zaterdag 25 mei 2013

3241

130210 - Duinkerke

vrijdag 24 mei 2013

geen verloren tijd 65


I:564-575

Proust focust nu op Gilberte, die, tegen haar vader aangeleund, het gesprek volgt. Zij is fysiek een mix van twee uiterlijk erg verschillende mensen. Het leek erop of la nature semblait avoir eu, quand Gilberte avait été créée, à résoudre le problème de refaire peu à peu Mme Swann, en n’ayant à sa disposition comme matière que la peau de M. Swann (564:26-29). Ook het karakter is een onvolmaakte blend: het is alsof in Gilberte één van twee onafscheidelijke goede eigenschappen van de ene ouder zijn gekoppeld aan een slechte eigenschap van de andere ouder. Of stel het anders: in één en dezelfde Gilberte (fysieke verschijning) schuilen twee Gilbertes van andere makelij die om voorrang strijden en die onderling zo sterk van elkaar verschillen dat je bij de – schijnbaar willekeurige – overgang van  de ene naar de andere het gevoel kunt krijgen tegenover een totaal andere persoon te staan. Enkele bladzijden verder – in een wat verloren geplaatste alinea – vraagt Marcel/Proust zich dan ook af si le caractère de Gilberte n’était pas autre que ce que j’avais cru en of er onder allerlei positieve eigenschappen niet ook des désirs très passionnés (569:16-19) schuilgingen die zij uit eigenliefde verborgen hield en die slechts naar boven kwamen wanneer zij haar controle erover liet verslappen.

Gilberte lijkt van haar moeder vooral de negatieve, van haar vader vooral de positieve eigenschappen te hebben geërfd. En met hem lijkt ze ook het best overeen te komen – de toon waarop hij ‘Tu es une bonne fille’ (567:6-7) prevelt, lijkt te wijzen op een inquiétude que nous inspire pour l’avenir la tendresse trop passionnée d’un être destiné à nous survivre (567:7-9).

Charles Swann mengt zich nu weer – schijnbaar om de ongemakkelijkheid in verband met zijn wel zeer intieme omgang met Gilberte wat te ontvluchten – in het gesprek over Berma. Hij zegt dat Berma in een bepaalde repliek wel zeer trefzeker een juiste toon heeft getroffen. Marcel kan dat niet ontkennen, maar het bewijst volgens hem niet de grootheid van Berma omdat die juiste toon iets te objectiefs had, iets dat buiten Berma en haar kwaliteiten als actrice onafhankelijk bestond. Marcel krijgt complimenten van de Swanns, die iets mondainere gesprekken gewoon zijn, omwille van de kwaliteit van zijn conversatie: ‘Il me semble que nous parlons bien d’art, ajouta-t-il. – C’est très bien, j’aime beaucoup ça’, dit Mme Swann en me jetant un regard reconnaissant, par bonté et aussi parce qu’elle avait gardé ses anciennes aspirations vers une conversation plus intellectuelle. (567:35-40)

Bergotte start nu een gesprekje met Gilberte. Ondertussen evalueert Marcel het zijne. Hij stelt vast dat hij heel vrijuit met de door hem bewonderde schrijver heeft gesproken – maar dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij eigenlijk al vele jaren met hem ‘in gesprek’ is, eenvoudig door zijn boeken te lezen: il m’intimidait moins qu’une personne avec qui j’aurais causé pour la première fois (568:4-5). Toch is hij niet overtuigd – en hij beseft dat dit wellicht ten onrechte is – wanneer Gilberte hem, na haar gesprekje met de schrijver, toefluistert dat haar grand ami Bergotte (…) a dit à maman qu’il vous avait trouvé extrêmement intelligent (569:10-11). Maar ja, la bienveillance des hauts esprits a pour corollaire l’incompréhension et l’hostilité des médiocres (568:43-569:1).

Eindelijk vertrekt het gezelschap voor de uitstap. Marcel zit in het rijtuig bij Bergotte, die naar zijn gezondheid informeert. Een zwakke gezondheid, helaas, maar toch ook weer niet zo helaas want je vois bien que vous devez avoir les plaisirs de l’intelligence et c’est probablement ce qui compte surtout pour vous (569:27-29). Wat een misvatting! Marcel zoekt helemaal niet de geneugten van de geest: je sentais combien ce que je désirais dans la vie était purement matériel (569:35-36). Het opsnuiven van een weeë geur in een Parijs urinoir, waardoor hij wordt teruggevoerd naar Combray, schat hij veel hoger in dan eender welk intellectueel genot. Bergotte lijkt Marcel niet te willen geloven. Maar Marcel voelt zich toch gesterkt. Waar de markies de Norpois hem zijn zelfvertrouwen had ontnomen, lijkt Bergotte te bevestigen dat hij zich nu net over mes doutes, mon dégoût de moi-même (570:16-17) geen zorgen hoeft te maken.

Bergotte raadt Marcel af zich nog langer door dokter Cottard te laten verzorgen. Bijzondere mensen hebben bijzondere dokters nodig! Marcel is niet overtuigd. Je doutais beaucoup que les gens intelligents eussent besoin d’une autre hygiène que les imbéciles (571:20-22). Bergotte gaat nu de roddeltoer op en zegt dat Swann aan medische begeleiding toe is omdat hij zo afziet van de fratsen van Odette. Marcel verbaast zich ten zeerste over dit geroddel, zeker van iemand die zich uitput in vriendelijkheden als hij tegenover de Swanns staat. Hij moet eens te meer vaststellen dat hij in een andere wereld is beland: Rien, moins que notre société de Combray, ne ressemblait au monde (571:41-42). Bergotte vraagt Marcel niet verder te vertellen wat hij nu heeft gehoord en Marcel zou, mocht hij het zinnetje waarvan hij zich later in dergelijke situaties zal bedienen al kennen, het nu zeker ook gebruiken: ‘Je ne répète jamais rien.’ C’est la phrase rituelle des gens du monde, par laquelle chaque fois le médisant est faussement rassuré. (572:4-6) Faussement: het geroddel zet zit natuurlijk eindeloos door.

Marcel ervaart het als een groot geschenk van M. Swann, dat hij hem onmiddellijk bij Bergotte heeft geïntroduceerd – iets waarvoor anderen jaren lang moeten intrigeren. Hij meent daarin een manoeuver van Swann te zien, omdat Marcels ouders ooit een uitnodiging van hem om bij Bergotte te gaan eten hadden afgeslagen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de weinig gunstige reputatie die Bergotte, omwille van zijn levenswandel, bij Marcels ouders geniet. Ze stonden al niet zo gunstig tegenover zijn bezoekjes aan de Swanns, en nu dit! Bovendien verraadt Marcel dat Bergotte niets moest hebben van de markies de Norpois. Het doet Marcels vader besluiten: je suis désolé de te voir tombé dans un milieu qui va achever de te détraquer (573:20-22; ‘het hoofd op hol brengen’). Marcel overweegt nu dat hij maar beter niet kan zeggen dat Bergotte zo hoog oploopt met zijn intelligentie, maar hij zegt het – ook al nam hij zich voor het niet te doen – toch. Het effect hiervan verbaast hem ten zeerste: zijn ouders glunderen van trots en zijn wel degelijk blij met Bergottes compliment. Van de weeromstuit hemelen ze nu Bergotte op, minimaliseren ze zijn existence peu honorable dont a parlé à mots couverts le père Norpois (574:29-30), ja, ze beginnen zelfs de markies, die ze net nog ophemelden, naar beneden te halen: il n’est pas toujours très bienveillant, surtout pour les gens qui ne sont pas de son bord (574:37-39).

Nog voor ze van het compliment van Bergotte had gehoord, had Marcels moeder aan Marcel gevraagd om ook eens Gilberte op de thee uit te nodigen. Maar dit plan gaat niet door: Marcel vreest dat Gilberte de chocolade, die zijn moeder naast de thee aanbiedt, als te burgerlijk zal ervaren, en bovendien is er een onoplosbaar probleem van protocollaire aard: Mme Swann informeert bij Marcel altijd naar zijn moeder, maar hij weet dat zijn moeder bij Gilberte nooit naar Mme Swann zal informeren. Dus gaat het plan om Gilberte op de thee uit te nodigen niet door.

