dinsdag 28 mei 2024

Bart Moeyaert, Een ander leven

notitie 420

WAT ANDEREN OVER MIJ DENKEN

Gerard Walschap heeft zijn in het begin van de jaren zeventig geschreven Autobiografie van mijn vader bij leven nooit laten publiceren. Het boek verscheen postuum, pas nadat dochter Carla het manuscript in haar vaders nalatenschap had aangetroffen. Biograaf Jos Borré merkt wijs op dat het ‘een precaire onderneming blijft je vader te portretteren en jezelf te beschrijven zoals je vermoedt dat hij je zag’. Uiteraard moest ik denken, toch bij het eerste deel van dit citaat, aan mijn eigen autobiografische onderneming waarbij ik, in het binnenkort te verschijnen vierde deel, een uitgebreid hoofdstuk aan mijn vader wijd. (Hoe hij over mij dacht, daar heb ik, hoe graag ik het ook zou weten, het raden naar.) Maar ik dacht ook, en dan vooral met betrekking tot het tweede deel van het citaat, aan Een ander leven van Bart Moeyaert. En dan kan ik niet anders dan het betreuren dat Moeyaert de wijze raad van Jos Borré waarschijnlijk niet heeft gelezen maar zeker ook niet in acht heeft genomen. En dan niet alleen als het over zijn vader gaat: Moeyaert is zeer begaan met hoe zowat iedereen van enig literair belang met wie hij ooit in aanraking is gekomen over hem denkt.

Het achterplat en de geruchten die ik al heb opgevangen proberen aan te geven dat Een ander leven niet alleen over Bart Moeyaert zelf gaat maar ook over zijn moeder. Dat is zeker waar, maar de hoeveelheid woorden die Moeyaert aan zijn vader besteedt mogen dan al veel geringer in aantal zijn, op de een of andere manier komt vader Moeyaert toch harder, scherper en duidelijker naar voren. Als de dwarsbomer van zoonliefs ambities, maar vooral als een man die de geaardheid van zijn zoon uitdrukkelijk verwerpt, toch zeker in eerste instantie – later zegt hij, volgens de zoon op weinig overtuigende wijze, er ‘geen enkel probleem’ mee te hebben. Neen, deze man komt niet fraai uit dit grotendeels impliciete portret naar voren. Gelukkig vergeet Bart Moeyaert niet te melden dat hij, wanneer zijn vader is overleden, in diens nalatenschap een doos met mappen aantreft waarin zeer minutieus alle knipsels en documenten zijn bijgehouden waarin de literaire successen van de jongste zoon aan bod komen.

In Een ander leven zoekt Moeyaert voortdurend in de mening van anderen zelfbevestiging. Heeft hij dan aan al die prijzen die hij tot nu toe heeft vergaard – een indrukwekkend palmares! – niet genoeg om overtuigd te zijn van zijn eigenwaarde? Blijkbaar niet. Voortdurend citeert hij anderen die het over hem hebben. Altijd in positieve zin welteverstaan. Het gaat zeer vaak om figuren die belangrijk zijn geweest voor de ontwikkeling van deze bijzonder succesvolle literaire carrière. Hoe hoger het aanzien van die figuren, hoe beter natuurlijk: Moeyaert noteert en etaleert de lof van onder meer Judith Herzberg, Anthony Horowitz en Aidan Chambers. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat hier een lucht hangt van zelfbewieroking. Dit op zichzelf gerichte perspectief irriteert en wordt op den duur zelfs gênant. Moeyaert slaagt er in elk geval niet in om de wijze raad op te volgen die hij zichzelf geeft (bij het bijhouden van een ‘cultureel dagboek’, een opdracht van Lieven Tavernier, leraar Nederlands aan de Sint-Lucashumaniora te Gent): ‘ik probeer uit de buurt van mijn navel te blijven’ (223).

Deze vaststelling stemt me in elk geval niet gunstig genoeg om de vaak krakkemikkige stijl en taal waarin dit boek is geschreven er voor lief bij te nemen. Ik probeer alvast de les ter harte te nemen en doordrongen te zijn van het besef dat het autobiografische schrijven altijd het gevaar inhoudt zelfingenomen over te komen, zeker dat schrijven in onvoldoende mate wordt gekenmerkt door literaire kwaliteit.



