maandag 28 februari 2011

van boeken bezeten 1

Ik houd een boek in mijn handen. Uit de potloodnotities erin blijkt dat ik het acht jaar geleden las. Ik herinner mij er niets meer van. Ik herinner mij zelfs niet het gelezen te hebben. Waarom heb ik het dan gelezen? vraag ik mij af.

facebookbericht 278

Homokoppel repatrieert draagmoederkind dat was verloren gelopen in internationaal administratief gehakketak; lesbokoppel zet spermadonor een financiële hak...: het hek is van de dam, wat is de volgende verwikkeling?

Biutiful: een film over kinderen

Hoe spel je ‘mooi’ in het Engels? Alejandro González Iñárritu spelt het fout. Na onder meer Amores Perros en Babel heet zijn nieuwste film Biutiful – waarmee hij, denk ik, niets anders wil zeggen dan dat je dat woord gezien de toestand van deze wereld niet meer juist kúnt spellen. Of mág spellen. Tenzij je een kind bent – maar dat zijn we niet. We zijn de onschuld voorbij.

Iñárritu is geen lachebek. Hij toont de wereld zoals hij – helaas – is. De wereld als uit haar voegen barstende stad, met veel te veel mensen in, veel te veel wanhoop en uitzichtloosheid, veel te veel anonimiteit en geen zingeving meer om het allemaal in goede banen te leiden. Wij horen niet meer wat de doden ons te zeggen hebben. De zucht naar genot overheerst, en naar het geld dat daarvoor nodig is. Zeer opmerkelijk, hoe in deze film de transacties van geld in beeld worden gebracht: geld voor goederen, geld voor diensten, geld voor genot, geld voor troost.

Ook slechte reclame is reclame, wordt gezegd, maar ik kan me toch niet voorstellen dat de Dienst Citymarketing van Barcelona zal opgezet zijn met Biutiful. Iñárritu neemt ons mee naar de gore achterkanten van deze stad – en ik twijfel er geen seconde aan dat hij er een realistisch beeld van ophangt. Alleen is het zo dat wij, wanneer wij als toerist in dergelijke steden komen, er nooit of veel te weinig naar op zoek gaan. We schrikken terug voor het onveiligheidsgevoel – u kent dat fantasma wel. En bovendien hebben wij in onze vrije tijd aan kommer en kwel geen boodschap. De Sagrada Famila zien wij als een wonder van architectuur, als de schittering van een krankzinnig genie. In deze film is het bouwsel een paar keer op een verre achtergrond aanwezig: tussen de bouwkranen, als een fata morgana van steen, schril afstekend tegen de sloppenwijken op de voorgrond en de binnenskamerse miserie in het als speelvlak fungerende appartement op een zoveelste verdieping van een anoniem gebouw waarin de camera aan onze kant van het over de stad uitkijkende raam staat opgesteld. De onafgewerkte torens steken als vreemde, nooit eerder waargenomen koraaltakken uit boven een ondefinieerbaar amalgaam van keien, rotsen, wieren en aangespoelde vuilnis: krotten, huizen, betonnen gebouwen en alle communicatie- en energiedraden daartussen die de hele rotzooi samenhouden.

In een ander shot, Uxbal (Xavier Bardem) heeft net bijna een broedermoord gepleegd, zien we aan de muur een wufte Christus machteloos toekijken op de bittere intriges van de grotemensenmaatschappij.

En zo zou je deze prachtfilm vijf, wat zeg ik, tien keer moeten bekijken om alle vernuftig in de achtergrond aangebrachte details op te merken.

Prachtfilm? Jawel. Maar niet een om vrolijk van te worden – wat, als ik er even enkele recensies op nakijk, blijkbaar een voorwaarde is tegenwoordig om boven de helft van het beschikbare aantal quoteringssterren uit te komen. Een feel good movie is Biutiful niet. Uxbal is niet op tijd naar een controle geweest – te druk met geld verdienen, u kent het wel – en heeft daarmee de kanker vrij spel gegeven. Hij heeft nog enkele maanden. Chemo zal hem niet helpen, evenmin als de twee kinderen die hij bij een inmiddels door hem verlaten ontoerekeningsvatbare vrouw heeft verwekt dat kunnen, of de illegale Senegalese of Soedanese – in elk geval iets zwarts – vluchtelingen, of de Chinese slaven aan wier uitzichtloosheid hij een aardige cent verdient. Uxbal, zou je kunnen zeggen, is een aardige schurk, een met een restant van moraliteit, een die nog net niet over lijken gaat. Hij kan op een onbewaakt ogenblik al eens een teder vaderlijk gevoelen tentoonspreiden en hij toont oprecht berouw wanneer die Chinezen iets blijkt te zijn overkomen wat hun in een betere wereld nooit zou overkomen zijn.

Een betere wereld. Bestaat er nog wel een betere wereld? Keert de zwarte vrouw Ige er naar terug, mét het wederrechtelijk meegenomen geld dat de stervende Uxbal haar had gegeven om hem en zijn kinderen bij te staan? Ze was een paar jaar eerder uit dat zwarte land weggevlucht. De vader van haar kind wacht er op haar: hij is uit Spanje verdreven. In die wereld van herkomst, hoe precair, is het misschien toch nog beter dan in de verdorven wereld die deze mensen in West-Europa aantreffen. Ige zegt het meermaals: ‘Wij horen hier niet thuis’. Daarmee plaatst Iñárritu een gewichtig vraagteken bij de hele immigratieproblematiek. Gaandeweg begin je te beseffen dat hij dit eenvoudige zinnetje een dubbele betekenis laat hebben. ‘Wij horen hier niet thuis.’ De eerste betekenis kennen we allemaal: deze mensen verschillen zodanig van ons dat wij hen niet met open armen ontvangen – om het eufemistisch uit te drukken. Daarbij gaan wij ervan uit dat zij hier zeer graag willen blijven. Maar Iñárritu draait het om, en zo krijgen we de tweede betekenis in beeld: na het te hebben bekeken, stellen die mensen vast dat ze in zo’n wereld niet wíllen leven. ‘Wij horen hier niet thuis’ betekent dan: wij zijn te goed voor zo’n gedegenereerde samenleving. Dan nog liever de nood en het gevaar in het land van herkomst.

U moet deze film gaan zien. Hij zal u op de proef stellen, pijn doen, tergen. Maar hij zal u ook laten zien hoe de mens zou kúnnen zijn. Als hij wat beter stil zou staan bij de dingen op het moment zelf dat ze belangrijk zijn, en bij de mensen, de eigen familie en kinderen voorop, die er echt toe doen. En als hij wat beter zou luisteren naar de doden. (Iñárritu is een Mexicaan!) De zich in een schimmig jenseits, in pro- en epiloog afspelende ontmoeting tussen Uxbal en zijn overleden vader vormt de kwintessens van Iñárritu’s – ondanks alle zwartgalligheid – humanistische en zelfs optimistische boodschap: hij sluit minstens niet uit dat we het beter zouden kunnen aanpakken. Zaak is alleen om daarmee niet te wachten tot we er niet meer zijn.

Uxbals vader, overigens, is gestorven toen hij half zo oud was als Uxbal nu. Daardoor wordt de normale leeftijdsverhouding tussen de generaties omgekeerd, wat een effect van tijdloosheid teweegbrengt: Uxbal is niet meer dan een schakel in een lange keten, zoals ook zijn kinderen dat zijn. Die verhouding tussen ouder en kind is de meest fundamentele in deze film: daar kan geen enkele geld- of macht- of sekskwestie tegenop. En zelfs de dood niet. Ziedaar het diepe optimisme van deze ruwe, harde, wondermooie film.

met dank aan S. voor de idee van het circulaire

gisteren en vandaag 57

Van gisteren wil ik nog lang onthouden hoe hartverwarmend het weerzien was met M.-A.. en J. Hun parkiet heeft in de jaren die zijn voorbijgegaan sinds ik daar het laatst was de geest gegeven, maar onze vriendschap duidelijk niet.

Vandaag heb ik een vrije dag. Ik wil hem gebruiken voor schrijven en lezen: Onder de vulkaan. Als het weer goed genoeg is, doe ik deze namiddag mijn eerste fietsritje van het jaar. Maar dan moet het weer echt wel goed genoeg zijn. Vanavond komt G. eten.

2425

zondag 27 februari 2011

2424

Onthaal Museum D'Hondt-Dhaenens - 090920

gisteren en vandaag 56

Van gisteren zal het bezoek aan tante T. tussen de demente bejaarden in het rusthuis ‘De Zathe’ in Nieuwpoort nog lang nazinderen. Het beeld van het paard dat ik in de piste van de manège in Oostduinkerke uitgelaten zag steigeren en rondjes lopen vind ik het onthouden zeker waard.


Vandaag hebben we, na twee of drie jaar van proberen, eindelijk een afspraak met M.-A.. en J. in Huize. Daarna is er de familiebijeenkomst voor de verjaardag van G. Vanavond kijken we samen met T. in de Boudewijnlaan naar De Ronde.

gisteren en vandaag 55

Van gisteren wil ik onthouden dat Kadhafi in Lybië probeert zijn volk, nadat hij het heeft beschoten, met geld te overtuigen aan zijn kant te blijven staan, en dat ik mij voornam om het werk van de auteurs Marc Reugebrink, François Nourissier en Éric-Emmanuel Schmitt te leren kennen.