Deze passage wordt op luchtige wijze afgesloten: Marcel vindt in zijn jas de envelop die hem bij het binnenkomen van het salon van de Swanns door de hofmeester was overhandigd (547), die hij toen ongeopend, met de air van een habitué, had weggestoken en die hij inmiddels vergeten had: in de envelop steekt une carte sur laquelle on m’indiquait la dame à qui je devais offrir le bras pour aller à table (575:31-33).

13 in z/w 135

Brugge, Bloedput

3240

Duinkerke - 130210

donderdag 23 mei 2013

13 in z/w 134

Brugge, Station

los ingeslagen 93


19 maart 2013

In de weekendkrant laat de Izegemse politicus Geert Bourgeois weten dat hij de volgende minister-president van Vlaanderen wil worden. ‘Het zou een mooi orgelpunt op mijn carrière zijn’ – ik parafraseer hier en ook verderop. Bourgeois verkondigt ook, en passant, dat de enige inzet van de verkiezingen van 2014 de ‘totale autonomie’ van Vlaanderen wordt: ‘alle’ bevoegdheden moeten worden overgeheveld. De N-VA (Nieuw-Vlaamse Alliantie) moet met minstens 40 procent van de Vlaamse stemmen ‘incontournable’ worden, om het met een mooi Frans woord te stellen; met zo’n uitgesproken uitslag zullen, met de hulp van Open Vld en CD&V, de Walen niet anders kunnen dan instemmen met de boedelscheiding.

De Walen laten verstaan dat ze desnoods alleen met België voortdoen, CD&V zegt zich voorlopig te willen beperken tot het uitvoeren van het Vlaams regeerakkoord en de zesde staatshervorming, de opiniepeilingen (waar we de laatste tijd al veel minder van horen dan vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen) geven de N-VA op dit ogenblik 33 procent van de Vlaamse stemmen.

Het heeft er alle schijn van dat Bourgeois voor zijn beurt gesproken heeft. Hij werd dan ook al door zijn partijgenoten teruggefloten: niet hij maar De Wever wordt het boegbeeld van de verkiezingen. Weyts, Jambon et tutti quanti ventileren het respect voor de stichter van hun partij maar slagen er toch niet echt in om hun ongenoegen te verhullen. Na de overhaaste en blijkbaar op te weinig harde feiten gestoelde aanval op het ACW (zie het proces dat verkenner De Decker aan zijn broek gesmeerd krijgt – uitspraak wordt verwacht vlak voor de verkiezingen volgend jaar), is dit een tweede barst in het N-VA-bastion.

Bourgeois’ ontboezemingen hebben het voordeel dat de ware aard van het beestje, die iedereen al kende want het staat in de statuten van de Vlaams-nationalistische partij, nu open en bloot komt te liggen: niemand kan er nu nog aan twijfelen dat de N-VA niets anders wil dan separatisme; de term confederalisme is niets anders dan een formule die wordt ingezet om het tweederde van de N-VA-kiezers dat de splitsing van België niet wil een rad voor de ogen te draaien. Met zijn niet door de apparatsjiks van zijn partij gesteunde soloritje op de roetsjbaan van zijn politieke natte droom heeft Bourgeois voor duidelijkheid gezorgd en wij moeten hem daar dankbaar voor zijn.


Ik ben benieuwd hoe de coalitiegenoten van de N-VA in de Vlaamse regering zullen reageren op dit openlijke statement van de viceminister-president, dat inhoudt dat hij niet langer van plan is het regeerakkoord uit te voeren, of dan toch alleszins dat hij van plan is om iets ánders uit te voeren – want in dat regeerakkoord staat niets over Vlaamse onafhankelijkheid. Er is morgen een actualiteitsdebat in de plenaire zitting van het parlement. Het valt te vrezen dat na een rondje obligaat gescheld de plooien zullen worden gladgestreken en de meerderheidspartijen het geschil in elkaar zullen laten zakken als een mislukte plumpudding op een veel te koude voorjaarsdag.

reacties

Mooi stukje, met een paragraaflange Ciceroniaanse periode als openingsvolzin op de koop toe, inclusief protasis ("spanning": het voorbereidend gedeelte met stijgende intonatie tot aan de cllimax) en apodosis ("viering": de hoofdidee in een dalende intonatie). Althans, volgens de tweede herziene latijnse grammatica van Dirk Gerhard Johanna Panhuis.
D.J.

Dankjewel voor dat leesverslag! Prachtig! Ik kreeg meteen zin om dat boek van Nabokov ook te lezen.

C.C.

3239

Duinkerke - 130210

woensdag 22 mei 2013

13 in z/w 133

Brugge, Gouden Boomstraat

Lente in Fialta

De trein is een goede plaats om Nabokov te lezen - al is het maar omdat het gedokker, het zijdelingse gedein bij een wisselovergang en het klimmen en dalen en opnieuw klimmen en dalen van de draden naast het spoor mij vaak, ook als ik Nabokov niet aan het lezen ben, aan Nabokov doen denken, meerbepaald aan een passage in Geheugen, spreek waarin hij vertelt over een dagenlange treinreis naar Biarritz die hij maakte als kind van ouders die in die mate schatrijk waren dat ze zich - om de vochtige zomerhitte van het Peterburgse moeras waarin ze tot aan de Revolutie van Zeventien een landgoed bezaten te vermijden - een vakantie aan de Atlantische Oceaan bij de grens met Spanje konden veroorloven.

Het is daarnaast ook een goede gewoonte om in mijn boeken de datums te noteren van de dagen waarop ik erin gelezen heb. Zo kan ik nu achterhalen dat ik het titelverhaal van de in 1966 verschenen Nederlandstalige verhalenbloemlezing Lente in Fialta (vierde druk 1981), die ik, blijkens de inscriptie op de titelpagina, op 21 december 1983 kocht (het boek was afgeprijsd van het voor mij onbereikbare 650 frank naar 245 frank - beide prijzen, de eerste met een schuine streep door, staan nog altijd in potlood in de rechterbovenhoek van de eerste bladzijde aangegeven) - al vier keer las: 'dec 82', '12VII84', '12IV89' en '11III5'. Bij de datum waarop de eerste herlezing zich voordeed, een zomerdag in 1984, staat ook nog tussen haakjes de naam van de Italiaanse badplaats Viarecchio vermeld: ik had toen nog de gewoonte om als ik elders dan thuis in boeken las in die boeken niet enkel de datum maar ook de plaats op te tekenen.

En zo werd ik vanmorgen op de trein teruggekatapulteerd naar de zonnebrand op mijn schouders die ik opliep omdat ik op 23-jarige leeftijd nog niet wist, zoals de vriend die ik op die reis naar Firenze vergezelde en wiens vrouw mij probeerde te versieren terwijl ik treurde om een ander, dat mijn huidtype zich absoluut niet tot zonnebaden leende; naar de groen-wit gestreepte parasol waaronder ik uiteindelijk, maar te laat, wat schaduw zocht; naar de halveliters bier die we 's avonds dronken om toch maar goed te kunnen slapen (ik meen dat wij in de auto overnachtten, een aftandse Volkswagen die enkele maanden later door zijn poten zou zakken); naar de zandkorrels die nog vele jaren later uit mijn stilaan vergelende exemplaar van Lente in Fialta vielen. Het is bijna dertig jaar geleden, er zijn sindsdien meer levensjaren voorbijgegaan dan eraan waren voorafgegaan - en ik vond mezelf toen al zo oud! Ach.

'Lente in Fialta' is een van de mooiste verhalen die ik ken. Het gaat over een vergeefse, onmogelijke liefde van een man voor een vrouw, twee mensen die door het lot, die 'meedogenloze regisseur van het toeval' zou Nabokov kunnen zeggen (en hij doet dat ook met ongeveer die woorden in dit verhaal), onwaarschijnlijk veel keren en dan nog op de meest onwaarschijnlijke plaatsen, verspreid over het Europese continent, worden samengebracht. De ene keer is zij verloofd en hij niet, de andere keer staat hij op trouwen terwijl zij net haar verloving heeft afgebroken. En altijd is er de onuitgesproken, of bijna onuitgesproken, liefde - al is het niet duidelijk of het misschien niet méér dan een vluchtige en op weinig meer dan een gunstige en louter erotisch geïnspireerde indruk gebaseerde fascinatie is. Het verhaal dwingt je onweerstaanbaar naar de onvermijdelijke ontsporing. Alle elementen spannen samen om die indruk van onweerstaanbaarheid en onvermijdelijkheid op te wekken, hoe paradijselijk ook de setting is en hoe moedig de cocktailglazen ook proberen om op de na de stortbui alweer opdrogende terrastafeltjes met hun schittering in het doorbrekende zonlicht de gebeurtenissen alsnog een andere richting op te sturen.

