vrijdag 3 juli 2020

5779


Oostende - 200524

donderdag 2 juli 2020

scherf 28

Schrijverscredo

 

Helemaal op het eind van Bekentenissen van een burger sta ik stil bij een passage over Sándor Márais schrijverschap, ik ga er zin voor zin op in.

 

Ik schreef omdat ik iets te zeggen had en ook omdat het schrijversleven bij mijn karakter en mijn geestelijke gesteldheid paste.

 

Je moet iets te zeggen hebben. Dat betekent: iets wat nog niet gezegd is of wat anderen niet zeggen. Om te schrijven is oorspronkelijkheid nodig, vernieuwing. Maar dat is niet voldoende. Het ‘schrijversleven’ is iets aparts. Het vergt een inzet die niet aan iedereen gegeven is. Je moet er een apart karakter voor hebben, een aparte ‘geestelijke gesteldheid’. In deze eerste zin staan nogal wat aannames: Sándor Márai is ervan overtuigd dat hij niet alleen een oorspronkelijke bijdrage kan leveren maar ook dat hij een bijzonder karakter heeft.

 

Bovendien schreef ik omdat de literaire expressie levensgevoelens opwekt die van hogere aard zijn dan de gevoelens die de handelingen van het ‘uiterlijke’ leven opleveren.

 

Sándor Márai beoogt niet zomaar een schrijven, neen hij wil een ‘literaire expressie’. Hij wil literatuur maken. Daarvan verwacht hij dat het hem in hogere sferen zal brengen dan waar hij in een gewoon leven, zonder schrijven dus, denkt te vertoeven. Het plezier of de zinervaring – want daar zal het met die ‘levensgevoelens’ wel op komen – die in een schrijfloos bestaan (‘het “uiterlijke” leven’) te oogsten vallen, zijn van lager allooi. De schrijver bevindt zich op een hoogte. Hij geniet het overzicht. Let ook op de aanhalingstekens waarin het woord ‘uiterlijke’ gevat is. Ze wijzen op het onechte, het vergeefse van dat leven, dat niet door dat hogere inzicht wordt verrijkt.

 

Die gevoelens mogen echter niet het uiteindelijke doel zijn van de schrijver, en nadat hij ze ervaren heeft, dient hij ze te negeren en over te brengen in de gesloten vorm die het kunstwerk is.

 

Dit is een verrassende wending. Je zou toch denken dat het in het schrijven om die hogere gevoelens zou gaan, maar neen, Sándor Márai verwacht van de schrijver dat hij nog een stap verder gaat: het kunstwerk dat van het schrijven het resultaat is, primeert. De hogere gevoelens kunnen niet méér zijn dan een plezierig neveneffect. Maar ze moeten wel worden overgebracht naar het uiteindelijke resultaat. Ze moeten daarin aanwezig zijn, en dus navoelbaar. De schrijver moet met andere woorden zijn genoten hogere gevoelens in een genereus gebaar delen of minstens beschikbaar stellen.

 

Daarna kan het kunstwerk zijn eigen leven gaan leiden, zonder dat het van buitenaf ondersteund hoeft te worden door bewonderaars of door wie of wat dan ook.

 

Eens de ‘literaire expressie’ geschreven, is de rol van de schrijver uitgespeeld. Het kunstwerk is autonoom, moet op eigen kracht verder. Ook elke beïnvloeding van buitenaf is uit den boze. Een kunstwerk dat niet zelfredzaam is, schiet te kort. Een schrijver zal niet ronselen en konkelfoezen. Ook de receptie van het werk, in welke vorm dan ook, verandert niets aan zijn essentie.

 

Sándor Márai, Bekentenissen van een burger (1935; vertaling Henry Kammer, 2007), 441-442.


 

200609

5778


Assebroek, Sint-Lucasziekenhuis - 200522

woensdag 1 juli 2020

wolken 3722-3725


wolkenfragmenten uit Joan Didion, Het jaar van magisch denken



3722

Ik zie nu in dat daar niets bijzonders aan was: iedereen die met een plotselinge ramp te maken krijgt vertelt dat de omstandigheden waarin dat ondenkbare plaatsvond zo alledaags waren: geen wolkje aan de lucht waaruit het vliegtuig naar beneden viel, de doodnormale boodschappenronde die eindigde op de vluchtstrook met de auto in vlammen, de kinderen die net als anders aan het schommelen waren toen de ratelslang vanuit de klimop toesloeg. (6)



3723

Zelfs het rapport van de 9/11-commissie begon met de nadrukkelijke onheilspellende en toch nog steeds van verbijstering getuigende verhalende noot: ‘Dinsdag 11 september 2001 brak in het oosten van de Verenigde Staten aan als een zachte, vrijwel onbewolkte dag. (6)



