zaterdag 14 november 2009
facebookbericht 139
vrijdag 13 november 2009
dag 808 – 091102 maandag
© Ron ChiersBeste Hendrik,
Dank je voor de foto’s van je werk in La Louvière. Het moet indrukwekkend geweest zijn het werk in de werkelijkheid te kunnen zien en ervaren. Bepaald geen sinecure om zo’n lange en donkere gang in te vullen. Je bent daar, voor zover ik het op een foto kan beoordelen, naar mijn aanvoelen zeker in geslaagd: de fotostrip krijgt een monumentaal karakter. In de werkelijkheid moet dat a fortiori het geval zijn geweest: uitvergroting, sterke beeldtaal, kleur, verhouding tussen de kleur en het wit van de gang, het inspelen van langwerpigheden op elkaar.
Ik ga even in op enkele onderwerpen in je mail.
Ik heb lang getwijfeld of ik je wel de foto moest sturen van het werk van Evelien Hiele dat ik in Poperinge heb gezien en waarbij ik meteen had ervaren dat het ‘door jou had kunnen geschilderd geweest zijn’. (Trouwens ook de reden om de foto te maken.) Moet een buitenstaander wel wijzen op verwantschappen? Want het lijkt me niet inoffensief, niet zonder gevaar… Misschien is het beter de kunstenaar in de waan te laten dat hij als enige zijn thematiek aan het exploreren is. Misschien is het beter hem niet uit evenwicht te brengen. Want wat gaat er nu gebeuren? Nu ga jij op zoek om uit te vissen wie die Evelien Hiele is? Wat ze al heeft gemaakt? Misschien vind je dingen waarbij je je zult afvragen of ze het wel allemaal alléén kan gevonden hebben? Of misschien zal blijken dat zij vérder staat in de exploratie van jullie thema en beeldtaal? Misschien raak je daardoor ontmoedigd en heb ik zo een disproportioneel grote invloed op je uitgeoefend?Maar misschien ook maak ik me totaal onnodig zorgen. Misschien is een kunstenaar, iemand die écht een thema uitpuurt en uitwerkt – en écht wil dan zeggen: koppig, grondig, obstinaat, autonoom –, volstrekt niet uit evenwicht te brengen door wat dan ook. Dan moet ik mij geen zorgen maken en blijft het maken en sturen van de foto wat het eigenlijk bedoelde te zijn: een kennisgeving en ook een blijk van interesse want ik kan ook bij het zien van andermans kunst aan die van jou denken.
En dan de associaties. Ik noemde eerder al Blake en Mortimer […]. Ook daar kun je je afvragen of het wel een zinvol commentaar is: verbanden leggen, associëren. Voor je het weet, stuur je de kunstenaar alweer in een bepaalde richting. Je legt hem verbanden op die voor hem irrelevant zijn. Je verengt zijn werk – alsof het slechts bij machte is om die ene connotatie op te roepen. Je herleidt het tot een connotatie, alsof het niet op zichzelf kan staan. (Om nog maar te zwijgen van het mogelijk pedante van het leggen van verbanden: zie eens hoe breed mijn culturele achtergrond is…)
Dat is allemaal weinig genereus en het moet eigenlijk het onvermogen toedekken om tot een fundamentelere commentaar te komen.
Maar misschien is dat helemaal niet nodig, een fundamentele commentaar. We raken hier aan het dilemma van hoe te reageren op kunst. En ook aan de paradox van het tentoonstellen: wat wil de kunstenaar – au fond eigenlijk een ‘autist’ – eigenlijk bereiken? Erkenning natuurlijk, dat is evident. Maar hoe moet die erkenning zich uiten? Enzovoort, enzovoort. Een heel kluwen van vragen ontstaat hier – en dat is natuurlijk al een deel van de oplossing van het probleem: dat we met het proberen op te lossen van die vragen bezig blijven, dat de kunstenaar – én de kunstbeschouwer – alweer het hunne ertoe hebben bijgedragen om dat eeuwigdurende gesprek te voeden…
Tot ziens, Hendrik, hopelijk vind je meer en betere respons.
Pascal
donderdag 12 november 2009
dag 807 – 091101 zondag
Ver lijkt ook de lay-out van dit boek. De grijzigheid, het lettertype, het smoezelige van iets wat ochgot nog maar dertig jaar oud is. Die indruk wordt natuurlijk versterkt doordat het een fotoboek is en er – dus! – foto’s in staan en op die foto’s staan allerlei dingen die nu danig verouderd lijken: veel te grote brillen, veel minder volle straten, hoekige auto’s met veel chroom…
Ik blader in dat boek. Het is een catalogus van een fototentoonstelling. De jaren zeventig in de Duitse fotografie. Ja dat heeft ook bestaan: de jaren zeventig in de Duitse fotografie. Het bladeren duurt niet lang, de indruk is oppervlakkig. Wat is die indruk? Dat er veel wordt geëxperimenteerd. Grappige foto’s (een man loopt rond met een plakkaat ‘Ik voel me pas echt goed als ik met dit plakkaat kan rondlopen’ – en die man wordt dan gefotografeerd). Abstracte foto’s (een schaduwpatroon op een muur, de manier waarop een gordijn valt). Maatschappijkritische foto’s en fotocollages. Verstilde steedse landschappen. Een bepaald soort Robert Franck-achtige straatfotografie… Existentiële zelfonderzoeken (een man die zich, achtereenvolgens, met de inhoud van verschillende verfpotten heeft laten insmeren en telkens één keer de zelfontspanner heeft laten afgaan). Enzovoort. De indruk die ik krijg is (1) dat het allemaal al eens is gedaan en (2) dat het allemaal, of toch het meeste, vergeten is geraakt, intussen. (Enkel het koppel Becher, dat industriële installaties inventariseert, is niet vergeten geraakt en hangt nu in alle zichzelf respecterende fotografiemusea.) Al die inzet, al die energie, al dat geloof in eigen kunnen: het is verloren geraakt in de plooien van de tijd…
random 7
woensdag 11 november 2009
mijn woordenboek 233
Dat iemand er fysiek niet is waar hij had moeten zijn, het kan gebeuren en we moeten altijd bereid zijn het hem, of haar, te vergeven. Ziekte, vergetelheid, nonchalance, heirkracht, de brug stond open voor de aken (zie het eerste lemma in dit woordenboek) en hij was, bijgevolg, dicht voor de auto’s en fietsen: er valt altijd wel iets à decharge in te roepen om de afwezigheid van de afwezige te vergoelijken. Incidentele afwezigheid is vergeeflijk – zolang we maar aanwezig zijn in de gedachten van wie ons node mist.
Hetzelfde geldt voor de definitieve afwezigheid van de aflijvige. Hij, of zij, laat een leegte achter en die leegte, vaak een zeer aanwezige leegte overigens, kan – deels – worden gevuld met onze pijn, ons leedwezen, ons verdriet. Soms echter laat de dode niet eens een leegte achter – dan is hij eigenlijk niet meer afwezig. Dan is hij, zoals John Cleese ooit in de befaamde ‘dead parrot’-sketch te berde bracht, stone dead, bereft of life, ceased to be of definitely deceased. Not among the living anymore. This is a late parrot.
Soms is afwezigheid geïnstitutionaliseerd want opzettelijk, met voorbedachten rade. In dat geval spreken we van absenteïsme. Het is een kwaal die naar verluidt al eens voorkomt in parlementen – in die mate zelfs dat de woorden ‘parlement’ en ‘absenteïsme’ relatief vaak samen worden vernoemd.