Glans is, zo wist Nabokov heel goed, een cruciaal bestanddeel in de mix die goede literatuur oplevert. De schone letteren moesten, in zijn optiek, altijd sprankelen en blinken (optiek is wel een goedgekozen woord).

Alle elementen spannen samen! Elementen als daar zijn: de opkrullende affiches voor het circus dat eerstdaags zijn opwachting zal maken in het kuststadje Fialta - waarvan de naam zowel vrolijk geurt naar viooltjes als omineus het naderende fiasco aankondigt; de harige vlinder die in het restaurant wordt gevangen door een Engelsman waarvan het vreemd opgerichte oog bloeddoorlopen is; de constellatie van een gezelschap in een café - meester in het midden, leerlingen rondom - die subtiel verwijst naar het icoon van het laatste avondmaal... En dat alles is gevat in die zwierige, fijnproeverige, taalbarokke stijl van een Nabokov-op-zijn-best, een schrijver die weet dat hij zich àlles kan permitteren maar die daarom niet minder interessante filosofische maximes op ons loslaat. Zoals deze: 'zoals zo vaak gebeurt: een banale opmerking over een onbekend onderwerp hechtte zich vast aan een persoonlijke intieme herinnering, als een worgende parasiet' - hetgeen, praktisch, betekent dat je in het leven moet staan op een manier die je op belangrijke momenten vrijwaart van de teleurstelling die altijd kan opduiken wanneer je intense beleving wordt doorkruist door een onverwacht opduikende futiliteit. Ja, dat je zelfs zodanig in het leven kunt staan dat je wéét dat dergelijke verstoringen onvermijdelijk zijn, en dat je maar beter zo kunt leven dat je die verstoring als een surplus ervaart.

reactie

Tja, dan wordt het tijd dat er in Brugge een 'fietsendokter' komt. Zoals in mijn stad. Die herstelt met de glimlach. Maar een dure.
Ik kan begrijpen dat een fietsenhandelaar tracht te overleven tussen 'de reuzen' en met zijn 'eigen klanten' al de handen vol heeft ... dat is hier in mijn stad net hetzelfde. En vroeger (in illo tempore) op een dorp al evenzeer. Wij zouden het niet gedurfd hebben om bij 'Jef' binnen te stappen met een fiets die niet van hem kwam... het rood van schaamte zou op onze wangen blozen...
en op die van hem van colère ...

Uvi

3238

Duinkerke - 130210

dinsdag 21 mei 2013

reactie


Pascal,
Wij hebben heel wat gemeen en moge het een troost zijn: een negatieve ervaring met fietshandelaar Wanneyn is er één van. Ik heb een paar jaar terug een Koga-randonneur tweedehands gekocht bij een collega. Omdat ik die ook wel eens als trekfiets wilde gebruiken trok ik naar Wanneyn om er fietszakken te kopen. Ik heb daar voor zo'n 200€ (tweehonderd) gespendeerd. Ze hebben dan ook het nodige gedaan om die fietszakken op mijn fiets te plaatsen. Toen ik ook vroeg om een technische uitleg - Hoe kan je de positie van het stuur veranderen? - was dit voor Wanneyn Senior te veel gevraagd. Omdat de zoon het ridicule van de situatie inzag - ik had net voor 200€ materiaal gekocht - kwam hij nog snel naar buiten gelopen om te tonen: hieronder zit een vijs en daarmee kan je de stand van het stuur veranderen. Mijn conclusie was dan ook: nooit zet ik hier nog een voet binnen.
Mijn ervaring met de Brugse fietsenhandelaren: daar kan ik een boek over schrijven. Ik heb dan ook onlangs 3 uur van en naar Oostburg gefietst voor een karweitje van niet meer dan 5 minuten...
E.C.

13 in z/w 132

Zeebrugge

geen verloren tijd 64


I:546-564

Op een dag wordt Marcel door Odette uitgenodigd voor een diner. Mme Swann deelt – zeer modieus – visitekaartjes uit waarop vóór de naam van Charles Swann geheel naar het anglofiel-snobistische gebruik van het jaar ‘Mr.’ staat in plaats van ‘M’. Marcel krijgt een enveloppe toegestopt. Hij weet niet wat erin zit maar steekt hem in zijn zak. Alsof hij zich niet wil verwaardigen om zich in het bijzijn van de bediende te vergewissen van de inhoud. Binnen wordt, tot Marcels grote verrassing, de naam Bergotte afgeroepen: de door Marcel aanbeden schrijver is aanwezig! Op basis van Bergottes boeken heeft Marcel zich een beeld de schrijver gevormd: hij stelt zich hem voor als een eerbiedwaardige oudere man met witte haren. Maar de man die aan hem wordt voorgesteld ziet er helemaal anders uit: hij heeft een nez rouge en forme de coquille de colimaçon (een ‘schroefvormig opgedraaide mopsneus’ in de vertaling van C.N. Lijsen) en een barbiche noire (een ‘zwart sikje’) (547:23-24). Op basis van Bergottes werk zou Marcel nooit bij die mopsneus zijn uitgekomen, maar omgekeerd vormt dit onverwachte uiterlijk voor Marcel ook een shock en van de weeromstuit kan hij ook geen waarde meer hechten aan het oeuvre van Bergotte; ze lijken hem nu niet méér dan quelque mediocre divertissement d’homme à barbiche (549:6). Want zo gaat het met namen: ze zijn des dessinateurs fantaisistes, nous donnant des gens et des pays des croquis si peu ressemblants que nous éprouvons souvent une sorte de stupeur quand nous avons devant nous, au lieu du monde imaginé, le monde visible (548:20-24). Maar, haast Proust zich hieraan toe te voegen, ook de zintuiglijke ervaring is niet te vertrouwen: ook le monde visible is niet le monde vrai, nos sens ne possédant pas beaucoup plus le don de la ressemblance que l’imagination (548:24-27), met als gevolg dat het zintuiglijke beeld al evenzeer verschilt van de werkelijkheid als het verzonnen beeld. Wat er ook van zij: Marcels teleurstelling bij het zien van zijn aanbeden schrijver Bergotte is gelijkaardig aan de ontgoocheling die hem beving toen hij eindelijk la Berma had zien spelen van wie hij zoveel had verwacht.

Aan tafel komt Marcel dicht genoeg bij Bergotte te zitten om hem te horen spreken. Net zoals het voorkomen van de schrijver blijkt ook zijn manier van spreken, en zelfs wat hij zegt, niet met zijn boeken te stroken. Het is in elk geval duidelijk: de stem (het gesproken woord) verhoudt zich niet op dezelfde manier tot de inhoud als de stijl (het geschreven woord). Maar het is niet zo eenvoudig. In een uitermate ingewikkelde passage, die ik ook na drie keer herlezen niet écht begrijp (zou het aan mij liggen?), lijkt Proust te suggereren dat deze indruk van niet samenvallen van de stem van de schrijver met wat hij schrijft slechts een misvatting is, een foute eerste indruk. Als de toehoorder de nodige corrigerende arbeid verricht, kan hij toch een parallel tussen stem en inhoud ontwaren. Desalniettemin blijft Bergottes schrijfstijl genuanceerder en meer accenten bevatten dan zijn spreektaal: il y avait plus d’intonations, plus d’accent, dans ses livres que dans ses propos (553:16-18). Waar Bergotte in zijn boeken entièrement naturel (553:22) is, vormt deze stijl een geheel eigen ritme, en dat is het aspect ce qu’il y avait de plus éphémère et pourtant de plus profond chez l’écrivain (553:26-27) – hier raken we aan de niet verder reduceerbare schrijversidentiteit.
Deze bijzonderheid van schrijven en spreken viel ook op te merken, en zelfs nog in verhevigde mate, bij Bergottes broers en zusters. Zij lijken allemaal niet buitengewoon te schitteren in de sociale omgang, maar zij beschikken over het talent om talent te doen renderen: le génie, même le grand talent, vient moins d’éléments intellectuels et d’affinement social supérieurs à ceux d’autrui, que de la faculté de les transformer, de les transposer (554:29-32). Proust maakt hierbij een enigszins lachwekkende vergelijking met autobestuurders en vliegeniers: je auto mag een Rolls Royce zijn (je mag uitblinken in sociale conversatie), je geraakt niet van de grond als de vliegenier die met een eenvoudige kist de wetten van de zwaartekracht weet te overwinnen (zijn talent weet om te zetten in creativiteit). ’t Is, laat ons zeggen, een zeer tijdsgebonden vergelijking – maar wel een die iets zegt over het anachronistisch naast elkaar bestaan van beau monde-relicten uit de 19de eeuw en de nieuwe eeuw van technologie en wetenschap waarmee Proust zeker ook moet vereenzelvigd worden, hoe 19de-eeuws zijn retoriek vaak ook overkomt.

