagermans bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays - niet meteen naar De Slegte vliegen want het was een 'occasie', geen ramsj - en is van plan daar iets mee aan te vangen op zijn blog.

facebookbericht 75

leest over een geschiedenisleraar die van het dak springt. Dat is in die school in korte tijd al de tweede geschiedenisleraar die baan moet ruimen. Daarmee bedoelt Juli Zeh - want het is in een roman dat het gebeurt, Speeldrift - zeker iets te zeggen.

dag 739 – 090825 dinsdag

baraque lecture 26

Het vergt natuurlijk wel moed, al zeg ik het zelf, om aan 2666 te beginnen. Niet in de eerste plaats omdat de postume ‘roman’ van Roberto Bolaño een pil is van elfhonderd bladzijden, maar omdat je hoe dan ook de hype errond moet trotseren – na ettelijke valse alarmen in de boekhandel is een mens wel op z’n hoede bij dit soort van modieuze sellers.

Maar bij Bolaño zit je goed. Hij stort een oceaan over je heen waarin je aanvankelijk jezelf met plezier onderdompelt, vervolgens het prangende gevoel krijgt kopje onder te gaan en meegesleurd te worden met een gevaarlijke onderstroming, en het is zaak om op tijd boven water te komen om naar lucht te happen. Bolaño sleurt je mee van intrige naar uitweiding naar nevenverhaal en er komt maar geen eind aan. Het is moeilijk om neen te zeggen tegen zo’n boek. Het is zelfs geen kwestie van ja of neen te zeggen. Jij wordt gedicteerd, het boek heeft je in zijn macht.

2666 bestaat uit vijf hoofdstukken of ‘delen’ (zo worden ze genoemd) die afzonderlijk zouden kunnen gelezen worden indien de lezer daartoe de behoefte zou voelen. (Het was in elk geval de bedoeling om ze, om begrijpelijke redenen, afzonderlijk op de markt te brengen maar omdat Bolaño voor dat alles stierf, hebben de erven, in overleg met de uitgever, beslist om het toch allemaal tegelijk op ons los te laten – een optie die ook voor de vertalingen werd aangehouden.) Ik heb nu de eerste twee delen achter de kiezen en ben aan een break toe – en dat heus niet alleen omdat andere dingen de voorrang opeisen.

Het universum van Bolaño blijft iets te zeer aan de ribben plakken. Zijn bijwijlen delirerende stijl stelt mijn geduld op de proef. Mijn nog enigszins klassieke leesverwachting – ik ben niet altijd bereid om mijn verlangen naar een verhaal dat ergens begint en ergens heen gaat volledig op te geven – staat een onvoorwaardelijk en op de lange afstand volgehouden enthousiasme in de weg. Maar toch is de balans overwegend positief en zal ik mijn lectuur van dit boek zeker voortzetten. Bolaño’s stijl is weergaloos, zijn meanderende associaties zijn onweerstaanbaar, de cynische ondertoon van zijn uiteenzettingen intrigerend en uitdagend.

Maar waar het over gaat – dat kan ik u nog niet meedelen. Het gaat over de mens. Over de mens die op de grenzen van zijn menselijkheid stuit. En over wat er áchter de rede ligt. U zegt, dat heb ik wel al vaker gelezen, daar heb ik Bolaño niet voor nodig. U hebt volkomen gelijk: het is volstrekt nutteloos 2666 te lezen. Maar 2666 is wel van het soort literatuur dat noodzakelijk is.

zomerreis 2009 / 34/34

Clermont-Ferrand – 090820

1898 / zomerreis 2009 / 33/34

Clermont-Ferrand – 090820

dinsdag 15 september 2009

dag 735 – 090821 vrijdag

We vertrekken in Clermont-Ferrand rond een uur of negen. Eerst langs nationales tot in de buurt van Nevers, en van daar richting Parijs. Voor Nevers houden we stops in Gannat (voor inkopen) en ergens voor of na Moulins, ik weet niet meer waar precies (voor een koffie en een sanitaire stop in een baancafé waarvan de waard veel wegheeft van een verloren Griek en waar in de gelagzaal een immens aquarium niet één vis bevat). Verstrooid beland ik op de ingewikkelde Francilienne (ik verkies de Périphérique). Na ook nog de verwaarloosbare stukjes tussen Parijs en Lille, en vervolgens tussen Lille en Brugge, te hebben weggemalen, komen we om zeven uur behouden thuis.

facebookbericht 74

ziet dat een drie uur geleden gepost bericht van Radiohead, waarvan hij 'fan' is, al door 3937 personen 'leuk' gevonden wordt.

1897 / zomerreis 2009 / 32/34

Clermont-Ferrand – 090820

maandag 14 september 2009

dag 734 – 090820 donderdag

Dat we pas om acht uur wakker worden, zal wel symptomatisch zijn: wij willen hier niet weg! De opruiming, de afbraak. We gaan eerst nog zwemmen en koffie drinken bij R. En dan begint de afscheidsronde: J & B, J & H, R (van wie ik nog snel een portret maak), F & J. Het vertrek, de emoties.

Via Cornus en Saint-Eulalie (op ons 83 km-parcours dus!) richting Millau. De wondermooie brug, die lastig te fotograferen is. Dan de autosnelweg op, tot aan de Viaduc de Garabit, waar we picknicken.

Terwijl wij dit wonder van bouwkunst bewonderen, een exploot van Eiffel waaraan ook de vader van H – zo vertelde H ons gisteren – zou hebben meegewerkt, en wel bij het leggen van de elektriciteitsleidingen, en terwijl er een toeristenbootje onder ons voorbijvaart dat, megafoongewijs versterkt, enkele nuttige informaties betreffende bouwjaar en hoeveelheid staal verstrekt, en terwijl een arend op lage hoogte voorbijzeilt, zo laag dat hij zich tussen ons en het bootje bevindt, bewondert S […].