Vandaag heb ik een afspraak met P. en G. op de opendeurdag van het KHBO in Oostende, waarna ik, op weg naar De Panne, S. oppik in Nieuwpoort en A.-L. en M. in Oostduinkerke.

vrijdag 25 februari 2011

baraque lecture 87

Wie is Rudolf Bakker? Wat maakt dat hij in de reeks privé-domein een deeltje mocht volschrijven met zijn ‘Jeugdherinneringen’? Onder de niet geheel onpretentieuze titel Hoe komt het dat ik nog leef dan nog? En: hoe komt het dat ik, die niet weet, of niet wist, wie Rudolf Bakker is dat deeltje in mijn bezit heb en het bovendien de voorbije week heb gelezen? Voor dat laatste, het te hebben gelezen, kan ik slechts die ene, dwaze reden inroepen die zegt dat je boeken die je in je bezit hebt niet ongelezen op de plank kunt laten staan. Maar hoe kwam het op die plank?

In deze jeugdmemoires wordt niet duidelijk wie Rudolf Bakker was want ze eindigen daar waar de episode van zijn leven begint die hem kennelijk de status heeft bezorgd op basis waarvan hij zo’n privé-domeintje mocht volpennen. Dat hij door een gelukkig toeval na veel omzwervingen en aarzelingen journalist is geworden, ja, dat komen we nog net te weten. Maar wat was zijn extra verdienste? Ik google het even op. Bakker (1929) studeerde notariaat maar werd geen notaris. Hij werkte als correspondent een groot deel van zijn leven in het buitenland en woont al bijna dertig jaar in Frankrijk. Hij schreef boeken over Frankrijk en enkele autobiografische boeken. Hoe komt het dat ik nog leef – zonder vraagteken – is er daar een van.

Het boek van Bakker confronteert ons met de altijd ietwat pijnlijke vraag of elk leven het wel waard is om verteld te worden. Waarom zou je de autobiografie lezen van iemand die niets belangrijks heeft meegemaakt? Rudolf Bakker is zich zelf zeker ook bewust van dat probleem en hij geeft er in een ‘Tot slot’ een mooie draai aan.

Want wat is het misverstand? Dit: dat men ‘veel meemaken’ te gemakkelijk verwart met ‘veel mensen ontmoet hebben’. Lees je in autobiografieën van beroemde mensen veel over die beroemde mensen zelf? Neen, je leest vooral over hun ontmoetingen met andere beroemde mensen. Trek die ervan af, en je houdt iets heel herkenbaars over. Het is heel herkenbaar omdat het dan gaat over de banaliteit en eenzaamheid van het eigen, persoonlijke leven, en zo bekeken wordt de autobiografie, ook van de beroemde mens, een herkenbaar portret van vergeefsheid en weemoed – een spiegel waarin wij eventueel troost kunnen zoeken voor onze banaliteit, eenzaamheid, vergeefsheid en weemoed. Waar het op aankomt in een autobiografie is, in zeker opzicht, als je niet alleen maar gefixeerd bent op belangrijke ontmoetingen, hoe hij geschreven is: de stijl.

En daarin schiet Rudolf Bakker zeker niet te kort.

In deze jeugdherinneringen heeft hij het over zijn vroege kindertijd in Sint-Anna-ter-Muiden, een dorpje tussen Sluis en Knokke waarvan de pomp op het dorpspleintje zowat het belangrijkste attribuut is, over de in Sluis doorgebrachte oorlogsjaren waar vader Bakker zich zonder medeweten van zijn gezinsgenoten verdienstelijk maakt voor het verzet en waar de – modernistische – ouderlijke woning op de dijk van het Kanaal naar Brugge door een geallieerde bom met de grond gelijk wordt gemaakt, over een ziekelijke verlegenheid die de protagonist tot diep in zijn derde levensdecennium parten speelt bij het tot stand brengen van vriendschappen en a fortiori amoureuze verhoudingen, over zijn moeizame notariaatstudie en – uiteindelijk – de ontwikkeling van zijn muzikale en literaire preoccupaties. Een van de spectaculairste gebeurtenissen waarover Bakker vertelt – benevens het feit dat hij zijn kinderlijke onschuld kwijtspeelt alsook de evidente geborgenheid van het zorgenloze huis waarin hij opgroeide (Bakker noemt het zijn ‘hortus conclusus’) – is dat hij niets liever doet dan, op zijn rug liggend in een op een van die brede Hollandse rivieren dobberend en stevig aan de kant vastgemaakt sloepje, weg te dromen bij een boek van Gide of Malraux.

Niets spectaculairs dus – behalve die oorlog natuurlijk, maar daarover vallen bij andere schrijvers veel rechtstreeksere en schokkendere getuigenissen te lezen. Toch nam Bakker mij aardig op sleeptouw en stelde het me teleur dat zijn levensverhaal op de laatste bladzijde van dit boek in een nog pril stadium werd afgebroken. Hoe geschiedenisloos en dus, volgens de in dat ‘Tot slot’ aangehaalde theorie, hoe het-vertellen-niet-waard dat leven ook moge geweest zijn, Bakker is er met Hoe komt het dat ik nog leef in geslaagd om mij alvast nieuwsgierig te maken naar het verdere verloop ervan. (In datzelfde ‘Tot slot’ lees ik alvast dat de journalistieke loopbaan is verlopen ‘in het buitenland en veelal zonder noemenswaardige ergernissen of conflicten’. Dit wordt gezegd in een nieuwe ‘hortus conclusus’, dit keer niet bij een Zeelands maar bij een Zuid-Frans huis.)

*

Daarom heb ik zijn Gallische brieven, dat ik, tot mijn verbazing, in mijn bezit bleek te hebben en dat ik, tot mijn nog grotere verbazing, al eens, namelijk elf jaar geleden, blijk gelezen te hebben, ter hand heb genomen: een verzameling opstellen over onderwerpen die met Frankrijk te maken hebben en waarin hier en daar de veertig tot vijftig jaar jongere Rudolf Bakker, zoals hij zichzelf heeft laten kennen in zijn jeugdherinneringen, doorschemert. En er zijn nog meer mogelijkheden om de man beter te leren kennen. Zo vond ik op de site van de vpro een drie uur durend, door het aanhoudende gekrijs van Provençaalse krekels angehaucht en ook nu nog te beluisteren interview uit het jaar 2000.

wolken 14

Rudolf Bakker, Hoe komt het dat ik nog leef

14

Ik ga voor het raam staan en wacht op de mistral die vanmiddag de wolken zal wegvegen. (209)

gisteren en vandaag 54

Van gisteren wil ik mij herinneren dat er een paaslelie op tafel bleek te staan toen ik thuiskwam, en van de film Biutiful van Alejandro González Iñárritu wil ik dat mij zoveel mogelijk bijblijft.

Vandaag moet ik drukproeven corrigeren in Gent. Deze namiddag kan ik wat uitrusten. Vanavond komen de kinderen eten en is er een bijeenkomst van GG.

2422

De familie V. - 080713

donderdag 24 februari 2011

driekleur 43

driekleur 43


De ene felgele Canadair na de andere kwam nu rakelings boven de toppen van de Mont Gaussier aangezeild om, door de rode helikopters geloodst, tegen de brandende en rokende rotshellingen water en vuurdovende chemicaliën te verspreiden. Terzelfder tijd zagen we als een nieuw element in deze perfecte opvoering vanaf ons terras – en nu met een glas koele witte wijn in de hand – te midden der vlammen ook zilveren brandweerhelmen en bluswater fonkelen in de zon.

Al na een klein uur was het gevaar geweken en koersten de Canadairs weer op andere branden af. De rode helikopters volgden. De brandweerhelmen bleven tot lang na het vallen van de avond op de smeulende hellingen in de weer. De volgende morgen echter bleek dat een opvallend element aan de Olijfbomen in een berglandschap was toegevoegd. Het was het bluspoeder uit de Canadairs dat de zwarte plekken op de helling nog eens met een dofrode verflaag had bedekt.


Rudolf Bakker, Gallische brieven, 123

getekend 56

mijn woordenboek 303

ANACHRONISME

In sommige tijdsgewrichten is het een eer zich aan anachronismen te begeven. Ik heb ooit iemand gekend die vertelde dat hij in de zeventiende eeuw had willen leven. Zwaar geïndoctrineerd door de vooruitgangsgedachte als ik ben, had ik weinig fiducie in deze naar mijn smaak ietwat provocerende uitspraak. Maar de man had argumenten, en ze overtuigden. In menig opzicht was, in onze contreien, de zeventiende-eeuwer beter af. In enkele opzichten zeker niet, maar in menig wel – en daar viel, na een interessante monoloog, geen speld tussen te krijgen. Om te beginnen waren ze al met veel minder – en daar, door met te veel te zijn, begint natuurlijk al alle miserie. Er was een veel rechtstreeksere band met de natuur, met het biotoop. Materialen werden kunstig en ambachtelijk omgevormd tot voorwerpen – en alleen die voorwerpen werden gemaakt, en hersteld, die men nodig had. Bezit had een heel andere impact op de mensen, men hechtte er nog niet zo’n belang aan. Generaties waren doorgeefluiken. Er was respect en ontzag, en dankbaarheid voor het leven en voor het feit dat men een tijdje in leven mocht blijven als men dat geluk had.

Ik weet niet of ik de argumenten van mijn zegsman hier adequaat verwoord, het gesprek heeft zich te lang geleden ontsponnen en mijn geheugen is door een toevloed van alweer veel te veel andere gedachten en gezichtspunten oververzadigd. Maar in die richting ging de strekking van zijn betoog wel.

