dinsdag 2 september 2014

tour 139



17 mei 2014

dag 19.5

Ik zoek rustiger wegen op. Het landschap is weids. De akkerbouw heeft een industriële schaal. Er zijn nagenoeg geen bossen. Af en toe wat bomen. De weg loopt recht van dorp naar dorp: Saint-Quentin-les-Anges, Mée, Ampoigné, Laigné… In Marigné-Peuton zie ik een café dat open is en dat is wat ik zoek want na mijn lunch in een bushokje in l’Hôtellerie de Flée, de eerste lokaliteit na Segré, snak ik al een tijdje naar koffie.

Een rosse jongeman aan de toog reikt me meteen de hand. Het ijs is gebroken! Dit is iemand die wil praten. Het gesprek komt snel op gang. De gebruikelijke reisroutevragen, en dan geef ik wat bevindingen: hoe Frankrijk in de afgelopen vijfendertig jaar is veranderd, wat daarvan volgens mij de oorzaak is (de grandes surfaces en natuurlijk de koopzucht van de mensen), wat de Fransen toch bezielt om al die mooie huizen in de dorpskernen te laten verkommeren en in de plaats daarvan zielloze verkavelingen (lotissements) neer te poten met daarin zielloze huisjes met zielloze tuintjes. De rosse begrijpt wat ik bedoel en probeert een verklaring te bieden. Die huisjes, allemaal gelijk, waar ook in Frankrijk, beogen economisch te zijn: geïsoleerd, makkelijk te verwarmen of koel te houden (met airco natuurlijk), goedkoop in het onderhoud. Zelf heeft hij een oude woning gerenoveerd. Dat was wat ik voorstelde: waarom niet al die kloeke en koele en tegelijk toch ook warme huizen met hun dikke muren in natuursteen niet gewoon renoveren, zodat de dorpen bewoond blijven en niet worden ontsierd door verkavelingen? Ja, zegt de rosse, maar weet je, die renovatie heeft mij evenveel gekost als een nieuwe woning. Je moet het echt willen om het te doen.

De barvrouw, die iets weemoedig uitstraalt, zwijgt, maar niet op een onvriendelijke manier. Haar dochtertje doet verlegen en hangt aan haar benen. Twee andere mannen aan de toog mengen zich nu ook in het gesprek. Ze zijn vooral geïnteresseerd in mijn traject. Ik toon hun mijn landkaartje. Ze fluiten bewonderend. Ik zeg: Voilà le moment d’être fière de moi-même! Een vraagt wat de slechtste ervaring was. Ik vertel over de hotelier van La Gabelle. En de beste ervaring? Ik vertel over de gîte met het landbouwerskoppel nabij Agen. Maar ik denk nu al, dit café zal zeker een van de mooiste momenten van de reis blijken te zijn, en ik neem me voor deze mensen zodra ik thuis ben iets van mij te laten horen.

Ondertussen is het kind ontdooid. Het meisje vraagt waar op mijn kaart het departement Midi-Pyrenées ligt. Ik toon het haar. Ze zegt dat ze daarover voor school een werk moet maken. Ik zeg dat ze kan zeggen dat ze in het café van haar moeder een man heeft ontmoet die daar gefietst heeft. En vélo? C’est pas possible! Ik zeg haar dat impossible geen Frans is en ook dat ze maar moet zeggen dat die man in het café van haar moeder dat heeft gezegd.


Wanneer ik afscheid neem en nog snel, na de toelating te hebben gevraagd, een foto neem – pour le bon souvenir – komt de barvrouw mee naar buiten: ze wil toch eens mijn fiets bekijken. Ze ziet dat mijn waterfles – een groene plastic Perrier-fles – bijna leeg is en stelt voor hem te vullen. Ik vind dit bijzonder aardig van haar en zeg haar dat ook. Ze glimlacht – en daar kan ik weer een paar tientallen kilometer mee verder.

Hiermee is nog maar eens duidelijk geworden dat het idee dat ik aanvankelijk had om een gasstel en een espressokannetje mee te nemen en petit-beurrekoekjes, om zoals Michiel Hendryckx keer op keer op verschillende plekken in Frankrijk een decoratief koffiegebeuren op te voeren, niet zo goed was: mijn koffiemoment mag dan duurder zijn, ik moet die spullen niet meezeulen en bovendien zou ik de helft van de contacten die ik op deze reis heb, niet hebben, om de heel eenvoudige reden dat de meeste gesprekjes die ik voer in dergelijke cafés plaatsvinden, wanneer ik er kom om een koffie te drinken of een Orangina.