Dan naar Saint-Flour, alwaar wij in een eerste kerk een horreur van een hedendaagsekunsttentoonstelling ondergaan, in een tweede kerk, de kathedraal, het prachtige dertiende-eeuwse kruisbeeld Le Bon Dieu Noir mogen aanschouwen, en buiten op straat een heerlijk ijsje eten en een openluchttentoonstelling bekijken met aan een hek opgehangen foto’s van plaatsen in deze streek, ‘geconfronteerd’ met foto’s die gemaakt werden aan de in deze context opvallend grijze Belgische kust.

Via een paar kleinere wegen – mét stop om van het landschap foto’s te maken – bereiken we de autsosnelweg naar Clermont-Ferrand. Daar is het even zoeken naar een betaalbaar hotel. We vinden uiteindelijk een kamer in een ketenhotel, mét uitzicht op het kerkhof.
Nadat we ons daar behaaglijk hebben geïnstalleerd, blij dat we nog altijd van het leven mogen genieten, trekken we per tram naar het centrum. Enkele jongeren van allochtone signatuur kleuren de sfeer. Zij bepalen, door de deur te blokkeren, wanneer de tram vertrekt. Zij zijn, zoveel is duidelijk, de baas: het verzoek om uit de open deur weg te gaan en het gesprek met de gozer op het perron te beëindigen klinkt niet meer dan obligaat. Bij het aperitief op een terras aan de Place Gaillard maken we kennis met een chômeur professionnel. Na lang zoeken vinden we in de buurt van de zwarte kathedraal een pizzeria. We nemen nog een afzakkertje op hetzelfde terras en slaan op de tram een praatje met de zichzelf médiateurs noemende, in gele hes gehulde ordehandhavers. Zij moeten de neiging om keet te schoppen van het zootje ongeregeld, dat ook op deze rit sfeerbepalend is, en niet bepaald in de gunstige zin, enigszins afremmen. Ze zijn met twee: een bijzonder rustige jonge vrouw en een bijzonder zenuwachtige jongeman.
De bijzonder zenuwachtige jongeman is heel erg opgetogen wanneer hij de naam hoort van de stad waar wij vandaan komen. Ja, daar kennen wij het probleem niet dat hij hier helpt op te lossen of toch minstens, met gevaar van eigen lijf en leden, onder controle te houden. Er rijden overigens ook geen trams in onze mooie stad – waar wij morgen naar terugkeren.

facebookbericht 73

zag daarnet een bescheiden gezinswagen met in de nummerplaat de lettercombinatie 'API' en met aan het stuur Herr Seele.

1896 / zomerreis 2009 / 31/34

Clermont-Ferrand – 090820

zondag 13 september 2009

facebookbericht 72

zag gisterenavond Marguerite Yourcenar met een guitige twinkeling in haar ogen en een ongemeen grote luciditeit de olijk geformuleerde vraagjes van een nog jonge en leesbrilloze Bernard Pivot beantwoorden.

dag 733 – 090819 woensdag

droom #29
Verwarde droombeelden. E, […], verdrietig ineengerold in een laken in de hoek van de slaapkamer. Een kleine uitgave van G’s sprekende hoofd in de lavabo. Wandeling langs een strand met kinderen die spelen in boerderijtjes waarvan de naar de branding gekeerde kopgevels verweerd zijn door zee, zout en wind. Volgende droomflard: B komt een aan mij toebehorende tekening van hem terugkopen.

Half acht op, S maakt geen aanstalten om meteen, zoals we ons hadden voorgenomen, de fiets op te springen. Dus is er eerst koffie en Bolaño.

Om kwart voor negen vertrekken we voor onze kleine ronde, die van 63 kilometer: ik langs Saint-Félix en S via Le Clapier. We kruisen elkaar tussen de col du Notre Dame en Montagnol. Het is bijzonder warm, te warm om te fietsen. In Ceilhes noteer ik het nummer van de notaris die het huis verkoopt – maar ik vind het al veel minder aantrekkelijk dan toen ik het een paar dagen geleden voor het eerst zag. Ik koop een cola en een croissant. Ik zie af op de steile klim tussen het station bij Mas Neuf en Le Clapier. Wanneer ik bij de wegwijzer naar Saint-Julien ben aangekomen, belt S vanuit Saint-Maurice, of ik haar met de auto wil komen ophalen in Fondamente want ze ziet de laatste klim voorlopig niet meer zitten. Een uur later zitten we bij Baldi, waar we tussen de charmant beschilderde muren van de gelagzaal kiezen voor de copieuze dagschotel. We rijden naar Latour, en van daaruit naar de afgelegen ateliers annex winkel van lederwarenspeciaalzaak Le Sac du Berger – […].

Terug op de camping gaan we afrekenen. In het zwembad babbelen we met R, R en E. S doet nogal opgewonden in het water, ik leid eruit af dat hij ons zeer graag moet hebben.

We krijgen J & F en J & H op de aperitief. H vertelt over zijn martelaarschap als soixante-huitard. Iemand had toen hij supporterde tijdens een rugbywedstrijd een fles tegen zijn hoofd gegooid, en zo was H in het ziekenhuis van Montpellier beland. De straten stonden in brand en dus stond ook dat ziekenhuis op stelten. Enkel de spoedgevallen kregen een goede behandeling. H was met zijn hoofdwonde zo’n spoedgeval, maar doordat iedereen dacht dat hij tijdens de manifestaties in Montpellier door een CRS was neergeknuppeld, kreeg hij een heldenstatus toegemeten. H verzweeg uiteraard dat het om een domme supportersrel ging.
We hebben het er ook nog over dat de Bretoense jurist misschien een brief kan schrijven om R te helpen.

