zaterdag 2 juli 2022

notitie 231

(220629)

GEWOONTE

Een paar dagen geleden vernam ik dat het gasverbruik in de gezinnen het voorbije halfjaar met 20 procent is afgenomen. Dat zal in het eenmansgezin dat ik vorm zeker ook het geval zijn geweest want ik ben, mede door toedoen van de speciale militaire operatie van ene Vladimir P., overgegaan tot een belangrijke gasbesparende aankoop. Waar een heel klein beetje oorlog al niet goed voor is.

Gas heb ik nodig voor verwarming, voor warm water uit de kraan en voor mijn fornuis. Neen, niet het restaurant te Antwerpen waar belangwekkende bedisselingen worden bekokstoofd, maar mijn keukenfornuis. Op dat fornuis placht ik tot voor kort iedere keer dat ik een kop nescafé tot mij wenste te nemen – ja, ik ben een baristabarbaar – in de waterketel, moor in de volksmond, de daartoe benodigde hoeveelheid water tot koken te brengen. Een omslachtige en, inderdaad, energievretende procedure waar ik eigenlijk nooit echt bij stilstond. Het was een gewoonte.

Tot ik mij dus een waterkoker aanschafte. Ik vermoed dat ik in de vijf weken dat dit apparaat in mijn bezit is al zijn aankoopprijs heb uitgespaard door het gas dat ik anders zou hebben verstookt niet te verstoken. Dat is aardig meegenomen en het is bovendien ook goed voor het mieljeu, aangezien ik door verbranding allicht geen CO2 de lucht injaag want wordt mijn elektriciteit niet uit een kerncentrale of uit wind betrokken?

Grappig zijn wel – en daarom schrijf ik dit stukje – de restanten van de gewoonte die nog blijven plakken. Aangezien het klaarmaken van een kop koffie meestal een gedachteloze handeling was, volautomatisch uitgevoerd, blijft het mij overkomen dat ik, wanneer ik het water hoor koken, door te draaien aan de knop van het fornuis de gastoevoer naar het bekken wil afsluiten. Maar dan merk ik natuurlijk dat die knop helemaal niet openstaat. Of ik heb de neiging om de kan van de waterkoker, na het uitgieten van het aan de kook gebrachte water in mijn kop, op het fornuisbekken wil terugzetten. Waar hij natuurlijk niet hoort; de kan moet op de bijhorende elektriciteitstoevoersokkel. Enfin, het zal nog wel even duren vooraleer deze ingesleten patronen volledig door de nieuwe zijn uitgevlakt.

 



 

vrijdag 1 juli 2022

notitie 230

(220628)

INTRUSIE

Ik zat met X. en een fles wijn met twee glazen aan een picknickbank in mijn park tegenover de deur wat bij te praten. We hadden allebei net een biografie achter de kiezen, ik die van Sebald en hij van Philip Roth, en daar was wel een en ander over te zeggen. Over het probleem van privacy, bijvoorbeeld, en hoe schrijvers daarmee omgaan. Zo stelt Carole Angier afkeurend vast dat W.G. Sebald het verhaal voor zijn meesterwerk Austerlitz ‘gestolen’ heeft van een zekere Susi Bechhöfer, die wat Sebald toeschrijft aan de fictieve protagonist van zijn verhaal zelf heeft opgetekend als haar eigen, werkelijk beleefd verhaal. Sebald had haar boek gelezen, had geen toelating gevraagd om het te gebruiken, en had Susi Bechhöfer achteraf ook niet op de hoogte gesteld. Zij moest het viavia vernemen en had niet meer de tijd om er een zaak van te maken want Sebald overleed een paar maanden na de publicatie van zijn boek, dat dus eigenlijk het hare was. Of toch voor een groot deel. X. vertelde uit zijn biografie over het eerste huwelijk van Philip Roth, dat dat eigenlijk het gevolg was van een door zijn vrouw voorgewende zwangerschap: de bekende ei-in-de-korftactiek.

Enfin, wij zaten daar rustig te keuvelen over interessante onderwerpen, of wat wij toch interessante onderwerpen vinden, toen er van achter de haag een man van een jaar of dertig opdook, duidelijk onder de invloed (maar van wat?), of dan toch minstens zwaar aangeslagen. Dat hij ons gezellig had horen praten en dat hij alleen op de wereld was en dat zijn vriendin vijf dagen geleden was overleden aan de gevolgen van borstkanker en een operatie aan haar…, enfin, jeweetwel, haar ‘baarkanker’. Dat was het woord dat hij gebruikte. De moederhals viel er even van tussenuit. De man lalde ook nog dat er niemand was en dat hij eenzaam was. Ja, dat woord gebruikte hij: ‘Ik ben totaal eenzaam.’

Dilemma. Wat moest er gebeuren? Ik had er, eerlijk toegegeven, geen zin in. En X. ook niet. Maar ja, wat moet je. Ik zat met mijn rug naar de man, dus dat was gemakkelijk. Laf liet ik X. het woord voeren. Hij zei wat ik graag wilde dat hij zei. ‘We zijn hier eventjes rustig aan het praten,’ zei hij. ‘We zouden dat gesprek liever ongestoord voortzetten.’

De man werd dus afgewezen. Ik hoorde hem iets grommen, iets weinig vriendelijks, maar hij drong niet aan en ging terug op zijn bankje zitten achter de haag. Ik zei X. dat ik blij was dat hij de man had afgescheept: onze avond zou er helemaal anders hebben uitgezien met zo’n lastpak aan onze tafel. Er zou niet veel anders dan gelal en geklaag zijn uitgekomen en wat zouden wij, en ook hij, daaraan hebben gehad?

Maar we voelden ons allebei belabberd. En schuldig. Ik dacht aan de bedelaars in Brussel die mij ook altijd een ongemakkelijk gevoel bezorgen. En X. zei ook dat hij er zich niet goed bij voelde. Ik stelde nog voor om er de man alsnog bij te halen, maar X. zei dat hij al naar de uitgang van het park aan het waggelen was. Er viel een stilte. En na die aarzeling namen we de draad van ons gesprek terug op. Het duurde even voor we het hele voorval vergeten waren.

6508

Brussel, De Berlaimontlaan - 220612

 

donderdag 30 juni 2022

notitie 229

(220627)

DAGBOEK

Ik lees een essay van Jacq Vogelaar over de dagboeken van Daniël Robberechts: ‘De dagboeken: een spiegel voor de onbekende lezer’, opgenomen in het speciale Robberechtsnummer dat De Nieuwe Maand maakte na zijn zelfgekozen dood in mei 1992.

Daniël wie? Daniël Robberechts. Misschien hebben velen nooit van hem gehoord, of zijn diegenen die wel ooit van hem hoorden hem inmiddels vergeten. Tot dertig jaar geleden stond Robberechts in de Vlaamse letteren bekend als een tegendraadse en onmodische intellectueel, die meer bezig leek met de formele kenmerken en spelregels van literatuur dan met inhoudelijk schrijven. Een adept van de Franse structuralisten, quoi, zo’n gast die liever verstrikt raakt in onuitlegbare theoretische concepten dan gewoon eens een verhaal vertellen waar een gewone mens iets aan heeft.

