vrijdag 22 maart 2019

wolken 3290-3292

wolkenfragmenten uit Jesús Carrasco, De vlucht

3290
Geen spoor van wolken. (30)

3291
De hemel was een blauw, wolkeloos gewelf. (85)

3292
De met grijze wolken bedekte hemel midden op de ochtend en een doorschijnend licht dat de voorwerpen scherp omlijnde en een helderheid verleende die hij zich niet kon herinneren. (207)

wolken 3270-3289


wolkenfragmenten uit Virginia Woolf, Orlando

3270
In het oosten verrezen de torens van Londen, hing de rook van de stad; en misschien, als de wind uit de goede hoek kwam, waren geheel aan de einder de verweerde rotskruin en de scherp getande contouren van Mount Snowdon te zien, die reusachtig en massief tussen de wolkenflarden torende. (16)

3271
(…) de ijle zomerwolken hingen roerloos in de lucht (…) (17)

3272
Na een klein uur – de zon neeg snel ter kimme, de witte wolken waren nu rood gekleurd, de bergen violet, de bossen purper, de dalen zwart – weerklonken de tonen van een trompet. (17)

3273
Langzaam verzonk de zon en al de koepels, torenspitsen, tinnen en transen van Londen verhieven zich roetzwart tegen het toornig rood der bewolkte kim. (48)

3274
Toen de wolkbreuk op het allerhevigst was, klonk er een dof gedreun als van zware kanonnen. (55)

3275
Vlak achter haar, zich als het ware in de schaduw harer statiger zusters verbergend, loopt Vrouwe Ingetogenheid, de teerste en schoonste dezer drie; zij toont ons slechts haar gezicht gelijk de jonge maan zich vertoont als deze smal en sikkelvormig tussen de wolken gaat. (123)

3276
Op dit serene en ordelijke beeld zagen de sterren neer, fonkelend, onbeweeglijk, diamanthard, uit een wolkenloze hemel. (203)

3277
Toen bemerkte Orlando plotseling dat een kleine wolk ahcter de koepel van de St. Paul zichtbaar werd. Terwijl de slagen weerklonken werd de wolk steeds groter, zij zag hoe deze verdonkerde en met grote snelheid uitdijde. Tegelijkertijd stak er een lichte bries op en tegen dat de zesde slag van het middernachtelijk uur had weergalmd, was in het oosten de hemel geheel en al met een zich onrustig voortbewegende duisternis overdekt, hoewel de lucht in het westen en noorden nog even helder was als voordien. Toen begon de wolk ook naar het noorden te spreiden. De hoogten die op de stad neerkeken werden stuk voor stuk verzwolgen. Slechts Mayfair met al die schitterende lichtjes scheen in tegenstelling hiermee helderder te stralen dan ooit tevoren. Op de achtste slag strekten enige voortijlende wolkenflarden zich boven Piccadilly uit. Deze schenen zich samen te pakken en met buitengewone snelheid voort te jagen in de richting van de West-End. Toen de negende, tiende en elfde slag klonk, strekte een enorme zwartheid zich naar alle kanten boven de stad uit. Bij de twaalfde slag van het middernachtelijk uur was het volledig duister. Wild wervelende wolkengevaarten bedolven de stad. (204-205)

3278
De enorme wolk welke zich die eerste dag van de negentiende eeuw niet slechts boven Londen doch boven de gehele Britse eilanden uitbreidde, bleef lang genoeg hangen – of bleef eigenlijk niet hangen, omdat het gebeuk van bulderende stormwinden deze telkens in een andere richting dreef – om op een merkwaardige manier al degenen te beïnvloeden die zich in de schaduw ervan bevonden. Het Engelse klimaat scheen een verandering te hebben ondergaan. Het regende veelvuldig, doch slechts in vlagen, de ene stortbui was nauwelijks voorbij of de volgende begon. De zon scheen natuurlijk wel, maar deze was zo door wolken omfloerst en de lucht was zo met vocht verzadigd, dat hierdoor de zonnestralen verkleurden en fletse lila, oranje en rode tinten de meer uitgesproken kleurschakering van het achttiende-eeuwse landschap vervingen. (206)

3279
Want daar, zo peinsde hij, ravotten en rollebolden winter en zomer, jaar in jaar uit, de wolken als walvissen of, beter gezegd, als olifanten (…) (209)