Bergotte maakt met zijn manier van schrijven school: bepaalde jongeren – on en verra qui étaient dans ce cas (555:27) – imiteren hem, ook al zeggen ze dat ze n’avoir aucune parenté intellectuelle avec lui (555:20-21). Maar hetzelfde is ook Bergotte overkomen: ook hij is beïnvloed. Niet door een groot schrijver maar door een groot causeur, die nooit een belangrijk boek heeft geschreven. Het heeft niet alleen zijn stijl maar ook zijn literaire voorkeuren getekend. Hij houdt van literatuur – enkel Franse literatuur! – die ‘zacht’ is en harmonieus.

Bergotte heeft echter het hoge niveau van zijn eerste boeken niet kunnen handhaven. Maar een constante stijl heeft hij wel. Hij mag dan al worden verweten een artiste stérile, précieux, ciseleur de riens (557:6) te zijn, zijn vasthoudendheid was toch ook le secret de sa force (557:7).

Het is niet verwonderlijk dat Marcel in de Bergotte die hij te zien krijgt bij Mme Swann niet de Bergotte herkent die hij omwille van zijn boeken bewondert. Bergotte zelf zou zichzelf niet herkennen: hij dingt namelijk kruiperig naar de gunsten van maatschappelijk hogergeplaatsten (maar artistiek inferieuren) want hij ambieert het lidmaatschap van de Académie française. En zo gebeurt het dat on entendait alterner avec les propos du vrai Bergotte ceux du Bergotte égoïste, ambitieux et qui ne pensait qu’à parler de tels gens puissants, nobles ou riches, pour se faire valoir, lui qui dans ses livres, quand il était vraiment lui-même, avait si bien montré, pur comme celui d’une source, le charme des pauvres (558:1-6).

Toch kun je niet zeggen dat de kleine kantjes van Bergotte-de-streber de deugdzaamheid van Bergotte-de-schrijver tenietdoen. Dergelijke tegenstellingen hebben altijd bestaan; kunstenaars of filosofen kunnen in hun werk excellentie nastreven en toch maar een zeer betreurenswaardig leven leiden. Maar het is wel zo dat deze tegenstellingen nu meer opvallen dan vroeger: hoe verdorvener de samenleving, hoe strenger de morele eisen – en bovendien le public s’était mis au courant plus qu’il n’avait encore fait jusque-là de la vie privée des écrivains (559:1-2). Dat komt ons bekend voor – wij die leven in een tijd waarin de schrijvers zelf hun privéleven te grabbel gooien. Sommige toch.

Marcel vertelt Bergotte dat hij onlangs Berma heeft zien spelen. Volgens Bergotte inspireert zij zich voor haar gestes op antieke kunstwerken. Marcel realiseert zich dat het jammer is dat hij dit niet op voorhand wist: de la Berma dans cette scène, ce que je gardais c’était un souvenir qui n’était plus modifiable (561:5-6). Marcel en Bergotte gaan nu dieper in op de Phèdre, de prestaties van Berma en het werk van de regisseur. Ze verschillen van mening, maar Bergotte is attent en dringt de zijne niet op. Daardoor kan Proust opmerken: Une idée forte communique un peu de sa force au contradicteur. (562:11-12) Bergotte is in dat opzicht de tegenpool van de markies de Norpois, wiens ideeën op los zand zijn gebouwd en daardoor helemaal niets communiceren.

Mme Swann ziet haar kans schoon om, Bergotte naar de mond pratend, haar gal over Norpois uit te spuwen. Charles Swann probeert, om het nu maar eens zo te zeggen, de kerk in het midden te houden. Hij neemt ‘l’emploi’ d’homme de bon sens (562:41) op zich. Norpois’ ideeën mogen dan al waardeloos zijn, als minnaar heeft hij toch zijn strepen verdiend. Zo pendelde hij, toen hij in Rome verbleef, tweemaal per week naar Parijs om er zijn minnares te verblijden. ‘Nerveuze mannen’, besluit Swann, moeten daarom minaressen ‘au-dessous d’eux’ (563:13), ‘onder hun stand’, nemen want enkel die blijven bij hen. Dan lijkt Swann te beseffen dat Marcel misschien wel denkt dat hij, Swann, om die reden Odette heeft verkozen en hij stuurt hem een boze blik toe. Maar hij voltooit zijn gedachte en spreekt woorden qui devaient plus tard prendre dans mon souvenir la valeur d’un avertissement prophétique (563:33-34). De onderworpenheid van deze vrouwen ‘onder hun stand’ verhevigt bij die mannen de jaloezie en maakt dat zij hun maîtresse als een gevangene behandelen. Et cela finit généralement par des drames. (563:39)

3237

Ieper - 130202

maandag 20 mei 2013

13 in z/w 131


13 in z/w 130

R.

wolken 632-635


wolkenfragmenten uit Jennifer Egan, Bezoek van de knokploeg

632
Wat een ogen! Wat een blik! Iedere melige metafoor die je kunt bedenken dringt zich aan je op: de zon die door de wolken breekt, bloemen die zich langzaam openvouwen, het plotse en mystieke verschijnen van een regenboog. (181)

633
Sommige woorden, zoals ‘identiteit’, ‘zoeken’ en ‘wolk’ waren van het leven beroofd door hun gebruik op het internet. (320)

634
…samen met Alex voegden ze zich bij een hele meute jonge gezinnen in de als een gang tussen de wolkenkrabbers geklemde Sixth Avenue. (324)

635
Voorbij 14th Street verdwenen de wolkenkrabbers en beukte de laagstaande zon genadeloos op hen neer, hij stond zo laag aan de februarihemel dat er geen zonneklep tegen bestand was. (325)

wolken 631


wolkenfragment uit Saskia van den Heuvel, Misschien gebeurt er vandaag iets

631
Eerst met wolken en daarna ben ik nooit voor rede vatbaar. (44)

wolken 630


wolkenfragment uit Freda Kamphuis, gvdku

630
Vijf beloeren verticale oord / dat staalhard tot in de wolken reikt / waardoor de rest zo nietig lijkt. (46)

3236

Duinkerke - 130210

zondag 19 mei 2013

68,8 * 96,1 * 471,5


geen verloren tijd 63


I:536-546

Terwijl Gilberte zich klaarmaakt voor de wandeling, vinden haar ouders het plezierig om Marcel te vertellen over les rares vertus de leur fille (536:17). Zo goed is Gilberte, dat elle avait l’air bien plus raisonnable que ses parents (536:29-30). Wanneer Marcel vraagt wie van haar vriendjes Gilberte het liefste heeft, antwoordt Mme Swann dat hij le grand favori is, le grand crack, comme disent les Anglais (537:21-22).

Het is nooit goed! Nu Marcel zijn stoutste dromen verwerkelijkt ziet, realiseert hij (of de latere Marcel, Proust dus) zich dat een te volledige vervulling van het verlangen misschien toch niet ideaal is: doordat vervulling en verlangen volledig op elkaar passen, kun je niet meer het ene met het andere vergelijken en kun je dus niet meer genieten van de vervulling. Waar vóór de vervulling de vervulling een verre illusie leek, daar geldt nu, na de vervulling, hetzelfde voor het verleden, de tijd vóór de vervulling. Marcel realiseert zich dat Swann hetzelfde moet hebben meegemaakt: kan hij, nu hij als vanzelfsprekend in de vertrekken van dit herenhuis grote sier maakt, zich nog herinneren wat hij ervan in zijn verbeelding had gemaakt?