Jos Borré, Gerard Walschap. Een biografie, 2013
Bart Moeyaert, Een ander leven, 2024




7208

Ryckevelde - 240429


maandag 27 mei 2024

7207

Ryckevelde - 240429


zondag 26 mei 2024

7206

Brugge, Kristus-Koning - 240429


zaterdag 25 mei 2024

getekend 450



7205

Brugge, Stil Ende - 240428


vrijdag 24 mei 2024

23 * 81,1 * 25,9 * 1277,1

Assebroek - Oedelem - Sijsele - Oedelem - Beernem - Hertsberge - Ruddervoorde - Veldegem - Aartrijke - Snellegem - Varsenare



afscheid van mijn digitaal bestaan 359

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

27 maart 2014


ASKRUISJE

Om de zoveel jaar wijdt het Journaal op Aswoensdag een item aan het stilaan in onbruik gerakende katholieke ritueel van het toedienen van het askruisje. Zo ging het ook dit jaar. De toon is respectvol, dat wel, maar je zou toch ook de indruk kunnen krijgen dat een soort antropologisme de invalshoek enigszins kleurt. De blik van de reportagemaker is extern-observerend, als van een ontdekkingsreiziger die in een of andere trieste troop of een door boskappers vergeten uithoek van de Amazone nog maar eens een laatste indianenstam met één ruk naar de beschaving katapulteert. Een schaamlapje, mollige rompen, kleurstrepen op de wangen, oorringen, een stok door de neusvleugels, die verbaasde blik onder een froufrou van steil blauwzwart haar.

Vooral oude mensen verlaten gemerkt de kerk, maar ook een paar nog jonge meisjes – zij het dat die toch vooral de reportage lijken te hebben gehaald om het katholicisme niet helemaal als een toekomstloze aangelegenheid voor te stellen. Ze stralen dat naïef-fanatieke uit, dat anachronistische… Iets seuterigs ook. Maar op mijn sympathie kunnen ze rekenen – alleen al omdat ze moedig zijn en niet malen om dat grauwe teken op hun voorhoofd, dat wijst naar iets waar zij hopelijk nog zeer ver vandaan zijn.

Een van de oude vrouwen zegt dat ze vanavond op haar rug gaat slapen. Om het teken dat ze heeft ontvangen niet uit te vegen tegen haar hoofdkussen.

Ik herinner me hoe ook ik devoot probeerde om minstens tot ’s anderendaags en indien mogelijk zelfs tot de vrijdag het askruisje op mijn voorhoofd te showen, tot het was vervaagd tot een schimmige vlek. Ik moet zeven of acht geweest zijn – Aswoensdag was in het Journaal nog geen item.




7204

Brugge, Gulden-Vlieslaan - 240425


donderdag 23 mei 2024

7203

Brussel - 240421


woensdag 22 mei 2024

driekleur 554

Het zwart onder de randjes van zijn vingernagels. Je hebt zijn nagels te lang laten worden, want het is lastig zoiets kleins dat voortdurend beweegt precies goed te knippen. Nu zou er een heel klein nagelborsteltje nodig zijn om ze schoon te maken.

De kleuren van zijn gezicht: zijn roze voorhoofd, zijn blauwige oogleden, zijn roodgouden wenkbrauwen. En de piepkleine zweetdruppeltjes die in de piepkleine porietjes van zijn huid staan.

Hoe, als gij gaapt, zijn neusvleugels geel worden.


Lydia Davis, Varianten van ongemak in: De verzamelde verhalen, 530



afscheid van mijn digitaal bestaan 358

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

22 maart 2014


Met de hier volgende zinnen, waarvan ik om de een of andere reden vind dat ik ze dringend moet uitschrijven, word ik wakker. Ik sta op, zoek een stuk papier en iets om te schrijven en noteer (ik pas hier toch wat eindredactie toe):



Zij wilde mij niet binnenlaten om mijn tweede boek in ontvangst te nemen omdat zij van oordeel was dat ik haar in het eerste onrecht had aangedaan. De deur stond op een kier en vanachter de deur sprak zij mij bestraffend toe. Om zich onaantrekkelijk voor te doen, droeg zij haar oorbellen op haar neus. Ik probeerde haar nog op andere gedachten te brengen maar zij was niet te vermurwen. Zelfs mijn zoon, die met de hele zaak niets te maken had, wilde zij niet binnenlaten. Door de deur voor mijn neus dicht te slaan, zadelde zij mij op met de vervelende taak hem tekst en uitleg te verschaffen.