Daniël Robberechts (1937-1992) was een van de belangrijkste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. Aan hem hebben we grensverleggende boeken als Aankomen in Avignon, Praag schrijven en de zogenaamde Totaaltekst (TT) te danken. En ook dagboeken. Robberechts’ tussen 1964 en 1968 geschreven dagboeken werden uitgegeven. Vogelaar beschikt bovendien ook over dagboekfragmenten uit 1987 omdat Robberechts deze in die tijd aan een zestal vrienden opstuurde. (Dat doet mij eraan denken dat ik dat zelf ook nog een tijd heb gedaan, het moet ergens in de eerste helft van de jaren negentig geweest zijn. Dagboekfragmenten opsturen naar vrienden, in denk dat het er ook zes waren, maar dat weet ik niet meer zeker. Ik maakte hiervoor gebruik van het kopieerapparaat, de enveloppes en het gunstposttarief van het Paleis voor Schone Kunsten, waar ik toen werkte. Dank u, Vadertje Staat!)

Het omstandige essay van Vogelaar doet me denken aan mijn eigen dagboekpraktijk en dagboeketiquette. Ik heb alles bij elkaar, maar wel steeds afgewisseld met langdurige stiltes, vele jaren een dagboek bijgehouden. Maar ik weet zeer goed, zonder daarom een van de talrijke cahiers te moeten openslaan, dat het ongetwijfeld een van de saaiste dagboeken van het Vrije Westen moet zijn geweest. Ten eerste leid ik een volkomen oninteressant leven, ten tweede was ik absoluut niet met stijl bezig noch met literaire theorie, en ten derde heb ik er mij zo goed als altijd voor gehoed om alles wat een beetje ‘smeuïg’ kon zijn niet aan het papier toe te vertrouwen. Ik heb me altijd verre gehouden van mijn dagdromen, van de privacy van derden, van mijn seksualiteit, van mijn beroepsleven, van mijn perversies, van mijn frustraties en aberraties, van mijn gastronomische en geestverruimende uitspattingen, van mijn geneeskundige rapporten, van mijn kinderen… Eigenlijk vraag ik me af wat ik al die jaren wél heb opgeschreven. En als ik al eens een dagboekfragment publiek maakte, bijvoorbeeld op mijn blog, dan was het altijd een ‘gecensureerd dagboek’ waaruit ik eerst alle vetste brokjes had weggeknipt en door Céliniaanse driepuntertjes vervangen.

Om maar te zeggen: de dagboeken van Robberechts, die ik hier al vele jaren in mijn bezit heb, staan vanaf heden ook op mijn lectuurlijst: Dagboek ’64-’65 (door mij aangekocht in juni 1993 en onmiddellijk daarna gelezen); Dagboek ’65-’66, aanvankelijk gepubliceerd onder de titel De grote schaamlippen (1969) en later onder de iets toegankelijkere titel Open boek. Een dynamische zelfbeschrijving (eveneens 1969, ik bezit een door de auteur in 1971 gesigneerd exemplaar); Dagboek ’66-’68.

 

De Nieuwe Maand, jg. 36 nr. 3/4 april-mei 1993

6507

Brugge - 220610

 

woensdag 29 juni 2022

notitie 228

CVP-COMMUNICATIE 

Midden de mensen. Omdat mensen belangrijk zijn. Het einde van de tunnel is in zicht. De oudere jongeren onder ons kennen deze slogans nog wel. Een goeie vond ik ook, een vijftiental jaar geleden, de verkiezingsslogan van Martine Fournier, plaatselijk mandataris in Menen en Vlaams parlementslid: ‘Meer Martine!’

En dat is ongetwijfeld nog maar een summiere bloemlezing van de oneliners die aan de ondoorgrondelijke breinen van de CVP-communicatiespecialisten zijn ontsproten. CVP en communicatie, het is altijd wel wat, ampersand nog an toe!

Tja, die ampersand. Weet je het nog? Toen CVP opeens CD&V werd. Niemand begreep het, en daardoor bleef het wel hangen, natuurlijk. Vernuftig! ’t Is een gekende reclametruc: maak het zo onbegrijpelijk of irritant dat het toch weer opvalt. En op die manier komt de boodschap alsnog over.

Dat neemt niet weg dat ook CD&V-mandatarissen goed bij de les moeten zijn wanneer ze communiceren. Gisterenochtend zou ik van mijn stoel zijn gevallen mocht ik er op dat moment op hebben gezeten, maar ik rolde toch uit mijn bed van het ‘verschot’ toen ik Sammy Mahdi hoorde zeggen dat de nieuwe staatssecretaris voor Asiel en Migratie ‘een warme Thatcher’ was. In één klap had hij alles wat hij verder al over haar had gezegd en nog zou zeggen van tafel geveegd. Natuurlijk zou enkel dát blijven plakken. Een warme Thatcher, godbetert. Dat er aan die vrouw nog wel andere connotaties dan ‘warmte’ kleven, daar had de nieuwe CD&V-voorzitter even niet aan gedacht: iron lady, Falklands, there is no such thing as society, neoliberalisme, Reagan… En dan dat kapsel, natuurlijk. En de rekening van de coiffeur.

Neen, een gelukkige communicatie kon je dit bezwaarlijk noemen. De rest van de dag ging op aan het rechtzetten van deze flater. En hoe zal Nicole de Moor – veelzeggend dat ik haar naam nu even moest opzoeken – zich daarbij gevoeld hebben? 

Mahdi is met zijn lapsus het slachtoffer geworden van de typische tjevenattitude: enerzijds-anderzijds. Hij wou in één klap beide vleugels van zijn partij geruststellen, zowel de linker- als de rechtervleugel. Warm en koud; Moeder Theresa en Thatcher. Het gevolg was dat hij tussen twee stoelen viel. En op die manier perfect illustreerde waaraan zijn partij ten onder aan het gaan is.

 



 

6506

Brugge - 220608

 

dinsdag 28 juni 2022

notitie 227

(220627)

VEGETARISCHE VARKENS 

Stel – het is weinig waarschijnlijk, dat besef ik wel, maar stél – dat je van Ruddervoorde naar Beernem moet rijden. Dan kun je voor de kortste weg kiezen, en dat is ongetwijfeld de N368. Maar als je met de fiets bent, adviseer ik een klein omwegje. Je zoekt in de dorpskern van Ruddervoorde de Leegtestraat op, slaat op het einde linksaf de Vlasbloemstraat in en volgt die tot aan de Kortrijkse Steenweg, de N50. Links van de Fun-magazijnen aan de overkant rijd je de bochtige Kortekeerstraat in. Je komt uit op de Scharestraat, waar je opnieuw een links-rechtsje doet, de Hertsbergveldstraat in. Allemaal bochtige smalle baantjes, perfect om te fietsen. De Hertsbergveldstraat komt uit op de Kraaiveldstraat. Daar sla je opnieuw linksaf, en wat verderop weer rechts, de Wingensestraat in, die langs de kerk van Hertsberge leidt. Wat verderop kom je dan op de N368. Beernem is naar rechts.

Ergens halverwege de Hertsbergveldstraat staat op de linkerkant een pittoresk kapelletje: een ensemble van een – schat ik – nog 19de-eeuws gebouwtje en een linde met een mooi gevormde kruin. Dit geheel wordt visueel vakkundig om zeep geholpen door middel van een plakkaat waarop de firma ‘Vers varkentje’ haar – houd u vast – ‘vers varkensvlees rechtstreeks van de hoeve van vegetarisch gevoederde varkens’ aanprijst.