Toch kan het niet zijn, denkt Marcel, die vergelijkt met zijn eigen aanvoelen, dat voor Swann deze woning door de vervulling van zijn droom al zijn charme verloren heeft: Ce charme singulier dans lequel j’avais pendant si longtemps supposé que baignait la vie des Swann, je ne l’avais pas entièrement chassé de leur maison en y pénétrant (538:39-43). Meer nog: tout autour de moi, ce charme, dans mon souvenir, je le perçois encore (539:4-5). Zo geïmpregneerd zijn al die voorwerpen met die unieke Swann-kwaliteit – iets wat slechts mogelijk is doordat Marcel er zo langdurig en hevig naar heeft moeten verlangen vooraleer zijn verlangen vervuld te zien. En het gaat wel degelijk om álle voorwerpen: niet enkel het tableau de Rubens accroché au-dessus de la cheminée maar ook les bottines à lacets de M. Swann en de manteau à pèlerine (540:21-24) van Odette.

Nadat Odette eindelijk de juiste outfit gekozen heeft – een proces dat nogal wat voeten in de aarde heeft – vertrekken het echtpaar Swann, hun dochter Gilberte en Marcel naar het Bois de Boulogne. Daar gebeurt het wel eens dat M. Swann een van zijn oude bekenden tegenkomt. Dan groet hij haar op een voortreffelijke maar tegelijk ook terughoudende wijze, zodat Odette niet in verlegenheid wordt gebracht. Op een keer zien ze prinses Mathilde in het park, je weet wel, zegt Swann tot Marcel, l’amie de Flaubert, de Sainte-Beuve, de Dumas. Songez, c’est la nièce de Napoleon Ier! (542:5-7) Marcel laat haar door Swann vragen of zij misschien ook nog Musset heeft ontmoet. Dat blijkt het geval te zijn geweest, maar de dichter moet geen al te beste indruk bij de prinses hebben achtergelaten aangezien hij te laat en stomdronken op het diner was verschenen waarop hij door haar was uitgenodigd. De prinses schept nog op met haar weigering om zich te laten uitnodigen voor de komst van de tsaar naar de Invalides. Je n’ai pas besoin de cartes pour cela. J’ai mes clefs. (543:18-19) Ze bedoelt dat ze wanneer ze maar wil de grafkelder van haar oom kan bezoeken. Terwijl het gezelschap daar een beetje op hoog niveau staat te keuvelen, passeert Bloch. Marcel vraagt zich af of Odette hem kent, maar zij weigert zijn naam te gebruiken en noemt hem Moreul. Het staat wellicht niet goed om in aanwezigheid van prinses Mathilde te kennen te geven dat je bekend bent met iemand die een joodse naam draagt.

Soms bezoeken ze een tentoonstelling, die Marcel naar Venetië doen verlangen, of ze gaan naar een matinee of een tearoom. Daar spreekt Mme Swann Engels met Marcel om dingen te zeggen waarvan ze liever niet heeft dat het bedienend personeel ze hoort. Maar Marcel ziet aan de reacties van het personeel en de andere gasten dat hij de enige is die géén Engels kent en dus de réflexions que je devinais désobligeantes (544:38-39) niet verstaat.

Op een dag probeert M. Swann Gilberte te verbieden om met Marcel naar een matinee te gaan omdat het de sterfdag van haar grootvader is. Maar Gilberte trekt er zich niets van aan: Je trouve ça grotesque de s’occuper des autres dans les choses de sentiment. (545:35-36)

getekend 88


3235

 
P. - 130202

zaterdag 18 mei 2013

los ingeslagen 92


15 maart 2013
 
vooraf: deze tekst is geschreven op 15 maart 2013
 
Het politieke klimaat. Een collega in een van mijn werkomgevingen had bij een vorige gelegenheid laten verstaan dat hij een hoge functie bekleedt bij de N-VA. Ik had me voorgenomen om daar niet op in te gaan, kwestie van op mijn werk geen hommeles aan te richten: ik ken mezelf. Maar ik heb er niet aan kunnen weerstaan.

Tijdens een pauzemoment las ik in de krant over de beslissing van burgemeester De Wever om op 1 mei in Borgerhout een betoging toe te laten van de extreem-rechtse organisatie N-SA. (Ja, ze hebben ook zo’n koppelteken. En koppelriemen wellicht ook.) 1 mei is de Dag van de Arbeid, een linkse feestdag, en de betoging zou gericht zijn tegen de extreem-linkse partij PVDA+, die in Borgerhout deel uitmaakt van het districtsbestuur. Dat de N-SA tegen de PVDA+ betoogt, als zij al betoogt, lijkt mij niet meer dan normaal: beide bewegingen zijn elkaars natuurlijke vijanden. Maar waarom De Wever – want hij is het die beslist en in dit geval ook regisseert – dat op 1 mei moet laten gebeuren en op het plein waaraan ook het districthuis is gevestigd, dat is natuurlijk minder duidelijk. Tenzij het om een regelrechte provocatie gaat. Er zijn in dit jaar nog 364 andere dagen, en in Antwerpen zijn er toch nog wel andere plekken waar neonazi’s ‘Linkse ratten rol uw matten’ kunnen gaan scanderen.

Onder het bericht over de neonazibetoging staat te lezen dat het Antwerpse stadsbestuur in één moeite meteen ook maar de wekelijkse voedselbedeling aanpakt die Jeroen Olyslaegers c.s. nu al bijna een half jaar lang organiseren ten behoeve van de stadsgenoten die minder in het vet zitten dan de gemiddelde Vlaams-nationalistische kiezer. De actie van Occupy Antwerp wordt niet verboden maar dan toch wel zwaar ontmoedigd: er zijn klachten van horeca-uitbaters aan het plein en bovendien is men zeer bezorgd over de voedselveiligheid. Dat laatste zou wel eens terecht kunnen zijn: iedereen weet dat Olyslaegers en zijn medestanders hun soepen bereiden in allesbehalve steriele keukens, met meestal geschonken materialen en God weet wat daar allemaal in zit!

Als je kunt aanvoeren dat neonazi’s het recht hebben om het linkse uitschot in zijn thuisbasis te komen schofferen, dan is het saboteren van een humanitaire actie een klus van niets. We zien even door de vingers dat achter die humanitaire actie hetzelfde linkse uitschot staat – alles blijft binnen de logica.

Ik sta dus beide artikels te lezen, en net op dat ogenblik komt partijfunctionaris X. aangewandeld. En ik kan het niet laten.

‘Uw vriend is goed bezig, daar in Antwerpen,’ werp ik hem voor de voeten. Hij kijkt verbaasd naar de foto van Peter Mertens bij het artikel in de krant die ik aan het lezen ben, in zijn ogen een verwerpelijke stalinist, en spreekt: ‘Dat is mijn vriend niet.’ ‘Dat weet ik,’ antwoord ik. ‘Maar ik heb het niet over hem, wel over uw vriend in het stadhuis.’ Het begint X. te dagen waarover ik het heb. ‘Maar die groep, dat is een bende gekken.’ Hij heeft het over de N-SA, neem ik aan. ‘Even gek als die waartegen ze gaan betogen,’ voegt hij er nog aan toe. ‘Les extrêmes se touchent.’ En X. wandelt, zeer wijs, weg.

Les extrêmes se touchent. Ja, ik begrijp die retoriek. Alleen vraag ik me af welke vorm dat ‘raken’ zal nemen op 1 mei. PVDA+ heeft nu al aangekondigd niet te zullen reageren met een tegenbetoging, maar je kunt nooit uitsluiten dat enkelingen het niet over hun kant laten gaan. Ik zou niet graag verantwoordelijk zijn voor de hierboven beschreven beslissingen: een vrijgeleide voor een fascistische samenscholing nadat een van de eerste beslissingen van de nieuwe gemeenteraad er nu net in had bestaan om een samenscholing te fingeren ten einde zelf met de spierballen te kunnen rollen; keuze van Borgerhout als plaats voor de samenkomst; keuze van de datum; combinatie met het de facto saboteren van de Occupy Antwerp-voedselactie. Dat zijn veel vliegen in één klap.