Zeer revelerend, én relevant in dit overzicht, is de afwezigheid van iemand die desalniettemin in levenden lijve aanwezig is. Hij staart met afwezige blik voor zich uit of kijkt dwars door je heen naar iets anders, iets wat in sommige gevallen zelf ook niet aanwezig is. Het is niet dit soort afwezigen dat altijd ongelijk heeft.
random 6
dinsdag 10 november 2009
facebookbericht 138
dag 804 – 091029 donderdag
Ik trek dus die YouTube open. Onmiddellijk zie je dat zich een formaatprobleem stelt. De omvang van het podium, van de locatie, van de hoeveelheid volk (bijna honderdduizend mensen): dat alles vereist artiesten die wel vijf meter groot zouden moeten zijn – maar dat kan natuurlijk niet. De schermen boven het cirkelvormige en midden in het stadion opgestelde podium verpletteren de band nog meer – je kunt zó raden dat het merendeel van het publiek daarnaar staat te kijken. Visueel hebben ze dus een ervaring die te vergelijken is met de mijne, terwijl ik voor mijn computer naar dat amechtige YouTube-schermpje zit te staren.
Formaat is er ook in het auditieve. De muziek staat zo hard, en Bono’s stem is zo kwetsbaar, dat al na een twintigtal minuten zijn zingen meer een schreeuwen wordt. Hij haalt de hoge tonen niet meer, hij zingt de frasen niet meer tot het einde. Bovendien gaat hij in de eerste nummers zodanig springend en gesticulerend te keer, dat hij al spoedig naar adem staat te snakken: slecht gedoseerd.
Maar goed, het is hoe dan ook een indrukwekkende zaak – en veel van die songs zijn zo sterk dat ze nog wel een tijdje zullen meegaan. Sommige overgangen, bijvoorbeeld van ‘Elevation’ rond 0:50:45 naar het volgende nummer, zijn bijzonder geslaagd. Ook is er, omstreeks 1:26:00 een spannend moment met een Amerikaanse vlag: wordt die daar Bono, die zich net naar een ‘boodschap’ to the people of Iran aan het opwerken is, onvoorzien voor de voeten gegooid, of is het een ingestudeerd nummertje? Ik neem liever de eerste optie voor waar aan. Dan is het bijna een zaak van wereldbelang om op de juiste manier met het toegeworpen symbool om te springen want er kijken toch een paar tientallen miljoenen mee. Moet je ermee staan zwaaien, of moet je het textiel meteen van de catwalk vegen (zoals een beetje verderop met een Ierse vlag gebeurt)? Bono veegt als een Veronica zijn voorhoofdzweet aan de vlag af, spreidt hem mooi open en gaat er dan, twijfelend tussen afkeer en eerbied, van weg. Een elegante, tamelijk diplomatische oplossing.
maandag 9 november 2009
dag 801 – 091026 maandag
…zelfs als u, buiten iedere baan om, met de samenleving alleen een vluchtig en zelfstandig contact had gezocht, zou dit benauwende gevoel u niet bespaard zijn gebleven. Het is overal zo, maar dat is nog geen reden om bang te zijn of bedroefd; als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten. Nog zijn de nachten er, en de winden die door de bomen waaien en over vele landen; nog is onder de dingen en bij de dieren alles rijk aan gebeuren, een gebeuren waaraan u mag deelnemen; en de kinderen zijn nog zoals u als kind bent geweest, zo bedroefd en gelukkig – en als u aan uw jeugd denkt, dan leeft u weer onder hen, onder de eenzame kinderen, en de volwassenen zijn niets, en hun status bezit geen waarde.
Rainer Maria Rilke, Brieven aan een jonge dichter, vertaling Theodor Duquesnoy, Balans 2004(10)
facebookbericht 137
zondag 8 november 2009
random 3
dag 800 – 091025 zondag
Op het braakliggende terrein achter mijn ouderlijke huis is een enorme berg opgerezen. Ik besluit die berg te beklimmen maar heb blijkbaar, wanneer ik een vooruitspringend deel van de rotswand probeer te passeren, niet voldoende vooraf de moeilijkheidsgraad ingeschat want ik kan op een gegeven ogenblik noch voor- noch achteruit. Als in een onhandige omhelzing sta ik daar geblokkeerd. Ik peil de diepte achter mij, beoordeel de mogelijkheid om door andere klimmers uit mijn hachelijke positie bevrijd te worden (géén mogelijkheid), en besluit dat redding alleen van hogerhand kan komen: door middel van een touw dat van boven op de rots wordt neergelaten of desnoods uit een helikopter. Lang mag het in elk geval niet duren want ik voel hoe de krachten razendsnel uit mijn armen verdwijnen… Zal ik tijdig worden gered…?
zaterdag 7 november 2009
debuut 13
Met Baaierd is Henry Sepers (1955) niet aan zijn proefstuk toe. Hij publiceerde tussen 1993 en 2005 liefst vijf romans. Maar dichten heeft hij altijd al gedaan. Gedichten van hem verschenen eerder, nogal sporadisch, in enkele tijdschriften. Maar Baaierd is wel degelijk zijn debuutbúndel.Iemand die al vijf romans heeft geschreven, treed je, onwillekeurig, op een ‘aangepaste’ manier tegemoet. Schroomvol, schoorvoetend. Van zo iemand kun je wel iets verwachten.
De titel van de bundel keert terug in het openingsgedicht ‘Baaierd’ van de derde cyclus, die ‘mythisch’ heet. Het is een gedicht over de oorspronkelijke chaos waaruit nieuwe dingen kunnen ontstaan. Laat ons misschien dáár beginnen – niemand zegt dat dat niet mag en hier lijkt het bovendien niet ongepast.
Als je de baaierd terugbrengt een mengelklomp
van zaden hun lompe plompe zwaarte
innerlijk strijdig in modder je roert
het droge door vocht het harde door
zacht heilige en zondaar man en
vrouw versmelt je tot amalgaam
vereencelligd in oersoep
als je de baaierd terugbrengt en de wateren
vergaderen niet langer maar verenigen
zich met uitspansel en jij roept
(nogal hysterisch)
er zij duisternis! duisternis!
dan pas valt er weer te scheppen
Als je alle onderscheiden hebt weggewerkt, alle tegenstellingen hebt ongedaan gemaakt, alle individualiteiten hebt opgeheven, en als je na een soort van omgekeerde beweging te hebben gemaakt, van licht naar duisternis in plaats van omgekeerd, als je ‘(nogal hysterisch)’ en eenzelvig bent ‘vereencelligd’ en terug in die baaierd bent gekeerd, dan kun je weer opnieuw beginnen. Schep maar op, die oersoep!
Een baaierd, leert Van Dale is, behalve een passantenhuis, een nachtasiel of een gelagkamer, ook: ‘de ongevormde elementen waaruit naar het boek Genesis de aarde is geschapen, syn. chaos’.
Maar ‘passantenhuis’ houdt in het geval van Sepers ook wel steek want Sepers reist graag en heeft al vele watertjes doorzwommen.
Van die derde cyclus, ‘mythisch’, zijn, blijkens de aantekeningen, een aantal gedichten geïnspireerd door de Metamorphosen van Ovidius. Twee tegenpolen staan al in het geciteerde openingsgedicht – ‘ het harde door / zacht’ – en dat begrippenpaar komt vaak terug: mensen die in standbeelden veranderen, die dan met mos overgroeid raken, of ze worden een boom en grijpen met hun takken naar de lucht en graven met hun wortelen in de bodem. Het zijn, als ik het me goed herinner want het is een eeuwigheid geleden dat ik Ovidius ter hand nam, ook motieven die in de Metamorphosen voorkomen, inderdaad.