In de schuur stippel ik de route van morgen uit en wissel adressen uit met de ex-professor. Er is ook nog een gesprekje met B over de toekomst van de camping. Ik leer nog een nieuw woord: cruciverbiste (=oplosser van kruiswoordraadsels).

facebookbericht 71

was vandaag een uur lang zijn moeder kwijt.

1895 / zomerreis 2009 / 30/34

Clermont-Ferrand – 090820

zaterdag 12 september 2009

dag 732 – 090818 dinsdag

Om zeven uur op met een lichte kater en het is dankzij S dat we toch vertrekken voor onze rit van 80 kilometer. In Tournemire zoeken we een koffie. Het enige etablissement van het dorp, in vervlogen tijden de ambitieuze gastheer voor een spoorwegemplacement dat de hele regio beoogde te ontsluiten en een paar dagen dichter bij de wereld te brengen, is nog gesloten maar de stofzuigende ober toont zich, heel vriendelijk, toch bereid om ons op het terras te bedienen. Binnen fluit een papegaai een eigenzinnige versie van de Marseillaise.


Na de beklimming naar de driehonderd meter hoger gelegen causse vind ik in Viala-du-Pas-de-Jaux net op tijd een openbaar toilet voor een dringende grote boodschap. We zijn elkaar kwijtgeraakt maar bewaren met gelegenheidsrijmende sms-jes het contact. ‘Je fais caca à Viala.’ ‘Un pet pour l’Hospitalet.’ ‘Pipi passant par la route pour Sainte-Eulalie.’ Enzovoort. In Cornus drinken we in het ons inmiddels vertrouwde café op de hoek een café crème. We slaan een praatje met de uitbaatster. Het gesprekje gaat over de teloorgang van de horeca en de ontvolking van ruraal Frankrijk. Het is ongetwijfeld al vele duizenden keren gevoerd en ook dit keer zal het wel geen zoden aan de dijk helpen.

Omstreeks half twee terug op de camping. We rusten, zwemmen en eten iets terwijl zich boven ons een grote onweerswolk vormt, niet zonder het nodige begeleidende dondergerommel in de verte, een mooie baslijn voor het getjirp van de cicaden en het gekletter van de petanqueballen. Er vallen enkele druppels maar de grootste nattigheid is voor de camping aan de andere kant van de heuvelkam. We zien dat R bezoek krijgt van de gendarmen. Het zal wel met zijn permis de conduire te maken hebben – iedereen is razend benieuwd. S zegt dat ze ook een nieuwe uitdrukking heeft geleerd: faire manger quelqu’un le bouillon de onze heures, hetgeen wil zeggen: iemand vergiftigen.

Slecht nieuws van R: hij is zijn rijbewijs kwijt voor een maand en doordat hij nadien nog een medisch onderzoek moet ondergaan, bestaat de kans dat hij nooit meer zal mogen rijden. De gevolgen zijn niet te overzien: hoe moet hij nu de afstand tussen de camping en zijn appartementje in Villeurbanne bij Lyon overbruggen? De campîng dreigt voor hem een voorgoed onbereikbaar paradijs te worden. Voor een pekelzonde verdreven. S is er het hart van in: ‘Dat heb je als je nieuwe mensen begint graag te zien: je krijgt er nieuwe zorgen bij.’

We gaan aperitieven bij J en B. Door een misverstand komen we meer dan anderhalf uur later dan zij hadden verwacht en dat zorgt aanvankelijk voor wat wrevel. Maar die maakt snel plaats voor een goed gesprek. J vertelt over zijn carrière in de suikerbusiness in Ethiopië, Libië en Soedan. […] Ik heb het over leesclubs. J geeft twee leestips: Ab Dijksterhuis, Het pientere onderbewustzijn en Bill Bryson, Een kleine geschiedenis van bijna alles. Daarna gaat het over kinderen en opvoeding. Er ontstaat […] iets wat heel intens is, een soort van herkenning. Op een gegeven ogenblik vraagt J aan mij: ‘Heb jij een goede jeugd gehad?’ De vraag raakt me vol, ik heb wat tijd nodig om te bekomen. Maar het is een absoluut relevante vraag – en het is de eerste keer dat iemand me die vraag stelt. Het zal wel niet toevallig zijn dat enkel mensen die elkaar maar één keer per jaar zien die vraag stellen.

Na deze boeiende kennismaking eten we linzen, courgette en couscous. […] In de schuur spelen we uno met S en Q. Afscheid van S en M, die morgen vertrekken – […]. Samen met E en S bewonderen we nog een in een van de buitenlavabo’s verdwaalde boomkikker.

getekend 15

facebookbericht 70

leest met stijgende verbazing Speeldrift van Juli Zeh.

1894 / zomerreis 2009 / 29/34

omgeving Talizat – 090820

vrijdag 11 september 2009

dag 755 – 090910 donderdag

Gezien op Canvas: een programma over Alan Lomax, bijgenaamd the songhunter, de man die in de voetsporen van zijn vader en gewapend met opnameapparatuur in de jaren veertig en vijftig vooral in de Verenigde Staten en Europa onvermoeibaar op zoek ging naar de laatste sporen van de uitstervende volksmuziek. Om het alsnog vast te leggen. Wie om volksmuziek geeft, heeft veel aan Lomax te danken. Het was een sereen programma. De maker, Rogier Kappers, ging op bezoek bij Lomax zelf, ook al was die na een trombose niet meer bij de pinken. Eerst vroeg ik me af of het eigenlijk wel nodig was om die man in zijn schamelheid te tonen (nog geen jaar later, in 2002, was hij dood) maar later begreep ik het: die zieke oude man, die op het punt van verdwijnen was aanbeland, was als het ware een metafoor van zijn eigen onderneming.