 

De haag die het kapelletje omvat onttrekt de container aan het oog waarin de door het vilbeluik op te halen kadavers van dieren die de deportatie naar het slachthuis niet hebben gehaald worden opgeslagen – en net zo worden de aanzienlijke stallen waarin honderden vegetarisch gevoederde varkentjes nooit het daglicht zien met aanplantingen aan het oog onttrokken. Tussen stallingen en straat pronkt een villa die heel in de verte nog iets met de oorspronkelijke rurale architectuur te maken heeft en daarom fermette mag worden genoemd. Dit bouwsel zegt iets over het lucratieve karakter van de hele onderneming.

‘Vegetarisch gevoederde varkens.’ Dat klinkt zoals ‘ongevaarlijke wapens’ of ‘gezonde sigaretten’. Het is newspeak.

Net voor ik het kapelletje bereikte had ik een al wat oudere man op de fiets voorbijgestoken. Omdat ik aan het ensemble was gestopt om een foto te maken, kon hij opnieuw de leiding nemen, waardoor ik hem wat verderop een tweede keer inhaalde.

‘Dat is toch iets raars hé, vegetarisch gevoederde varkens?’ vraag ik terwijl ik even naast hem blijf rijden. De man heeft het plakkaat ook gezien. ‘Ik geloof er niets van,’ zegt hij. ‘Dat doen ze alleen maar om hun vlees duurder te kunnen verkopen.’

De man interpreteert de boodschap dus op een andere manier. Waar ik verontwaardigd blijf hangen aan het manipulatieve naast-elkaar-plaatsen van de begrippen ‘vegetarisch’ en ‘vlees’, ziet hij in het adjectief ‘vegetarisch’ vooral een duur woord, iets ‘van na zijn tijd’.

God van het kapelletje, waar is het mis beginnen te lopen in la Flandre profonde?

6505

Brussel, Zuidstation - 220607

 

maandag 27 juni 2022

Carole Angier, Speak, Silence

notitie 226

SPREKENDE STILTE

De Duitse schrijver W.G. Sebald (1944-2001) zag in de jaren negentig, behoorlijk laat dus, zijn ster als een vuurpijl de lucht inschieten: met een viertal literaire werken, die alle ongeveer op hetzelfde zeer hoge niveau stonden, uitzonderlijk hoog zelfs volgens sommigen, vergaarde hij in geen tijd een ongeziene status. Door zijn vroege dood belandde hij linea recta in het literaire walhalla. Maar we zijn twintig jaar later en hier en daar wordt al aan zijn reputatie geknabbeld. De eerste Sebald-biografie, van Carole Angier, die eerder al Jean Rhys en Primo Levi onder handen nam, lijkt een dergelijke tegenbeweging in te willen zetten. Of toch op het eerste gezicht.

Speak, Silence – de titel is een allusie op het autobiografische Speak, Memory van Vladimir Nabokov – begint in elk geval op enigszins blasfemische wijze. Ik berichtte over Angiers kritische houding al eerder hier. Het ging daar vooral over het feit dat Angier zich stoort aan de werkwijze van Sebald. Hij zou, volgens haar, onvoldoende respect aan de dag leggen voor zijn op vaak nog in leven zijnde modellen gebaseerde personages.

Maar het blijft daar niet bij. Ronduit ergerlijk zijn de suggesties dat Sebald in die mate een her en der in het literaire corpus ‘stelende’ ekster was dat hij maar ternauwernood aan het verwijt van plagiaat kan ontsnappen; dat hij ‘wellicht’ een homoseksueel was of dan toch heel hard over zijn seksuele identiteit piekerde; dat hij een overspelige echtgenoot was. Bijvoorbeeld de passus over de in 2013 overleden Beryl Ranwell, de secretaresse van het door Sebald opgerichte British Centre for Literary Translation, is bepaald ergerlijk: ‘We’ll never know what this shrewd, warm-hearted woman might have told us about the great writer who was her friend. Or might have decided not to tell us, of course.’ (336)

Helemaal fout vind ik de al evenmin op bewijs gebaseerde suggestie dat Sebald zelfmoord overwoog. Een bewering als deze van Sebalds ‘student and friend’ Ralf Jeutter lijkt mij te ongefundeerd om een dergelijke gewichtige these te stofferen: ‘“Maybe,” Ralph thinks, “he chose to end his life anyway, by simply undermining his health.”’ (366) Het enige wat Angier eventueel had kunnen zeggen over Sebalds opvallend slappe wil om koste wat het kost in leven te blijven, is dat hij op nauwelijks 56-jarige leeftijd onvoldoende oog en aandacht had voor de signalen die zijn lichaam hem stuurde: oververmoeidheid, neerslachtigheid, kortademigheid.

Gelukkig overheersen deze insinuaties en suggesties niet de hele biografie. Angier is wel degelijk een grote bewonderaarster van Sebalds geschriften. Maar ze heeft zich toch te zeer laten verleiden om het (weinige) negatieve in het leven en de methodes van haar geliefde schrijver te benadrukken. Gelukkig bevat haar biografie het voorlaatste hoofdstuk ‘An Attempt at Restitution’, met een algemene beschouwing over wat nu echt het belang en de uniciteit van Sebalds oeuvre is. Angier ziet in hem een op het ziekelijke af hypersensitieve mysticus en metafysicus, die in de tussengebieden tussen verleden en heden, tussen de levenden en de doden, en tussen werkelijkheid en droom op compassieuze wijze op zoek gaat naar een eenheid die het hele bestaan kenmerkt. ‘W.G. Sebald is not a novelist. Nor a travel writer, since his journeys and landscapes are more inward than outward. He is a historian, biographer and autobiographer. But beneath these, he is at heart a visionary and a mystic. That is why there is no one like him in modern literature.’ (433)

Een opvallende zwakte van Angiers biografie is dat de vrouw met wie Sebald meer dan de helft van zijn leven getrouwd is geweest geen medewerking wenste te verlenen. Wij vernemen niet waarom niet. In de ‘Aknowledgments’ wordt deze Ute (geen familienaam vermeld) toch bedankt: ‘Ute Sebald, who did not wish to speak, but put no obstacles in my way’. (451) Ook de dochter, die het verkeersongeluk overleefde waarin W.G. Sebald de dood vond, blijft buiten beeld. En ook twee andere belangrijke getuigen, de kunstschilder Jan Peter Tripp, met wie Sebald bevriend was, en zijn Engelse uitgever Simon Prosser, weigerden hun medewerking – telkens zegt Angier niet waarom.

Ondanks deze ingrijpende amputatie is deze biografie zeker de moeite waard. Angier heeft voldoende mensen geïnterviewd en documenten bestudeerd om een overtuigend portret te schetsen van de zeer vreemde man die W.G. – ‘Max’ voor de intimi – Sebald moet zijn geweest. Zij werpt een zeer verhelderend, en ook kritisch, licht op zijn methodes. En zij legt – niet het minst – ook uit waaruit de stilte bestaat die zij, zoals uit haar titel blijkt, tot spreken uitnodigt: het is het zwijgen van de Joden over de Shoah én dat van de Duitsers over de geallieerde bombardementen, twee stiltes die in het werk en het leven van Sebald zeer luid weerklinken. Toch blijft het wachten op een definitievere biografie, een die minder toegeeft aan de neiging om te insinueren en die, vooral, meer inzicht biedt in het intieme leven van de raadselachtige auteur die in recordtijd is uitgegroeid tot een van de allergrootste van de twintigste eeuw.