Zo in ‘Daphne’:
[…]
springt de player op Pegasus briest zijn
bloedmotor scheurt hij haar achterna
over de provinciale weg
remt het meisje zo schielijk dat zij de berm
inschiet en zich daar plant voor eeuwig sluit
zij de benen achter schors kreunt haar hart
armen reiken als hemeltakken
boort de god zich in haar sterft aan haar stam
Een hilarisch accident is dat overigens want ‘de god van de polder’ die ‘in disco De Zon’ zijn oog had laten vallen op de preutse ‘blonde chick’ was eerder op de avond al op haar kuise njet gestoten.
Het fragment is, overigens, stilistisch representatief: zeer verhalend en met talloze enjambementen die het hoge prozagehalte nauwelijks vermogen te verdunnen (verdichten) en verraden dat de dichter al vijf romans in de vingers heeft en dus graag vertelt.
Sepers laat ook intelligent zijn gedichten in elkaar overgaan door motieven van het ene naar het andere mee te nemen. In ‘Erysichthon (1)’ vinden we die boom terug waarin de god van de polder zich op voor hem onverwacht aseksuele wijze heeft geboord:
Uit de bast van de boom kwam het bloed
en het bloed kwam uit god en het bloed was god
[…]
U kent dat riedeltje wel. Zijn herkomst verhoogt de ‘mythische’ impact in aanzienlijke mate. En we zijn meteen terug in Genesis, het allerprilste begin, nog vóór het begin eigenlijk, de vereencelligde oersoep waaruit de dichter, mits goed roeren en op smaak brengen, alles opnieuw kan doen ontstaan. Hoewel, de poëet heeft maar een geringe macht, ‘het moorden’ van ‘krijgers en snevers’ kan hij niet stoppen – en dan gaat het zo verder in het gedicht ‘Lampetides’:
als een pianist in de saloon niet schieten niet schieten
begeleidt de poëet het onritmische gereutel
want cultuur is commentaar is niet leven laat het leven
en nu hij zelf ter aarde stort en gaat zingen voor de schimmen
klinkt het laatste levenslied als een hymne voor de dood
Dat is dichten: niettegenstaande, toch. Of ook: ‘geen geil zonder dood’ (‘Traciaensche wijnpaepinnen vallen Orpheus aan’) maar er had ook ‘heil’ kunnen staan denk ik dan.
Over de eerste twee afdelingen dient zeker ook nog iets gezegd. In de veel toegankelijkere gedichten van de eerste cyclus ‘nostalgisch’ harkt Sepers zijn jeugdsentiment aan.
‘Verbijsterend was de naaktheid van de christelijke meisjes.’ De anekdoten die hier worden opgedist zijn in zekere zin ook ontstaansmythen en passen dus heel goed bij de lijn die in deze bundel wordt opgezet: van scratch herbeginnen. Het gaat over christelijke indoctrinatie en seksueel ontluiken, wat mooi samenkomt in de verzen over ‘[m]ijn eerste meisje’: ‘Nam ik haar mee naar huis en haar billen / werden een opengeslagen Bijbel. / Las ik haar stiekem onder de lakens.’ De vader, die al in de eerste regels de concurrentie moet dulden van de hemelvader – ‘Hij had ons zelf / gemaakt en daarom hielden we van hem. Omdat hij nooit iets / terug zei, zeiden wij hetzelfde. Zegen. Spijze. Oude wijze.’ – delft het onderspit maar kan niettemin op zoonliefs mededogen rekenen: ‘O moge mijn vader na zijn dood naar de hemel gaan / dat het geen bedrog is geweest, / zijn Boek geen leugen.’
In de amper zes gedichten tellende middencyclus ‘aride’ ten slotte bevinden we ons, de titel zegt het zelf, in de woestijn. De woestijn die overblijft, zou je kunnen denken, als al het jeugdsentiment is opgeruimd. Hier moet opnieuw iets ontstaan want de woestijn is te leeg. ‘Er is de luchtspiegeling van een sprinkhanenrace tussen / twee volkeren.’ De woestijn is zo leeg ‘dat men besluit de mode in te voeren / van de zoutpilaar’. God heeft al evengoed iets luchtspiegelingachtigs, Hij is niets meer dan ‘het kruid van onvruchtbare streken’. Hier kan misschien iets nieuws ontstaan – maar de maker moet zich bewust zijn van het contingente karakter van zijn interventies: ‘er zijn duizend andere vormen van genese’. Dat noopt tot bescheidenheid maar het maakt je ook heel vrij. Precies wat de dichter nodig heeft! Hij dient echter wel op te letten want eens benoemd komen ‘de dieren, planten, dingen’ […] niet meer / los van zichzelf’. ‘De leeuw werd gekooid in zijn leeuwheid.’
Baaierd van Henry Sepers is een dichtbundel die pas na vele lectuurbeurten zijn geheimen begint prijs te geven – en dan nog. Je zou het, enigszins gedragen, de genese van een authentiek en waardevol dichterschap kunnen noemen.
Henry Sepers
Baaierd
De Arbeiderspers, Amsterdam, 2009
59 p./ € 17,95
Deze recensie verscheen in Poëziekrant 5, 2009
facebookbericht 136
vrijdag 6 november 2009
dag 798 – 091023 vrijdag
In Das weisse Band schildert Michael Haneke een zeer streuveliaans dorpsdrama: boeren, de baron, de dominee. Seks, primaire drijfveren, bruut bestiaal geweld. De façade van keurigheid voor de buitenwereld, de duistere onderkant. Angst voor kerk en gezag. De moeders, de vaders. Ja, vooral de vaders: zij houden de teugels strak, zij vieren hun lusten bot, zij terroriseren alle andere levende wezens. Zij bepalen wat goed is en wat kwaad, zij delen straffen en beloningen uit. Zij bepalen de norm.Het zwart-wit van de film is behalve oogstrelend en uitermate geschikt om die vergane wereld te tonen ook zeer functioneel om de morele invalshoek kracht bij te zetten: die wereld was ook zwart-wit – in die zin dat goed en kwaad nog duidelijk van elkaar gescheiden waren en iedereen wist waaraan zich te houden.
De vaders. Zij verzekeren de continuïteit van deze eeuwenoude samenleving die, desalniettemin, op het punt staat te verdwijnen. En wel zó grondig dat alle conflicten, hoe gruwelijk en ingrijpend ook, peanuts blijken in het licht van wat uit te breken staat: de Eerste Wereldoorlog. Want dáár heeft Haneke het over: hij doet, door in een willekeurig Duits dorp het kwaad uit te vergroten, een poging om te verklaren hoe het mogelijk is geweest dat in 1914, en dan nog eens in 1933, het absolute kwaad is kunnen openbarsten en hoe daardoor die hele middeleeuwse, nog feodale, streng en stevig gestructureerde samenleving is weggevaagd. (Het zich ontdoen van de vaders, en van hun driften en grillen, mag dan al geen achteruitgang worden genoemd – de vraag is wat wij daarvoor in de plaats hebben gekregen. Fanatisme, irrationaliteit, hysterie. Een nieuwe structuur die leven en dood even strak en doelmatig regelt? Neen, ik dacht het niet.)