De bezoeken aan de oudjes die zich nog herinnerden dat er in hun jeugd nog gezongen werd door hun ouders vormden de hoogtepunten in het programma. Een van hen was een man van een jaar of zeventig ergens op Sicilië. Kappers liet hem een Lomax-opname horen waarop de vader van deze man zich de ziel uit het lijf zong. Je zag de zoon verwonderd opkijken – ik kreeg de indruk dat hij hiermee in geen veertig of vijftig jaar meer geconfronteerd was geworden. En dan begreep hij plots het belang van het moment – mede wellicht door de aanwezigheid van de cameraploeg. Hij greep naar een portret op de schoorsteenmantel en sprak trots: ‘Dit is mijn vader!’

In die woorden lag het verdriet om het reddeloze verzinken van een hele cultuur. Van een heel arsenaal van geritualiseerde expressievormen zonder dewelke de mens in tal van situaties in woordenloosheid blijft steken. Een cultuur die niet zingt is een zieke cultuur. Lomax zelf mocht dat verdwijnen commentariëren. De uitleg is eenvoudig. Te veel en te uniform lawaai waait alle verschillen weg. Alles moet wijken voor die ene radio die tot in miljoenen huiskamers doordringt. Vroeger bereikte de menselijke stem enkel de eigen stam en dus was het belangrijk dat elke stam zijn eigen stem had. Of, zoals Herman van Veen het zei: ‘Hilversum 3 bestond nog niet / maar ieder had zijn eigen stem’!

facebookbericht 69

ziet in de aankondiging dat hier bij ons de Opelvestiging zal worden gesloten alvast één voordeel: zo wordt gelukkig de stilaan rituele 'herdenking' van 9/11, die bij nieuwsluwte alle aandacht naar zich zou hebben toegetrokken, wat meer naar de achtergrond geduwd - nóg eens die vliegtuigen die zich in de torens 'boren', nóg eens die 'Holy Shit', nóg eens die wolk boven Manhattan.

zomerreis 2009 / 28/34

Saint-Flour – 090820

zomerreis 2009 / 27/34

Saint-Flour – 090820

1893 / zomerreis 2009 / 26/34

Saint-Flour – 090820

donderdag 10 september 2009

facebookbericht 68

vindt de nieuwe generiek van 'Man bijt hond' weer bijzonder geslaagd.

mijn woordenboek 228

AFWEGING

Als je tussen aardbeien of citroen moet kiezen wanneer in het restaurant de ober of het dienstmeisje komt noteren welke sorbet je wenst om een heerlijke maaltijd af te sluiten, dan kun je moeilijk zeggen dat je een afweging aan het maken bent. In een afweging sluipt altijd iets kwaads of onaangenaams binnen, een element van schade, beschadiging. Wie afweegt doet aan schadebeheersing. Je kunt dat lastminuteticket naar Rome boeken: het is veel goedkoper dan dat andere maar je hebt een overstap in Turijn waarmee je zeker drie uur verliest. Je kunt die longoperatie laten uitvoeren maar je moet er wel het risico op een hartstilstand bijnemen. Je kunt… – maar… Altijd is er wel iets dat de keuze bemoeilijkt, om niet te zeggen onmogelijk maakt. Elk voordeel hep zijn nadeel – maar in bepaalde gevallen lijk je met onvergelijkbaarheden te maken te hebben en is een beslissing eigenlijk niet mogelijk. Maar je móét beslissen. Dan moet je altijd de zaken een beetje uit handen geven. De vrijheid waarover je beschikt weegt te zwaar door – je bent bereid er iets van af te staan. Beslis jij maar voor mij. Of: laat het toeval maar beslissen. Wie afweegt, geeft vrijheid af. Gek dat je dat met sorbet van aardbeien of citroen nooit doet. In onbelangrijke keuzes ben je voluit autonoom. Maar ’t is dan ook niet een kwestie waarvan de uitkomst gewicht in de schaal werpt. Wij zijn vrij, ja, maar zelden in essentiële aangelegenheden.

1892 / zomerreis 2009 / 25/34

Saint-Flour - 090820

woensdag 9 september 2009

reactie

Dag Pascal,
Bedankt dat je het interview met de overleden dichteres op je blog plaatste. Zo kreeg haar dood toch nog een beetje belangstelling …
Hierbij een gedicht dat ze schreef naar aanleiding van het overlijden van Kira, een jonge moeder met twee kinderen.
De herfstsfeer met zijn overvloed sprak me aan, evenals de wijze waarop ze het samengaan van leven en dood weergeeft.
Ergerlijk toch hoe iemand die dergelijke poëzie schreef en de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg, hier zo genegeerd wordt!
Vriendelijke groeten
Christiane

Vijfde grafdicht voor Kira van Kasteel

Al wat de moestuin gunt, de groenten van het jaar;
het boerenhof, de boter, room en schuimige melk;
de herfstelijke boomaard peer- en appelzwaar;
’t fijn kruid uit wei en tuin, uit ’t bosch de kantharel;

En al wat vergenoegt, de koperen krulchrysant,
de druif der wijngaarden, de versche ruwe noot,
het wordt mij rijkelijk gestapeld in den schoot,
en om gemeenzaam smaken mede in de hand

van hem die alles deelt met mij: ’t diep ledikant
waarin het warme vleesch met zachtheid wordt gevoeld,
’t verlangde avondboek, de wandeling die verkoelt;
’t wordt mij geschonken in de sterfelijke hand.

Uw hand is echter leeg, en wordt alleen bezwaard
door aarde die uit u haar vruchtbaarheid vergaart.