Mijn zegsman zag er eigenlijk ook wel een beetje uit als een wandelend anachronisme. Niet dat hij er als een zeventiende-eeuwer bijliep maar dan toch, met zijn stevige bakkebaarden en ribfluwelen pak en geurende pijp, veeleer als een Britse landlord van ergens halverwege de negentiende eeuw, een personage uit – schat ik want ik ben daar weinig mee vertrouwd – een roman van Jane Austen.

J., mocht je dit lezen: ik stuur je bij deze mijn saluut.

Zelf zou ik het zo niet weten in welke tijd ik zou willen leven. Dat ik in onvrede verkeer met mijn tijd: laat daarover geen twijfel bestaan. Ik denk namelijk dat wij in onze tijd leven zonder goed te beseffen dat het klimaat in wezen totalitair is, onvrij en over het algemeen nogal mensonterend omdat het ons reduceert tot een domme en zwijgende massa van onkritische consumenten. Bovendien zijn we daarbij een en ander definitief om zeep aan het helpen en dat is ook niet iets om zich goed bij te voelen in zijn vel.

Ik denk soms: de jaren vijftig. Jong zijn in de jaren vijftig. Het ergste overleefd hebben, daar niet als volwassene aan te moeten hebben deelgenomen, en ontwaken in een klimaat van ontluikende vrijheid en exploratie, met een nog onbezorgde toekomst voor de boeg. Nog enthousiast kunnen zijn en onbezwaard – en ondertussen ook loskomen van geestelijke bevoogding c.q. repressie, penurie en onhygiënische toestanden. Jive, twist en rock, een ironische knipoog van Marc Sleen en aan het eind van dat wonderlijke decennium de glinsterende ballen van het Atomium. Of Parijs in de fifties… Musette en ginguette. Een eerste keer Georges Brassens horen op een 33-toerenplaat. De eerste keer een DS zien langsrijden, wie weet er zelfs eens een besturen.

Ach ja, ik weet het niet. Ik stel het allemaal te proper voor, ongetwijfeld. Ik hoor in de verte al het spottende commentaar: ‘Je weet niet wat het was in de vijftiger jaren te moeten leven. De bekrompenheid, de verveling, de dreigende kappen van de nonnen. De Koude Oorlog.’

Misschien is het leven dat wij nu leiden te comfortabel om onszelf in een andere tijd te kunnen projecteren. We zijn versuft en missen daartoe de nodige fantasie. En we zijn, laat ons eerlijk zijn, te verslingerd aan onze materiële welstand om ook maar in overweging te nemen dat we er iets van zouden laten schieten.

2421

Sint-Pieters - 081012

gisteren en vandaag 53

Van gisteren wil ik mij herinneren dat ik mijzelf hoorde orakelen over de nieuwe golf van delocalisaties die ons te wachten staat als gevolg van de omwentelingen in Noord-Afrika terwijl ik daar eigenlijk nauwelijks iets over weet.

Vandaag moet ik werken en als ik vroeg genoeg thuis ben ga ik vanavond misschien naar de film.

woensdag 23 februari 2011

gisteren en vandaag 52

Van gisteren wil ik mij herinneren dat I. zich herinnerde dat ze het voorbije weekend iets kwijt was en dat ze zich niet meer kon herinneren wat.

Vandaag moet ik werken.

2420

Sint-Pieters - 081024

dinsdag 22 februari 2011

debuut 30

Aftellen

Iedere zin telt

Ieder woord telt

Iedere letter telt

Af.

Tussen elke regel van het laatste gedicht van Yassine Salihines (1976) debuut Digitaal staat er niet één, zoals hier, maar staan er vier witregels. Dat geeft niet alleen volume aan het gedicht, het versterkt ook het verrassingseffect dat door die ‘Af’ wordt veroorzaakt. Want het gaat om aftellen, niet om tellen – tellen in de zin van belangrijk zijn, er toe doen.

Dat heeft Yassine Salihine, in 2000 winnaar van de El Hizjra Literatuurprijs, goed: dat in een gedicht iedere zin, ieder woord, iedere letter telt. Hij vergeet nog de witregels te vermelden. En de titels, de bundelstructuur, de thematiek en al het andere wat er bij komt kijken.

Laat ons even de titel nemen. Digitaal. Het woord ‘digitaal’ hoort, grammaticaal gesproken, thuis in het rijtje ‘verticaal’, ‘basaal’, ‘anaal’; de uitgang -aal heeft niets met ‘taal’ te maken. Je denkt natuurlijk meteen aan iets uit de computerwereld of de fotografie… Het is weinig waarschijnlijk dat Yassine Salihine John Lennons Dig it op de Beatles-plaat Let It Be voor ogen heeft gehad.

In het openingsgedicht belanden we in een wereld die met adjectieven aan elkaar is geplakt. Er is een ‘stalen’ hemel, er zijn ‘koperen’ golven, er zijn ‘grillige’ rotsen en ‘monochrome’ vormen, en er is een ‘betonnen’ stilte. Het gedicht vertelt van het einde van een dag: ‘Piepend en krakend kwam de dag tot stilstand’.

Dat beton is blijkbaar voor de debutant een favoriet bouwmateriaal, want het komt ook voor in het tweede (‘Ik blijf hier waar mijn wortels beton hebben geschoten’) én in het derde gedicht (‘Betonnen luchten drukken zwaar op mijn geest’). Een trap is er in gedicht 2 en 3, roest in 1 en 3. Architectuur, duisternis, verval, geborgenheid, een uitkijk op de hoogste verdieping: ‘Ik sluit het luik en loop naar boven / Open mijn oren en ogen / De tocht waait door alle vertrekken.’ Dat naar boven lopen gebeurt via de ‘trap naar mijn ziel’ – die echter, zo vernemen wij, al evenzeer als eerder de eindigende dag ‘kraakt’:

Betonnen luchten drukken zwaar op mijn geest
Condens vormt zich in de hoeken van mijn lichaam
De trap naar mijn ziel kraakt

De geur van oud leven heeft zich verspreid
Verlangen verpakt in spinnenrag
Roestige gedachten in kartonnen dozen

Ik sluit het luik en loop naar boven
Open mijn oren en ogen
De tocht waait door alle vertrekken.

 Spinnenrag? Schrijf je dat zo? Neen. Het is: ‘spinrag’. Dus heeft Salihine zich hier een dichterlijke vrijheid veroorloofd. Maar wéét hij dat? (En: wat rechtvaardigt deze dichterlijke vrijheid?) Het gevoel dat hij met een soort van argeloosheid de Nederlandse taal hanteert, bekruipt me wel vaker. Hij lijkt met een soort verwondering de mogelijkheden van bepaalde woorden af te tasten – zonder er dat ietsepietsie méér aan toe te voegen dat eventueel tot goede poëzie zou kunnen leiden:

Braak
Liggend land
Braak

Overgeef ons met slingervruchten.

En wat te denken van volgend gedicht:

De berg krimpte ineen tot jokkebrokken
En vernietigde daarmee het drakennest
Na twaalf eeuwen vlammenstrijd

Voor zondag werd mooi weer voorspeld.

Of neem het gedicht dat begint met ‘Mijn hart is een oude Jazzplaat’, waarin behalve de kapitaal J ook volgende regel kan worden aangetroffen: ‘Er is nu een nieuwe kras, dieper dan alle anderen’.

Mocht ik van deze bundel de eindredacteur zijn, ik kromp van schaamte. Bij de krimpte-fout, en bij alle andere.

En afgezien daarvan weet ik echt niet waarover Salihine dicht. De door de titel geprovoceerde veronderstelling dat hij iets met fotografie heeft, wordt versterkt door de gedichten ‘EOS’ en ‘EOS2’. Maar daarin gaat het vreemd genoeg over analoge en dus niet over ‘digitale’ fotografie: Salihine heeft het over ‘zilveren nitraten’ (zilvernitraat wordt gebruikt bij het ontwikkelen van films) en: ‘De film ontwikkelde zich in een zoutoplossing’. En eerder (in gedicht 4) ging het al over ‘Analoge sneeuw’. In ‘EOS’, overigens, is er sprake van ‘zenuwachtig klikken’, in ‘EOS2’ van zenuwachtig tikken. Ik word er nerveus van. En al helemaal van het volgende gedicht:

De dichter bleek fotograaf
De edelste aller kunstenaars
Licht is nu eenmaal nobeler dan inkt.

Had dan foto’s gemaakt, Yassine! Maar dat doet-ie niet. Hij maakt gedichten. En ‘infographics’ voor een dagblad.

Yassine Salihine
Digitaal
Holland, Haarlem, 2009 / 32 p. / € 5,95

Deze recensie is eerder verschenen in Poëziekrant.



gisteren en vandaag 51

Van gisteren zal ik mij zeker de voedselkundige puinhoop herinneren die ik in de ijskast van mijn moeder aantrof.

Vandaag moet ik werken.

2419

A. - zomer 2008

maandag 21 februari 2011

mijn woordenboek 302

AMUSANT/AMUSEMENT

Het is niet in het amusement – het woord lijkt het zelf te willen zeggen – dat de muze schuilt. Vertier, ontspanning: we bevinden ons in dat register. Divertissement. Verstrooiing. Moet kunnen, zeg ik dan, de boog kan niet altijd gespannen staan. Vijf minuten De Laatste Show, al zappende weg. Maar al spoedig wend ik mij weer tot het serieuzere werk: het leven is kort, te kort. Aber, bin ich nicht zu ernsthaft? ‘t Zou kunnen. ‘Iets in mij’, nochtans, waarschuwt mij voor een cultureel klimaat waarin de onernst en luim tot norm worden verheven en waarin alles wat naar het kwalitatieve neigt, of ervoor pleit of het beoefent of maakt, met een schuinse blik wordt bekeken. Neen, dit is geen paranoia.