Zeggen dat Haneke aantoont waar het fascisme is ontstaan, is simplistisch. Akkoord, het witte lint dat de kinderen om de arm wordt gebonden wanneer zij gezondigd hebben en zich aan de door de vader (door wie anders?) geregelde zuivering moeten onderwerpen, is een verwijzing naar dat andere markante kenteken waarmee de Duitsers twee decennia later een bepaalde bevolkingscategorie zouden aanpakken – maar dat is maar één aspect. Niet elke rurale samenleving is in fascisme uitgemond. Je kunt hoogstens stellen dat fascisme een mogelijk uitvloeisel is van een dergelijke paternalistisch, autoritair en totalitair gestructureerde samenleving (waarin het volgende dorp en al zeker de stad, met al haar kwalijke verlokkingen, schier onbereikbaar waren).
Een van de meest opvallende kwaliteiten van dit meesterwerk (naast de acteerprestaties, naast het ijzersterke scenario, naast de dwingende vertelling) is, wat mij betreft, de fotografie. Ik moest voortdurend denken aan het beeld dat August Sander van zijn wereld heeft proberen over te leveren. Sander startte zijn megalomane project om een staalkaart van Duitsland samen te stellen in… 1913.
De fotografie in deze film is technisch perfect: belichting, contrast, composities… En dit zonder dat het ook maar één keer té esthetisch wordt. Een van de opvallendste fotografische kwaliteiten is de kadrering. Zeker als er landschappen in beeld worden gebracht. Ik herinner het mij nu niet meer precies maar het komt mij voor dat er herhaaldelijk een landschapsbeeld is met een bijzonder hoge horizon. Bijna het volledige beeld wordt dan ingenomen door een besneeuwde akker of een korenveld. Er is dan heel veel bodem in beeld. Bloedbanden spelen een grote rol, de bodem al evenzeer. De mensen leven ervan. Maar de disproportie tussen hemel en aarde brengt in deze vreemd gekadreerde beelden nog iets anders tot uiting: het is alsof het aandeel hemel in een zo precair en simpel bestaan, spijts alle gebeden, nooit echt groot kan zijn.
Een ander opvallend shot krijgen we helemaal op het eind van de film. We zien de kerk. Geen mensen op het plein, alleen die oude romaanse kerkgevel. Een gebouw dat de tijd overleefd heeft. Drie opeenvolgende shots: dichtbij, verderaf, nog verder. In het eerste beeld is de kerk monumentaal, in het laatste klein en nietig. Offscreen wordt verteld wat er met de dominee verder nog gebeurt – hij verlaat het dorp en het laat zich aanzien dat ook God zijn greep op de dorpelingen lost.Dan wordt in Sarajevo een schot gelost. Een vorst sterft, de 20ste eeuw kan beginnen.
facebookbericht 135
donderdag 5 november 2009
uit het nieuws
Catherine stoort zich aan het feit dat het drukke culturele leven der Marokkanen in Brussel niet wordt gecoverd door de Belgische ‘autochtone’ media, Hemmerechts ergert zich aan het ‘gezwollen ego’ van Benno Barnard, die recent, samen met enkele andere als links gecatalogeerde intellectuelen (Van Istendael, Vermeersch…), een flinkse positie heeft ingenomen in de discussie over de integratie van allochtonen in onze maatschappij (of het ontbreken van die integratie). Tweemaal was mijn verbazing groot en ik kan iedereen aanbevelen deze blogs te gaan lezen. Hemmerechts’ venijnige commentaar tart elke verbeelding. Ik voelde mij dan ook verplicht erop te reageren – benieuwd of de blogmoderator mijn reactie zal laten passeren:
Mevrouw Hemmerechts,
U brengt geen enkel inhoudelijk argument aan om de discussie te voeden, dus waarover hebt u het eigenlijk op dit podium - want dat is het toch? Qua retoriek kunt u een punt zuigen aan de kwaliteiten op dat vlak bij uw collega-schrijver Benno Barnard. Uw aanval ad hominem ten aanzien van de heer Vander Taelen is buitengewoon laag.
Ik begrijp dat een moderator de commentaren beoordeelt, maar misschien zou dat ook moeten gebeuren voor de stukken zelf. Ik mag hopen dat u voor dit venijn niet betaald wordt door De Standaard.
Vriendelijke groet,
Pascal Cornet
facebookbericht 134
woensdag 4 november 2009
dag 797 – 091022 donderdag
In de vroege jaren zestig, het moet zo ongeveer ten tijde van het Vaticaans Concilie zijn geweest of kort daarna, gaf Julian Barnes een tijdje les in een katholieke school in Bretagne. Een van de paters die daar toen nog verbleven en werkten maakte zich zorgen over het feit dat Julian niet gedoopt was: ‘als ongedoopte maakte ik geen kans om in de hemel te komen’.Deze passage uit Niets te vrezen is een van de talrijke in dat boek over godsdienst. Barnes vertelt in dit boek, dat hij uitdrukkelijk géén autobiografie noemt, onder meer over zijn ontwikkeling van atheïst tot agnost. Daarbij komt het agnosticisme toch enigszins in de buurt van een religieuze houding, alleen al omdat de rationaliteit er gedeeltelijk in achterwege wordt gelaten: de agnost zegt niet dat hij niet gelooft, zoals de ongelovige, en al evenmin, zoals de atheïst, dat hij wéét waarom hij niet gelooft, hij zegt enkel dat hij ‘het’ niet kan weten – hij schort daarom elke uitspraak over het bestaan van God of hemel op.
Maar goed. Het door de pater in Barnes’ Bretoense school uitgesproken zinnetje doet mij aan iets anders denken. Ik zet er een publiciteitsspotje naast, zoals wij het dezer dagen op de radio kunnen horen. Een man spreekt bij de hemelpoort Sint-Pieter aan. Hij verkoopt wentelpoorten en probeert er Sint-Pieter een aan te smeren. ‘U zult ermee in de hemel zijn!’, luidt het ultieme verkoopsargument.
Een redelijk geslaagde Witz, u zult mij hier niet gecrispeerd horen zijn. Een wentelhemelpoort, haha. En Sinte Pieter ernaast met zijn grote sleutel. Op een wolk. Je kunt er zo een cartoon bij maken.
Maar de grap – en daarover heb ik het hier – is volstrekt incompatibel met de leefwereld van de pater van Barnes. Niet dat die er niet tegen zou hebben gekunnen: we hadden in die tijd in de Lage Landen toch ook Fons Jansen (De lachende kerk) en Frater Venantius? Juist. Maar hun grappen en grollen zetten zich af tegen de achtergrondruis van katholieke controle op de geesten en fundamentalistische bigotterie. Nu is zo’n wentelpoortgrap niet veel méér dan een woordspeling. Niemand die er nog wakker van ligt.
Je ziet ze daar al zitten brainstormen in het bureau dat de reclame voor Hörmann-wentelpoorten heeft gemaakt. Wat denk jij bij ‘poort’? Kasteelpoort, digitale poort, de enge poort… Neen, daar valt niets mee te doen. Hémelpoort, dat moeten we hebben! Niet één hippe kerel in dat bureau die langer dan een nanoseconde aan de religieuze connotaties van dat woord denkt en aan de mogelijkheid dat sommige gelovigen zich eraan zouden storen dat een van de begrippen waar zij mee werken hier met oneigenlijke doelstellingen voor ogen wordt gebruikt.