Blijft de provocatie van het door christen-democraten en liberalen gesteunde Vlaams-nationalistische stadsbestuur beperkt tot Kristallnachtachtig glasgerinkel of zullen er meteen stoottroepgewijs doden vallen? Ik weet dat het van hogerhand verboden is om vergelijkingen te maken met de jaren dertig, maar we moeten toch in de mogelijkheid blijven om lessen te trekken uit het verleden? We zouden bijvoorbeeld kunnen onthouden dat alle dictaturen beginnen met provocaties en intimidaties.

 
naschrift

De datum waarop ik de tekst hierboven schreef, is belangrijk:  15 maart. PVDA+ besliste wijselijk om niet op de provocatie in te gaan en riep op tot een buurtfeest in plaats van tot een tegenbetoging. Onder druk van de publieke opinie werd de neonazibetoging dan toch verboden door het stadsbestuur. Het feest van de PVDA+ werd een groot succes. Daarover was in de pers, vreemd genoeg, nauwelijks iets terug te vinden. Wel werd de vreedzame optocht naar het Antwerpse stadhuis opgewacht door een paar N-SA-heethoofden. Er sneuvelden enkele bierglazen, een flauwe echo van ‘Kristallnachtachtig glasgerinkel’ – gelukkig maar. Dit incident kwam dan weer wél in de pers. De Occupy Antwerp-voedselbedeling liep sowieso op zijn einde, ik vraag me af of hij bij het begin van de volgende winter zal worden hervat (en toegelaten).

facebookbericht 380


Ja, linkse mensen vinden nationalisme iets vies, vooral als het zelfgenoegzaam en asociaal is. Zoals, helaas, in Vlaanderen.

3234

Brussel - 130314

vrijdag 17 mei 2013

13 in z/w 129

Brugge, H. Bloedprocessie, Beursplein

13 in z/w 128

Knokke, Lispannenlaan

geen verloren tijd 62


I:525-536

Marcel mag nu niet alleen aan de theevisites bij de Swanns deelnemen, hij mag ook mee op wandel of naar matineevoorstellingen. En hij wordt regelmatig uitgenodigd voor de lunch. Dan komt hij ruim op tijd aan, geniet van de tegenstelling tussen winterse kou buiten en het al voorgenieten van de behaaglijke warmte binnen, wordt door een eerste, en een tweede, en een derde dienaar opgevangen, wacht een tijdje en compagnie d’orchidées, de roses et de violettes (527:8-9) en wordt uiteindelijk door M. Swann opgevangen – Mme Swann is alweer te laat, nog niet terug van haar wandeling in de Bois of haar bezoek aan de naaister. Swann toont Marcel de nieuwste aanwinsten in zijn kunstcollectie, maar Marcel heeft zo’n honger dat: La Joconde se serait trouvée là qu’elle ne m’eût pas fait plus de plaisir qu’une robe de chambre de Mme Swann, ou ses flacons de sels. (528:4-6) Het wachten, de honger, de lakeien en de aankondigingen doen Marcel reikhalzend uitkijken naar de intrede van Mme Swann, maar haar aankomst – eindelijk! – ne tenait pas les promesses prodiguées dans l’attente à mon imagination (528:18-19).

Soms wordt er na het eten niet uitgegaan, en dan stellen de gesprekken Marcel steevast teleur. Of soms verdwijnt Gilberte in een voor Marcel tot dan toe verborgen gebleven gedeelte van het huis. Dan probeert hij, door aan M. Swann vragen te stellen, over dit verborgene meer aan de weet te komen. Swann slaagt erin bij Marcel une de ces affreuses distances intérieures weg te nemen au terme desquelles une femme que nous aimons nous apparaît si lointaine (529:12-14). Grappig, of bizar, hoe Proust hier het kind Marcel liefdeswijsheid opdringt die, denk ik toch, normaal gezien enkel een volwassene en al door het leven beproefde aan de dag kan leggen. Van de weeromstuit vat Marcel voor Swann een genegenheid op que je crus plus profonde que ma tendresse pour Gilberte (529:14-15). Toch is het Gilberte die hij liefheeft, en bijgevolg – alweer zo’n door het leven gelouterde wijsheid – kon hij haar niet zien sans ce trouble, sans ce désir de quelque chose de plus, qui ôte, auprès de l’être qu’on aime, la sensation d’aimer (529:19-21): het gevoel lief te hebben wordt vertroebeld, in zekere zin uitgewist, door het verlangen naar méér. En precies dát is de liefde, die dus altijd tragisch is.

Vooraleer uit te gaan, speelt Mme Swann piano. Zij doet dat met cette même mélancolie qui était dans ses yeux et n’était pas dans son coeur (529:28-29). Zij doet dat dus op de manier zoals in deze kringen de meeste zaken worden aangepakt: hypocriet. Op een dag speelt zij de sonate van Vinteuil waarin het stukje voorkomt dat Swann zo mooi vindt (zie aflevering 30).

Hier volgt een hele beschouwing over muziekbeluistering. De eerste keer kun je iets niet echt horen omdat dan de herinnering zijn werk nog niet kan doen. Je hoort een muziekstuk pas echt als je het herkent. Probablement ce qui fait défaut, la première fois, ce n’est pas la comprehension, mais la mémoire. (529:41-42) Het is vreemd hoe het geheugen, bij het beluisteren van muziek, altijd eerst les parties les moins précieuses (530:23) onthoudt. Pas wanneer de gemakkelijke stukken, die we meteen mooi vinden omdat ze het best aansluiten bij wat we al kennen, in zekere zin baan hebben geruimd, kunnen we doordringen tot de moeilijkere delen. Naarmate wij daarvoor meer tijd nodig hebben, zullen we ze ook langer graag horen: nous l’aimerons plus longtemps que les autres, parce que nous aurons mis plus longtemps à l’aimer (531:14-16). Het lijkt wel alsof de investering die we erin doen moet renderen. 

Doordat de muziekstukken zich maar moeizaam aan ons openbaren, lijkt de kennis ervan omhuld door een zekere melancholie. En voorzover de sonate zich slechts stukje bij beetje openbaart, kan Proust stellen: elle ressemblait à la vie (530:43). Maar hij haast zich eraan toe te voegen dat sonates niet zo teleurstellend (décevants) zijn als het leven: ces grands chefs-d’oeuvre ne commencent pas par nous donner ce qu’ils ont de meilleur (531:1-2).

Er bestaat een parallel tussen de moeizaamheid waarmee een muziekstuk zich laat ontmantelen (eerst de gemakkelijke frasen, later pas de moeilijke en voorheen onopgemerkte) en de tijd die het nodig heeft om tot een vollediger – en in grote mate toekomstig – publiek door te dringen. Sommige delen, zeker van een ‘geniaal’ werk, blijven voor het actuele publiek ontoegankelijk omdat ze bij niets bekends aansluiten. Ze lijken bestemd voor een toekomstig publiek. Maar dit is een misleidende redenering. Ce qui est cause qu’une oeuvre de génie est difficilement admirée tout de suite, c’est que celui qui l’a écrite est extraordinaire, que peu de gens lui ressemblent. (531:28-31) Dit lijkt wel een autobiografische opmerking, maar de logica erachter is moeilijk te vatten. Want meteen geeft Proust een voorbeeld van ‘zijn tijd vooruit zijn’: de late kwartetten van Beethoven – maar hij heeft het niet over Beethoven maar over het werk, dat vijftig jaar nodig had om zijn nakomelingschap (postérité) te vormen.

Grote werken vormen hun tijd en – vooral – de tijd die komt. Het vergt van de kunstenaar een juist inschattingsvermogen om te weten in welke mate hij zijn tijd vooruit kan zijn – in welke mate hij in de toekomst, doordat, mede door hem, de tijd zal veranderd zijn, in retrospectief zal kunnen worden waargenomen als onderdeel van een brede beweging terwijl hij daar nu nog, door de ‘vreemdheid’ van zijn werk, buiten valt. Wat er ook van zij (deze weergave van – het moet gezegd – de nogal gammel door Proust verwoorde redenering schiet wellicht tekort), in de beoordeling van het kunstwerk moet le facteur du temps (532:31; ‘de factor tijd’) meegerekend worden.

