vrijdag 27 februari 2015

driekleur 174



Hij volgde haar aanwijzingen op en vond een jonge zwarte vrouw aan een stalen bureau dat vol stond met beelden van trouw en solidariteit in gouden lijsten, kinderen en ouders, een sombere bruine jongen in een bruin militair uniform, een lachend gezin aan de oever van een meer; er was zelfs een foto van een huis, een gewoon klein buitenhuis ergens, met een groen gazon ervoor. Ze las Richards beëdigde verklaring zonder commentaar. Hij onderdrukte zijn drang om haar zijn excuses aan te bieden. Ze vroeg zijn rijbewijs en vergelijk het gezicht erop met het zijne. Ze overhandigde hem een pen en plaatste een rode stempel van onherroepelijkheid naast zijn handtekening. De rode bal hing nog in de lucht, ergens in een doos met dia’s die hij nooit meer zou zien (…)

John Updike, Een huwelijk in afleveringen, 180-181

wolken 1396-1401



wolkenfragmenten uit David Nicholls, Wij

1396
En zo reisden we in wat ik verkoos te beschouwen als een aangename stilte verder, glipten we via de achterdeur Londen uit en kwamen weer boven in een treurig landschap van hoogspanningsmasten en snelwegen, een plotselinge glimp van een rivier – de Medway? – vol mokkende motorjachten in de bewolkte Engelse zomer, gevolgd door weer een onsamenhangend bosgebied en toen weer de snelweg. (67)

1397
Het weer was omgeslagen en onder het laaghangende, dichte wolkendek was het benauwd in de stad. (116)

1398
Een foto waarop hij op een of andere rivieroever lag, op een bewolkte dag in een voorgaande zomer, met een knokig, bleek lichaam waarop kippenvel zichtbaar was, gevolgd door een reeks kiekjes met zwaaiende armen en benen aan een touw waarmee hij boven de rivier slingert. (260)

1399
Natuurlijk geloof ik niet in een leven na de door, maar als hij vanaf een of andere wolk neerkeek op de trein naar Siena, zou hij vermoedelijk wel een van zijn oude favoriete opmerkingen mogen maken: Zie je nou wel? Zie je nou? Zo slim ben je nou ook weer niet, hè! (300)

1400
Alles was scherp en helder, de lucht puur, geen wolkje te zien, en ik besefte hoe relatief nieuw deze ervaring voor de mensheid was, de mogelijkheid om de aarde zo uitgespreid te zien, en hoe zelfgenoegzaam we daarover deden. (336)

1401
We reden in westelijke richting onder een bewolkte hemel. (339)

3886

Damme - 141224

los ingeslagen 197



Veel van mijn Facebookcontacten verspreiden de beelden die IS de wereld instuurt. Dit keer zijn het geen gegijzelden die de nek wordt overgesneden, het gaat nu om bruten met baarden die in een Iraaks museum de sectie antieke meesterwerken te lijf gaan met voorhamers en, als het volgens hen daarmee niet snel genoeg gaat, drilboren. Ik deel die beelden niet, omdat ik niet wil bijdragen tot hun doelstelling: de endemische verspreiding van angst en haat. Maar ik wil er wel iets over kwijt.

Uiteraard is dit ‘monsterlijk’ en ‘barbaars’, en uiteraard ‘schieten woorden tekort’ – dat zijn de commentaren die het vaakst terugkeren. Het zijn inderdaad uitermate pijnlijke beelden. Kunstwerken (‘beelden’, maar dan in een andere betekenis) die eeuwenoud zijn en wereldwijd worden beschouwd als behorende tot de meest verfijnde uitingen van menselijkheid en verlangen naar schoonheid en eeuwigheid waartoe de mens in staat is gebleken, en die derhalve in geen enkele kunstgeschiedenis onvermeld blijven, worden hier met duizelingwekkend cynisme in enkele seconden tijd verpulverd. We zien hier veraanschouwelijkt wat het betekent als je van iets, of iemand, zegt dat het is alsof het, of hij of zij, nooit heeft bestaan. Hier krijgen we te zien wat vergankelijkheid is. Datgene wat het meest bestand leek tegen verval, erosie en desintegratie op welke manier dan ook, blijkt dat helemaal niet te zijn – integendeel, doordat deze stenen beelden het doelwit worden van een drijfveer die evenzeer menselijk is als dat schoonheids- en eeuwigheidsverlangen waaruit ze zijn ontstaan, blijken ze uitermate kwetsbaar.

Uiteraard vormt deze vertoning – want dat is het, een vertoning – een dieptepunt in de geschiedenis van de mensheid. Maar een essentieel onderdeel van deze vertoning is dat hij gefilmd is en voor iedereen zichtbaar wordt gemaakt. We mogen niet vergeten dat dit niet de eerste keer is dat cultuur en schoonheid in naam van een godsdienst worden vernietigd. Alleen werd dat vroeger niet gefilmd en geyoutubed. We mogen hierbij niet vergeten dat de mens vorige uitingen van zijn vernielzucht, bijvoorbeeld deze in naam van economisch gewin en zogenaamde beschavingsdrang in de kolonies, zedig verzweeg. Dat in de globalisering van de hebzucht al tal van culturen zijn ondergegaan. We mogen vooral niet vergeten dat de mens op dit moment op grote schaal en met een nooit vertoonde snelheid de hele planeet aan het vernietigen is, een opruimactie in het duistere licht waarvan deze trieste IS-propagandafilm in een Iraaks museum, hoe erg en schokkend op zichzelf ook, een fait divers zal blijken te zijn als we niet op tijd ingrijpen.

En dan, minder algemeen, toch ook nog deze twee opmerkingen.

De culturele sloop in de landen van het Midden-Oosten is al geruime tijd aan de gang. Er worden al jaren ginds geroofde kunstwerken verkocht, ook bij ons, in westerse circuits. Het wapenarsenaal van deze fundamentalisten wordt voor een belangrijk deel op deze manier gefinancierd. Dat is één. En twee, in dit concrete geval: het is onbegrijpelijk dat al die boeken en kunstwerken die nu worden verbrand en vernield in die oorlogsgebieden al niet lang geëvacueerd waren.