7202

Brussel - 240421


dinsdag 21 mei 2024

parallel 212

Een medische conditie die veroorzaakt wordt door medicijnen is een iatrogene aandoening.

Salman Rushdie, Mes, 88



Na het inbrengen van de pacemaker traden er medische klachten op die veroorzaakt bleken te zijn door de medische ingrepen zelf.

Lydia Davis, Varianten van ongemak in: De verzamelde verhalen, 572


afscheid van mijn digitaal bestaan 357

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

20 maart 2014

ARTIKEL


Routine, ritme en register

Over het schrijven van artikels


Het schrijven van artikels blijkt vooral een kwestie van ritme en routine, van een beheerste timing in de schriftuur. Maar je moet ook altijd goed weten in welk register je hoort te schrijven. Dat is afhankelijk van het onderwerp, van het soort bericht dat je brengt, van de ruimte die je is toegemeten. P.C. schreef in een vorig leven heel wat artikels. Hij stond ons te woord in zijn woning te Brugge.


Ik heb er toch wel een aantal geschreven, denk ik, voldoende in elk geval om dat geëigende ritme in de vingers te hebben. Op den duur schrijf je artikels zoals ik denk dat een jazzmusicus improviseert: schijnbaar gedachteloos variërend, maar altijd binnen de perken van de conventie.’

P.C. laat zich verleiden tot een lesje journalistiek schrijven. Hij haalt met zichtbaar genoegen herinneringen op aan zijn journalistieke tijd. Uit een map met gefotokopieerde artikels, alle van zijn hand, haalt hij er willekeurig eentje boven en illustreert zijn theorie. ‘Kijk. Een inleiding die al de kern van de mededeling bevat, gaat het stuk vooraf. Het stuk zelf begint met een aanloop, waarin vaak nog eens het belangrijkste wordt geëxpliciteerd. Zo heeft de aandachtige lezer de boodschap al meteen na titel, inleiding en die eerste zinnen behoorlijk ingepeperd gekregen.’

P.C. toont ons hoe de journalist na die eerste inleidende zinnen ingaat op de aanleiding of de voorgeschiedenis van de kwestie die hij behandelt. Hij moet in elk geval een situering geven, waarna eventueel een vooruitblik of een algemene opmerking als coda kan fungeren. Als dat alles – ‘meestal in één geut’ – op papier is gezet, en de zinnen mooi op maat zijn opgepoetst en bijgeschaafd, volgt het laatste werk: het bedenken van een titel. ‘Die moet,’ aldus P.C., ‘de aandacht trekken, catchy zijn. De essentie van het bericht moet erin vervat zijn, maar dan zodanig dat er nog iets te raden overblijft. Je kunt de lezer prikkelen met iets woordspelerigs of paradoxaals, of met een klank die blijft hangen. Uiteraard doet het er wel toe om welk soort artikel het gaat. Bij recensies of beschouwingen kun je je al wat gemakkelijker een literaire frivoliteit permitteren, het sec-feitelijke wat meer achterwege laten.’

Uiteraard kunnen we het niet nalaten P.C. om een mooi voorbeeld te vragen. Hij zegt dat hij daar redelijk goed in was, in het bedenken van die wat meer literaire titels. ‘Al zeg ik het zelf’, voegt hij er glimlachend aan toe. En hij diept het artikel ‘Tuinieren op ’s werelds rand’ op, een recensie van Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere. ‘Maar die mogelijkheid heb je enkel met dat soort literaire artikels. Als je artikels moet schrijven die je als een artikel in een winkel moet verkopen, op maat geschreven stukjes die enkel een feit melden, een verkeersongeluk of een brand, of die verslag uitbrengen van een poëzieavond, iets waar nauwelijks duiding bij komt kijken of een persoonlijke mening, of een stukje waarin je iemand laat uitleggen hoe je een goed artikel schrijft, van die artikels die je schrijft op commando van één-twee-drie, pure broodschrijverij eigenlijk – ja, dan staat zo’n titelspielereitje daar toch maar wat potsierlijk, dan kun je je bij het bedenken van een titel maar beter op de vlakte houden en tot pure communicatie beperken.’