Het verwante woord ‘amusant’, daarin spreekt mij wél iets aan. Ik zie glinsterende pretoogjes. Een superieure glimlach. Neen, ’t is niet van wereldschokkend belang wat hier mikt op onze sympathie, maar een vluchtig vleugje van een hogere orde, een ironiserende amuse-gueule voor fijnproevers die oog hebben voor het knipogende toeval, het bitterzoete punctum dat interesses van hoger belang lijkt te willen ondermijnen, de schoonheidsvlek op de rok van het universum.

proza in huis 91-95

91
Gottfried Benn
Dubbelleven
vertaling: C. van Grafenberg

De Arbeiderspers (privé-domein 126), 1986
252 p.
geen datum van verwerving
?

geen bijzondere kenmerken

ongelezen


92
J.M.H. Berckmans
Bericht uit klein Konstantinopel

Nijgh & Van Ditmar, 1996
159 p.
geen datum van verwerving
0

op het voorplat een prijssticker van De Slegte: ‘NU 200 [frank]’

ongelezen


93
Jeanne de Berg

Cérémonies de femmes

Grasset & Fasquelle, 1985
186 p.
verworven door S.

geen bijzondere kenmerken

niet door mij gelezen


94
John Berger
De vrucht van hun arbeid
vertaling: Sjaak Commandeur

De Bezige Bij, 1994
758 p.
20 mei 1994, Gent
1125 frank

eigen stempel en nummer (‘1291’) in rode inkt

deel 1, ‘Het varken aarde’, gelezen in januari 1999; delen 2, ‘Ver weg in Europa’, en 3, ‘Sering en Vlag’, ongelezen


95
John Berger
G.
vertaling: Sjaak Commandeur

De Bezige Bij, 1993
363 p.
3 juni 1993, Brussel
0

eigen stempel en nummer (‘1139’) in rode inkt

gelezen en gerecenseerd in augustus 1993

2418

Brugge, Fort Lapin - 080624


gisteren en vandaag 50

Van gisteren wil ik mij herinneren hoe het mij opluchtte dat ik P., achter onze vrouwen aan stappend door Brugge, kon vertellen over mijn scheiding van vijfenhalf jaar geleden en alle verwikkelingen daarrond, en ook dat we wat later op diezelfde wandeling de foto’s van Martin Parr in 44 Gallery bewonderden, en vooral ook de eigenzinnige manier waarop L. ze aan de muur had opgehangen. Ik zal mij ook herinneren dat ik er een foto kocht van Patrick Bardyn.

Vandaag is er, deze namiddag, leesclub over ’s Nachts komen de vossen van Cees Nooteboom. Dat moet voorbereid worden, maar er zal ook tijd zijn voor lectuur en schrijven. Voor de middag moet ik wel nog mijn moeders ijskast vol charcuterie waarvan de versheidsdatum is overschreden opruimen, en vanavond komt G. eten.

zondag 20 februari 2011

2417


Sint-Michiels, Boudewijnpark


gisteren en vandaag 49 / de dingen 46

Van gisteren herinner ik mij dat de stoofpot à la façon de Jeroen Meus goed geslaagd was, ook al had ik niet de voorgeschreven bavette gebruikt (vond mijn slager te goed voor stoofpot) maar gewoon stoofvlees, en dat ik mij op een gegeven ogenblik op het mozaïekpatroon van de onderlegger concentreerde.


Vandaag moet ik een kater geselen. Vanavond kijken we naar de tweede aflevering van De Ronde.

zaterdag 19 februari 2011

wolken 13

George Kettmann Jr in: Bombast en larie. De 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur (samenstelling Gerrit Komrij), in het gedicht ‘Zomerdag’


13

Een wolk drijft langzaam aan de zon voorbij,
stil in de schaduw gaat een roos ontbloeien.

gisteren en vandaag 48

Van gisteren wil ik onthouden dat een van de leesclubleden zei dat ze aan onze lichaamstaal had gezien dat ik met S., die voor een keer was meegekomen, een bijzondere band heb. Twee beelden uit Mujeres al borde de un ataque de nervios van Almodóvar zal ik, als ik de film ooit opnieuw zal bekijken, zeker herkennen: de lange shot in profiel van het waaierende haar van Candela die achterop een motor zit op weg naar de luchthaven waar ze Carlos wil vermoorden, en Pepa die een glas gazpacho op haar rode jurk gegooid krijgt – rood op rood, dat is nog zo erg niet.

Vandaag werk ik voor Poëziekrant (eindredactie en recensie) en wil ik lezen en schrijven. Op de markt ga ik groenten halen en bij de beenhouwer vlees voor het gerecht dat ik wil klaarmaken voor vanavond, wanneer P. en J. komen eten.

2416

Gent, Brugsesteenweg - 2009?

vrijdag 18 februari 2011

mirage 35

Lissabon - 101230

mijn woordenboek 301

AMPUTATIE

Ken ik – gelukkig maar en voorlopig nog (hout vasthouden) – slechts via anderen. Twee vrienden mankeerden – en mankeren nog altijd want het is definitief – een vinger. De ene (grasmaaier) wees met zijn stompje het bord aan waarop hij de termen schreef die hij wilde uitleggen en waarmee hij zichzelf vermeerderde, de andere bouwde – onder meer – op de afwezigheid die door een vingerverslindende machine was veroorzaakt zijn poëzie. Een verre oom – André, ik was nog heel jong en volop in de groei – bleek bij een volgend bezoek opeens maar één been meer te hebben, en nog een bezoekje later geen één. Vriendinnen krijgen er ook mee te maken, op volstrekt wrede wijze omdat het hen nu net dáár raakt waar zij zo graag worden aangeraakt: door een liefdevolle of onbeschaamde blik, door strelende vingers, door lippen maar toch niet dáárdoor. Niet alleen mijn vriendinnen maar, zo leert de kille statistiek, ook waarschijnlijk één of meer van de uwe: zo grondig doet die killer zijn werk, zo kwistig zaait hij – één op tien vrouwen – zijn dood en leegte brengende kiemen rond. En zorgt hij voor de ultieme, o zo harde lakmoesproef op de liefde: Zal je ook dan van mij houden?

reactie

dat dacht ik ook gisteren op Sint-Jacobs, dat gealiëneerde gevoel, de weelde, zoals u dat zegt. Ik wil graag geloven dat ironie van een massa te lezen valt, maar gisteren kon ik dat niet ternauwernood.
Didier

overschrijven 148

Repeteergedicht

Sommige gedichten dienen
elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Andere gedichten niet.


Wéér andere bleven beter
ongeschreven.
Dat zijn verreweg de meeste.


Maar sommige gedichten
dienen elke dag herschreven.
Gewoon hetzelfde gedicht
elke dag opnieuw.
Tot het onlosmakelijk


met ons wezen is verweven
en met de werkelijkheid
tot waarheid is verdicht.


Jules Deelder (1944)
uit: Ruisch (2011)

2415

Brugge, Grauwwerkersstraat

gisteren en vandaag 47

Van gisteren onthoud ik dat men in dit land op ‘ludieke’ wijze ‘viert’ dat ‘het wereldrecord regeringloosheid’ wordt gebroken. Wat een weelde, zeker als je ziet dat in vele landen mensen bereid zijn om hun leven in te zetten om in het soort democratie te leven dat wij hier gewoon geworden zijn.

Vandaag is er leesclub in Knokke: Ademschommel van Herta Müller. Deze namiddag moet ik werken voor Poëziekrant, onder meer een recensie schrijven van Ik ben mogelijk, de debuutbundel van Maud Vanhauwaert. De kinderen komen eten, en dus moet ik ook boodschappen doen en eten klaarmaken. Daardoor zal er wellicht niet veel tijd overblijven voor lectuur of schrijven. Misschien vanavond.

donderdag 17 februari 2011

gisteren en vandaag 46

Van gisteren wil ik dat ene detail onthouden uit de film Elegy (Isabel Coixet, 2008) die ik op tv zag: David (Ben Kingsley) streelt bij het betreden van de kamer van zijn boezemvriend George (Dennis Hopper), die een beroerte heeft gehad, even de ronding van het bijzettafeltje dat daar staat opgesteld. De wanhopige, gedachteloze maar ook sensuele en zelfs erotische lading van die geste.

Vandaag moet ik werken.

2414

090207

woensdag 16 februari 2011

terugblik 60 (836/1000)


Een reis naar het zuiden met vrienden. We moesten een stop inlassen – ik weet niet meer om welke reden. Gelukkig, want het is snikheet, kunnen we parkeren onder een brug. De spleet tussen beide brughelften, waarop het verkeer boven onze hoofden in beide richtingen voorbijraast, zorgt voor een gelukkige belichting. De houdingen zijn vermoeid, de figuur links staart voor zich uit. Er is geen eensgezindheid, niet in de kleuren, niet in de kijkrichtingen. Niemand ziet het opschrift op de zijkant van de centrale pijler. De man met de baard staat in zijn eigen kader. De sfeer is verstild. Dit is een uitsnede, uit de werkelijkheid van die reis, die even tot stilstand is gekomen, uit de tijd ook. Sommige van deze mensen ken ik nog, zie ik nog regelmatig. Andere niet. Zo is het leven. Komen en gaan in verschillende richtingen. Stilstaan.

2413

gisteren en vandaag 45

Van gisteren onthoud ik dat ik 2666 uitlas.