Marcel mag dan wel de sonate niet begrijpen, hij hoort Mme Swann toch spelen en wat hij hoort lijkt hem, door de synesthesie met andere zintuiglijke indrukken – comme le parfum de son escalier, comme ses manteaux, comme ses chrysanthèmes (532:43-533:1) –, deel uit te maken van un tout individuel et mystérieux, dans un monde infiniment supérieur à celui où la raison peut analyser le talent (533:1-3). Meteen heeft Proust zijn hele muziektheorie, die hij in de vorige alinea omstandig heeft ontwikkeld, onder het tapijt van de liefde geschoven en weggerelativeerd!

Swann vertelt wat hij nu in de sonate hoort, en meerbepaald in het motiefje dat hem destijds zo op sleeptouw nam: het spel van het zonlicht in het gebladerte in het Bois de Boulogne. De muziek verwijst voor hem in elk geval niet naar abstracte begrippen zoals la ‘Volonté en soi’ et la ‘Synthèse de l’infini’ (534:17-18). Marcel beseft dat dit een particuliere interpretatie is: la musique étant trop peu exclusive pour écarter absolument ce qu’on suggère d’y trouver (533:26-27). Het is zelfs een beetje gevaarlijk een dergelijke interpretatie op te dringen want je dreigt erdoor niets anders meer te kunnen ‘horen’. Zo is het helemaal niet zeker dat bijvoorbeeld Odette ook aan het Bois de Boulogne zou denken bij het beluisteren van de sonate.

Odette stelt voor om straks dan maar eens naar het Bois de Boulogne te wandelen. Door een associatie, die pas wat verderop wordt geëxpliciteerd en die te maken heeft met een zwarte man die in de Jardin d’Acclimatation werkt, die Mme Blatin een kameel zou hebben genoemd nadat zij hem voor négro (536:1) had versleten, begint ze nu over Mme Blatin: Marcel denkt ten onrechte dat zij een vriendin des huizes is. Swann treedt haar bij: de enige kwaliteit van Mme Blatin is dat ze op le portrait de Savonarole de Fra Bartolomeo (535:9-10) gelijkt. Swann heeft inderdaad de onweerstaanbare neiging om gelijkenissen van personen met voorbeelden uit de schilderkunst te vinden. En dat is een verdedigbare neiging want ce que nous appelons l’expression individuelle est (…) quelque chose de général, et a pu se rencontrer à différentes époques (535:12-16).

3233

Ieper - 130202

donderdag 16 mei 2013

13 in z/w 127


13 in z/w 126


Paul Auster, Het boek der illusies


Ik lees graag de boeken van Paul Auster. Iedere keer opnieuw, en zeker naarmate hij, met het verloop der jaren, zijn recept tot vervolmaking lijkt te brengen – De muziek van het toeval, Brooklyn-dwaasheid, Onzichtbaar –, maakt hij mij superenthousiast met zijn filosofische thema’s, zijn vertelkunst, zijn beheersing van ingewikkelde verhaalstructuren, zijn gave stijl en ingehouden humor. Maar daar staat tegenover dat een boek van Auster me nooit bijblijft (ik bedoel met ‘bijblijven’ dat ik het een halfjaar na lectuur nog zou kunnen navertellen). Dan vraag ik me af hoe dat komt. Misschien – paradoxaal genoeg – doordat dit zo’n unieke boeken zijn, doordat niemand schrijft zoals Auster? Je kunt in elk geval van elk van die romans zeggen: ‘Dat is echt Auster’ – zoals je dat bijvoorbeeld met Murakami of Houellebecq ook kunt en houd de romans van deze schrijvers maar eens uit elkaar. Het is alsof het verschil tussen hun boeken en die van alle anderen zo duidelijk is dat de ervaring van dat verschil de ervaring van de verschillen tussen de boeken onderling van deze auteurs overschaduwt. Eigenlijk, al is dat te streng geformuleerd, lijkt dit soort auteurs (auteurs met een heel eigen stem) iedere keer hetzelfde boek overnieuw te schrijven en ligt de essentie van hun oeuvre meer in de herhaling dan in de variaties. Ik ben er nog niet uit of dat een gebrek is of een kwaliteit – ik ben er trouwens ook nog niet uit of dit niet vaker van schrijvers kan worden gezegd: dat ze telkens hetzelfde boek schrijven.

Het boek der illusies is vintage Auster. Deze roman uit 2002 is een spiegelpaleis, een op het gekunstelde af supergeconstrueerd labyrint met parallelle gangen, dubbele bodems, valkuilen, valse wanden, doorkijkjes en ga zo maar door – en dat alles nog eens verdubbeld in verhalen-in-verhalen, echo’s, intertekstuele verwijzingen, enzovoort. Auster verkent in zijn roman – zoals hij eerder al deed en later nog zou doen – de grenzen tussen fictie en werkelijkheid en tussen leven en dood; hij voert een moreel onderzoek naar de waarde van waarheid, à la limite – en nooit los van alles wat de roman óók is – is deze roman een beschouwing over de zin van het leven: wij kunnen alleen sterven als wij echt hebben geleefd, en wij hebben pas echt geleefd als wij van ons leven een verhaal maken. Uiteraard komt, zoals het een postmoderne roman betaamt, ook een reflectie over de eigen activiteit van het schrijven aan bod – en dat gebeurt gelukkig niet al te uitdrukkelijk. Auster stelt de vraag waarom wij schrijven en, specifieker, of wij een publiek nodig hebben om te schrijven. Stel, zo redeneert hij ex contrario, dat wij alles wat wij geschreven hebben zouden vernietigen vooraleer het zou gelezen zijn, zou dat schrijven dan nog zin hebben? Ja, zelfs: zou dat schrijven dan nog schrijven zijn?

Auster voert een filmregisseur op en hij heeft het in deze roman niet alleen over boeken schrijven maar ook over films maken – maar het komt op hetzelfde neer: na de creativiteit volgt, in het beste geval, een beetje belangstelling, maar uiteindelijk belandt ook wat aanvankelijk succesrijk was in de vergetelheid. Kunnen wij, vanuit dat besef, blijven geloven in de zin van wat we doen als we een verhaal schrijven (een verhaal vertellen maar ook lézen, een film maken, iets moois creëren, een spoor trekken)? Of een andere mens beminnen – want ook over de liefde gaat het; kunst en erotiek hebben veel met elkaar te maken, ja, het een kan niet zonder het ander begrepen worden.

Het boek der illusies gaat ook over rouw: hoe komt het hoofdpersonage het verlies van zijn geliefde vrouw en twee kinderen te boven? Hij doet dat door iemand op te zoeken die hem van gene zijde van het graf aanspreekt (Chateaubriands Mémoires d’outre-tombe spelen niet voor niets een glansrol). Want dat is wel een van de centrale stellingen in dit mooie, rommelige, meeslepende, verwarrende, glanzende en tegelijk ook sombere boek: luister naar wat de doden je te zeggen hebben; luister naar wat de dood (‘de Dood’) je te zeggen heeft. Hij mag dan al een onzichtbaar geworden acteur zijn in een stomme film, zijn boodschap is daarom niet minder pregnant: zwanger van betekenis, en in die zin levenschenkend.

Om maar te zeggen: Auster beschikt over de zeer benijdenswaardige kwaliteit om met een vlot, spannend – moord! , brand!, seks! –, interessant en vakkundig verteld verhaal uitermate zinvolle dingen te zeggen. Ook, en in hoge mate, over zichzelf en wat hij doet als schrijver – en is dat niet waar het in goede literatuur altijd óók om hoort te gaan?

facebookbericht 379


Het zijn dus de curatoren zelf. Aha. Dat brengt ons op een interessante denkpiste. Curatoren brengen door hun ingreep Vlaams-nationalistisch parlementsvoorzitter in nauwe schoentjes. Een doordacht manoeuvre. Zoiets? Sta mij toe het even niet te geloven.

facebookbericht 378


Dit kan natuurlijk niet. Maar ik vraag me ook af waarom de curatoren zijn gezwicht. En waarom Schuiten zich niet terugtrekt.