3724

Vijf dagen later leek alles buiten de intensive care op de vijfde van het Beth Israel North nog steeds normaal: dat was het deel waar we geen van beiden (al gaf alleen John het toe) mee uit de voeten konden, weer zo’n geval van star gericht blijven op die wolkenloze hemel waaruit het vliegtuig neerstortte. (59)



3725

Wie zingt over het zoeken naar het zilveren randje van de wolk moet eerst geloven dat er wolken boven haar zijn opgedoemd. (151)

scherf 27

Onvermijdelijk onvolledig

Mijn relatie tot het werk, en vooral de werkwijze, van Georges Perec is dubbel. Althans tot het werk voor zover ik het ken want ik heb zeker niet alles van hem gelezen. Een artikel in De Groene Amsterdammer helpt me om klaarder te zien in die dubbelheid.
 
‘Het leven een puzzel’ luidt de titel van dat artikel. Het maakt duidelijk dat de speelse Franse schrijver zijn schrijven vooral zag als de vormgeving van zijn verlangen om het overzicht over zijn leven te bewaren. Op verschillende manieren veraanschouwelijkte Perec dat verlangen. De opsomming, de rangschikking en de puzzel waren de belangrijkste procedés. Sommige boeken van hem bestaan uit niets anders dan opsommingen (tegenwoordig zegt men in het steenkolenvlaams van de ambtenaar en de manager vaak ‘oplijstingen’) van, bijvoorbeeld, losstaande herinneringen (Ik herinner mij), dromen (De duistere winkel), de voorwerpen op zijn schrijftafel en recepten (Penser/Classer), de inboedels van de kamers van een Parijs’ appartementsgebouw (Het leven een gebruiksaanwijzing), de uitputtende beschrijving van wat er te zien valt van op een bank op de Place Saint-Sulpice in Parijs (Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs)… Razend interessant, niet alleen door de irrelevantie van de behandelde onderwerpen, maar ook door de onvermijdelijke vaststelling dat uitputtende beschrijvingen onmogelijk zijn. Maar uiteraard konden die opsommingen nooit volledig zijn. En daar was het Perec nu net om te doen. En toch deed hij het. Umsonst, trotzdem, zoals Jan Wauters zei. En in dat tragikomische van dat desalniettemin schuilt de hele pereciaanse esthetiek.

Het spreekt mij aan want ik kan dat verlangen naar overzicht navoelen. Voor mij is dat een existentiële kwestie. Mijn persoonlijkheid is door dat verlangen naar overzicht, en door het besef dat de breuk nooit meer te lijmen valt, ten gronde bepaald. Elke zelfomschrijving moet met dat verlangen en dat besef beginnen. En door dat desalniettemin. In die zin heb ik een verhouding met het werk van Georges Perec. Maar die verhouding is dubbel, dat zei ik al. Hoe aantrekkelijk ook het uitgangspunt, het leidt altijd tot iets onvruchtbaars, iets dors – mijn dorst wordt niet gelest bij het lezen van x aantal gerechten, x aantal dromen, x aantal herinneringen. Waarom die herinneringen, en niet andere? Wat zijn de selectiecriteria? Wat wil Perec au fond zeggen? Zitten we hier niet te staren naar de beheptheden van wat we nu een autistisch persoon zouden noemen?

De puzzel is een van de andere procedés waarop Perec zijn oeuvre heeft gebouwd. Het duidelijkst zichtbaar is het aanwezig in zijn lijvige Vie mode d’emploi, waarvan het verhaal – bij Perec een weinigzeggende notie – gericht is op het verzamelen van alle stukken van een te leggen jigsawpuzzel. Uiteraard ontbreekt het laatste stuk. Ook hier dus: het onvolledige, het onaffe – en het besef dat precies daarin het interessante van de puzzel gelegen is. En inderdaad, wat is oninteressanter, saaier, zinlediger dan een afgewerkte puzzel. Hoe ijdel, in alle betekenissen van dat woord, de ingelijste puzzel van 1000 stukken aan een wand.

Het artikel in De Groene eindigt met de vaststelling dat Perec altijd lachte. Dat hij altijd vriendelijk was. Ik zie de portretfoto’s ook altijd met mijn geestesoog wanneer ik aan hem moet denken – en dat gebeurt vaak: de rokende, glimlachende krullebol. En ja, misschien is dat ook wel essentieel: dat we hier te maken hebben met een vriendelijke mens, iemand die, ondanks de oorlog en de Holocaust die hem zijn ouders ontnamen, met vreugde tegen het – in zijn geval erg korte (1936-1982), met zware filterloze Franse sigaretten weggeblazen – leven aankeek.


Daan Schneider, ‘Het leven een puzzel’, in De Groene Amsterdammer van 7 augustus 2017

200607