(uit ‘Gedichten’, 1958)

@Christiane

Dag Christiane,
Mevrouw D'haen heeft zelf gekozen voor een afscheid in alle intimiteit. Dat het nieuws van haar dood uitlekte voor ze begraven werd (deze namiddag), was zeker niet haar wil. De weinige publiciteit die haar overlijden gekregen heeft, zou zij zelf zeker nog te veel gevonden hebben.
Zelf vind ik dat overdreven, maar wat ik vind doet er niet toe.
Bedankt voor het gedicht!
Vriendelijke groet,
P.

dag 731 – 090817 maandag

droom #28
Ik loop voor de zoveelste keer een marathon in mijn slaap. En ik moet ook nog een voetbalmatch spelen. Ik ben keeper in een match waarin de tegenstrever, nadat wij 2-0 zijn voorgekomen, van tactiek verandert en dan in heel snel elkaar opvolgende aanvalsgolven mijn doel bestormt. Ze werken zeer efficiënt af: mijn ploeg staat al vlug op achterstand. Het eerste doelpunt had ik misschien nog kunnen voorkomen maar tegen de volgende twee of drie is geen kruid gewassen. In een volgende droomflard rijd ik op de fiets samen met Luc Martens en Johan Vande Lanotte de Populierendreef uit: de straat waar ik als kind opgroeide. We rijden op met fietstassen toegeruste damesfietsen. De Populierendreef, in de werkelijkheid biljartvlak, daalt bijzonder steil af richting Lorreinendreef en blijkt daar uit te geven – dat is ook nieuw – op een begraafplaats. De helling is zo steil dat ik nog maar net op tijd kan afremmen. Mijn fiets gaat over de kop en ik beland achter de laatste rij mensen die op een tribune een begrafenisplechtigheid bijwonen. Ook beide ex-ministers nemen op deze onorthodoxe manier plaats. Wij proberen dit alles op een zo geruisloos mogelijke manier te laten gebeuren. Wanneer de dienst is afgelopen, staat een gemeen opgemaakte jonge vrouw links voor ons als eerste op en spreekt de enigmatische woorden: ‘Dat was toch nog zo onnozel niet.’

Half acht op. Ik zit hier te schrijven – en straks ga ik Bolaño lezen – en zie hoe voor mij de zon aanstalten maakt om boven de heuvelrug uit te rijzen en om achter mij haar licht en warmte te laten aanrukken.

[…]

In het zwembad slaan we een praatje met de Marseillaise M over de cineast wiens naam me steeds opnieuw ontsnapt [Robert Guédiguian], die in L’Estaque enkele films heeft gedraaid. Een van zijn favoriete acteurs speelde in Conversations avec mon jardinier de tuinier. Ik ben die film twee keer gaan bekijken, de tweede keer met mijn moeder: ‘elle était très émue’.

Het idee van een uitdijend dagboek: om vanuit de feiten, emoties, waarnemingen en bedenkingen van de dag alsnog het hele voorbije leven in te halen, de eigen identiteit en de wereld waarin je leeft te definiëren. (Maar je moet natuurlijk ook nog léven – er zou nooit voldoende tijd zijn om zo’n dagboek te schrijven, je leven zou tot stilstand komen.)

De hitte veroordeelt ons tot nagenoeg volstrekte immobiliteit: lectuur is nog mogelijk, slapen ook natuurlijk, twee of drie lijntjes trekken in het zwembad. S leest Céline – en die heeft het ook over de hitte. Mijn helden zitten, al even platgeslagen, in een van God vergeten Noord-Mexicaanse provinciestad. Achter mij ruist het water van de Verène onophoudelijk – je vraagt je af waar het blijft vandaan komen. Een grote zwarte vlinder steekt met zware vleugelslagen het terrein over. Aan de overkant doet een krekel cricri (het is ongetwijfeld een Franse krekel) en kijk, nu valt hij stil – maar onmiddellijk zijn er twee andere die zijn werk overnemen. Hoog vliegt een vliegtuig over. Daarom is het ook een vliegtuig. Een vlieg bromt rakelings aan mijn oor voorbij. Er steekt een windje op dat nauwelijks verfrissing brengt. Bij het zwembad weerklinkt een luie, moeë, getergde kreet. Er zijn niet alleen vlinders op het terrein maar ook mieren, motten en muggen, vliegen, wespen, libellen en nog veel meer ander klein gedierte en ongedierte, en gisterenavond, nadat we na het fietsen hadden gedoucht, het was al donker, zagen we bij het sanitair en, een kleine beetje verderop, een pad.

Het is hier zo rustig dat de aankomst van een nieuwe campingklant wordt verwelkomd als een gebeurtenis die nog voor de avond is aangebroken over alle lippen zal zijn gegaan.

S (de man die op Léo Ferré gelijkt) leert me een Franse uitdrukking: il a le cul bordé de nouilles, hetgeen wil zeggen: il a de la chance. We zitten op het dorpsfeest in Cornus met enkele campingvrienden aan aan een lange tafel terwijl een balorkestje met schlagers uit de jaren stillekes (van ‘
Prosper (Yop la Boum)’ van Maurice Chevalier tot ‘Alexandrie, Alexandravan Claude François) ten dans noodt.
Er wordt stevig gedronken (ongeveer iedereen zet een fles wijn op tafel ten collectieven vertiere) en gegeten (van elkaars brood en vlees en taart) en de sfeer zit er al vlug goed in. Ik praat met het Bretonse koppel over de retraite, met R over oude Franse coureurs en met S over het beheer van de camping. Goed gezegend trekken we rond een uur of elf langs wegen die gelukkig even bochtig zijn als mijn neiging om zigzag te rijden naar de camping waar we onder de sterrenhemel nog het zwembad opzoeken […].