Vandaag moet ik werken.

dinsdag 15 februari 2011

2412

081018

gisteren en vandaag 44

Van gisteren wil ik mij herinneren dat ik samen met G. YouTube-filmpjes van Billie Holiday, Louis Armstrong, Ella Fitzgerald en, op zijn aanraden, Emerson, Lake & Palmer bekeek.

Vandaag kan ik nog een uur of twee schrijven en dan moet ik gaan werken.

maandag 14 februari 2011

getekend 55

mijn woordenboek 300

AMOREEL

Ik heb het altijd al een moeilijke begrippencluster gevonden: ‘moreel’, ‘immoreel’ en ‘amoreel’. Het verwarrende is dat ‘immoreel’ en ‘amoreel’ zich elk op een andere manier tot ‘moreel’ verhouden – waarmee ze dus een soort van driehoeksverhouding aangaan. En de gemeenschappelijke term, ‘moreel’, wisselt dan ook nog eens van pet, naargelang hij zich tot de ene dan wel tot de andere verhoudt.

In de relatie met immoreel moet ‘moreel’ gunstig worden ingekleurd: het morele valt hier samen met het goede want immoreel heeft altijd de connotatie van verkeerd, slecht, kwaad. In de relatie met amoreel daarentegen is ‘moreel’ ethisch neutraal want beide termen zeggen of er al (‘moreel’) dan niet (‘amoreel’) moraliteit in het geding is, ongeacht of het nu om goed of kwaad gaat. ‘Amoreel’ betekent niet ‘kwaad’ of ‘slecht’ maar heeft de betekenis van ‘zich aan elke morele benadering onttrekkend’, ‘niet in categorieën van moraliteit te vatten’ – en in deze relatie heeft de term ‘moreel’ slechts een neutrale en zeker niet noodzakelijk een gunstige inkleuring.

Het begrip ‘amoreel’ glijdt mij ook op een andere manier door de vingers (als water, als zand van het strand) omdat impliciet wordt verondersteld dat dat- of diegene waarvan of van wie het gezegd wordt toch minstens over het vermogen moet beschikken om moreel te kunnen zijn. Rotsblokken, bomen en wolken zijn amoreel: ze onttrekken zich aan elke morele benadering of kwalificatie – maar het heeft geen zin ze zo te noemen want een rotsblok, een boom of een wolk kunnen nooit of te nimmer moreel zijn omdat ze daartoe niet over de nodige vrijheid beschikken. Hetzelfde geldt voor de tijd, het toeval, de geschiedenis, de wind en het weer. Aardbevingen en de loop van de geschiedenis zijn onverschillig ten aanzien van het lot der mensen. Idem voor de meeste artefacten (pollepels, strijkijzers, gloeilampen en verkavelingsarchitectuur – al zijn sommige realisaties in die laatste categorie ronduit immoreel). Bij bepaalde hogere en domesticeerbare diersoorten begint het wel zin te hebben te zeggen dat ze amoreel zijn. Katten lijken zich te kunnen bezondigen aan zinloos geweld. Je hebt honden die een blinde de straat over helpen. En sommige papegaaien bezigen krachttermen. Toch, dat voel je zo aan, kun je ze niet amoreel noemen want uiteraard trekken ze zich van goed en kwaad niets aan. Niet omdat ze dat niet willen maar omdat ze dat niet kunnen: de kat die met de nog levende muis speelt en hem dan achteloos laat liggen kan niet moreel zijn want hij beschikt niet over de mogelijkheid om zijn instinct niet te volgen. Papegaaien papegaaien alleen maar en die hond is hondstrouw, wat nog iets anders is dan trouw. Toch slaat het begrippenpaar ‘moreel/amoreel’ op iets bij deze dieren. Het is bijzonder moeilijk om een dobermannpincher die net het kind van de buren voor het leven heeft verminkt los van enige moraliteit te benaderen. Een paard dat gaat liggen omdat zijn baas is gestorven werkt ook op het gemoed. Het zijn grensgevallen: natuurlijk volgen die beesten hun instinct maar wat ze doen, of niet doen, zien wij wel met een moraalbril op de neus. Dobermann en paard zijn geen morele wezens, maar ze zijn wel vatbaar voor onze morele projecties en in die zin zouden we ze eventueel amoreel kunnen noemen.

Met mensen is het lastiger. Daar is zowat álles met moraliteit beladen – elke handel en wandel – en wordt het bijzonder moeilijk te begrijpen hoe een mens amoreel zou kúnnen zijn. Immoreel, geen probleem, maar ámoreel? Toch is er een omvangrijk domein van de menselijke activiteit dat die kwaliteit claimt, en wel een waarvoor een grote, zoniet de grootst denkbare, hoeveelheid vrijheid nodig is. Ik heb het over de kunst. Kunst zijnde het geheel van artefacten met artistieke pretentie. De kunst kan – en sommigen zullen zeggen: móet – amoreel zijn. Uitgerekend de kunst, die net het meest wordt gekenmerkt door wat je nodig hebt om moreel te kunnen zijn, namelijk vrijheid. Als dat geen paradox is om u tegen te zeggen!

Ik besef dat hierover bibliotheken in de afdelingen moraalfilosofie en esthetica kunnen worden volgeschreven en ik laat dat dan ook maar over aan de vakspecialisten en andere mensen met veel tijd of die daarvoor worden betaald. Ik beperk mij tot twee summiere kanttekeningen, die ik nog louter voor de sport toevoeg om diegenen die mij tot hier zijn gevolgd te plezieren.

Eerste kanttekening. Volgens velen moet kunst geëngageerd zijn. In die zin kan kunst niet amoreel zijn want engagement veronderstelt een ethische keuze. Hier past het een onderscheid te maken tussen intentie en resultaat. Ik ben geneigd te geloven dat kunst die de intentie heeft geëngageerd te zijn vaak in esthetisch opzicht tekortschiet. Het kan natuurlijk wel, maar naar mijn aanvoelen staat de morele intentie esthetische excellentie vaak in de weg. Zo verdienen bijvoorbeeld kunstwerken die in dienst staan van een bepaalde ideologie altijd eerst en vooral onze grootste en meest alerte argwaan.

De tweede kanttekening is dat kunst, die nooit immoreel kan zijn en ook niet de intentie hoeft te hebben moreel te zijn en dus vaak – op de geëngageerde kunst na – amoreel is, een hogere moraliteit kan dienen. En het gevolg hiervan is dat uiteindelijk ook amorele kunst, en ja, zelfs kunst die een verwoording of vertaling van het kwaad niet uit de weg gaat, moreel wordt. In die zin is ‘amorele kunst’ een contradictio in terminis want voor zover zij de schoonheid dient – en dat is toch wat kunst doet – verwezenlijkt zij een hogere functie van de mens, draagt zij bij tot humanisering, tot een betere wereld.

Conclusie: kunst kan en moet zelfs tot op zekere hoogte amoreel zijn (zoals bijvoorbeeld Vladimir Nabokov met vuur en metterdaad verdedigde; de stelling maakt het overigens mogelijk een antisemitische schrijver als Céline of een notoire pornograaf als markies de Sade te vuur en te zwaard te verdedigen), maar zij wordt dan weer, voor zover de mens door haar te ontwikkelen en perfectioneren schoonheid realiseert, een morele aangelegenheid van een orde die hogere niveaus bereikt dan eender welke ideologie of moraal die het samenleven van mensen regelt.

Tot dat inzicht kwam ik na het lezen van Ademschommel van Herta Müller. Dat boek bereikt, nu net door uitdrukkelijk elke moraliserende inwerking te vermijden, een bijzonder hoge moraliteit en kan dus slechts in een engere, beperktere zin amoreel worden genoemd. Door de literaire schoonheid die Müller in dat boek bereikt, moeten we het een in hoge mate moreel gehalte toeschrijven.

gisteren en vandaag 43

Van gisteren zal ik allicht niet vlug de rondleiding vergeten die S. en J. ons gaven in hun villa in Nederzwalm. Billie Holiday die Strange Fruit zingt, heeft zich in mijn geheugen, in mijn hart gegrift. De formidabele eerste aflevering van Jan Eelens De Ronde zal ik ook niet licht vergeten.

Vandaag wil ik een recensie schrijven en misschien een paar zaken voor deze blog, en verder lezen in dat soms verbijsterende boek van Bolaño. De alsmaar uitgestelde boodschappen moeten worden gedaan, en misschien ga ik een rondje fietsen.

2411

De Panne - 090118

zondag 13 februari 2011

gisteren en vandaag 42

Van gisteren herinner ik met dat ik in boekhandel Raaklijn volledig wég was toen ik het hoofdstuk ‘Over het kampgeluk’ van Hertha Müllers Ademschommel voorlas en dat we daarna samen met E., J. en P. nog een zeer genoeglijke avond doormaakten.

Vandaag gaan we naar een familiefeest bij A. en J. in Nederzwalm. Vanavond kijken we samen met T. naar de eerste aflevering van De Ronde.