 

Carole Angier, Speak, Silence. In Search of W.G. Sebald (2021)

6504

Brugge, Smedenpoort - 220606

 

zondag 26 juni 2022

notitie 225

(220623)

JE SUIS JAMAL (2/2)

In zijn reactie op de sneer van Jamal Ouariachi aan het adres van recensente Maria Vlaar (zie daarover notitie 224) haalt De Standaard-hoofdredacteur Karel Verhoeven alles uit de kast. Hij gewaagt van ‘intimidatie’, ‘bedreiging’, ‘bloeddorst’, ‘gewelddadigheid’, ‘moordtaal’ en ‘intimidatie van het vrije woord’. Hij bestempelt de interventies op de tijdlijn van Ouariachi als ‘pesten’, ‘belagen’ en ‘tieren’, en hij vindt het nog het meest verontrustend ‘dat niemand van de omstanders tussenbeide komt om Ouariachi erop te wijzen dat zijn bloeddorst onacceptabel ­gewelddadig is, of dat er een zweem van vrouwenhaat in te bespeuren valt’.

Dat laatste is werkelijk totaal misplaatst: het is een doorzichtige tactiek van Verhoeven om Ouariachi helemaal te diskrediteren door hem behalve bloeddorstigheid ook nog eens seksisme aan te wrijven. Hoewel daar geen enkele aanleiding toe bestaat. Of Maria Vlaar nu v, m of x is, is hier werkelijk van nul of generlei belang. Maar in deze tijd van oorlogsopflakkering tussen de seksen is het natuurlijk een gewiekste zet.

En vervolgens vindt Verhoeven het erg dat Ouariachi ervoor pleit om ‘recensenten die consequent onderpresteren’ ‘met pek en veren uit de boekenbijlages [weg te jagen]’. Vreemd vind ik dat, voor een hoofdredacteur. Mocht ik hoofdredacteur zijn, ik zou consequent onderpresterende recensenten wel degelijk wél wegjagen, tenzij natuurlijk het niet de bedoeling is dat zij degelijke recensies schrijven. Dat zou natuurlijk ook kunnen. (Vlaar schrééf eerder een recensie over Herfstdraad, maar die tekst is zo warrig dat ik er geen touw aan kan vastknopen. En ook hoogst verwarrend is dat Vlaar, jawel dezelfde Vlaar als die van het door Ouariachi gehekelde ‘essay’, in die recensie schrijft: ‘De hoofdpersoon is een schrijver van bijna veertig met zoveel overeenkomsten met Ouariachi, dat je geneigd bent ze als een en dezelfde te zien, een valkuil om te vermijden.’ Dus: waar ze in haar egofictie-essay de ‘ik’ in Ouariachi’s roman met de auteur vereenzelvigt (precies datgene dus waar Ouariachi zich zo boos over maakt), had ze eerder, in haar recensie, gesteld dat je dat niet mag doen. Begrijpe wie begrijpen kan.)

Het opiniestuk van Verhoeven is overkill. Het is een inderhaast opgetrokken rookgordijn van bluf om het eigen personeel in bescherming te nemen en de stoute schrijver die zich tegen de tekortschietende recensente verweert af te dreigen. Nochtans kan het toch niet dat Verhoeven, geen onverstandig man, niet beseft dat hij de woorden van Ouariachi niet letterlijk moet nemen. Akkoord, misschien had Ouariachi die heftige woorden niet moeten gebruiken. Maar het is een stijlfiguur. Een hyperbool. Het is er zodanig óver dat geen zinnig mens toch kan denken dat hij het serieus meent dat hij bij Vlaar de halsslagader wil doorbijten. Het is gezegd binnen ‘een collegiale context van speels literair debat’, zoals hij het zelf in zijn reactie op Verhoeven formuleert. Nochtans is het dat wat de hoofdredacteur zegt. Dát is pas kwalijk. Het kwalijke van Verhoevens opiniestuk is dat hij doet alsof hij niet inziet dat hij het niet letterlijk moet nemen. Dat is een miskenning van de eigenheid van het polemische genre. Verhoeven moedigt letterlijkheid aan. Hij zou moeten weten dat dit veel kritiek en vrijheid van meningsuiting onmogelijk maakt.

Ouariachi kaatst in zijn reactie de bal terug naar Verhoeven: niet hij, Ouariachi, intimideert, neen, het is ‘bedreiging plus intimidatie en smaad (…) wanneer een hoofd­redacteur een schrijver, die geregeld aan deze krant heeft bijgedragen, als een vrouwenhatende doodsbedreiger wegzet’. Ik ben het daarmee eens.

Conclusie: de bewoordingen van Ouariachi waren overdreven agressief, maar het is flauw en zelfs kwalijk om ze uit hun context te rukken. Overigens, waar blijft Vlaar in deze hele discussie? Neemt ze vrede met de rugdekking van haar hoofdredacteur?

Het meest betreurenswaardige is dat in deze hele discussie verloren gaat datgene waar het Ouariachi eigenlijk om te doen was. Niet dat een recensente zijn boek niet goed las, maar dat het in het algemeen gewoon bar gesteld is met de literaire kritiek. Dát is het waar de hoofdredacteur zich over zou moeten bezinnen.

Ik vond het essay van Vlaar, afgezien van die uitschuiver waarover Ouariachi struikelde (en waarover ondertussen al een rechtzetting is gepubliceerd), al bij al nog zo slecht niet. Maar ik ben bang dat Vlaar van de hoofdredacteur, die natuurlijk het belang van zijn commerciële opdrachtgevers voor ogen moet houden, de richtlijn zal krijgen om in het vervolg wat minder doorwrochte teksten te schrijven. ‘Beperk je tot een besprekingetje van maximum driehonderd woorden, Maria, dat is voor onze gemiddelde lezer al moeilijk genoeg.’ En zo zal dit incident bijdragen tot de verdere afbraak van het literaire bedrijf. Of van wat daar nog van overbleef.

6503

Snellegem - 220603

 

zaterdag 25 juni 2022

notitie 224

(220623) 

JE SUIS JAMAL (1/2)

Vorige week was er een relletje in letterenland. Zo heftig dat al wie daar ingedommeld was – en dat zijn er nogal wat – ruw uit de slaap werd gewekt. Zo ruw dat de volgende ochtend de bedpartner bij het ontbijt vroeg: ‘Schat, wat had je vannacht opeens? Had je een kwade droom?’ De wakkergeschrokkene wist van niets. Hij/zij was dan ook vredig snurkend terug ingeslapen en had rustig voortgepit tot het snoozen van de wekkerfunctie op zijn smartföhn.

Watskeburt?

In De Standaard der Letteren publiceert Maria Vlaar een stuk (https://www.standaard.be/cnt/dmf20220610_95481683) over ‘autobiografische fictie’. Haar centrale stelling lijkt mij te zijn samengevat in dit uittreksel: ‘Je kunt een boek een roman noemen, een werk van fictie, een verzonnen verhaal, maar zodra je hoofdpersoon “ik” is en ook nog schrijver van beroep, gaat de lezer op zoek naar de autobiografische werkelijkheid áchter de woorden. Lezers doen dat misschien onbewust, maar auteurs, uitgevers en interviewers doen dat bewust. Een pr-medewerker van een uitgeverij zei mij onlangs dat haar eerste vraag aan een auteur met een nieuwe roman luidt: “Hoeveel procent hiervan is autobiografisch?” Alleen de autobiografische aspecten worden vervolgens gedeeld met tv-programma’s en andere pers, want dát willen de potentiële lezers weten.’ Het kwalijke gevolg hiervan is dat er nauwelijks nog aandacht uitgaat naar het boek zelf. Er wordt niet meer echt gerecenseerd. ‘Zelfs in deze kwaliteitskrant is [Aleksandra van Lisa Weeda] niet gerecenseerd maar is de auteur wél uitgebreid geïnterviewd over haar leven, haar oma, haar geschiedenis, haar Librisprijsnominatie en de oorlog in Oekraïne.’ Dat stelt Vlaar zelf vast. Waarna ze een aantal behartenswaardige en interessante zaken vertelt over het oxymoron ‘autobiografische roman’ en dergelijke. Dat is relevant, zeker met betrekking tot de hedendaagse literatuur. Ze schaart zich achter Zadie Smith, die pleit voor een empathische literatuur waarin de schrijver ook andere standpunten inneemt dan enkel dat van het eigen ‘ik’.