1891 / zomerreis 2009 / 24/34

autosnelweg naar Issoire en Clermont-Ferrand – 090820

reactie

Beste Pascal ,
je denkt toch niet dat de banken die "crisisbelasting" ooit zelf gaan betalen ...?
Dat rekenen ze gewoon aan ons door , op één of andere manier ( de geldwolven !! )
PS Prachtige foto van het landschap in Chamborand !
D

dinsdag 8 september 2009

facebookbericht 67

heeft liever karakters die af en toe eens botsen dan kameleons die elkaars kleur en hebbelijkheden aannemen.

mijn woordenboek 227

AFWEERREACTIE

Een boom wordt geveld. Hij steekt geen takken uit om zijn val te breken. Hij valt, wanneer het laatste evenwichtspunt is doorgehakt of doorgezaagd, met veel misbaar en dom om. Eerst traag zich van zijn zwaartekrachtas verwijderend, en dan sneller (maar toch nog altijd bijzonder traag, eigenlijk), om uiteindelijk met veel gekraak en gepiep en gedruis in een wolk van stof en dorre bladeren een onnatuurlijke horizontale positie in te nemen.

Zó valt een mens niet.

De fietser valt en steekt precies die arm uit die moet worden uitgestoken om het sleutelbeen niet te breken. (Collateral damage: precies die beweging veroorzaakt vaak polsbreuken.) De verdediger weert nog net met zijn vuist de bal af die van heel dichtbij op hem afkomt – waardoor hij een neusbreuk voorkomt. Het kind – ik spreek nu van kinderen uit een vroegere tijd, toen iets dergelijks nog kon en mocht gebeuren – bukt zich net op tijd om de oorvijg van zijn vader/schoolmeester niet te incasseren. En de liefhebbende vader/schoolmeester slaat nu net zodanig dat die buffer mogelijk blijft.

Het is op zich verbazingwekkend, de snelheid en efficiëntie waarmee een persoon die onverwacht aan een bedreiging wordt blootgesteld precies die handelingen stelt die hem voor beschadiging kunnen behoeden. Het is een instinctieve reactie, een reflexmatige beweging. Om erover na te denken en te beslissen welke afweer nu de beste zou kunnen zijn, rest er onvoldoende tijd. De afweerreactie wordt bestuurd door een instantie die aan het denken voorafgaat en er eigenlijk niets mee te maken heeft want ze is van de orde van de verteringsprocessen, de pulserende stuwing van het hart, het zwelvermogen van de penis. Van de duistere kronkels van de dromende hersenen. Van de drang om geboren te worden, van de gedachteloze stuwing die leven heet en van de angst om te sterven.

zomerreis 2009 / 21-23/34











1890 / zomerreis 2009 / 20/34

Millau - 090820

maandag 7 september 2009

dag 730 – 090816 zondag

Iets later op: de zon schijnt al op onze tent.

baraque lecture 25
Perecs opstellen in L’Infra-ordinaire over Parijs en Londen: ironische benadering van het fenomeen broodschrijverij. Handig hoe hij vorm geeft aan de manier waarop het toeval zich manifesteert aan de flaneur die zich eraan overgeeft.

‘R was gisteren in Sylvanès een beetje gejaagd,’ zegt S, die een verklaring zoekt voor het feit dat ze er haar pullover heeft laten liggen. ‘Zoals oude mensen kunnen gejaagd zijn.’ Inderdaad, oude mensen hebben niet meer, zoals wij, de behoefte om eens veertien dagen zeer traag te zijn. Zij hebben niet veel tijd meer. En er is nog zoveel te doen.

Dat ik van niet één lied de tekst of de muziek ken; dat ik na al die Romaanse kerken en kloosters van Romaanse bouwkunst of van de cisterciënzers niets weet te vertellen (en daar zal de aanschaf van een boek daarover in de shop van Sylvanès niet veel aan veranderen); dat ik mij van films die ik nochtans heb gezien niets weet te herinneren; dat ik over de recente geschiedenis van de ontdekking en ontginning van de Cevennes, waarover ik nochtans nog maar net heb gelezen bij Graham Robb, nauwelijks iets onthouden heb: dat algehele onvermogen zadelt mij op met een verpletterend gevoel van middelmatigheid.

Tijdens het ontbijt en, aansluitend, de lectuur, passeren E ([…]), J (‘’t Was gisterenavond maar een flutse’) en F, die zich afvraagt hoe ze in het petanquen beter zou kunnen tireren.

Met de auto naar Ceilhes, naar een marktje met bio- en streekproducten. De bakker die ons een fantastisch brood van liefst 13,5 euro verkoopt (we zullen er vier dagen van eten), levert ongerust commentaar op de grote hoeveelheid wespen die zijn marchandise belaagt. ‘Over twintig jaar leven we hier tussen de cactussen.’ Ik raad de man aan toch maar vooral lekker brood te blijven bakken.


Tegenover de kerk staat een kleine hoekhuis met een drietal verdiepingen te koop. Ik sla aan het dromen over ons geheime schrijf-buitenverblijf. Over de Col de Notre Dame terug naar Saint-Félix en de camping. In de auto weerklinkt de finale van Beethovens negende. Tijdens de klim na Fondamente zien we vlak voor de auto een groene specht opvliegen: rode kop, gele stuit, limoengroen lijf.

Terwijl ik het kaartje voor de namiddagrit overteken, maakt S het eten klaar: wortel/paprika + melsa (een lokale broodworst). […]

S vertrekt. Ik maak een fotoportret van S. En ik praat ook met hem. S werkte bij de groendienst van Marseille en verzorgde privétuinen. We hebben het, door de Hasselblad, over ‘moderne’ en ‘traditionele’ technologie.