Frater Venantius en Hörmann: dat zijn twee totaal verschillende werelden. Of neen, père Hubert de Goësbriand uit dat Bretoense schooltje en Hörmann. Die zitten, met hun trema’s, op de beide uiteinden van het spectrum tegenover elkaar – zo ver van elkaar verwijderd dat ze elkaar niet eens zouden begrijpen indien ze met elkaar zouden spreken. Venantius uit Schin-op-Geul is al cynisch genoeg om ergens tussen beide in post te vatten…
Tussen de denkwerelden van Goësbriand en Hörmann is geen vergelijk meer mogelijk. De kloof is onoverbrugbaar: wat de een zegt is voor de ander onbegrijpelijk en onnavoelbaar geworden.
Het is voor ons volstrekt onbegrijpelijk dat ooit, lang geleden, in het begin van de jaren zestig om precies te zijn, in het verre Bretagne, een pater met een mooie, adellijke naam heeft rondgelopen die in alle ernst kon beweren dat ongedoopten geen kans hadden om in de hemel te komen. Dat te beweren of te geloven, is een anomalie geworden. (En zolang het nog niet volledig een anomalie was, had je in de zaal bij Jansen of Sonneveld nog dat bigotte gegniffel.)
Door deze paradigmawissel (de term is van wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn) kan Julian Barnes over het christendom spreken als over een ‘dode’ religie. ‘Hoe zal het zijn wanneer het christendom op de lijst van dode religies komt en aan de universiteit als leergang volkskunde wordt gegeven, als godslastering niet meer legaal of illegaal is, maar simpelweg een onmogelijkheid wordt?’ De gedachte is fundamenteel. Het gaat om niets minder dan een copernicaanse wending. Het christendom wordt, samen met zijn gebruiken, betekenissen, contexten… volstrekt vreemd, even vreemd als de natuurreligie van een of andere Papoeastam of als de manier waarop, zoals Michel Foucault in Les Mots et les choses vermeldt, een Chinese encyclopedie het dierenrijk onderverdeelde in: dieren die de keizer toebehoren, gebalsemde, tamme, speenvarkens, sirenen, fabeldieren, loslopende honden, dieren die in deze indeling voorkomen, dieren die in het rond slaan als gekken, de ontelbare dieren.
Dan komen we in situaties zoals de hier volgende, zoals Julian Barnes haar in zijn interessante, knap geschreven, boeiende maar ook moeilijke boek Niets te vrezen beschrijft. In een museum staat hij een wijle stil voor een schilderijtje. Jezus Christus, de afgebeelde figuur, toont zijn wonden aan twee bij zijn voeten geknielde heiligen die elk hun symbolen showen: een lelie en een zwaard. Barnes beschrijft het schilderij van Petrus Christus met de gepaste ingetogenheid, maar moet toch tot de vaststelling komen dat het religieuze voor hem ondergeschikt is aan het esthetische en dat hij zich niet kan voorstellen hoe, in het verleden, mensen een dergelijk schilderij vanuit een religieuze instelling moeten hebben benaderd. En, voegt hij eraan toe: ‘als me was gevraagd wie de twee begeleiders op het schilderij van Petrus Christus zijn, had ik mijn iconografisch naslagwerk erbij moeten pakken’.
dinsdag 3 november 2009
maandag 2 november 2009
dag 796 – 091021 woensdag
In het slotverhaal van Dubliners, ‘De doden’ (‘The Dead’), bouwt James Joyce op magistrale en zeer onspectaculaire wijze – maar dat is wellicht dubbelop – een zeer subtiele en onderhuidse en precies daardoor schier onhoudbare spanning op.De eerste prik wordt natuurlijk al meteen in de titel gegeven. Maar daar leest een mens snel overheen, het gif zal pas later zijn uitwerking krijgen.
In de eerste bladzijden stappen we mee met de gasten binnen in een ruime Dublinse woning, waar een sympathiek middenklassegezelschap, bestaande uit krasse en bigotte tantes, een intellectueel, een artiest, wat jong volk en uiteraard de onvermijdelijke veeldrinker die het feest dreigt te verstoren, samenkomt om Kerstmis te vieren. Er wordt gedronken (zij het met mate en enkel door de mannen wat alcohol, stout meer bepaald) en gegeten (kalkoen met een zoete saus en selderijstengels voor wie de zoete saus niet lust), er wordt gedanst, er is een kort toespraakje waarmee de intellectueel van dienst, Gabriel Conroy, de gastvrouwen fêteert.
Alles verloopt rustig, peis en vree heersen en buiten sneeuwt het.
Pardon? Ja, het sneeuwt in Dublin. Het sneeuwt, overigens, in heel Ierland. Dat is, zo vroeg in de winter, bepaald uitzonderlijk voor een land met een zo nadrukkelijk gematigd zeeklimaat. Echt vriezen doet het niet (want de dames moeten overschoenen aantrekken om zich tegen de smeltblubber te beschermen), maar toch: het sneeuwt.
Een ander vuurtje dat smeulend wordt gehouden is het geografische begrippenpaar oost-west, een tegenstelling die, hoe kan het ook anders in het Dublin van Joyce, samenvalt met de politieke opposities Engeland-Ierland en protestant-katholiek. Waar in andere verhalen in Dubliners deze verschillen aanleiding geven tot conflicten tussen mensen, blijven ze hier smeulen: de feestvierders zijn tactvol genoeg om ze niet te laten escaleren. Maar de lezer voelt wel die spanning aan. De windrichting ‘west’ krijgt bovendien een poëtische lading doordat ze verbonden wordt met een gevoel van een van de hoofdpersonages, mevrouw Conroy.
En dan is er een zeer ingenieus formeel element. Het bestaat uit de figuur van het binnen en het buiten. Iemand kijkt naar buiten, dat komt meerdere keren voor. Maar er is ook het rumoer dat van op de straat in het huis doordringt, of het gezang dat door de muren heen weerklinkt. Deze figuur van het binnen en het buiten bereidt het voor de climax van dit verhaal essentiële ‘verre muziek’ voor – het ‘verre muziek’, dat als een sirene Mrs. Conroy weglokt en op die manier bij het haar echtgenoot Gabriel de vlijmscherpe katharsis teweegbrengt die geen lezer onberoerd laat.
Om maar te zeggen: alles wordt zorgvuldig voorbereid en het is enkel door die perfecte getimede, onnadrukkelijke en in de juiste homeopathische dosissen toegediende voorbereiding dat Joyce erin slaagt zijn slot, de climax van het verhaal, die verschrikkelijk doeltreffende impact te laten hebben.
reactie
Ik kopieer uit uw tekst uw zin waarin ‘zootje ongeregeld’ staat en plak hem hieronder:
“De leraar, die ik dus niet zoals De Standaard doet ‘cementleraar’ wens te noemen, is, na eerst het bloed onder zijn nagels te zijn gepest door het zootje ongeregeld waaraan hij om den brode les moet geven, me dunkt al zwaar genoeg gestraft doordat hij op alle mogelijke manieren – filmpje, publicatie van familienaam en plaats van tewerkstelling – door het slijk is gesleurd.”
Ik meen te weten dat ik een aandachtige lezer ben, met behoorlijk wat leeservaring. Volgens mij is bovenstaande zin uit uw tekst helemaal geen hypothetische vraag! Dit is een mededelende zin. Punt!
Nu valt mij nog iets op daarin waarmee ik het niet eens ben: iedereen werkt uiteraard ‘om den brode’, maar veel leraars – misschien deze man ook! – oefenen hun job – godzijdank – met veel liefde en idealisme uit!
