zondag 20 mei 2018

utopie 1


Je zou een overzicht kunnen maken van utopieën en dystopieën, van Plato tot Morus tot Fukuyama. Ik zie mijzelf al talloze namen droppen. Maar het is onbegonnen werk. In verband met de Utopia van Thomas Morus (1516) moet ik echter wel de anekdote vermelden dat Morus in zijn ideale wereld naar verluidt voorzag in een wederzijdse voorhuwelijkse naaktinspectie onder toezicht. Ik zou het ook kunnen hebben over sporen van utopieën in beeldende kunst en architectuur. Denk maar aan de renaissancistische ontwerpen van de ideale stad, of de idealistische fabriekscomplexen uit de negentiende eeuw – steden voor de arbeiders van een bedrijf, met de Saline royale in Arc-et-Senans en de familistère van Guise als bekende voorbeelden. Of denk aan de waanzinnige maar uitermate kortzichtige ideeën van Le Corbusier. Of neem de nazi-architectuur van Albert Speer of van Marcel Van Goethem, de architect van de Nationale Bank in Brussel.

Dat kortzichtige van Le Corbusier bedoel ik letterlijk: in zijn cité radieuse in Marseille is te zien dat hij de formaten van de appartementen aldaar berekende op een gemiddelde lichaamslengte van 10 of 15 centimeter minder dan wat nu de gemiddelde lichaamslengte is.

Een vijftal ideeën die ik tijdens deze speurtocht verzamelde, wil ik toch vermelden.

1. Het genre van de utopie bloeide vooral toen nog niet de volledige wereld in kaart was gebracht. Utopia was dan een gefingeerd eiland in een verre zee, op een wereldkaart waarop nog veel witte plekken te zien waren. Nu al die witte plekken zijn ingekleurd en alle eilanden zijn gelokaliseerd, is de vraag acuut waar een nieuw Utopia zou moeten worden gesitueerd. Misschien valt het wegvallen van het genre samen met de volledige ontdekking van de wereld.

2. Bijvoorbeeld het socialistisch realisme is een utopische kunstvorm in dienst van een ideologie. We zien hier heel duidelijk een verband optreden tussen kunst en kitsch. Het socialistisch realisme toont ons de illusie van volmaaktheid. Maar is een dergelijke volmaaktheid wel wenselijk: zou leven in een utopie niet onnoemelijk saai zijn? Ik denk aan een reclameslogan die ik ooit zag (voor Audi in 1987): ‘De perfectie verveelt nooit’. Veeleer het omgekeerde is waar. Denk aan schoonheid die, zoals we met Leonard Cohen weten, in de onvolmaaktheid huist: ‘There iscrack, a crack in everything. That's how the light gets in.’ Roland Barthes heeft dit principe theoretisch uitgewerkt in La chambre claire, een filosofisch werkje over fotografie.

3. Hoe handhaaft kunst zich binnen een totalitaire context? Denk aan Sjostakovitsj die altijd zijn koffertje had klaarstaan, en die in zijn muziek dubbele bodems aanbracht om tegelijk zijn eigen mening niet te verloochenen en toch zijn opdrachtgevers niet voor de borst te stuiten. Denk aan de problematiek van de innere en außere Migration in nazi-Duitsland. Denk aan de vermarkting van de hedendaagse kunst in de context van een totalitair neoliberalisme.

4. Van neoliberalisme gesproken: Utopia is vercommercialiseerd. Bekijk maar met gemengde gevoelens (genoegen én afkeer) de reclamefilmpjes in de cinema of op uw tv. Coca Cola, Baccardi, Martini. Perfecte en vooral jonge en slanke lichamen in de rode gloed van een perfecte zonsondergang: geniet met mate en met maten. Het dictaat ‘Geniet!’ waarmee we tegenwoordig ten allen kante om de oren worden geslingerd.

5. De architectuur van de totale communicatie maar tegelijk ook van de totale controle: Facebook & Big Brother.

5065

Brussel, Ravensteingalerij - 180314

vrijdag 18 mei 2018

facebookbericht 1086

Gisteren heeft de door de haatcampagnes van het beleid opgefokte politie een kind van twee jaar doodgeschoten. Het is niet omdat de 'reguliere' media daar nauwelijks aandacht aan besteden, dat wij het moeten vergeten.