De rit is lang (82 km), lastig maar bijzonder mooi. Van Fondamente gaat het naar Tournemire en van daaruit, na een gelijkmatige beklimming van een vijftal km tegen de corniche, over de Causse du Larzac naar Cornus. Daar wacht S me op. We drinken iets op het terras van het café op de hoek. […] De mooie moeder aan het tafeltje naast het onze buigt zich liefdevol over haar man, die zich net verslikt heeft (curatieve schouderklopjes) en over haar kinderen. Tot haar adolescente zoon naast haar zegt ze: ‘Wel ja, je bent mooi. Je bent mijn zoon, dus ben je mooi.’ We vertrekken voor het laatste stuk. Ik denk aan L's reeks ‘Never will see you again’.
We krijgen nog een zware klim en dat stukje Far West voor de wielen. Ik hoor en zie arenden. De zon gaat onder. Een schaapherder laat zijn kudde uit: pas nu is het niet meer te heet om de schapen buiten te laten. Het is nog net klaar genoeg om veilig op de camping aan te komen. We verfrissen ons en eten en praten. Het gas van de gaslamp is op. S heeft het over de dienstmeiden, haar vakantieverblijven bij de boeren. Hoe de arbeiders naar Lieve floten en hoe Lieve aan S zei dat ze naar die arbeiders moest roepen: ‘’t Goâ regenen: de stroentveugel schuufelt’. F en J passeren nog. Ze hebben uit Sylvanès, waar ze vandaag naar het Deutsches Requiem van Brahms zijn gaan luisteren, S’s pull meegebracht.

reactie

Een gedicht van Remco Ekkers bij de vermelding in een vorige post van het schilderij van David Hockney.




Voor S.


A bigger splash


Je staat maar aan de rand
van het zwembad en je kijkt
naar de warmte in het water.
Waarom spring je niet?



Marmer-witte rimpels
drijven onder de zon.
Hij zwemt rustig onder water
naar de andere kant.



Hij hoort de auto's niet
optrekken, rusteloos sta je
op jezelf te wachten, gespannen.
Wanneer breek je door het oppervlak?

zomerreis 2009 19/34

R. - 090820

1889 / zomerreis 2009 / 18/34

R. - 090820

zondag 6 september 2009

dag 729 – 090815 zaterdag

droom #27
We zijn betrokken bij de organisatie van een grote tentoonstelling van moderne kunst in een KMO-gebouw dat nog het meest gelijkt op een erg groot uitgevallen autogarage met schowroom. Mijn auto staat om de een of andere reden, wellicht in het kader van een kunstproject of -installatie, in die showroom geparkeerd, tussen allerlei lekkers en allerhande versnaperingen. Onze taak zit erop, de tentoonstelling kan officieel worden geopend. We trekken er op uit met de fiets. […]
We moeten de auto ophalen. Inmiddels zijn de cameraploegen gearriveerd en doet Max Borka een soundcheck. Er zijn nog wat andere gesjeesde critici aanwezig. Vijf meter verder kijkt Renaat […] Landuyt naar een scherm. Daarop ziet hij hoe ik, in werkmansbroek en met mijn rood-groen gestreept rugbyshirt, langs de officials door de ingang glip. Tussen de sjiek uitgedoste hoogwaardigheidsbekleders en de al dan niet zelfverklaarde kunstkenners word ik tegengehouden door een ordehandhaafster. Of ik wel eens met dat sjofele tenue zo snel mogelijk de zaal zou willen verlaten? Zal ik doen, beloof ik, maar ik kom mijn auto ophalen. De tentoonstelling loopt inmiddels, vreemd genoeg, al op zijn eind. Stoelen worden op gelijke stapels geklasseerd. Ik kom langs de wanden met schilderijen. Ik maak mezelf de bedenking dat ik allicht een te groot vooroordeel had want ik vond het beneden mijn waardigheid de kunstwerken te bekijken, terwijl nu blijkt dat er toch best wel verdienstelijk werk bij hangt. Landschappen en zo. Maar ze hebben allemaal iets tordu. Ze zijn minutieus geschilderd à la Constable, maar er is altijd wel ergens een wolk van piepschuim of watten op geplakt. De kunstenaars, oude mannen meestal, zitten verweesd bij hun werk. Ze wachten aan tafeltjes. Waarop? Een van hen wacht al veertig jaar op een beetje erkenning. Zijn schilderij is een Dotremont-achtige compositie met letters.

De overwegende kleuren zijn groen en oranje. In deze zaal vind ik pas na lang zoeken de uitgang. Oorzaak: de klinkloze deuren zijn decoratief beschilderd en gaan volledig op in hun wanden. Ik kom in de showroom waar mijn auto tussen al het lekkers geparkeerd staat. Een stel jongeren heeft erin plaatsgenomen. Ik verzoek hun heel vriendelijk mijn auto te verlaten. Dat doen ze zonder morren. Een meisje en een jongen vertrouwen me glunderend toe dat ze elkaar daarnet in mijn auto hebben leren kennen en dat ze nu een koppel vormen.

Zeven uur op, ik schrijf meteen ‘Droom #27’ zodat er me zo weinig mogelijk ontsnapt. […] De wekker loopt af voor S: we moeten tijdig ontbijten want we rijden met R naar de mis van tien uur in de abdij van Sylvanès. Na de mis is er campingreceptie, en vanavond is er de jaarlijkse couscousmaaltijd. Ja, het campingbestaan is een drukke sociale aangelegenheid!
[…]
In de auto hebben we het met R over haar in de Rhône bij Avignon verdronken broer. (‘Le en niet la Rhône,’ zegt S. ‘Bachelard vindt het een vloek als je de fout maakt, maar noemt het toch ook een vergeeflijke vloek.’) ‘Mijn ouders hebben het me na het ongeluk nooit verboden om in zee te gaan zwemmen,’ zegt R, die in het aan zee gelegen Narbonne is opgegroeid. ‘En zo hebben ze ook nooit mijn oom iets verweten, die in Avignon de hoede over ons had.’ We hebben het ook over piscinier R, die gisteren met een neut te veel op tegen de lamp van de gendarmettes is gelopen en die nu bang afwacht welke sanctie hem boven het hoofd hangt. Hopelijk gaat zijn auto niet aan de ketting want R is er als gehandicapte erg afhankelijk van, hij kan bijvoorbeeld in de camping niet zonder auto van zijn caravan naar het zwembad. Er ontspint zich een gesprek over de afbreuk van de convivialité als sacrifice voor alle mesures die worden getroffen om de sécurité routière te bevorderen.