Gevraagd naar de ideale lengte van een artikel, antwoordt P.C. gevat, alsof hij haast heeft: ‘Dat hangt er een beetje van af, maar vijfhonderd woorden lijkt mij ideaal, exclusief titel en inleiding.’ (PC)

7201

Brussel - 240421


maandag 20 mei 2024

afscheid van mijn digitaal bestaan 356

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

7 maart 2014


ARROGANTIE

Arrogantie, hoogmoed, pretentie, hybris, eigendunk, zelfverzekerdheid, assertiviteit – en er zijn er wellicht nog te bedenken: schakeringen van een bepaalde instelling ten aanzien van hoe je je op een ‘sterke’ manier kunt verhouden ten overstaan van je medemensen en van de dingen die je onderneemt. (De tegenpolen zijn: bescheidenheid, onzekerheid, zelfgeringschatting, faalangst…) Probeer de nuances tussen al die begrippen in te zien. Om te begrijpen wat ze precies behelzen, helpt het om na te gaan in hoeverre je er het adjectief ‘gezond’ naast kunt plaatsen. Een gezonde dosis eigendunk, dat gaat nog net. Pretentie kan iets positiefs zijn, zelfverzekerdheid zeker ook. Maar kun je hoogmoed en hybris in bepaalde omstandigheden gezond noemen? Hier klinkt de onvermijdelijke afloop al mee: hoogmoed komt voor de val en hybris wordt afgestraft. Arrogantie is een in alle opzichten negatief begrip. Een gezonde portie arrogantie, dat bestaat niet. Neen, in de connotatiewolk die dat woord met zich meevoert, waait het ziekelijke mee aan. Arrogantie is een symptoom van iets wat verborgen hoort te blijven. Hierachter gaat een slecht zelfbeeld schuil, een lage dunk, een zwakheid. Iets wat je zeer kwetsbaar maakt.







7200

Brussel - 240421

 

zondag 19 mei 2024

22 * 64,4 * 27,1 * 1196,0

Nieuwege - Plassendale - Roksem - Gistel - Oudenburg - Vlissegem - De Haan - Klemskerke - Stalhille - Meetkerke



7199

S. - 240420


zaterdag 18 mei 2024

Quentin Dupieux, Le deuxième acte

notitie 419

HET ACTEREN GEACTEERD

In de trailer van Le deuxième acte zegt de acteur die in de film de figurant speelt dat hij eigenlijk de hoofdrol heeft. Dat is uiteraard waar. Maar ook bijzonder tragisch.

Het is waar omdat er voor onze wereld geen tweede bedrijf is. Wat zich nu afspeelt, speelt zich nu af en er is geen tweede kans. Ook niet in de kunst, lijkt deze film te zeggen.

Daarover gaat Le deuxième acte. Het klinkt topzwaar en dat is het ook. Maar Quentin Dupieux levert wel een sobere, zeer humoristische maar tegelijkertijd ook intrieste prachtfilm af.

Le deuxième acte is geen dijenkletser of visueel spektakel. Liefhebbers van cinematografische hoogstandjes en geweld moeten vrede nemen met de naar verluidt langste tracking shot uit de wereldfilmgeschiedenis, een bloedneus en wat verbaal spervuur. Ja, u voelt mij al aankomen: dit is zo’n typisch Franse praatfilm voor intellectuele cinefielen!

Daar zorgen de fenomenale acteerprestaties van Léa Seydoux, Vincent Lindon, Louis Garrel, Raphaël Quenard en Manuel Guillot voor. En uiteraard is er ook het thema van de film. De inhoud, zeg maar, want jawel, Quentin Dupieux heeft het ergens over.

Le deuxième acte gaat over film in het bijzonder en fictie, of de verhouding tussen fictie en waarheid, in het algemeen. De acteurs wisselen voortdurend van register: ze spelen de rol die het script hun voorschrijft, en dan spelen ze zogezegd zichzelf, waarbij ze het over het maken van deze film hebben en zich soms zelfs rechtstreeks tot de camera of de geluidsman richten. Ze spelen dus dat ze spelen. Ze acteren het acteren – waarbij dat dubbelop acteren natuurlijk zelf ook weer een acteren is. Waarna ze weer naar hun rol terugkeren. Uiteraard staan de passages waarin ze ‘uit hun rol vallen’ ook in het script. De film wordt een dolgedraaide spiegeling en weerspiegeling waarbij de acteurs (en de filmmaker) hun eigen activiteit kritisch tegen het licht houden. Het virtuoze wisselen van registers zorgt voor hilarische momenten.