Maar. Het ‘essay’ van Vlaar is tevens een containerstuk: ze ziet haar kans schoon om heel wat recente boeken in de vermaalmolen te gooien. Een van die boeken is Herfstdraad, de recentste roman van Jamal Ouariachi. Vlaar: ‘Herfstdraad van de recalcitrante Jamal Ouariachi, met een “ik” die Jamal heet en schrijver is’.

Dit is het punt waar Jamal Ouariachi uit zijn sloffen schiet. De hoofdpersoon van zijn boek heet helemaal niet Jamal maar is naamloos. De man die wel Jamal heet maakt zich boos op zijn Facebook-tijdlijn: ‘Weet je, ik hoef dit gewoon niet te pikken, als schrijver, deze totale onkunde van mensen die betaald worden om een boek te lezen.’ Daaronder ontspint zich een hele discussie, waarin de schrijver Lucas Zandberg zich mengt: ‘Bekijk het van de positieve kant. Wees blij dat ze je niet doodzwijgen.’ Dat is genoeg om Ouariachi helemaal op de kast te jagen: ‘godverdomme man, als je totale lulkoek over mijn boek schrijft, bijt ik je halsslagader uit je fucking lijf. Rot op. Ik hoef me zulke shit niet te laten welgevallen én ik vind dat recensenten die consequent onderpresteren met pek en veren uit de boekenbijlages moeten worden weggejaagd.’ Voor alle duidelijkheid: die ‘je’ uit de eerste zin is niet Zandberg, het is een onbepaald iemand, Maria Vlaar in de eerste plaats maar bij uitbreiding: ‘de recensent’. Marc Cloostermans waarschuwt Jamal nog: ‘Kritiek op een medewerkster van de boekenbijlage waarvoor jijzelf ook schrijft? Op een Collega, met andere woorden? Ik zou heel goed op mijn tellen passen als ik jou was, Jamal. Dit soort dingen wordt ter Standaard niet geapprecieerd.’ Maar het is te laat. Hoofdredacteur Karel Verhoeven neemt zijn poulain in bescherming en wijdt voorwaar een heel opiniestuk aan die ene opmerking van Ouariachi die, laat ons wel wezen, volledig uit zijn context wordt gerukt. Die context is: een reactie op een opmerking op een Facebookpost.

(morgen meer)

6502

Jabbeke, Duikerstraat - 220603

 

vrijdag 24 juni 2022

getekend 425

 

facebookbericht 1144

Die hele digitalisering van diensten is antidemocratisch. Het leidt tot afbraak van de samenleving. Daar is het waar de macht ons wil hebben: geatomiseerd en onmondig, niet tot verweer in staat.

notitie 223

(220622) 

RECHTZETTEN

Die Ausgewanderten (De emigrés in de Nederlandse vertaling) haalde op 14 januari 1993 het boekenprogramma Das Literarische Quartett van Marcel Reich-Ranicki. (Hier vanaf 46:18.) Deze uitzending betekende de doorbraak van W.G. Sebald in zijn geboorteland, dat hij toen al meer dan een kwarteeuw de rug had toegekeerd – wat van hemzelf trouwens ook een Ausgewanderte maakte. Reich-Ranicki was de Bernard Pivot van de Duitse televisie. De literatuurpaus. Met zijn gebarsten nasale stem maakte en kraakte hij carrières. Maar ook als hij een boek afbrak, bracht de aandacht die hij er in zijn programma aan besteedde toch ook al een enorme – zoals dat dan heet – ‘boost’ teweeg voor de carrière van de auteur ervan.

Reich-Ranicki (S. leerde mij dat je Ranietskie moet zeggen omdat het een Poolse naam is) vindt dat boek van die onbekende Sebald maar niets. Hij vindt het gebruik van foto’s en ‘authentieke’ documenten ‘triviaal’. Hij zegt ‘respect’ te hebben voor de auteur, maar ‘weinig geestdrift’ (Begeisterung) te voelen voor diens werk. Hij vindt dat Sebald een gekunsteld filologen-Duits hanteert. Hij duldt opvallend weinig tegenspraak van zijn gasten. Om niet te zeggen dat hij zich uitermate onsympathiek en demagogisch opstelt – al is dat natuurlijk in grote mate een pose. Op 58:25 zegt hij zelfs: ‘We zullen hier binnen twintig jaar nog eens samenkomen en dan zien wie zich nog dat boek van die rare Sebald herinnert.’ Daar vergist hij zich dan toch deerlijk.

Dat de drie andere deelnemers aan dit literair kwartet het wél bij het rechte eind hebben, kunnen we bijna dertig jaar later zeker vaststellen. Luister naar het prachtige en zeer verstaanbare Duits van de eerste meneer (wiens naam ik niet ken): hij verwoordt heel goed waar het in Die Ausgewanderten om gaat.

Achteraf gezien kun je zeggen dat Reich-Ranicki’s afwijzing van Sebalds debuut een even flagrante flater is als die van André Gide die, ongeveer tachtig jaar eerder, als de uitgeverijmedewerker die hij toen was, het manuscript van het eerste deel van Marcel Prousts Recherche had geweigerd.

Toch eens kijken hoe beide heren met hun foute beoordelingen zijn omgegaan.

André Gide zag vrij vlug in dat hij zich had vergist. Een jaar na zijn weigering schreef hij in een brief aan Proust: ‘Le refus de ce livre restera la plus grave erreur de la N.R.F., et [...] l'un des regrets, des remords, les plus cuisants de ma vie.’ In zijn dagboek vermeldt hij herhaaldelijk Proust. Vaak in negatieve bewoordingen, dat wel: hij vindt Proust een poseur, een homo die niet uit de kast wil komen, een behaagzieke opportunist, een vleier, enzovoort. Maar er is toch ook bewondering: ‘Encore que quelques phrases (et, par endroits, très nombreuses) soient intolérablement mal écrites, Proust dit toujours exactement ce qu’il veut dire.’ (19 september 1938) Gide is niet te beroerd om het literaire genie dat hij niet op tijd heeft herkend alsnog te erkennen.

Bij Marcel niets van dat. Googelen op ‘Ranicki+Sebald’ levert niets op. Dan maar eens kijken in Reich-Ranicki’s autobiografie. Geen woord, Sebald komt er niet in voor. Althans, zijn naam staat niet in het register achterin het boek, waarin dik vijfhonderd namen wél prijken. Het zou mij benieuwen in hoeverre MRR in de veertien jaar dat hij nog te gaan had na het schrijven van zijn autobiografie, en in de dertien jaar dat hij Sebald, die nochtans vierentwintig jaar na hem was geboren, zou overleven, daar alsnog iets over heeft gezegd.

Oordelen is een, foute oordelen rechtzetten is een ander.