3708

140703

maandag 1 september 2014

niet opgenomen 65

140313

zomer veertien 13



9 juli – woensdag / Visart

(…)

Laatste bladzijden van Op weg. De roman blijkt uiteindelijk een vaderqueeste te zijn: ‘I even think of (...) the father we never found.’ Of is hij het relaas van het hartverscheurende onvermogen tot vriendschap omdat deze vorm van hoogstaande liefde voortdurend wordt doorkruist door de pogingen om in het genot een nog fundamentelere eenzaamheid teniet te doen? Parallel met mijn lectuur van deze laatste bladzijden: de inleiding van Ann Charters in de Penguin Classics-editie. De gedachte daarin dat de écriture automatique van Kerouac tot een fundamenteel religieus boek heeft geleid.

(…)

Het middagjournaal van de VRT gaat in op het verdriet van de Brazilianen na de historische nederlaag van gisterenavond. Stel je voor! Wenende supporters, zichtbare emotie: het hoogste goed voor journaalsamenstellers. Dat er in het Nabije Oosten een kruitvat op ontploffen staat en in verschillende Afrikaanse landen verschrikkelijke religieus geïnspireerde terreurdaden worden gepleegd, dat is voer voor vlak voor het toemaatje. Maar ach, deze ergernis is een afgezaagd liedje. In dat verband heb ik een klein Facebookdiscussietje met Staf De Wilde. Hij is het eens met Alain de Botton, die in zijn boek over journalistiek aanklaagt dat er te veel aandacht is voor negatief nieuws. Ik merk op dat er nog een verschil bestaat tussen het brengen van miserie-miserie-miserie en een kritische berichtgeving die de mechanismen áchter de miserie blootlegt. Miserie is emo, kritische duiding is ratio – en wij leven nu eenmaal in een emo-tijd.

Laatste bladzijden van Schoonheid van Roger Scruton. Dit boek moet ik met meer en betere aandacht grondig herlezen. Maar de strekking ervan staat me alvast aan. Wat Scruton te zeggen heeft over het transcendente en de moderniteit; zijn hartsgrondelijke afkeer van het postmodernisme. Onze angst om schoonheid toe te laten ook: we zouden wel eens kunnen worden geconfronteerd met de eigen banaliteit. Het is een waardevol boek, het is een moeilijk boek.

Buiten is het herfst: regen, donkergrijs, windstoten die al de eerste bladeren van de bomen rukken. Ideaal weertje om de dag aan lectuur te wijden (Cortázars en Dunlops Autonauten van de kosmosnelweg) en aan de rechtstreekse reportage van de Touretappe tussen Ieper en Arenberg, een kasseienrit waarin, door toedoen van de genoemde weersomstandigheden, heel wat te beleven valt!

(…) Ik lees Cortázar en denk aan de artikels die ik vandaag las over het efemere patriottisme naar aanleiding van de Rode Duivels-campagne. De strekking van het artikel van Koen Naeghels was: de mensen geven zich graag aan dat tijdelijke patriottisme over omdat ze daarin even de verschillen kunnen vergeten. Het geeft hun zuurstof om kort na het uitdoven van het laatste Bengaals vreugdevuur weer de alledaagse onverschilligheid aan te kunnen, onverschilligheid waarin ze de verschillen die er wel degelijk zijn kunnen smoren en vergeten.

In de halve finale Nederland-Argentinië gebeurt er twee uur zo goed als niets. Nederland verliest op strafschoppen. Ze kunnen er beginnen met hun oranje binnen te halen.

geen verloren tijd 84



I:721-728

Vaak is de duisternis al ingetreden vooraleer het gezelschap in de koets van Mme de Villeparisis terug thuis is, dat wil zeggen in het Grand Hôtel. De aanblik van de maan doet Marcel zinnen debiteren van Chateaubriand, Vigny of Hugo. Dat ontlokt de markiezin enige opmerkingen over het niet altijd congruent zijn van de persoonlijkheid van de literator met het gehalte van zijn literatuur. Zij neemt Chateaubriand als voorbeeld, hoe die bij haar vader langskwam en hoe het gezelschap dan altijd de draak stak met zijn gevleugelde uitspraken over de maan. Vervolgens hekelt zij de aristocratische pretenties van Musset en Vigny. Ook Balzac en Hugo moeten het ontgelden. Deze laatste had le titre de grand poète slechts gekregen in ruil voor l’indulgence intéressée qu’il a professée pour les dangereuses divagations des socialistes (723:5-8). Worden in deze strenge oordelen van de markiezin bepaalde voor- of afkeuren van Proust zelf weerspiegeld?