Vriendelijke groeten
Christiane
@Christiane
Je hebt gelijk. Er is verwarring mogelijk. Maar het is niet zo bedoeld. Ik hoorde, ik weet niet meer waar, dat er aan het incident inderdaad heel wat pesterijen waren voorafgegaan... Neen, een 'zootje ongeregeld', dat is te streng... Er zit natuurlijk ook ironie in mijn tekst... Hoe gaat dat allemaal. Goed dat je er tegen ingaat. Je léést het goed. Dat doet mij plezier. En ik schrijf misschien te snel.
'Om den brode'. Ja, ook daar heb je gelijk. Niet alles is te herleiden tot 'om den brode'. Er is veel idealisme. Laat ons vooral dat niet vergeten.
Bedankt voor je reacties. Ik zou mijn tekst nu, na deze reacties, ànders schrijven. Maar ik hoop dat de basisteneur ervan toch goed overkomt.
Vriendelijke groet,
Pascal
reactie
Die leraar beroepsonderwijs bestempelen als ‘cementleraar’, dat is er vér over, daarover zijn we het eens. Maar zijn leerlingen beroepsonderwijs bestempelen als ‘een zootje ongeregeld’ dat is er evenzeer vér over!
Met vriendelijke groeten
Christiane
@Christiane
Dag Christiane,
Uiteraard is dat er ook vér over. Maar dat is niet wat ik zeg, hé! Als je de tekst goed leest zul je merken dat ik het over 'zootje ongeregeld' heb in een hypothetische vraag. Er staat: 'Het is de vraag of er een zelfde quasi unanimiteit zou worden bereikt indien de vraag zou luiden...' Nergens kan uit mijn tekst worden afgeleid dat ik vind dat die man les gaf aan een 'zootje ongeregeld'. En voor de goede verstandhouding: ik vind dat ook niet.
Vriendelijke groeten,
Pascal
facebookbericht 131
facebookbericht 130
reactie
In Frankrijk haalde een jongen zijn piemel tevoorschijn en de leraar 'bedreigde' hem met een cutter. Twee versies van het voorval deden de ronde :- de leraar was op dat ogenblik in een hoek van de klas een andere leerling aan het helpen en dus met die cutter in de weer - waarmee hij dan even, lacherig, in de richting van die piemel zwaaide - de leraar ontbood het kind aan zijn lessenaar - haalde de cutter tevoorschijn uit zijn boekentas en maaide met een luchtzwaai een imaginaire piemel af.
Twee zeer verschilende versies - in het tweede geval is de houding van de leraar quasi-onaanvaardbaar.
Het is evident dat een opvoeder nooit geweld mag gebruiken wat er ook moge gebeuren. Het is een gouden onaanvechtbare regel. Ook niet in uiterst moeilijke omstandigheden - uiteraard dan niet want in makkelijke omstandigheden stelt de vraag zich niet.
Bij het beoordelen van die situaties is elk detail belangrijk - een gebaar, een blik, de klassituatie, de opstelling van het materiaal - en de voorgeschiedenis uiteraard. Ik beschik niet over die gegevens. Ik kan daar niet over oordelen.
Zootje ongeregeld - gegeven de onverantwoordelijkheid - anarchie ... : qua stemmingmakerij kan het tellen !
Sarah
zondag 1 november 2009
brief uit Bunnik 6
Hier vindt u wat voorafging in deze correspondentie.
dag 795 – 091020 dinsdag
Voor wie het niet zou weten, zijn wat raadselachtige benaming heeft ‘de cementleraar’ te danken aan een incident van een paar maanden geleden. Hij propte toen een licht mentaalgehandicapte leerling ondersteboven in een cementemmer. Dit incident werd, ongelukkig genoeg voor de ‘cementleraar’ (die daarvóór uiteraard niet zo werd genoemd), door een andere leerling gefilmd – en deze reportage werd, zoals het hoort in deze tijden van instantverslaggeving, vervolgens op het net gepleurd. De ‘cementleraar’ werd prompt geschorst en komt nu, blijkbaar, in aanmerking om opnieuw les te geven.
Het is, wat mij betreft, evident dat het antwoord op de pollvraag ‘ja’ hoort te zijn. Het slachtoffer mag dan al ‘licht mentaalgehandicapt’ zijn. De leraar, die ik dus niet zoals De Standaard doet ‘cementleraar’ wens te noemen, is, na eerst het bloed onder zijn nagels te zijn gepest door het zootje ongeregeld waaraan hij om den brode les moet geven, me dunkt al zwaar genoeg gestraft doordat hij op alle mogelijke manieren – filmpje, publicatie van familienaam en plaats van tewerkstelling – door het slijk is gesleurd. (In de commentaren bij het DSO-artikel zijn er godzijdank een aantal lezers die bezwaar aantekenen tegen de manier waarop de man publiekelijk aan de schandpaal is genageld. En nóg eens wordt genageld, tot in de nieuwe enquête toe. Daarom schrijft een verbolgen ‘jan huybrechts’: ‘Ook in zijn “poll” heeft DS het nog steeds over de “cementleraar”!... zielig krantje die “kwaliteitskrant”!’)
Wat mij vooral intrigeert is niet hoe het antwoord op de vraag moet luiden maar wel de quasi unanimiteit in de respons: 92 % van de nu (091021) al meer dan 1100 respondenten vindt dat ‘de cementleraar’ opnieuw les mag geven. Dat is duidelijk. De meeste mensen delen mijn mening. Of: ik deel de mening van de meesten.
Dat mag ook wel eens een keer.
Maar ik vraag mij iets af. Ik vraag mij af wat de beweegredenen van die 92 % zijn om ja te antwoorden. Vindt men, zoals ik hierboven al uitlegde, dat de man al voldoende is gestraft? Of gaat hier, in de ‘subtekst’ als het ware, een meninkje schuil over ‘de jeugd van tegenwoordig’ – ‘licht mentaalgehandicapt’ of niet? Het ja zou dan ook wel eens een goedkeuring van of toch zeker een verregaand begrip kunnen inhouden voor het misdrijf.
Het is maar een vraag. Het is de vraag of er een zelfde quasi unanimiteit zou worden bereikt indien de vraag zou luiden: ‘Gaan jongeren te ver?’ Of: ‘Verdienen ze wel beter dan met hun kop in de mortel te worden gepropt?’ Of: ‘Kunt u die man, die, naar eigen zeggen, 25 jaar altijd zijn kalmte heeft weten te bewaren, begrijpen nu hij, gegeven de huidige anarchie en onverantwoordelijkheid en gezagsmoeheid bij jongeren, zijn zelfcontrole heeft verloren?’
facebookbericht 129
zaterdag 31 oktober 2009
facebookbericht 128
vrijdag 30 oktober 2009
facebookbericht 127
dag 793 – 091018 zondag
Een uitgever is enthousiast over wat ik heb geschreven en geeft mijn boek uit maar hij geeft het uit… als peer. Een boek als peer! Ik zit op de eerste rij tijdens de persvoorstelling en ik overwin – gelukkig! – mijn door de publicatie gestreelde ego en sta recht en zeg, in het Frans, dat de publicatie niet mag doorgaan, dat mijn boek niet als peer mag worden gepubliceerd en dat ik daar mijn naam niet aan wens te verbinden.
facebookbericht 126
zag gisterenavond My queen Karo van Dorothée Van den Berghe en stelde in het gesprek achteraf vast dat er snel andere onderwerpen werden aangesneden.
donderdag 29 oktober 2009
facebookbericht 125
uit het nieuws
De mededeling leert mij drie dingen – en ik heb het hier even niet over de vraag of de verdwijning van een kleuter, hoe erg dat ook moge zijn, op zich belangrijk genoeg is om een item te zijn in het televisiejournaal.