2410

Brugge, Karel de Stoutelaan - 101115

zaterdag 12 februari 2011

getekend 54

proza in huis 86-90

86
Saul Bellow
Sammler’s planet
vertaling: Else Hoog

Agathon, 1977 (2de druk)
277 p.
3 maart 1988, Brugge
200 frank

eigen stempel en nummer (‘540’) in rode inkt

ongelezen


87
Saul Bellow
Herzog
vertaling: Mischa de Vreede

Bert Bakker, 2002 (7de druk)
496 p.
geen datum van verwerving
0

geen bijzondere kenmerken

(een ander exemplaar) gelezen in april 1988


88
Saul Bellow
De decaan en diens december
vertaling: Sjaak Commandeur en Rien Verhoef

Agathon, 1983
353 p.
3 maart 1988, Brugge
200 frank

eigen stempel en nummer (‘542’) in rode inkt

ongelezen


89
Saul Bellow
Pluk de dag
vertaling: Bob den Uyl

Agathon, 1990 (3de druk)
144 p.
4 april 1990
180 frank

eigen stempel en nummer (‘715’) in rode inkt; prijssticker fnac (’90 MAR 17’) op achterplat

ongelezen


90
Saul Bellow
Humboldt’s nalatenschap
vertaling: Wim Gijsen

Agathon, 1976 (2de druk)
493 p.
3 maart 1988
200 frank

eigen stempel en nummer (‘541’) in rode inkt

gisteren en vandaag 41

Van gisteren zal de ontroering van H. en F. toen ik hun Amalia Rodriguez liet bekijken mij bijblijven en zal ik zeker ook onthouden hoe mooi F. het gedicht ‘Autopsicografia’ – in het Portugees – voorlas:

O poeta é um fingidor.
Finge tão completamente
Que chega a fingir que é dor
A dor que deveras sente.


E os que lêem o que escreve,
Na dor lida sentem bem,
Não as duas que ele teve,
Mas só a que eles não têm.


E assim nas calhas de roda
Gira, a entreter a razão,
Esse comboio de corda
Que se chama coração.


Vandaag moet er gewerkt worden aan Poëziekrant maar zal er zeker ook tijd zijn voor lectuur. Mijn kinderen komen middageten. Van vijf tot zes lees ik in boekhandel Raaklijn enkele ‘beklijvende’ passages uit verschillende boeken voor. Wat de avond verder nog brengen zal, is niet duidelijk. Misschien bekijken we een film.

2409

Brugge, Vismarkt - 100913

vrijdag 11 februari 2011

2408

G.

gisteren en vandaag 40

Van gisteren wil ik onthouden dat G. me vertelde over het gevaarlijkste roofdier van Madagascar (maar ik ben de naam van het beestje alweer vergeten, ik weet alleen dat het ongeveer twee keer de omvang heeft van G.’s boekentas) en dat S. me een mooi stukje stuurde over haar woningen en de besognes die je niet van je af kunt schudden, hoe vaak je ook verhuist. Een nieuwe versie van dat Ispahangedicht.

Vandaag moet ik werken, boodschappen doen en gastheer spelen voor de syndicvergadering van het appartementsgebouw waarvan ik een verdieping bewoon.

donderdag 10 februari 2011

debuut 29

Grimmig


Stel, u bent huisvader, of -moeder, van een gelukkig verkavelingsgezinnetje ergens in Overflakkee of Genoelselderen, en u krijgt op een morgen in uw mailbox het volgende bericht:

ik mag geen schoten lossen op een gezond gezin

En dat, na die eerste keer, nog 84 keer herhaald. Zou u er gerust op zijn?

Ik niet.

Nochtans is dit de beschrijving van het gedicht dat op de pagina’s 63 tot en met 65 van de bundel Melktanden van Martijn den Ouden (1983) staat afgedrukt. Geen zinnig mens, uiteraard, die het volledig leest. Ik bedoel, die 85 keer na elkaar leest: ‘ik mag geen schoten lossen…’. Je ziet het in een oogopslag, dat er na die eerste regel niets nieuws volgt. Maar dat betekent niet dat er geen vragen rijzen. Waarom die herhaling? Waarom 85 keer? Je moet toch al sterk in je schoenen staan om je aan iets dergelijks te wagen.

Misschien vinden wij elders in de bundel een rechtvaardiging voor zoveel branie.

Melktanden bevat vier cycli. Het openingsgedicht van de eerste reeks, ‘Het uit papier gevouwen dier’, maakt al meteen duidelijk dat de lezer zeer aandachtig zal moeten lezen:

van de honderd ramen
gedraagt zich er een
als een uit papier
gevouwen dier


er brandt nooit licht


Hoe kan, vraag je je meteen af, een raam zich gedragen – en dan nog als een uit papier gevouwen dier? Dat lijkt mij een zeer redelijke vraag. Maar redelijkheid is hier – en ook in het vervolg van het gedicht, de cyclus en de bundel – niet meteen aan de orde. Hoe dan ook, voor al diegenen tot wie het niet meteen zou zijn doorgedrongen herhaalt Martijn den Ouden in zijn derde strofe:

achter het uit papier
gevouwen dier
brandt nooit licht


Dat is wat maakt dat dat ene raam uit honderd zich ‘gedraagt’ als een uit papier gevouwen dier: het punt van overeenkomst tussen raam en dier is dat er nooit licht achter brandt. Maar daar kan het niet bij blijven, dat voel je zo aan:

alleen vandaag
stoft een tengere vrouw
de vleugels


dat hoor je gebeuren
de vleugels van dit dier


Spannend, nietwaar? Met enkele eenvoudige woorden, een onuitgegeven vergelijking en een aangepast ritme van herhaling en ontvouwing bouwt Den Ouden zeer efficiënt een suspense op. Je hóórt die tere papiervleugeltjes knisperen – als dat maar geen blijvende schade oplevert.

Hetzelfde, blijvende schade, kun je vrezen voor de twee visachtige wezens – ‘beide dieren zijn gevleugeld’ – die in het tweede gedicht ‘in het kraakhelderblauwe / tot de bodem toe vastgevroren water’ van een vijver vastvriezen, en voor het ‘handvol herten’, dat in het derde gedicht ‘drijft […] / in de snelle, lichtende rivier’.

Er komen nadrukkelijk vaak vleugels voor in die eerste gedichten. De ‘ik’ van gedicht vijf heeft zijn vleugels verloren en kan zich ‘van die vleugels […] niets meer geheugen’. En in het volgende gedicht vliegen ‘scherven van vogels’ op.

Veel van de wezens uit deze cyclusaanhef zijn niet heel. Een ‘ik’ mist een teen, bij een poedel is een halsader gesprongen, en in het gedicht dat met volgende openingsregels met de deur in huis valt –

hij dacht met zijn helm van gras
een bizon om te beuken


– gebeurt blijkbaar een vreselijk ongeluk:

ze hebben hem zaterdag teruggevonden


een voet
een oog
en de rest


Een beklemmende sfeer al bij al en, eerlijk gezegd, het is niet meteen duidelijk hoe de plot in elkaar steekt. Ik moet bekennen dat ik het niet altijd gemakkelijk vind om mijn aandacht bij de zaak te houden. Ik zoek houvast bij de enkele opvallend ritmische regels hier en daar: ‘knikkebollend bij kaarslicht’; ‘ze heeft behalve ellende weinig aan de trip gehad’.

Na al die bizarre toestanden en desintegratie in de eerste cyclus, lijkt het me niet verwonderlijk dat de titel van de tweede cyclus – ‘Kan iemand dit koord vasthouden?’ – nogal luguber klinkt. Ook hier volgt Martijn den Ouden niet de logica van het alledaagse bestaan, ook hier valt het een en ander uit elkaar (er wordt onder meer een kalf tot ontploffing gebracht). Het blijft gissen voor de lezer, maar intrigerend is het wel. Het is wachten op een aanknopingspunt. Een punt waar alles samenvalt. Misschien in het gedicht ‘zonnegoud geschilderde handen’, waarin we de bundeltitel aantreffen:

het stil gebaar van
het heeft iets te betekenen
melktandendokter


Tanden worden begraven in dat gedicht en een zekere Laura wordt ontraden om met haar ‘bruidsnagels’ naar die tanden te graven.

Ik blijf het moeilijk vinden.

Hoewel je nog op bladzijde 52 een in een zeer mooi beeld gevatte leesinstructie meekrijgt – ‘dit is mitsgaders geen lied / dit is een wuivend gebaar van achter een kraag van riet’ – ga je toch maar van lieverlee verder op zoek naar muziek omdat je in al die verzen waarin veel waanzin en geweld voorkomt en waarin dingen uiteenvallen niet meteen ‘het stil gebaar van / het heeft iets te betekenen’ kunt aantreffen. Ja, muziek: ‘hoor je mij, jij jong, honingrijk jong dijending’. Dat klinkt goed, maar het is een juweeltje gevat in bittere regels:

met zwetende handen en een opengescheurde blokjesblouse
zou die leugentjes zo met natte handen uit de edele bovenbenen slaan
hoor je mij, jij jong, honingrijk jong dijending
de waarheid ligt mij zoet op de tong


Met de titel van zijn debuutbundel suggereert Martijn den Ouden dat hij ooit nog wel eens zijn echte tanden zal laten zien. We zijn benieuwd, nu hij met zijn melkgebit al zo grimmig weet te zingen.

Martijn den Ouden
Melktanden
Querido, Amsterdam, 2010 / 80 p. / € 17,95

Deze recensie is verschenen in Poëziekrant.

facebookbericht 277

(als reactie bij een bericht van Staf De Wilde over de dood van politica Marie-Rose Morel)
over het vreselijke lot zo vroeg te moeten sterven, kunnen wij niets zeggen - wel over de overdreven media-aandacht die naar dit particuliere sterven van deze ene persoon is uitgegaan; we sterven elk op onze manier maar in de dood zijn we allemaal gelijk en uiteindelijk is het dat wat telt

gisteren en vandaag 39

Van gisteren zal ik mij over enige tijd niet veel meer herinneren – en als ik niets opschrijf vast en zeker niet. Dus schrijf ik alsnog dit op, de ‘definitie’ van het toponiem ‘Swerdlowsk’ in Battus’ Opperlans!, daarin aangetroffen op de bladzijde ‘bq’ (‘Breukelse questies’): ‘Middeleeuwse straf voor wie zijn zwaard verloren had. Een ridder werd van top tot teen met honing ingesmeerd en in een mierenhoop gegooid. En dan te bedenken dat maar één van die miertjes zijn zwaardje had verloren!’