In Sylvanès is de fraaie Romaanse kerk, onderdeel van het rijke, algemeen toegankelijke publieke patrimonium van Frankrijk, al goed gevuld met repeterende zangers: kwelende vrouwen en in sourdine brommende mannen die ons zullen trakteren op een portie Franstalige, postconciliaire liturgie. De in een fraai geborduurde bloemetjesjurk uitgedoste priester komt, in een wolk van wierook, feestelijk binnen. Hij groet kinkriebelend een kind, glimlacht beaat naar de smachtende bejaarde vrouwen, schrijdt over het middenpad naar voren – zijn misdienaars wijzen hem de weg, alsof hij in zijn minzame verstrooidheid vergeten is waar het altaar staat – en ondertussen loeit het orgel uit hoe – hallelujah! – feestelijk deze feestdag wel is! Een beetje te uitbundig, zo lijkt me, want daardoor gaan de ingestudeerde gezangen enigszins de mist in. De priester zwelgt. Het weze hem gegund, het is, ook in dit gat, niet elke dag hoogdag. Maar hij gaat wel ver in zijn theatraliteit. Zeker bij de lezing van het evangelie. Hij zegt de woorden niet, hij zingt ze. Daarbij is de harmonie soms wat gezocht – maar hij weet er altijd opnieuw die ene draai aan te geven die de melodie opnieuw in de juiste banen leidt. Dit is voor mij een interessante ervaring want nooit eerder begreep ik beter waar het die cisterciënzers om te doen was: zij wilden het woord ontdoen van alle franjes, de inhoud van alle beeldvorming, de geest van het lichaam – zij wilden, kortom, zich niet langer bezondigen aan deze, hier door deze priester gedemonstreerde, onchristelijke hang naar decorum en kitsch en het zichzelf graag horen praten. ‘L’amour féminin, assumons-le, messieurs!’, orakelt de bloemetjesjurk in zijn wolk van wierook.
En toch is het een hele mooie mis. Met zijn retorisch talent weet de priester ook de grootste sceptici te enthousiasmeren, in die mate zelfs dat ook ik ontroerd raak – en wel wanneer een lichtstraal door een van de brandramen een van de kale schedels voor mij kleurt. In de gezangen klinken Slavische gezangen door, en dan hoor ik weer Les Compagnons de la Chanson (‘
Les trois cloches’). Vooral de consecratie is bijzonder mooi, in die mate dat ik er voor het eerst in mijn leven geen bezwaar tegen heb de wildvreemde mensen naast mij die geforceerde vredesgroet te brengen. Voor mij schudt een jonge man heel stevig de hand van een oudere man en houdt vervolgens die hand lang vast. Ik zie in de ooghoek van die oudere man een traan blinken. Wat is dit? Dankbaarheid? Een verzoening? Troost? Het ontroert mij. Woord en kader, geest en lichaam.
Op de terugweg gaat het over het priestercelibaat. Ze prediken een buitenlichamelijke vorm van liefde, dus waarom zouden ze zich daarin gestoord weten door de echtelijke plichtplegingen? Bovendien: geef hun de rust en het evenwicht van de seksuele voldane huisvader die alles op orde heeft, en zij zullen met des te meer overtuiging het woord Gods prediken. Wanneer ik R vraag of ze een beetje getoucheerd is door de ontegensprekelijke charmes van de priester, begint ze meteen over haar twintig jaar geleden gestorven echtgenoot.
Tijdens het couscousfestijn praat ik met de beeldhouwer G uit ’s Hertogenbosch. Zijn vrouw […] zegt niets en maakt een tamelijk beschonken of dan toch minstens narcotische indruk. G blijkt goed JP te kennen. Piscinier R vertelt over zijn klas in het weeshuis, jaargang 1946. Hij was toen al zeventien: R is van ’29, het jaar van Hugo Claus. We gaan naar binnen voor de heerlijke couscous. Ik drink te snel te veel wijn en zwatel wat met de Duitse vrouw van L in het Duits, met G in het Nederlands en met een Fransman die in Lille de kost verdient als baas van een twintigkoppige menuiserie in het Frans. Met hem gaat het gesprekje over de aantrekkelijkheden van de steden Lille en Bruges. De man kijkt op wanneer ik hem vertel dat er in de Brugse binnenstad geen twintigduizend mensen leven. S begint Franse liedjes te zingen met H.

Ik word plots heel erg moe en ga naar buiten. G en S staan er te roken. Ik heb het met hen over de antirookhetze […]. Dan ga ik bij de tent op een mat liggen, uitgeteld en zat. Ik lees Bolaño. Ik schrijf een gedicht over de hier zo talrijk aanwezige vlinders.

Ik […] krijg in het zwembad, waar ik enkele lijntjes trek om af te koelen en terug op mijn positieven te komen, van J het recept voor de semoule van couscous: eerst de korrels mengen met olie en pas dan de juiste hoeveelheid gekruid kokend water eroverheen gieten.
[…]
Praatje met R over het anti-alcoholbeleid van de overheid en de atomisering van de samenleving die daar het gevolg van is. Ook over de verschillende vormen van toerisme in de Lubéron en hier. S schampert op de rijke Vlaamse vrouwen, houders van tweedeverblijven in Gordes en Lacoste, die déguisées en fermières hun boodschappen doen op de plaatselijke marktjes.

We profiteren van de laatste zon om nog wat te lezen. Avondeten doen we straks wel, als het frisser is en te donker om te lezen.
[…]