3232

Brussel, Botanique - 130131

woensdag 15 mei 2013

reactie


Dag Pascal,
Ik was geboeid door je wedervaren bij fietshandelaar Wanneyn. Zelf heb ik ook al een paar keer norse blikken getrotseerd als ik hulp zocht voor een tweedehands vehikel. Nu, ik kan me wel de ergernis van een fietsenmaker voorstellen als hij een snel ineen geflanste Aldifiets moet depanneren. Maar toch: elke klant brengt brood op de plank en is later een potentiële koper. En er zijn ergere dingen dan aan een Koga werken.
En als je een alternatieve reparateur zoekt; Jan Verplancke werkt al 20 jaar als thuisbegeleider van mensen met een beperking. Omdat hij ook nog wat anders wil meemaken dan de groeiende bureaucratisering van de sociale sector werkt hij sinds kort halftijds als fietsenmaker. Hij wil vast je fiets met plezier onder handen nemen en het is een fijne mens.
Ik stuur je nog zijn flyer via je mailadres.

Vriendelijke groeten,
K.G.

3231

Sint-Michiels, tuin van het Psychiatrisch Ziekenhuis OLV - 130122

dinsdag 14 mei 2013

13 in z/w 125

Sint-Kruis, Eikenberg

geen verloren tijd 61


I:513-525

Zoals Marcel nu Swann hoort praten, zo praatte hij, voor zijn val, niet. De mensen die hij nu belangrijk genoeg acht om waarderend te vermelden, zouden vroeger nooit zijn aandacht hebben getrokken. Het is dan ook nutteloos, commentarieert Proust, d’observer les moeurs, puisqu’on peut les déduire des lois psychologiques (513:14-15). Omgangsvormen? ’t Zit allemaal tussen de oren.

De coterie van de Guermantes was tenminste nog zo verheven dat je er kon worden geselecteerd op esprit en op of iemand al dan niet interessant was. Iemand als Madame Bontemps zou er nooit een kans hebben gekregen. Enkel bloedaristocratie kreeg er vrije toegang, ook al waren de exponenten ervan saai en dom. In dat geval werd er, met de naïveté des gens du monde (514:18) gezocht naar een reden om hun gezelschap toch agréable (514:19) te vinden. Nu slooft Swann zich uit om zelfs een Madame Bontemps aangename eigenschappen toe te dichten – en daarmee toont hij hoe hij zich, als een kameleon, weet aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.

Op het thuisfront volgen de ouders van Marcel met veel belangstelling de opeenvolging van nieuwe namen bij de Swanns. Marcels moeder vergelijkt de veroveringen van Mme Swann met overwinningen op buitenlandse slagvelden tijdens koloniale oorlogen. Zij weet ook heel goed waarom Mme Cottard is toegelaten tot de coterie van de Swanns. Mme Cottard wordt niet omwille van haar kwaliteiten door de Swanns gewaardeerd maar wel omwille van haar mogelijke hoedanigheid als boodschapster: une grande partie des plaisirs qu’une femme trouve à pénétrer dans un milieu différent de celui où elle vivait autrefois lui manquerait si elle ne pouvait informer ses anciennes relations de celles, relativement plus brilliantes, par lesquelles elle les a remplacées (516:2-7) – en van Mme Cottard wordt gehoopt dat zij de achtergelaten groep op de hoogte zal brengen van hoe ‘ver’ Mme Swann het inmiddels heeft geschopt. Zo wordt Mme Cottard gebruikt als een insect dat komt snoepen van de nieuwe omgeving – waarop men kan hopen dat zij naar haar oude omgeving terugkeert om daar de ‘kiem van afgunst en bewondering’ te verspreiden zoals een bij dat doet met stuifmeel.

Mme Swann boekt enkel resultaten in le ‘monde officiel’. Les femmes élégantes n’allaient pas chez elle. (516:40-41) Proust vertaalt dit onderscheid in politieke termen: in mijn prille jeugd, zegt hij, kon je je niet voorstellen dat republikeinen naar een salon zouden gaan; dat was een voorrecht voor la société conservatrice (516:43-517:1). Maar de maatschappij verandert, wat de conservatieven er ook van mogen denken, en nu zijn de rollen omgekeerd. En samen met deze omwentelingen worden alle smaakpatronen en voorkeuren omgewenteld. La seule chose qui ne change pas est qu’il semble qu’il y ait ‘quelque chose de changé en France’ (517:40-41). De enige constante is de veranderlijkheid.

Sinds de tijd dat Marcel de Swanns frequenteerde, had de Dreyfus-affaire de verhoudingen gewijzigd: een joodse dame werd geweerd, et des nationalistes obscurs montèrent prendre sa place (517:20). Maar daarvoor kon het gebeuren dat de jood sir Rufus Israels en zijn vrouw lady Israels, die een tante van Swann is, daar nog welkom waren. Swann, quoiqu’il dût vraisemblablement être son héritier (518:5-6), meed lady Israels. Zij was echter de enige van zijn familie die wist welke plaats hij in de beau monde innam voor hij zich met Odette encanailleerde. Lady Israel doet er alles aan Odette de toegang tot de hogere kringen te ontzeggen. Slechts één van haar vriendinnen, de Comtesse de Marsantes, respecteert deze banvloek niet. Op een keer gebeurt het dat deze gravin, lady Israel én Odette zich op hetzelfde feest bevinden. De comtesse doet alsof ze Odette niet kent. Odette heeft de pech dat ze zich op het slechte moment aandient, op een ogenblik dat de ‘kaleidoscoop’ van de maatschappelijke verhoudingen zodanig staat dat er voor dames van meer betwistbaar allooi geen plaats is in de hoogste kringen. Swann van zijn kant lijkt zich niet om de onbeholpenheid en het middelmatige verstand van Odette te bekommeren. Hij is verblind door zijn verliefdheid waarin – voorwaar – des restes de volupté (519:38) aanwezig moeten zijn, anders kun je toch cet asservissement de l’élite à la banalité (519:43-520:1) niet verklaren? Swann zit, mede hierdoor, maar ook doordat hij te conservatief aan de vroegere elite vasthoudt, op de wip. Hij schept er, wat zijn sociale netwerking betreft, een eclectisch plezier in om des bouquets sociaux samen te stellen, en groupant des éléments hétérogènes (521:17-18). Hij gedraagt zich enigszins lichtzinnig als een nonconformistische eclecticus. Dit doorbreken van de society-geplogendheden valt niet bij alle deelnemers in goede smaak: het verstoort de pikorde en zij worden gedwongen ten overstaan van de enen goedkeurend te bespreken wat zij ten overstaan van anderen moeten afkeuren.

Swann keert van deze society-events pas tegen het avondeten terug. Het interesseert hem niet meer, zoals toen hij (282) door de envelop heen een brief van haar aan Forcheville had proberen te lezen, met wie Odette ondertussen had liggen rollebollen. In die tijd had hij zich voorgenomen om, zodra zijn verliefdheid zou zijn uitgewerkt, par simple amour de la vérité et comme un point d’histoire (523:35-36), te zullen achterhalen of Odette die keer werkelijk overspelig was geweest met Forcheville. Maar nu het zo ver is, kan het hem niet meer schelen. Of exacter: de handel en wandel van Odette kan hem niets meer schelen, maar de jaloezie is wel blijven haken aan de plek en het tijdstip waar en waarop hij die jaloezie heeft gevoeld. Het tijdstip waarop Swann dacht dat seule la mort de celle qu’il aimait (524:28-29) een einde zou kunnen maken aan die jaloezie. (Swann vergist zich, aldus Proust in een terzijde: verderop in het boek zal blijken dat de dood ne diminue en rien les souffrances de la jalousie (524:30-31).) En ten slotte verdwijnt ook dat – maar de  pogingen om de waarheid te achterhalen blijven nog een tijdje duren; de macht der gewoonte, als het ware.

Net zoals Swann zich had voorgenomen om, zodra zijn verliefdheid op Odette zou zijn uitgewerkt, te achterhalen of hij destijds terecht jaloers was geweest op haar, zo heeft hij zich ook voorgenomen om zich op haar te wreken met een verliefdheid op een andere vrouw. Maar ook hier draait het anders uit: avec l’amour avait disparu le désir de montrer qu’il n’avait plus d’amour (525:30-31). En Swann doet er alles aan om zijn nieuwe liefde verborgen te houden voor Odette.

3230

Brugge, Katelijnepoort - 130126