dinsdag 28 januari 2020

facebookbericht 1141

De OLVA (Onze-Lieve-Vrouwecollege Assebroek) was (is?) een grijze bunker waar alles wat ook maar een millimeter boven de al even grijze middelmaat uitsteeg, genadeloos de kop werd ingedrukt. Het lerarenkorps, een leger van zorgvuldig geselecteerde, laffe en al even grijze muizen met slechts hier en daar een lichtend voorbeeld dat niet samenspande met de toen nog klerikale macht, hield zich opvallend gedeisd. Ik kan er ook nog wel het een en ander over vertellen, en zal dat zeker nog doen. Wie een document als deze brief kan voorleggen, beschikt over het mooiste diploma. Proficiat, Alexander Goethals. Ik wil het er met jou nog wel eens over hebben. (Zelf verliet ik dat strafkamp in 1979.)
 
 

facebookbericht 1140


N-VA-gemeenteraadsleden Puurs stemmen samen met het Blok tégen naamsverandering Cyriel Verschaevestraat. Ken uw pappenheimers!

LVO 100



Ik hing de sleutel aan het haakje, zoals ik ooit eens een kameraad hoorde zeggen die in een kroostrijk gezin met jaren achterstand de benjamin bleek te zijn geworden. (Al heette hij niet zo: de ouders, strak in de leer, sloten blijkbaar niet uit dat er nóg eentje zou volgen.)
Zolang het gezin niet voltallig was, bleef het in Eisden wonen. Net als mijn vader, mijn broer en mijn zus – en mijn twee fantoombroers – ben ook ik daar geboren. Ik was amper drie maanden oud toen mijn ouders het in het verre Limburg voor bekeken hielden. De omzwerving, de hele gouw door tot in het Beloofde Land, nam een aanvang.
Bijna vier jaar later, in de zomer van 1965, vonden mijn ouders hun definitieve adres. Ze kochten een alleenstaande woning aan de Populierendreef in Assebroek, toen nog een zelfstandige, naast Brugge gelegen gemeente. Ik was drie en had al in zes verschillende huizen gewoond. Dit was het zevende, en dat zou voor veertien jaar zo blijven. Een eeuwigheid.
Door de handicap van mijn vader dreigde het gezin dat hij samen met mijn moeder had gesticht niet van de stilaan algemeen wordende welvaart te zullen kunnen profiteren. Maar hij ging toch werken, als bediende in een verzekeringskantoor, hoewel hij dat vanwege zijn invaliditeitspensioen eigenlijk niet mocht. Dat zorgde voor een aanzienlijke verbetering van de levensomstandigheden. Mijn ouders kochten niet alleen dat huis, maar ook een auto. Daarmee maakten ze uitstapjes en elk jaar een meerdaagse reis. Zij trokken het liefst naar Duitsland, naar de Moezelstreek en de Rijn: de kleine aperitiefglaasjes met afbeeldingen erop van exotische localiteiten als Koblenz en Heidelberg werden maar af en toe gebruikt, wanneer er visite was. Er kwamen ook allerlei apparaten en voorzieningen in huis: een televisie, een stereo-installatie, een nieuwe keuken en badkamer, centrale verwarming, een diepvrieskast. Maar ook een elektrisch vleesmes en nog andere dingen die we niet nodig hadden. Mijn vader kocht vrij veel grammofoonplaten: klassieke muziek, later ook jazz. Moeder, die zichzelf weinig extra’s gunde, zag het met lede ogen aan.
Kortom, mijn ouders konden, door allebei hard te werken en dus niet doordat het hun in de schoot werd geworpen, welstand verwerven. Zij deelden in de voorspoed die in de golden sixties een grote sprong maakte en nu ook de lagen van de samenleving bereikte die zich ónder de upper middle class bevonden. De zeer brede context waarin ik opgroeide wordt door historicus Eric Hobsbawm beschreven als 'een uitzonderlijke fase in de geschiedenis (...), misschien wel een unieke fase'.65
Materieel gezien was er geen betere tijd denkbaar om in op te groeien. Het contrast met de daaraan voorafgaande periode van oorlogsherstel, waarvan ik enkel het einde had meegemaakt, zij het niet bewust, kon moeilijk groter zijn. Werkloosheid was er nauwelijks, in de basisbehoeften kon gemakkelijk worden voorzien. Er was steeds meer overvloed, luxe, keuzemogelijkheid. De welvaart zou nog toenemen, maar de zekerheid en het optimisme gingen snel teloor. De gouden glans van de jaren zestig verdofte en ging op in de bruine tinten van de jaren zeventig. Het optimisme was ongebreideld en ondoordacht geweest. En allerminst vooruitziend, zoals het sommigen het volgende decennium zou beginnen te dagen en de meesten nog eens een halve eeuw later.

65 Eric Hobsbawm, Een eeuw van uitersten, 301




(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin

5622

Parma (I) - 190907

maandag 27 januari 2020

vorig jaar 72


190126

Eigenlijk is het enige criterium om te weten of er overeenstemming is, of vriendschap, liefde eventueel, dat er geen stiltes vallen. Je weet niet meer waarover je moet spreken. Terwijl in een vloeiend gesprek de vraag niet eens rijst, moet je nu zoeken naar een nieuw onderwerp, of minstens hoe je het besprokene moet voortzetten, uitdiepen, afronden. Maar neen, de woorden voelen als kiezels in de mond en blijven onuitgesproken; je zit daar, als twee zoutzakken tegenover elkaar. Maar iemand moet de stilte doorbreken, het woord nemen, het ongemak wegwerken. Wie zal het doen? En wat verraadt het over diegene die het doet? Is het dienstbaarheid, generositeit, of integendeel zwakte en onzekerheid? (…) ben ik degene die tijdens het middagmaal (…) vaak onderwerpen aanreik. Niets is mij te min om over te praten. Als de stilte maar verdreven wordt. We gaan toch niet bij elkaar zitten om te zwijgen? Dan kun je net zo goed alleen zitten eten met een boek bij de hand. Dus raak ik een onderwerp aan. Iets gezien op televisie, een boek gelezen, iets over het werk, vragen naar de gezondheid, eventueel die van de kinderen, enzovoort. Ik heb er niet altijd zin in, maar ik heb die taak op mij genomen, en nu zit ik ermee: het wordt van mij verwacht. Ik dacht altijd dat het dienstbaar was, dat ik daar niet alleen mezelf maar ook de anderen een dienst mee bewees. Maar David Grossman leert mij dat het ook een ander aspect heeft: onzekerheid. ‘Het is iedereen duidelijk dat iemand het woord moet nemen, de stilte moet verbreken, maar wie? Wie biedt zich aan? Wie verkondigt van zichzelf dat hij het zwakst is van karakter, een voetveeg, een weekdier? Wie breekt er het eerst en zegt iets, al was het maar iets doms?’ (Een vrouw op de vlucht…, 523) Het gesprek als krachtmeting. *