 


 

André Gide, Journal 1889-1939 (Pléiade 1940)
Marcel Reich-Ranicki, Mijn leven (vertaling door Gerda Meijerink (2000) van Mein Leben (1999))
W.G. Sebald, De emigrés (vertaling door Ria van Hengel (2005) van Die Ausgewanderten (1992))
Carole Angier, Speak, Silence. In Search of W.G. Sebald (2021)

 

6501

Jabbeke, Duikerstraat - 220603

 

donderdag 23 juni 2022

notitie 222

(220622)

LADDER

Ik woon hier nu al zeventien jaar en heb zonet vier buren leren kennen. Enfin, voor het eerst aangesproken. We leven inderdaad naast elkaar.

De eerste twee vormen een echtpaar. Kwieke tachtigers, maar meneer zit duidelijk met iets. Hij klampt me aan wanneer ik met mijn fiets aankom. ‘Hebt u een lange ladder?’ Neen, dat heb ik niet. De twee hebben zichzelf buitengesloten: de voordeur van hun appartement op de eerste verdieping is dichtgewaaid en de sleutels liggen binnen. Maar het raam van de slaapkamer staat wel open. Mevrouw zit, aangeslagen en ook wel wat bevangen door de warmte, vermoed ik, op de eerste trede van de trap te wachten. Ik ken haar van Facebook: S. heet ze. Ik volgde haar een tijdje omdat ze de cartoons postte van een tekenaar wiens werk me wel interesseerde. Toen al vroeg ik me af hoe het in godsnaam mogelijk was dat we nu al zeventien jaar in elkaars onmiddellijke omgeving wonen zonder ooit een woord tegen elkaar te hebben gezegd.

Meneer heeft al naar de brandweer gebeld. Maar die vragen 350 euro voor een interventie. Ik zeg dat we het probleem wel zelf zullen oplossen. In de kelder heeft het koppel een trapladdertje staan, maar dat reikt niet hoog genoeg. Ik besluit om aan te bellen bij de loodgieter, die in onze straat een paar appartementsblokken verderop woont.

De loodgieter is niet thuis. Dan maar aanbellen aan het herenhuis wat verderop. Hoge plafonds, die mensen moeten dan toch een lange ladder hebben? De heer des huizes opent de voordeur. We kennen elkaar van zien. ‘Goeiedag meneer,’ zeg ik heel beleefd. ‘U kent mij niet maar ik ben P. en ik woon daar, in nummer 4.’ En ik leg hem het probleem voor. Hij heeft geen lange ladder, maar hij raadt me aan om eens bij meneer Declene aan te bellen, daar op de hoek. ‘Mag ik het hem met uw groeten vragen?’ ‘Jazeker,’ zegt de meneer van het herenhuis met de hoge plafonds, en hij noemt zijn familienaam: Vandevyvere.

Ik stap dus een eindje verder naar het huis van meneer Declene. Onderweg zie ik meneer Parmentier staan, van het grote hoekhuis tegenover dat van meneer Declene. Hij staat buiten met werklieden te praten die een hek aan het installeren zijn. Ik leg hem uit wat mijn probleem is, enfin, het probleem van de meneer en mevrouw die ondertussen op mij aan het wachten zijn. Meneer Parmentier heeft zelf geen lange ladder (hoewel hij in zijn huis toch ook wel hoge plafonds heeft) en ook de werklieden hebben er geen bij, maar hij doet dezelfde suggestie als meneer Vandevyvere. Ik dus naar meneer Declene, die ook hoge plafonds heeft. En – oef! – een lange ladder.

Ik sla enkele stappen in mijn verhaal over. Ik heb mijn hoogtevrees overwonnen, ben een meter of vier boven het trottoir over de ballustrade van het balkonnetje op de eerste verdieping gekropen, ben door het open raam geklommen en ben door de slaapkamer met het opengeslagen bed en langs de woonkamer met de roze muren die ik vaak tot heel laat ’s avonds zie wanneer het licht er nog brandt tot bij de voordeur van het appartement gegaan en heb deze geopend en er een stoel tussen gezet opdat hij niet meer zou dichtwaaien, ben naar beneden gegaan en heb de dankbetuigingen van de meneer en mevrouw die zich hadden buitengesloten in ontvangst genomen. Hoe ze mij kunnen vergoeden? Ik wuif het weg, maar ze dringen aan. Ik suggereer dan maar dat ze mij een pint kunnen trakteren wanneer binnen een week of twee de zomerbar opnieuw in het park zal staan opgesteld. Mevrouw vraagt mijn naam en legt meteen de link met onze Facebookconnectie. ‘Ach,’ zegt ze, ‘en u woont vlak naast ons!’

Ik ben daarna met de ladder van meneer Declene terug naar diens huis gestapt, langs de huizen met hoge plafonds van meneer Vandevyvere en meneer Parmentier. En dan heb ik nog tien minuten met meneer Declene gepraat. Over de buurt en de buren, en dat we elkaar toch zo slecht kennen. En over zijn openhartoperatie van een paar weken geleden en hoeveel geluk hij heeft gehad omdat hij de symptomen nauwelijks bij zichzelf had waargenomen. Een beetje druk op de borst maar verder niets: niet buiten adem zijn, niet zweten, geen gezwollen benen, geen pijn in de arm, altijd gezond geleefd, nauwelijks cholesterol en geen alcoholmisbruik, laat staan roken. Neen, tijdens een doktersvisite naar aanleiding van een andere klacht werd het euvel opgemerkt – en hop naar de spoed en drie dagen later geopereerd. En daar is meneer Declene nu van aan het herstellen.

Ik zeg hem dat ik, wanneer het door mij geholpen koppel mij deze zomer op een pint trakteert in het park, ook hem zal optrommelen zodat ook hij voor het gebruik van zijn lange ladder kan worden ‘vergoed’. En ik denk: waarom vraag ik er dan meneer Vandevyver en meneer Parmentier ook niet bij?

Ik schrik ten slotte ook van het besef hoe geschiedenisloos mijn bestaan moet zijn, dat ik na dit voorval al het idee heb een avontuur te hebben beleefd.

 


 

6500

Assebroekse Meersen - 220602

 

woensdag 22 juni 2022

notitie 221

(220621) 

NIET OPGEVEN

Coïncidenties. Na een erg vervelende middernachtelijke Messenger-conversatie met een goede vriendin raap ik mezelf bijeen om mij naar bed te begeven. We hadden onenigheid over iets wat ik geschreven had en waaruit zij een – volgens mij – onterechte conclusie had getrokken, en toen dat was uitgeklaard hadden we het over verdriet en dat we maar beter in vrede moeten proberen samen te leven want het leven is te kort voor onenigheid, zeker tussen twee mensen die elkaar ooit dichter waren genaderd dan ze iemand anders – op één of twee uitzonderingen na – ooit hebben kunnen naderen.

En uitgerekend dan speelt de badkamerradio, terwijl ik mijn tanden sta te poetsen, Don’t Give Up van Kate Bush en Peter Gabriel, en de tranen schieten mij in de ogen.

Dat lied heeft voor mij een betekenis. Laat mij toe dit te verduidelijken.

Toen ik in 1987 mijn legerdienst vervulde, vond ik troost in muziekcassettes. Nu klinkt dat onnozel, ik weet het. Muziekcassettes bestaan niet meer, net zoals de legerdienst niet meer bestaat. En mocht er zoiets bestaan als verplichte legerdienst, dan is er nu Spotify of iets dergelijks. Maar toen, in 1987, moesten wij ons met cassettes behelpen, en met een walkman. (Een walkman was een draagbare cassettespeler met bijhorende oortjes.)