Dupieux stelt de vraag: hoe nog cinema maken in een tijd waarin woke, fake truth en artificiële intelligentie regeren? De film bestaat hoofdzakelijk uit gesprekken. Het verhaal is met opzet uitermate dun en ongeloofwaardig: hier is het Dupieux duidelijk niet om te doen. In de slotdialoog tussen David (Louis Garrel) en Florence (Léa Seydoux) zegt David dat hij eindelijk het licht heeft gezien: de werkelijkheid is niet zoals we gewoon zijn te denken de werkelijkheid maar fictie, en fictie is de werkelijkheid. Onze dromen en fantasieën, de kunst, muziek, literatuur en uiteraard ook film zijn werkelijker dan wat wij voor de werkelijkheid houden. Enkel als je het zo bekijkt, is het leven zoals het nu is leefbaar. Florence verwerpt deze filosofie: ‘La réalité est la réalité. Point final.’ We zitten op de Titanic en het orkest speelt tot het samen met de boot in de golven ten onder gaat. Daar moeten we het mee doen, iets anders hebben we niet.

Point final. Het zijn de laatste woorden van de film. Wat volgt is een woordeloze, schrijnende, gitzwarte epiloog waarin de zogezegde figurant Stéphane (Manuel Guillot), uitbater van het in the middle of nowhere gelegen, ‘Le deuxième acte’ genaamde restaurant (‘ouvert 7/7’), het hele gewicht van de film op zijn schouders laadt.

Quentin Dupieux, Le deuxième acte (2024)


7198

Brussel, Kanselarijstraat - 240416


vrijdag 17 mei 2024

7197

Brugge, Karel de Stoutelaan - 240414


donderdag 16 mei 2024

notitie 418

DECADENT WESTEN

Het Eurosongfestival van het voorbije weekend vond ik veruit de boeiendste editie van de afgelopen vijftig jaar, sinds Abba won met ‘Waterloo’. Niet dat ik ze alle vijftig gezien heb. Integendeel, ik denk niet dat ik in die halve eeuw drie keer heb gekeken. Ik herinner me één keer de puntentelling te hebben uitgezeten, mij verwonderend over de ellendige langdurigheid van de procedure.

Maar goed, daarover wil ik het niet hebben. En nog minder over de abominabele kwaliteit van het overgrote deel van de liedjes. Want het moge duidelijk zijn: over muziek gaat de liedjeswedstrijd allang niet meer. Eurosong is – op nogal vervelende wijze, het moet gezegd – verveld tot een lgbtqia+-manifestatie waarbij de liedjeswedstrijd enkel nog als kapstok of structurerend element fungeert. Op zich heb ik daar geen probleem mee, zolang ik niet word verplicht om ernaar te kijken. Op dezelfde wijze heb ik geen probleem met gay parades, zolang ik er maar niet bij hoef te worden betrokken. Ze doen maar. Blijkbaar kan het niet zonder geluidsvolume, wansmaak en een overdosis narcisme, maar daar hoef ik mij niets van aan te trekken. Dan nog altijd liever een – volgens Poetin en islamisten – ‘decadent Westen’ dan een repressieve dictatuur of een intolerant religieus fanatisme, twee andere manieren om samenlevingen te organiseren, die, overigens, eenzijdig masculien zijn.

Vrijheid blijheid dus. Maar is de toe-eigening door de regenbooggemeenschap van het Eurosongfestival wel iets vrijs om vrolijk van te worden?

Het gezwaai met vlaggen is niet bepaald iets wat mijn vertrouwen vermag op te wekken. Ik vind het een vreemde combinatie: een manifestatie van hoogstindividuele expressiviteit samen met het vertoon van nationalistische aanhorigheid. Zeker als met sommige van de vertoonde vlaggen tezelfdertijd ook op militaire fronten wordt gezwaaid. Letterlijk op hetzelfde moment dat de Israëlische kandidate haar act kwam brengen, prijkte diezelfde blauwe zespuntige ster op de bommen die op Rafah vielen. Hoeveel Palestijnen werden tijdens de Eurovisie-uitzending gedood?