Bij hun aankomst lijken de lichtjes van het hotel al vriendelijker dan toen Marcel hier voor het eerst samen met zijn grootmoeder aankwam. We krijgen een kleine fenomenologie van het huispersoneel voorgeschoteld: le portier, les grooms en le lift (723:12; de liftboy) staan het gezelschap ‘in naïeve dienstvaardigheid’ en dus allesbehalve socialistisch op te wachten. Dat stelt de gasten gerust: zij hechten aan deze geruststellende aanwezigheid en het gaat hun daarbij niet om concrete individuen maar om het ingevuld zijn van de functies. Het gaat om wezens qui changent tant de fois au cours de notre vie, comme nous changeons nous-mêmes, mais dans lesquels, au moment où ils sont pour un temps le miroir de nos habitudes, nous trouvons de la douceur à nous sentir fidèlement et amicalement reflétés (723:15-19). Het huispersoneel als troostende, standvastige spiegel in het woelige leven van de aristocratische besognes. Er zijn beaucoup plus de serviteurs qu’il n’était nécessaire (723:29-30), maar wat wil je, die lieden sentaient l’importance de la scène et se croyaient obligés d’y jouer un rôle (723:30-31). De woorden scène en rôle zijn uiteraard uitermate belangrijk!

Marcel en grootmoeder zijn hongerig en vinden het dus niet de moeite eerst naar boven te gaan; zij wachten beneden in de hal op de maaltijd, nog steeds in het gezelschap van Mme de Villeparisis. De markiezin is neerbuigend zonder neerbuigend te zijn, of preciezer: door zich uit te putten in pogingen om niet neerbuigend te zijn, is zij het nu net wel – en zij weet het, maar dat is nu eenmaal de ongeschreven code die de hoge adel ten aanzien van de burgerij dient te handhaven. Als om dit thema wat verder uit te diepen, vertelt Mme de Villeparisis enige anekdotes waaruit moet blijken dat de plichtplegingen die het gevolg zijn van standsverschillen wel eens aanleiding kunnen geven tot obstructies of misverstanden in het praktische leven van de hoge adel.

Een en ander doet Marcel twijfelen aan de waarde van de kwaliteiten – le tact, la finesse, la discrétion, l’effacement de soi-même (726:37-38) – die Mme de Villeparisis aan de dag legt. Het heeft in elk geval  Chateaubriand, Vigny of Hugo, hoe onbehouwen die ook waren, niet belet te worden wie zij uiteindelijk waren. Grootmoeder protesteert, zeker wanneer Marcel in zijn betoog melding maakt van Bloch. Zij is niet automatisch bereid het voor de schrijvers op te nemen. Zij wil een wereld van overzicht en goede manieren, een wereld waarin Marcel niet het lijden en achtingsverlies te beurt zal vallen waarvan Baudelaire, Poe, Verlaine en Rimbaud het slachtoffer zijn geworden.

Marcel is niet overtuigd. Hij vindt dat Mme de Villeparisis tenait plus à sa naissance qu’elle ne l’avouait (727:24-25); ze doet alsof ze geen belang hecht aan de eerbied die de hogere burgerij aan de hoge adel verschuldigd is, maar ze loopt wel degelijk hoog op met haar afkomst. Haar democratische instelling is met andere woorden hypocriet. Deze en alle andere overwegingen met betrekking tot de gasten in het hotel legt Marcel aan grootmoeder voor want hij vindt wat zij ervan vindt zeer belangrijk. Hij zou zonder haar niet kunnen, geeft hij toe. Dat verontrust grootmoeder: wat zal hij doen als zij eens op reis vertrekt, pour des mois… (…), pour des années,… pour… (727:38-39). De mogelijkheid van haar dood snoert beiden de mond. Nous n’osions pas nous regarder. Pourtant je souffrais plus de son angoisse que de la mienne. (727:40-42) Marcel probeert het ongemakkelijke moment te omzeilen. Hij acht zich in staat te wennen aan de afwezigheid van een geliefd persoon, beweert hij, zonder dat zijn liefde voor deze persoon daardoor minder zou worden: tout en les aimant toujours autant (728:3-4). En de volgende dag probeert hij de verdrietige gevoelens die samen met de gedachte aan grootmoeders nakende dood waren binnengetreden helemaal weg te werken door te stellen dat in de filosofie het materialisme zijn beste dagen lijkt te hebben gehad en dat er weer ruimte komt voor het concept ‘eeuwig leven’.