3280
Op een middag aan het begin van de eeuw reed zij in haar oude staatsiekoets door St. James’ Park toen een van die zonnestralen, welke soms – hoewel niet vaak – kans zagen de aarde te bereiken, zich worstelend door de wolken drong en deze marmerde met de vreemdste prismatische kleuren. Dit schouwspel was zo merkwaardig vergeleken bij de klare, strakke luchten van de achttiende eeuw dat zij het raampje neerliet om er naar te kijken. De paarsbruine en flamingokleurige wolken deden haar met een heerlijk gevoel van beklemming – hetgeen bewijst dat zij zonder het te weten reeds door de vocht was aangetast – denken aan stervende dolfijnen in de Ionische Zee. (210)

3281
‘Op wie,’ vroeg zij terwijl zij haar ogen op de wervelende wolken vestigde en er zo, met ineengeklemde handen op de vensterbank geknield, uitzag als de verpersoonlijking van de hulpeloze vrouw, ‘Op wie kan ik steunen?’ (223)

3282
De roeken buitelden en duikelden tussen de violette najaarswolken. (223)

3283
En zij keek naar boven, recht in het wonderschone gouden schuim waartoe de wolken zichzelf hadden gekarnd, en bijna onmiddellijk zag zij hierin een pad lopen en kamelen die, omgeven door rode stofwolken, in een enkele rij door de rotsige woestijn trokken (…) (226)

3284
Wolken drijven voorbij, doorzichtige en zware, kleine kleurschakeringen over het gras tevoorschijn toverend. (244)

3285
Het zou ettelijke uren kunnen duren voor zij antwoord kreeg op haar telegram; het was zelfs heel goed mogelijk dacht zij, terwijl zij naar de lucht keek waar de hoge wolken voorbij jaagden (…) (256)

3286
Het wolkendek was ingekrompen en vormde nog slechts een dun waas (…) (268)

3287
Geheel aan de einder braken de verweerde punten van Mount Snowdon verblindend wit door de wolken; zij zag het verre Schotse bergland en de woeste getijden die kolken om de Hebriden. (294)

3288
Zij keek bezorgd omhoog naar de lucht. Deze was verdonkerd nu door de wolken. (296)

3289
Het vliegtuig schoot uit de wolken tevoorschijn en bleef boven haar hoofd in de lucht hangen. (297)

afscheid van mijn digitaal bestaan 118


voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen


Voor minder dan de aanslag op de Twin Towers en het bombardement op Dresden, kunstig via een familieverwantschap en wat geëmigreer met elkaar verbonden, lijkt de nog geen dertig jaar oude bestsellerauteur Jonathan Safran Foer al niet meer in zijn pen te kruipen, zo blijkt uit Extreem luid en ongelooflijk dichtbij. In Alles is verlicht liet hij al de Amerikaanse nazaat van een Oekraïense vluchteling op zoek gaat naar zijn door de Shoah weggevaagde, zich enkele eeuwen diep in het verleden borende roots. Trans-Atlantische moves, een spagaat in de tijd van heb ik je daar, zeer gewichtige morele kwesties die La vita è bella-gewijs met een lach en een traan worden weggepinkt, typografische spitsvondigheden, een intrige voor denksportkampioenen, een constructie met interne links waar, gesteld dat een telefooncentrale het zou kunnen, een telefooncentrale van aan het blozen zou slaan: dat zijn zo ongeveer de ingrediënten van Foers beide romans. En dan zijn er nog de ongebreidelde maar zeer keurig beteugelde fantasie, de overgeregisseerde manipulatie van des lezers gevoeligheid en inlevingsvermogen, het modieuze gegoochel met postmoderne items als catalogi, namenregisters, alfabetisch geordende trivia en austeriaanse stadsplattegronden, retorische tics die aanvankelijk wérken maar op den duur tégenwerken, thrillertechnieken zoals het dwaalspoor, enzovoort.

Om maar te zeggen dat ik niet van plan ben om te jubelen over de tweede roman van deze wonderboy uit New York, dat trouwens alweer een wereldwijd succes blijkt te zijn. Het is me allemaal iets té goed geschreven, té spits, té vernuftig. Té vrijblijvend ook. En ik verdraag niet dat zeer delicate morele-grenskwesties voor entertainmentdoeleinden worden ingezet. Het wordt op den duur zo’n maakwerk, dat het mij koud laat – en dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest. Toen ik bij de laatste twintig bladzijden aanbelandde, was ik de draad kwijt, en eigenlijk interesseerde het me al niet meer waar het om draaide.