Ik was in een weekend ‘van piket’. Ik had al de hele zaterdag met een patattemes onkruid mogen verwijderen uit de voegen tussen de tegels van het paradeplein, en had dan de zondag dienst in de keuken. Ik moest daar in een grote plonsbak de enorme kookpotten en ovenschalen afwassen. Het was er een en al water en dampende hitte. Drijfnat van het zweet en het rondspattende water moest ik aangekoekte etensresten losschrobben, zonder uitzicht op rust of aangenaam gezelschap. Diepten van ellende. Maar ik had een walkman bij, met oortjes, en in die oortjes zongen Kate Bush en Peter Gabriel in duet dat ik het niet mocht opgeven. Ja, dat moment van vijfendertig jaar geleden is mij altijd bijgebleven.

Het kwam even terug boven toen ik na die pijnlijke conversatie in de badkamer stond en daar hoorde dat ik het niet mocht opgeven. Nog altijd niet. You know it's never been easy.

6499

Brugge, Bloedput - 220531

 

getekend 424

 

dinsdag 21 juni 2022

notitie 220

(220620)

PUBLIEK

We hadden het over Vivian Maier. L. kende haar niet en daarom legden K. en ik het hem uit. Ja, sommige van haar foto’s zijn zeker goed en hier en daar is er wel eentje die een plek verdient in een overzichtswerk over straatfotografie, maar is Maier de alom-bejubeling waard die haar nu te beurt valt? Het heeft er alle schijn van dat je niet buiten Maiers spectaculaire levensverhaal kunt als je het succes van haar foto’s wilt verklaren. Leven en werk vormen in haar geval een onlosmakelijk geheel. Het is namelijk een mirakel, die postume erkenning voor de fotokunst van de anonieme nanny die meer dan honderdduizend foto’s maakte tijdens de wandelingen met de aan haar toevertrouwde kinderen. Een groot deel van haar foto’s ontwikkelde ze niet eens en heeft ze dus nooit zelf gezien. Een opkoper trof haar hele fotoarchief aan in een opslagplaats – het scheelde geen haar of het was meegegeven met de vuilnisophaling. En nu leiden deze foto’s dus een tweede, wat zeg ik, éérste leven in prestigieuze tentoonstellingszalen overal ter wereld. Onder meer in Bozar, nog tot ergens in juli.

Dit zegt iets over het kunstenaarschap. Beschouwde Maier zichzelf als een kunstenares? Zo ja, waarom ging zij dan niet actiever op zoek naar een publiek? Hoe kon zij koppig volharden in het maken van foto’s terwijl er niemand zelfs maar op de hoogte was van haar activiteit? Haar werkgevers wisten ervan. ‘Ja, ze heeft een hobby,’ antwoordden ze wanneer iemand naar de nanny informeerde. ‘Ze maakt wel eens een foto.’

Kán een kunstenaar wel productief zijn als hij/zij geen uitzicht heeft op erkenning, op gezien (gelezen, gehoord) worden? K. vond van wel. Hij is beeldend kunstenaar en vindt voldoening in het maken zelf. Als zijn werk gezien wordt, tant mieux, maar mocht dat niet gebeuren, het zou hem niet tegenhouden om te blijven tekenen, schilderen en kappen.

Ik heb niet die ervaring. Maar ik máák ook niet in eenzelfde betekenis van dat werkwoord. Op zich, materieel, betekenen mijn teksten niets. Als ze niet worden gelezen, bestaan ze niet. Ze vormen geen objecten die ook nog iets kunnen betekenen voor de maker zelf. Ik kan mij niet voorstellen dat ik zou blijven schrijven, hoe graag ik dat op zich ook doe, als ik zeker zou weten dat niemand mij leest.

De logische volgende vraag – hoeveel erkenning heb ik nodig? – is moeilijk te beantwoorden. Wil ik door duizend mensen worden gelezen, of is één genoeg? Wil ik méér dan alleen maar gelezen worden? Wil ik publicaties in boekvorm? Wil ik lovende recensies? Wil ik prijzen?

Gezien het huidige uitgeefbestel maak ik mij geen illusies. Ik doe zelfs de moeite niet meer. Ik neem vrede met de zekerheid dat een aantal mensen mijn teksten lezen. Ik veronderstel dat zij dat doen omdat zij mijn teksten goed vinden. Ik stel vast dat veel van mijn lezers volgers zijn: ze komen vaak langs op mijn tijdlijn en blog en drukken hun appreciatie uit. Ik krijg reacties, ook van mensen die ik totaal niet ken. Dat maakt mij gelukkiger dan het meer dan duizendkoppige publiek dat ik ooit had toen ik voor de krant schreef maar dat voor mij een onzichtbaar en stom monster bleef.

Enkele dagen geleden ontving ik een reactie van een mevrouw die via haar vriendin mijn twee in eigen beheer uitgegeven boeken in handen had gekregen. Haar reactie maakte mij heel erg blij. Ik citeer enkele zinnen uit de e-mail die ze me stuurde.

Soms zijn je beschrijvingen zo hilarisch en komen er in onze huiskamer scènes voor zoals je die ziet bij ‘Mister Bean’:  mijn man wordt zo gestoord door mijn uitbundig lachen dat hij bijna sokken in zijn oren stopt…

(…)

Ook al is jouw thuissituatie op zoveel gebieden heel anders geweest dan de mijne, toch slaag je erin om voor mij herkenbare en bij momenten pijnlijke ervaringen op te roepen.

(…)

Je stelt je heel kwetsbaar op, en dat is bewonderenswaardig. Zonder sentimentaliteit en zucht naar erkenning beschrijf je – ik denk heel eerlijk en met de handicap van het geheugen – wat je beïnvloed heeft en wat je gemaakt heeft (voor een deel) tot wie je nu bent. Dit apprecieer ik en wellicht ook andere lezers. Het laat mij toe te reflecteren en daagt me uit dieper na te denken: wie ben ik, wat is voor mij belangrijk (geweest), wat betekent taal in mijn leven enz. Kort gezegd: je boek is zoveel meer dan een verslag of een terugblik naar het verleden. Het is een universeel herkennen.

(…)

Hartelijke groet

M.-J.

6498

Brugge, Raamstraat - 220528

 

maandag 20 juni 2022

getekend 423

 

notitie 218

VAN YES

Donderdag fietste ik naar Oostende. Om, in haar appartement dat uitkijkt op het casino, de dijk en – uiteraard – de zee, mijn goede vriendin A. te bezoeken, maar ook om eventjes mee te stappen met de Bloomsday-optocht die was georganiseerd door een select groepje Joyceanen. Een belle époque-fanfare liep voorop met jazzy tunetjes en werd gevolgd door een dertigtal mensen die hun best hadden gedaan om er vestimentair zo interbellumistisch mogelijk uit te zien: witte overhemden, fleurige bretellen, strooien hoeden, wandelstokken. Het zomerse weer speelde aardig mee. Op gezette tijden hield het vrolijke gezelschap halt om te luisteren naar een passage uit Ulysses die werd voorgelezen.

Een van de organisatoren van dit ludieke eerbetoon aan James Joyce, die enige tijd in Oostende verbleef (wat de herdenking op deze plek legitimeerde), was de vooraanstaande en zeer minzame Vlaamse schrijver Koen Peeters. Hem hoopte ik te kunnen begroeten. Dat zou dan voor het eerst zijn sinds 1996, toen ik het genoegen had hem te mogen interviewen naar aanleiding van zijn roman Het is niet ernstig, mon amour. (Dat interview was voor De Standaard, ik plaatste het hier: https://pascaldigital.blogspot.com/2022/04/interview-met-koen-peeters-1996.html.) Ik werd in mijn hoop niet teleurgesteld. We voerden een aangenaam en openhartig gesprekje.