Vandaag moet ik werken.

2407

woensdag 9 februari 2011

driekleur 42

[…] Neitzke zei: nee, wij niet, en Kruse en Barz zeiden hetzelfde, en zelfs sergeant Lemke zei: nee, wij hebben dat gehucht daarginds in brand gestoken of we hebben dat daar links of dat daar rechts beschoten, maar het bos niet, en zijn mannen knikten en niemand zei nog een woord, ze bleven alleen kijken hoe het bos brandde, hoe het vuur het donkere eiland allengs veranderde in een oranjerood eiland, misschien heeft het bataljon van kapitein Ladenthin het gedaan, zei een van hen, zij gingen daarlangs, waarschijnlijk zijn ze in het bos op tegenstand gestuit, misschien is het de compagnie van de genie geweest, maar eigenlijk hadden ze niets gezien, geen Duitse soldaten in de omgeving en geen Sovjetsoldaten die in dat gebied weerstand boden, alleen het zwarte bos te midden van een gele zee onder een stralend blauwe hemel, en was het alsof ze zich opeens, zonder een waarschuwing vooraf, in een groot theater van graan bevonden en alsof het bos het toneel en het voortoneel was van dat cirkelvormige theater, het vuur dat alles verteerde en dat prachtig was.

Roberto Bolaño, 2666, 827-828

2406

D. - 110104

gisteren en vandaag 38

Van gisteren denk ik niet dat ik iets bijzonders te onthouden heb.

Vandaag moet ik werken. Op de trein lees ik een paar van die geestige verhaaltjes van Boccaccio.

dinsdag 8 februari 2011

de dingen 45

reactie

Ik las in het weekend je post over o.a. Brodeck en vrijdag zag ik Kiefer in A. Ik heb jouw post meegedragen bij het zien van die ontzaglijke schilderijen. Ik verdraag het esthetiseren van de gruwel niet meer.
Tot ziens en bedankt

Didier

ferroviaire ervaring 31

Een dinsdagavond op perron 4 van Brussel Centraal. Het is al laat, en de trein naar Oostende van tien uur laat op zich wachten. Het uur waarop het er allemaal niet meer zo toe doet, is aangebroken.
Een vreemd en deugddoend uur is dat, en je kunt het alleen maar in stations en op treinen meemaken. De klok laat zijn tirannieke eisen varen, de avond is toch om zeep, het volk dat je nu nog tegenkomt is hoe dan ook minder stipt en secuur van aard, je loopt al eens een outlaw tegen het lijf, je snuift al eens een alcoholisch luchtje op. Zeer typerend aan dit uur is dat mensen die elkaar niet kennen elkaar gemakkelijker aanspreken, grote rariteit dezer dagen.

Een jonge dame met een hondje, een beetje een buitenlands type, ik bedoel die vrouw, zit op de ‘zitstructuur’ – een bank kan ik het niet noemen – te wachten op haar trein naar de zee. Zij heeft aanspraak met een Vlaams ogende man – embonpoint, confectiekleren, gloeiende koontjes en een bril die al tien jaar niet meer in de mode is – die tegenover haar recht blijft staan. De sintel die het gesprekje heeft doen oplaaien is het hondje dat nu, ik heb naast de vrouw op de zitstructuur plaatsgenomen ten einde als luistervink te kunnen optreden, mijn schoenen komt besnuffelen. Maar kijk, een disproportionele ruk aan de leiband roept Jack Russell tot de orde.

Het gesprek verloopt in het Frans. Het gaat over hondjes. Natuurlijk gaat het over hondjes. Meneer heeft er ook een gehad. Een labrador, zo’n trouw beest. Veertien jaar veel plezier aan beleefd. Maar toch geen nieuwe meer genomen. Verliest te veel haar, vindt moeder de vrouw. Maar we missen hem toch. Zo’n pezig dingetje zouden we niet in huis kunnen nemen. Veel te zenuwachtig. En alles kapotbijten…

Dat soort wetenswaardigheden. Een hondenconversatie. De vrouw zegt niet veel, maar laat anderzijds toch ook blijken dat ze het gesprekje onaangenaam vindt. Zolang die man daar maar blijft staan, voel ik haar denken. ’t Is al laat, wat kan een praatje kwaad?

Maar dan zet de man een stap dichterbij. Hij buigt voorover. Om de hond te aaien. De hond laat zich aaien. Honden maken het onderscheid niet. Nu is er geen weg meer terug. Het gesprek dient voortgezet.

Ze gingen altijd wandelen met de labrador. Klein appartementje aan zee. Ze gingen langs het strand. Nu de hond er niet meer is, komen ze veel minder buiten. En nu ben ik bijna met pensioen. Nog twee jaar. Ja, ik wil ervan profiteren. Maar het zal zonder hond moeten zijn. Alleen met moeder de vrouw in dat appartementje.

Dat laatste zegt de man niet, dat van ‘zonder hond’ en ‘moeder de vrouw’ en ‘appartementje’. Ik fantaseer het erbij, maar iets zegt mij dat ik niet ver benevens de waarheid zit. De jonge vrouw naast mij op de ‘zitstructuur’ trekt haar hondje, dat nu ’s mans schoenen aan het besnuffelen was, naar zich toe. De man maakt alweer aanstalten om voorover te buigen om Jack te strelen…

Daar rijdt de trein het station binnen. De vrouw, een jonge vrouw nog, zeker niet onknap, het exotische type, staat recht en neemt in haar ene arm haar tas en in haar andere het hondje op. De trein komt tot stilstand. De compliciteit is nog niet doorbroken. Moet nu dit gesprek tot in Oostende worden voortgezet?

Neen. Resoluut zegt de vrouw: ‘Bonsoir monsieur.’ En ze stapt op. De man is op snelheid gepakt. ’t Is duidelijk dat hij maar beter niet naast of tegenover de dame met het hondje gaat zitten. ‘Bonsoir’, mompelt hij nog. We stappen in en zoeken alle vier – zij, hij, het hondje en ik – een veilig eind uit elkaar een plek in de lege wagon.

gisteren en vandaag 37

Van gisteren zal ik onthouden hoe Roberto Bolaño zich met de eerste dertig bladzijden van het laatste hoofdstuk van 2666, ‘Het deel van Archimboldo’, zich zo in mij vastbijt dat ik nu al weet dat hij mij niet meer zal loslaten vooraleer ik de laatste bladzijde zal hebben bereikt.

Vandaag moet ik werken.

2405

M.-J.

maandag 7 februari 2011

proza in huis 81-85

43
Alessandro Baricco
Land van glas
vertaling: Manon Smits

De Geus, 2007 (3de druk)
249 p.
gekregen van I. op 9 september 2010

op p.1 onderaan rechts een inscriptie met balpen: ‘Pour P. / I.’

gelezen in september 2010


44
Henri Barbusse
Het vuur
vertaling: Mechtild Claessens

De Arbeiderspers, 2001
427 p.
geen datum van verwerving
13 euro

geen bijzondere kenmerken

ongelezen


83
Samuel Beckett
Watt

Picador, 1988
255 p.
28 februari 1988, Brugge
?

eigen stempel en nummer (‘539’) in rode inkt

ongelezen

84
Brendan Behan
Bekentenissen van een Ierse rebel
vertaling: Ko Kooman

De Arbeiderspers, 1979 (privé-domein nr. 14; 2de druk)
286 p.
geen datum van verwerving
400 frank

geen bijzondere kenmerken

ongelezen


85
Frédéric Beigbeder
Windows on the World
vertaling (uit het Frans): Marianne Kaas

De Geus, 2004
285 p.
geen datum van verwerving
0

buikbandje met daarop onder meer de recensiequote ‘Een indrukwekkende roman, die staat als een huis’ van Margot Dijkgraaf in Vrij Nederland

ongelezen

gisteren en vandaag 37

Van gisteren onthoud ik de geslaagde stoofpot en de wandeling met S. en T. langs de Oostendse Vaart: hoe ik met gesloten ogen tussen hen in liep en de westenwind voelde en heel intens genoot van dat moment. Ik wil ook het Dagelijkse Kost-recept ‘poon met pestopuree en gekonfijte kerstomaten’ onthouden en mij herinneren dat ik vandaag het woord vooraf schreef voor mijn Blurb-boek 2010 telde 365 dagen terwijl iTunes het Stabat Mater van Arvo Pärt voor me uitkoos.

Vandaag zal er wel weer wat gewerkt moeten worden, zeker, maar er moet toch ook tijd zijn voor lectuur en schrijfschrijf.