5063

NMBS - 180308

donderdag 17 mei 2018

niet opgenomen 165

180222

afscheid van mijn digitaal bestaan 82


12 februari 2006

AMIENS en AMI 6


Het moet in 1979 of 1980 zijn geweest, in elk geval in een tijd dat er nog werd gelift – want we liftten, en nog wel naar Parijs, P. en ik, en we waren op de brede weg (rood op de Michelin-kaarten) richting Amiens aanbeland. ‘AMIENS’, zo schreven we het met dikke zwarte viltstift en meer dan gemiddelde aandacht voor bladschikking, typografie en spatiëring, maar natuurlijk vooral voor leesbaarheid van op grote afstand, op het karton dat we vragend, smekend c.q. wanhopig (al viel dat laatste niet vaak voor) de lucht instaken telkens er aan de einder een Peugeot, Renault of Citroën kwam opdagen. Die keer dat Amiens onze volgende bestemming was, stonden we vlakbij een dorp dat beneden in een dal lag. (Ik kijk het na in het Michelin-boek en stel vast dat het wellicht Doullens was, of waarschijnlijker nog Frévent, op de D916 tussen St. Pol-s.-Ternoise en Amiens.) De brede baan daalde steil af, scheerde langs het dorp (dat zich achter ons bevond) en begon dan al meteen de al even steile beklimming die verder zuidwaarts voerde. En wij stonden dus beneden. Niet echt een goede plaats eigenlijk, want de kort op de afdaling volgende helling kon met gering rendementsverlies worden ‘genegocieerd’ door, althans de eerste hectometers, op de snelheid te teren die de zwaartekracht tijdens het afdalen als bonus had opgeleverd. Wie stopte, bijvoorbeeld om autostoppers in te laden, verloor behalve tijd dus ook snelheid en energie (al werd om dat laatste in die tijd nog niet gemaald). Wij stonden daar al een halfuurtje of zo – het besef dat het niet zo’n goede plek was begon tot ons door te dringen – toen we links, boven op de helling, het gevaarte van een vrachtwagen met oplegger zagen opdoemen. Die zou niet stoppen. Ook de Ami 6 die voor die vrachtwagen uit reed en die ik nu pas opmerkte, zou dat, met dat denderende gevaarte een meter of honderd achter zich, zéker niet doen – dus begon ik mijn hoop al te investeren op het onbekende dat later zou opdoemen, denderen of bollen.

De Ami 6 is – of beter: was – een goedkoop modelletje van Citroën, een wat langer uitgevallen versie van de vierkantig uitgevoerde 2pk (en nog lelijker), met als belangrijkste kenmerken de half in het koetswerk verzonken achterwielen en de naar binnen schuin aflopende achterruit. Meestal is de Ami 6 beige of bleekblauw, in het beste geval lichtbruin of wit.

De Ami 6 die de helling kwam afgereden, stopte. Vrij plots, eigenlijk, blijkbaar had de bestuurder ons pas laat opgemerkt. De tien- of twintigtonner, die het vehikel tot op een paar tientallen meter was genaderd en die al volop kracht aan het opsparen was om de onmiddellijk volgende helling aan te vatten, kon nog maar net, luid toeterend, uitwijken voor het plots vertragende obstakel. Ik zag hoe een vreselijk accident zich ei zo na voltrok. Toen we ons voorover in het tot stilstand gekomen voertuig bogen om de onderhandeling met de bestuurder aan te vatten, bleek dat deze niets had gemerkt van datgene waaraan hij ternauwernood was ontsnapt (en waarin hij ons misschien zou hebben meegesleurd maar dat zullen we wel nooit weten; we zouden het toen ook niet meer geweten hebben, denk ik).

De man was een leraar, op weg naar zijn middelbare school in Amiens. Bij het instappen had ik het binnenwerk van de achterdeur, die open was blijven staan, in mijn hand – de vriendelijke man scheen dat niet erg te vinden. Hij zwaaide de breed uitgevallen départementale terug op – waarbij hij alweer bijna een ongeluk veroorzaakte –, schamperde wat naar de terecht zich kwaad makende bestuurder van de bestelwagen, die net als de vrachtwagen zo-even, al zijn snelheid had moeten inleveren en nu veroordeeld was om, in de staart van de Ami 6, tot helemaal boven met een slakkengangetje de helling op te kruipen. Want veel vaart maakte het wrak niet waarin we hadden plaatsgenomen.

De leraar taterde honderduit. P., die voorin had plaatsgenomen, haalde zijn beste Frans boven en gaf de conversatie dermate interessante wendingen dat het halfuurtje naar Amiens, hoe traag we ook voorttuften, in een mum van tijd voorbij was. Ik kreeg een sigaret aangeboden en mocht, toen ik had opgemerkt dat er achterin nergens een asbak te vinden was, de as aftikken door een gat in de vloer waarin ik het asfalt van de vlot bollende nationale baan onder ons door zag zoeven.

(En pas nu zie ik hoe nauw de naam van de auto en de naam van de stad bij elkaar aansluiten.)

5062

Knokke, Zwin - 180305

woensdag 16 mei 2018

facebookbericht 1085


De opmerkingen op sociale media van rechtse politici over het zwerfvuil op de Brusselse straten nadat daar 62.500 betogers tegen de pensioenplannen van de rechtse regering waren gepasseerd, zijn van een zeer belabberd niveau. (Matthias Diependaele: ‘Die Vlamingen die zich ergeren aan zwerfvuil zitten duidelijk niet bij de vakbond... foto’s van na de betoging van vandaag.’)