1. Dit is oorlogstaal. Het wordt normaal gezegd van troepen. De pers trekt zich terug: dat is een troepenbeweging. De vrouw, potentiële leverancierster van nieuws (of van emoties, wat al te vaak een synoniem is van nieuws), is de belegerde vesting.
2. De mededeling is hypocriet. Een moeten wordt omgebogen tot een willen. En vervolgens voorgesteld als een deugd: kijk eens goed goed wij, van de pers, zijn; zie hoe wij de privacy van die vrouw respecteren.
3. Hier wordt met zoveel woorden gezegd: de bescherming van de privacy (wat hier betekent dat deze vrouw wordt lastiggevallen – en het gaat nota bene om een vrouw die net een kind heeft verloren, die haar gezin uit elkaar heeft zien spatten, die schrik heeft om terug bij haar man te zijn) – de bescherming van de privacy is niet langer een evidente zaak. Je mag van geluk spreken als je privacy wordt gerespecteerd, je moet daarvoor op de goodwill van de pers rekenen.
mijn woordenboek 232
Ik vraag mij af hoe het komt dat ik statistisch gesproken buitensporig vaak een activiteit stilleg vlak vóór de afwerking ervan. Ik begin aan de laatste dertig of zelfs twintig bladzijden van een boek, maar lees het dan net niet uit. Ik blijf bij een vertaling na drie uur aanhoudend werken op de laatste bladzijde steken. De titel voor een tekst die ik net heb gereviseerd bedenk ik wel na het eten. En de inleiding ervoor schrijf ik een volgende keer. Er blijven steevast een paar foto’s van het lot dat ik mij had voorgenomen te prepareren onbewerkt in de map zitten.
En hetzelfde heb ik met deze stukjes.
Vaak heeft het te maken met afgeleid zijn, vergetelheid, luiheid – maar er is toch ook dikwijls een aarzeling in het spel, een angst voor wat klaar is en afgerond. Ik wil de voltooiing altijd nog een beetje uitstellen – misschien verandert er nog iets en dan kan ik daar rekening mee houden. Ik bouw graag dat soort buffers in, speel niet meteen mijn troeven uit. Tussen het opzetten van een tekst en het afwerken ervan laat ik met plezier meerdere dagen, om niet te zeggen weken voorbijgaan.
Toch komt onvermijdelijk het ogenblik dat je een streep moet trekken. Het werk moet hoe dan ook ééns als af worden beschouwd. En dat altijd in het volste besef dat volmaaktheid niet van deze wereld is – en maar goed ook. De paralyse van de perfectionist is mij vreemd.
Er zijn natuurlijk verschillen. De aardappelen schillen of het gras afrijden is een eindiger, eenduidiger en afrondbaarder proces dan een tekening maken of een gedicht schrijven. Hoe artistieker de activiteit, hoe lastiger het stoppen. (Een definitie van kunst is in de maak: kunst is wat niet voltooid kan worden.) En toch is het nodig op een gegeven ogenblik het onvolmaakte te aanvaarden want je kunt een tekening verbrodden, en bij het schrijven kun je – aangenomen dat schrijven schrappen is (wat natuurlijk slechts gedeeltelijk waar is) – niet eindeloos blijven schrappen. Het is een moeilijke beslissing. Ik neem die beslissing in hoge mate intuïtief. Ik zet die streep – en dan laat ik het werk meteen los. Omdat er ander werk op me af komt, natuurlijk, maar ook omdat ik eigenlijk niet wil weten of ik wel op het juiste ogenblik gestopt ben. Dat is het werk van iemand anders – die moet dan maar zien wat hij ermee doet en wanneer, áls hij er iets mee doet, hij dát afwerkt.
woensdag 28 oktober 2009
de kunst van het kijken (10)
Spaarzaam met zijn verf omspringend borstelt, of liever: veegt Whistler hier een avondlijk en behoorlijk mistig rivierzicht bijeen. Het doek lijkt 2 bij 3 meter te meten, maar dat zal wel tuymansiaanse beïnvloeding zijn: Whistler penseelde hier op een dun houten paneel van 50 bij 61 centimeter – dat is nauwelijks groter dan het computerscherm waarop u dit misschien leest. De schaarste, de precariteit, de sjofelheid van dit schilderij verbazen. We zien de avondlichten weerspiegelen in het wateroppervlak. We zien een veel te lange torenweerspîegeling voor een al bij al erg korte toren. We zien op de voorgrond iets sloepachtigs. We zien een menselijke figuur – vager en transparanter kan nauwelijks. We zien helemaal vooraan iets als een soort van signatuur zoals we die ook op Japanse prenten zien. Het is een vreemd schilderij, benieuwd wat Thompson hierover weet te melden, want ik zie er niet veel in.
Thompson:
facebookbericht 124
facebookbericht 123
dinsdag 27 oktober 2009
facebookbericht 122
dag 792 – 091017 zaterdag
maandag 26 oktober 2009
dag 791 – 091016 vrijdag
Bij mijn zonen ben ik veilig
hun boten van papier zinken
alleen in helder water
hun vliegtuigen hebben een schietstoel
geleend van Griekse goden
het verdriet slaat een zijstraat in
als het ons ziet komen
hun knikkers weten altijd waarheen
daarvan ben ik aan het leren
van klachten vlechten ze liederen
van spinnen bewaren ze het net
daarin vangen ze dromen die uitkomen
en twijfels die ze zo vervangen
sinds ze er zijn, word ik toegelaten
binnen de omheining van de vreugde
bij mijn zonen ben ik veilig
Roel Richelieu Van Londersele (1952)
uit: Tot zij de wijn wordt (2009)
Met dank aan Laurens Jz. Coster
facebookbericht 120
zondag 25 oktober 2009
facebookbericht 119
dag 790 – 091015 donderdag
De Franse fotograaf Willy Ronis, die op 12 september 2009 overleed, geldt als de laatste van de grote generatie die in de middelste decennia van de vorige eeuw die zo aantrekkelijke pittoreske en joyeuse Francitude heeft vastgelegd: de stoelen in het Luxembourg, een man die over een plas springt, het rendez-vous in de bistrot, een jongen met een fles wijn, een picknick aan de stroom, een omhelzing op de drukke boulevard. Een jaar of vier geleden, hij was toen al 95, liet hij zijn herinneringen optekenen aan een vijftigtal door hemzelf geselecteerde foto’s. Foto’s en herinneringen zijn nu verzameld in het boek Ce jour-là.De herinneringen zijn meestal niet erg diepgaand. Ronis herinnert zich wat hij daar, op die plek, op dat moment (ce jour-là) deed, hoe het licht inviel, hoe de flux van de gebeurtenissen verliep waarin hij telkens ‘het juiste moment’ moest uitkiezen, dat enige moment waarin beeldcompositie en betekenis het gunstigst samenvielen. Vaak heeft hij het over zijn emoties; het boek krijgt daardoor iets van een autobiografie. Een man van 95 vat zijn leven samen in enkele bespiegelingen over vijftig foto’s die hij heeft gemaakt. Als programma vind ik dat zeer aantrekkelijk.
Een paar keer gaat Ronis iets dieper in op fotografische kwesties.