2404

G.

zondag 6 februari 2011

facebookbericht 276

Jean-Pierre [Rondas], kom terug! Ik mis je. En ik walg van dat human interest geleuter van die kerel, hoe heet-ie weer? Pat D.. Goeie interviewer hoor, daar niet van, maar waar is de filosofie, de diepgang, de uitgesponnen gedachte, de intellectuele witz. Nu ja, straks rust er alleen al op het gebruik van het woord 'intellectueel' en van zijn afgeleiden, behalve in een beschimping, een fatwa-achtige sanctie.
Het ga je goed!

baraque lecture 86

De zoveelste Holocaustroman (zucht). En ik las nog maar net Ademschommel van Herta Müller. Natuurlijk, ik weet het wel, het onderwerp van een roman doet er niet toe voor wie graag goede romans leest. Ik lees geen romans om iets te weten te komen – daar heb je non-fiction voor. Maar het onderwerp ‘Holocaust’ is geen neutraal onderwerp. Het geniet een speciale status en dwingt je toch meer dan bij andere romans stil te staan bij de inhoud.

De Holocaust heeft de mens tot in zijn diepste vezels veranderd. Daarom is het goed om dat ‘verhaal’, dat jammer genoeg helemaal geen verhaal is geweest maar werkelijkheid, steeds opnieuw te vertellen: om te blijven begrijpen wie de mens ooit geweest is en nu is. (Een herhaling van het onuitsprekelijke zullen we daarmee niet vermijden – het zou naïef zijn te denken dat zoiets mogelijk zou zijn. Genocides zullen er altijd zijn. Redeloze haat en manipuleerbare massa’s ook. En de technologie van de massavernietiging, in de vroege jaren veertig geperfectioneerd, zal niet vanzelf verdwijnen.)

Is er na Auschwitz nog poëzie mogelijk? Natuurlijk wel. Theodor Adorno bedoelde met zijn beroemde en tot in den treuren herhaalde en vaak misbruikte vraag helemaal niet dat poëzie niet meer mogelijk zou zijn maar wel dat poëzie voortaan een uiting zou zijn van een cultuur die het onnoembare mogelijk had gemaakt of minstens niet had kunnen verhinderen en dat zij daarvan voortaan rekenschap zou moeten afleggen. Poëzie is, onder meer, altijd ook een onderzoek naar de mogelijkheden van de taal. Goed proza is dat evenzeer. Daarom geldt het statement van Adorno evengoed voor proza: ook het naoorlogse proza kan niet om de Holocaust heen. Niet dat het daar altijd over moet gaan, maar wel dat je niet meer op dezelfde wijze kunt schrijven als ervoor. George Steiner heeft in een van zijn vroege essays (bijvoorbeeld ‘Het wonder zonder inhoud’ in Het verval van het woord) overtuigend aangevoerd dat deze opmerkingen a fortiori gelden voor de Duitstalige literatuur.

De Franstalige auteur Philippe Claudel schreef met Le Rapport de Brodeck een zoveelste Holocaustroman. Moet dat nu echt? Heeft Claudel argumenten om dat te doen?

Neen, dat laatste is flauw. Natuurlijk moet je niet zelf in een kamp hebben gezeten om erover te schrijven. Er zijn genoeg voorbeelden van goede en noodzakelijke romans van auteurs die het niet hebben meegemaakt en er toch over schrijven. Zo heeft Herta Müller zeer uitdrukkelijk de stof voor haar roman ook maar uit de tweede hand. Trouwens, de voorraad rechtstreekse getuigen die het nog altijd overleven en nog tot schrijven in staat zijn, moet stilaan uitgeput zijn. En daarnet zei ik dat het nodig blijft dat erover geschreven wordt: om te blijven begrijpen wie wij zijn. Is er iets mis met die niet aflatende stroom Jonathan Littells (De welwillenden) en Laurent Binets (HhhH)?

Ik ben met gezonde scepsis aan Het verslag van Brodeck begonnen. Vanwege ‘alweer Holocaust’ maar ook vanwege de auteur. De bestseller Grijze zielen vond ik geen prettige ervaring. Claudels stijl ligt me niet.

En kijk, Brodeck wekte inderdaad eerst en vooral een impulsieve afkeer op. Die schoonschrijverij, dat gekunstelde, dat artistiekerige. Op wiens kap uiteindelijk? Hier stelt zich niets minder dan een ethisch probleem. Ik ervoer iets dergelijks bij Godenslaap van Erwin Mortier.

Het probleem laat zich plusminus als volgt formuleren: hoe kun je schoonheid betrachten in het beschrijven van de grootste gruwel? (Want romankunst is toch nog altijd kunst en kunst heeft toch nog altijd met schoonheid te maken?) Of anders: hoe kun je vermijden dat het nastreven van esthetische kwaliteit de ethische bekommernis van het noodzakelijke memoreren voor de voeten loopt?

Het verslag van Brodeck heeft zeker kwaliteiten. Claudel is een goede verteller. De constructie van zijn verhaal is ingenieus – schijnbaar chaotisch maar in werkelijkheid vernuftig en ook meeslepend: je blijft wel degelijk verder lezen. En ja, dat is een verdienste – men zal mij het tegenovergestelde niet horen beweren. Overigens worden en passant ook de juiste vragen gesteld, hetgeen bewijst dat Claudel zich minstens van de problematiek bewust is: moet er nog over de gruwel verteld worden? En zo ja, hoe? Kunnen we niet stilaan het vergeten zijn werk laten doen? Of zoals Koos Schuur het (in 1947) zegt in het door Paul Witteman en Dick Slootweg samengestelde boekje De Avonden, een kleine reünie: ‘Natuurlijk heeft men romans verwacht die over de oorlog handelden, over de bezettingstijd, over het verzet, over het ondragelijke leed, over hongertochten en ontberingen. Men wist bijna vooruit wat er in zou staan omdat men het zelf aan den lijve ondervonden had, maar men wilde het lezen om het voorgoed tot het verleden te doen behoren.’

Maar Het verslag van Brodeck balanceert op het randje. Alleen maar vertellen is niet genoeg: het verhaal is al zovele keren verteld. Levi, Semprun, Kertesz en vele anderen hebben de Holocaust zeer afdoende en op indrukwekkende en waardige wijze gememoreerd. Uit de eerste hand! Maar er is ook al heel wat ruis ontstaan. De filmindustrie heeft een niet te onderschatten impact op ons collectieve (schijn)geheugen. Lieden als Spielberg hebben de Holocaust gebanaliseerd en eigenlijk is het door hun bijdrage quasi onmogelijk geworden om nog, zonder hun iconische beelden op je netvlies, iets zinnigs toe te voegen aan het al bestaande corpus Endlösungs-verhalen. De diverse musea van de verschrikking, die her en der met de beste pedagogische bedoelingen worden opgericht, kampen alle met de vreselijke uitdaging: hoe het cliché overstijgen? Met nóg een berg schoenen, nóg een berg brillen, nóg een berg valse tanden? Staande tegenover de wand met kindertekeningen in het Joods Museum van Theresienstadt had ik een zeer dubbel gevoel weg te slikken.

We staan voor een paradox. Inhoudelijk valt er, denk ik, niet veel meer toe te voegen aan wat we al weten. We krijgen af te rekenen met de banaliserende werking van de herhaling. Toch moeten we blijven memoreren. Dat kan op rituele wijze, maar het kan ook in de kunst. In het eerste wordt een geijkte handeling plichtmatig en plechtstatig op gezette tijden herhaald. In het tweede is vernieuwing noodzakelijk. Die vernieuwing kan niet anders dan vormelijk zijn.

De Holocaustauteur moet vormelijk iets toevoegen. Hij moet aan het licht brengen hoe de gebeurtenissen, en ondertussen ook de manier waarop erover is ‘verteld’, zijn uitgehold en welke weerslag dit op de taal en de beeldtaal heeft gehad. Dat vormelijke, én dat onderzoek naar de mogelijkheden van de taal, is wat Herta Müller in Ademschommel wél vermag. Claudels romankunst is niet zo fundamenteel. Hij blijft te zeer in het verhalende steken, al moet gezegd: hij lijkt minstens aan te voelen dat een omzichtig omgaan met de taal aangewezen is. Zo gebruikt hij – om de onnoembaarheid die die episode uit de geschiedenis kenmerkt te illustreren, of te adstrueren – onbestaande toponiemen, vervormt hij het Duits en heeft hij steevast over ‘Fremder’ in plaats van over ‘Joden’.

Waarmee hij meteen ook de massapsychologische mechanismen die tot de collectieve misdaad kunnen leiden loskoppelt van de specifieke omstandigheden waarin ze zich zeventig jaar geleden tot hun sinistere eindpunt – de Endlösung – hebben afgewikkeld. Het verslag van Brodeck is daarmee een – moraliserende – waarschuwing tot elk van ons. Een die wérkt omdat, ik herhaal het, Claudel hier en daar blijk geeft van het besef dat schrijven over de Holocaust ook een vormkwestie is. Maar het neemt niet weg dat zijn stijl, naar mijn smaak, te barok en te krullerig blijft. En hier en daar – en dat neem ik hem kwalijker – gaat hij zwaar uit de bocht, op het smakeloze af. Zo probeert hij door opzichtige contrastwerking de gruwel in beeld te brengen (zoal Spielberg in Schindler’s List het rood uitspeelt tegen het zwart-wit). Zo moet de vrouw van de kampcommandant natuurlijk beeldschoon zijn en blond-met-blauwe-ogen. En zo heet een van die nazibeulen iets te opzichtig Scheidegger – waaruit moet blijken dat Claudel ook weet dat Heidegger een nazipartijkaart had. Het onderwerp maakt dergelijk vertoon van eruditie, dat anders een beetje onnozel is, ongepast. En ten slotte: soms had ik net iets te zeer de indruk – ik houd het bij een indruk – dat Claudel misschien – ik zeg: misschien – een pervers genoegen beleefde aan het beschrijven van een gruwel die hij zelf nooit heeft meegemaakt.