We hadden in de loop van de kwarteeuw dat we elkaar niet meer hebben teruggezien af en toe wel eens contact. Recent nog, naar aanleiding van De elfde teen, het eerste deel van de autobiografie die ik aan het schrijven ben. Ik dacht er toen nog aan om met die ‘elfde teen’ toonaangevende uitgeverijen te bestoken, en het leek mij een goede strategie om aan die uitgeverijen verbonden schrijvers die ik persoonlijk ken te vragen om mij daar een handje bij te helpen. Koen Peeters was een van hen. Hij las mijn boek en vond het goed genoeg (dat was de voorwaarde die ik vooraf had gesteld!) om een aanbeveling te schrijven. De zending van boek plus aanbeveling plus eigen brief werd evenwel bij De Bezige Bij verticaal geklasseerd – ik kreeg althans geen antwoord. Niet eens een bevestiging van ontvangst, wat in het kader van de elementaire beleefdheid toch een minimum minimorum zou zijn geweest.

Koen betreurde dit ook en vond het jammer. ‘Je boek heeft zeker kwaliteiten,’ zei hij. ‘Maar mag ik mij veroorloven twee kleine puntjes van kritiek te geven?’ voegde hij er voorzichtigjes aan toe. ‘Uiteraard,’ zeg ik, geheel naar waarheid. ‘De opmerkingen van een echte schrijver kan ik niet anders dan enthousiast ter harte nemen en er zo mijn voordeel mee doen.’

Koen gaf zijn opmerkingen. Ik spitste mijn oren – ik kom er morgen nog op terug. Kijk, ja, daar had ik eten en drinken aan. Ik stapte, jazeker, nog een eindje mee op met de Joyce-fanfare. Het gezelschap kwam tot stilstand tegenover hotel L’Océan waar James, toen dat hotel nog niet vermassacreerd was tot het uit de jaren zeventig daterende gedrocht dat het nu is, een poos had verbleven. En daar luisterden we naar een meneer die, in het Engels, in – yes yes – Iers-getint Engels, de laatste bladzijde van Ulysses te berde bracht, en jawel, dat sloeg aan. Yes!

6497

Brugge, AZ Sint-Jan - 220527

 

zondag 19 juni 2022

notitie 217

LEESPROJECTEN

Ik had het in notitie 215 over James Joyce, en dat het lezen van diens werk en een aantal van de secundaire werken ‘een van de belangrijkste episodes in mijn persoonlijke lectuurgeschiedenis’ vormt. ‘Een van de’: dat doet mij natuurlijk de vraag stellen wat dan wel die andere episodes zijn. Ik zet ze even op een rij, en voor elke episode geldt dat ze onvoltooid is – wat mij tegelijkertijd in paniek doet slaan als geruststelt: paniek om evidente redenen en geruststelling omdat ik weet dat ik mij de volgende dertig jaar niet hoef af te vragen waarmee ik nu weer mijn tijd zal moeten doden.

Proust is zo’n ‘belangrijke episode in mijn persoonlijke lectuurgeschiedenis’. Ik bewaar alles wat ik van en over hem bezit in een aparte bibliotheekkast. In 1980 las ik een eerste keer Combray en in 1993 een eerste keer Over het lezen (Sur la lecture). Sindsdien herlas ik beide boeken herhaaldelijk. Ik las ook een aantal biografische werken over Proust, onder meer de lijvige biografie van Ghislain de Diesbach. In 2006 begon ik aan een systematische lectuur van A la recherche du temps perdu, Frans en Nederlandse vertaling naast elkaar, en daar breng ik verslag van uit op de blog Rechercheur. Die lectuur ligt nu wel al meer dan twee jaar stil en het wordt tijd dat ik haar hervat want ik berekende eerder al dat ik tot ver voorbij mijn tachtigste alert genoeg zal moeten blijven om op die manier en aan het tot de onderbreking gehandhaafde tempo de volledige Recherche te doorploegen. Ik heb me ook een tijdje geamuseerd met het zelf vertalen van zinnen uit de Recherche – daarvan is de neerslag hier te vinden.

Naast Joyce en Proust levert W.G. Sebald een derde leesproject op. Eigenlijk ben ik met deze auteur al meer dan 25 jaar vrijwel voortdurend bezig: vanaf het ogenblik dat ik louter toevallig een recensie-exemplaar van een boek in handen kreeg dat toen nog Melancholische dwaalwegen heette (nu, in de nieuwe vertaling van Ria van Hengel, is dat: Duizelingen). Als nooit tevoren bij om het even welke andere auteur was ik danig onder de indruk: dit was zonder enige twijfel van het beste wat ik ooit had gelezen. Sindsdien ben ik het – gelukkig én zeer jammer genoeg – weinig omvangrijke oeuvre van Sebald voortdurend aan het herlezen. Nu doe ik dat in combinatie met de eerste Sebald-biografie, die van Carole Angier. Zij bespreekt ook de werken, die ik dan ook, parallel met de biografie, voor de zoveelste keer herlees.

Een leesproject dat minder aan één auteur is gebonden, heet: Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. Het uitgangspunt is een fascinatie voor de toestand waarin dat land na de totale ondergang was terechtgekomen en hoe het daaruit is rechtgekrabbeld. Sebald heeft hierin zeker zijn plaats, maar er zijn ook vele andere schrijvers, bijvoorbeeld Uwe Timm, Günther Grass, Uwe Tellkamp, enzovoort. Veel Uwes want Uwe Johnson hoort ook in dit rijtje thuis. Ik kon niet aan de verleiding weerstaan om diens Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl te kopen, de vertaling van Jahrestage – en alleen al omwille van die forse investering voel ik me genoodzaakt om ook dat boek zeker te lezen. Een historisch werk dat in dit project past en op mijn tijd wacht, is Wolfstijd. Duitsland en de Duitsers 1945-1955 van Harald Jahner.

De meeste boeken die ik aanschaf vind ik in het tweedehandse circuit, maar vaak koop ik toch ook nieuwe boeken, aan de volle prijs dus – en die moet ik dan toch voorrang geven in mijn lectuurprogramma want anders krijg ik die investering niet uitgelegd. De categorie van nieuw aangekochte boeken vormt een apart leesproject. Het gaat om tientallen titels.

Na zelf vele jaren leesclubs te hebben begeleid en in functie daarvan heel wat boeken te hebben gelezen en bestudeerd (zie deze lijst, ben ik nu zelf lid van leesclubs. Ook dat zorgt voor leesprojecten: binnenkort staan Serotonine van Michel Houellebecq en de boeken van Wessel te Gussinklo op het programma. Van die laatste zullen we De hoogstapelaar lezen, maar ik heb me de hele Ewout Meyster-tetralogie aangeschaft waarvan dit ene boek het derde deel is.

En tot slot zou ik me willen verdiepen in – ik doe een willekeurige greep – het werk van David Foster Wallace, Michel Leiris, Robert Musil en Olga Tokarczuk, in Leven en lot van Vasili Grossman, in de verzamelde werken van Arthur Schopenhauer, Michel de Montaigne en Vladimir Nabokov, in de biografieën van Václav Havel en Ludwig Wittgenstein. Et j’en passe – ach, het is onbegonnen werk.