Enkele dagen na de Bevrijding fotografeert Ronis op het perron van het Gare de l’Est het afscheid van een terugkerende gevangene en een verpleegster die hem heeft vergezeld. Ronis kent die mensen niet, maar vraagt zich wel af, nadat hij de foto heeft ontwikkeld en afgedrukt, wat hij moet en vooral mag doen. Want wie zijn die twee? Hoe en waar hebben zij elkaar leren kennen? Tijdens de dagenlange reis van ergens in Duitsland naar Parijs? Wie zullen zij in Parijs terugzien? En vooral: mogen die mensen die zij zullen terugzien deze foto wel onder ogen krijgen? Want de uitdrukking van de verpleegster is niet neutraal. Is dit een teder verdriet? Er is iets tussen die twee. Ronis besluit de foto niet te publiceren om toch maar geen inbreuk te plegen op de privacy van die twee mensen.[En dan lees ik in De dood in Venetië van Thomas Mann:
Deze foto dankt haar spankracht, haar kwaliteit, haar magistrale schoonheid natuurlijk aan de perfecte opeenvolging van de drie plans – en daar heeft Ronis het ook over in zijn toelichting: het meisje achter het raam op de voorgrond, de twee bootsmannen die het schip manoeuvreren op het middenplan en achteraan, op de kademuur, nog twee andere figuren. Ronis vergelijkt het met een muziekpartituur waarop de notenbalken voor de verschillende instrumenten boven elkaar staan afgebeeld: ze verschillen duidelijk maar samen uitgevoerd vormen ze een harmonieuze samenklank.
His first love was music. He learned the violin and studied composition, but his studies were interrupted in 1932 when his father fell ill and he took over the studio. He later claimed to find a resemblance between music and photography in "the taste I have for composition, particularly counterpoint. Many of my photographs are taken from above, either looking down or up, three planes in one image, like three different melodies in a fugue which work together to give the piece structure and harmony."
Bron: The Guardian
Waaruit die samenklank bestaat, hoe ze precies tot stand komt, dat kun je onmogelijk beschrijven. Denk ik, want daarover heeft Ronis het niet. Hij heeft het ook niet over de Belgische vlag die precies in dat ene vrije vlak wappert – en hij wáppert (jawel, in Antwerpen), dat kun je zien aan de iets vagere contouren. Er is ongelooflijk veel te zien op deze foto, en toch lijkt ze bijzonder eenvoudig. Ik denk dat dat een kwaliteit is: veel in weinig.
3.
Bij een andere foto – en het is niet zo relevant ook die foto te tonen – heeft Ronis het over een van de meest centrale vreugden van het fotograferen, een die deze activiteit verbindt met het leven zelf en, meerbepaald, de kúnst om te leven. Het gaat om, zoals Ronis het noemt, la joie de l’imprévu, de vreugde om het onvoorziene. Je kunt het hebben als je hebt gefocust (mentaal of al met het toestel) op een beeld dat je op zich al interessant vindt. En plots komt dan in dat beeld iets opduiken wat het beeld nog veel spannender maakt. Het is een onverwachte verrijking. Het is een geschenk. Ik laat even Ronis, in mijn vertaling, zelf aan het woord omdat hij het zo simpel en argeloos formuleert:
In heel mijn leven als fotograaf heb ik, au fond, graag volstrekt toevallige (tout à fait aléatoires) momenten willen vasthouden. Die momenten weten, beter dan ik het zelf ooit zou kunnen, iets over mijzelf te vertellen. Ze tonen mijn blik, mijn sensibiliteit. Mijn foto’s zijn mijn zelfportret. Bij elke foto kon er iets gebeuren, maar er kon net zo goed niets gebeuren. Mijn leven is een aaneenschakeling van teleurstellingen maar ook van immense vreugdemomenten. Ik zou enkel die vreugdemomenten willen onthouden, zij verschaffen mij troost voor alle teleurstellingen. Soms schenkt het leven je een vluchtig teken van erkenning, soms bedankt het je. Er is dan een grote verbondenheid met het toeval, dat je op die momenten heel intens ervaart. Daar ben je dan ook dankbaar voor. Dat noem ik de vreugde van het onvoorziene. Het gaat om minuscule situaties, niet groter dan een speldenknop. Net ervoor was er niets, en net erna is er niets meer. Je moet dus altijd klaar staan.
zaterdag 24 oktober 2009
terugblik 34 (535 / 1000)
De foto heeft enkele onvolkomenheden. Ik beheers de mogelijkheden van mijn toestel nog niet: ISO-waarde en diafragmaopening zijn niet aangepast aan de lichtomstandigheden. Het uitwaaierende uiteinde van een sigaret verraadt dat de sluitertijd lang was. Dat het geheel toch nog redelijk scherp oogt, is te danken aan het gelukkige feit dat er wellicht net een vuurpijl ontploft. De compositie is verre van perfect: de groep staat te veel naar rechts – dat wordt nog versterkt doordat het voorwerp van de aandacht zich rechts buiten beeld bevindt en doordat de linkse figuur er maar half op staat. Er is ook nog het witte streepje bij de mond van de man met het marcelletje. Dat is géén sigaret, wat ik zelf lang heb gedacht, maar een verlichtingselement dat hoort bij de tent op de achtergrond. Het tentzeil vormt als een accent circonflex een verbinding tussen twee van de vijf figuren.
Dat de foto mij erg dierbaar is, komt, behalve door de hierboven beschreven aangename reisherinnering, door de twee figuren rechts op de voorgrond: hun kleine gestalte, hun oude oren, de textuur van hun haar, lichtjes geabstraheerd door de onscherpte, hun grote concentratie. Dit zijn mensen van hier; zij kijken met ándere ogen naar het feestgedruis.
facebookbericht 118
vrijdag 23 oktober 2009
dag 789 – 091014 woensdag
facebookbericht 117
donderdag 22 oktober 2009
woensdag 21 oktober 2009
dag 788 – 091013 dinsdag
Die dode wielrenner wordt dan ’s avonds op tv uitgekleed door Phara: haar taak is het te peilen naar emoties en wat er is gebeurd met die zielige man in dat verre vakantieressort in – godbetert – Senegal.
Boezemvriend, kompaan en ex-pelotonclown Nico Mattan komt in het programma – ‘Dank u, mijnheer Mattan, dat was heel moedig!’ – een en ander vertellen en nog heel veel meer niet vertellen. Moet je die man niet tegen zichzelf in bescherming nemen, vraag ik mij dan af.
Op een gegeven ogenblik gebéúrt er iets tussen Mattan en kinesist Lieven Maesschalck aan de andere kant van de tafel. Mattan oppert dat Maesschalck VDB te snel heeft losgelaten. Je kunt aan de lichaamstaal en de blikken zien dat er kortsluiting in de lucht hangt. Dat is spannende televisie: even vallen de maskers af.
Ik vond overigens dat de dood van gevallen wielergod Frank Vandenbroucke een hoog Ispahaan-gehalte had (en ik zinspeel hier niet op bloedwaarden maar op het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck). Niet alleen in de ruimte – uiteindelijk vond de Dood zijn slachtoffer in een gore Senegalese hotelkamer, daar waar hij hem ’s morgens nog in Ploegsteert had gegroet – maar ook in de tijd natuurlijk want naar verluidt zou het met VDB voor het eerst sinds lang weer de goede richting aan het uitgaan zijn geweest. Gaat het dan eindelijk beter, ja dan, dáár, komt de magere met zijn zeis je alsnog halen. Met een Senegalese schone als gezante.




