Een andere zaak, die mij eigenlijk nog meer stoort – enfin, ik druk me te aseptisch uit, eigenlijk moet ik zeggen: die ik nog weerzinwekkender vind – is deze. Ik zie het beeld voor mij van de ‘non-binaire’ winnaar uit – ironisch genoeg – het neutrale Zwitserland. (Ik plaats dat ‘non-binaire’ tussen aanhalingstekens omdat het in zowat alle berichten als een epitheton werd toegevoegd aan de naam van de zanger. Die – ook ironisch! – Nemo heet. Je zou verwachten dat een kenmerk zou worden toegevoegd dat niet naar zijn seksuele identiteit maar naar zijn zangkwaliteit zou verwijzen, bijvoorbeeld ‘de tenor Nemo’, maar niet dus. Zei ik niet al dat het liedjesfestival niets meer met muziek te maken heeft?) Ik zie dus, zei ik, het beeld van die non-binaire Zwitser voor me, tijdens de achterafpersconferentie. Hij zei dat hij niet ten volle kon genieten van zijn overwinning door alle heisa met het boegeroep voor de Israëlische kandidate, en dan was er ook nog eens de diskwalificatie van zijn Nederlandse collega. Dat kon ik begrijpen. Je wint, behalve als je Johnny Logan heet, maar één keer in je leven het Eurosongfestival en dan wil je niet dat jouw party gespoild wordt. Nemo zei dit, zittende achter een tafel met microfoons en voor een wand met daarop de logo’s van de sponsors van het festival. Ik zag de naam van de Israëlische hoofdsponsor, de namen van twee luchtvaartmaatschappijen, en ook nog het logo van een Chinese spionage- en beïnvloedingsgigant die in zijn eentje meer bijdraagt aan het decadent maken van het Westen dan alle lgbtqia+-organisaties en -manifestaties bij elkaar, met name TikTok.

Kijk, daar is het mij om te doen. Dat lgbtqia+ Eurosong gekaapt heeft, het zal mij Conchita Wurst wezen. Maar de regenbooggemeenschap lijkt niet te beseffen voor wiens kar ze zich heeft laten spannen. Of ze lijkt zich daar toch niet bijzonder hard aan te storen. Ik zie hier het individuele narcisme van deze al dan niet non-binaire homo’s, lesbiennes, transpersonen en welke varianten er mogelijk nog zijn uitvergroot in een soort van collectief narcisme, en wel van een gemeenschap die zozeer gericht is op haar eigen identiteit en op het recht om ‘zichzelf’ te zijn – een zeer terecht streven, uiteraard – dat ze geen oog meer heeft voor de context waarin ze deze strijd aangaat: een context waarin in ecologisch en ideologisch opzicht totaal foute giganten zichzelf schaamteloos afficheren. Als het Eurosongfestival decadent is, dan niet omdat het een manifestatie is van veranderende opvattingen over persoonlijke identiteit, op zich zeer verdedigbaar, maar omdat ook hier, net als in bijvoorbeeld de sport, het geld en bijgevolg de corruptie en de achteloosheid ten aanzien van het voortbestaan van de planeet regeren. Jammer dat de lgbtqia+-gemeenschap te zeer op zichzelf gericht is om dat te zien.





7196

Brugge, Kolenkaai - 240411

 

woensdag 15 mei 2024

getekend 449



7195

Brugge, Burg - 240411


dinsdag 14 mei 2024

7194

Brugge, Beenhouwersstraat - 240409


maandag 13 mei 2024

pauwenveren 53

Le paon / De pauw


En faisant la roue, cet oiseau,
Dont le pennage traîne à terre,
Apparaît encore plus beau,
Mais se découvre le derrière.


Ontplooit de pauw de vedertooi
Die hij op aarde slepen liet,
Dan lijkt die vogel eens zo mooi,
Ofschoon je zo zijn billen ziet.


Guillaume Apollinaire, Bestiaire ou Cortège d’Orphée / Beestenboek of stoet van Orpheus (vertaling Paul Claes)


220214

pauwenveren 52

Paris Guide vatte het spitsuur op de Boulevard Haussmann tussen de Passage Jouffroy en de Chaussée d’Antin – rond zes uur, wanneer de avondkranten in de kiosken aankwamen en het flaneren kon beginnen – in een fraaie montage van klanken en geuren: ‘het metalige zwart, de glans van muskus, het ruisen van zijden jurken en hoeden met pauwenveren.’

Eric Min, Gare du Nord, 22

2201