maandag 16 januari 2017

4576

Reugnies (F) - 161101

zondag 15 januari 2017

zaterdag 14 januari 2017

getekend 214


los ingeslagen 241 / droom # 104-105



6 april 2002

Er is opnieuw een huiszwamhaard vastgesteld: dit keer in het waskot. Brian staat hier al om half acht om het wezen (dier?/plant?) te bestrijden.

*

Het is nu al meer dan een week stralend helder weer: zoiets is tegenwoordig uitzonderlijk.

*

Stel: een man in zijn MLC gaat wekelijks afwisselend naar een Gregoriaanse mis en een bordeel…

*

(…)

*

Fietsend met de wielervrienden vind ik een portefeuille (met inhoud) op straat. Ik lever de vondst af bij de moeder van de 16-jarige eigenaar in de Clarastraat.

*

Het op intelligente kijkers mikkende ‘Zonder trommels en trompetten’ van Marc Reynebeau (op tv) is dit keer gewijd aan ‘de oorlog tussen de seksen’. Als zo vaak bij dit soort programma’s steek ik er ook dit keer niets van op. En dat niet omdat ik té intelligent zou zijn, maar omdat men op ontstellend vanzelfsprekende wijze blijft steken in oppervlakkigheden en haastig geleuter.

*

(…)


7 april 2002

Israël is al een week Palestijnse steden aan het bezetten. Ze zijn – zeer gepast! – op Paaszondag begonnen. De actie wordt voorgesteld als een zelfverdediging tegen de zelfmoordacties – die inderdaad gestopt zijn…

*

Het opruimen en reinigen van de boeken; de kleverige film van nicotine vermengd met stof; de verschillende impact van het vuil naargelang van de verschillende papiersoorten: op de glanzende covers ligt er een film…

*

Tafi wint de Ronde van Vlaanderen, Museeuw is tweede. Ik kijk drie uur aan een stuk naar de reportage op tv.

*

Ik ga fietsen. Het is nog altijd mooi weer, maar nu staat er een strakke en koude oostenwind.

*

Opruiming: de SdL’s en Boeken-bijlages van meer dan een jaar ver. Het tegengaan van stapelvorming.

*

Ik lees Scheepsberichten van Annie Proulx en heb het gevoel dat ik steeds vaker heb bij het lezen van om het even welke roman, ook een goede (en Proulx schrijft echt niet slecht). Dat gevoel zegt: ‘ik lees niet verder want ik ken nu toch alle verhalen’… De enige reden waar je uiteindelijk nog fictie om leest, is de stijl: blijkbaar kan een goed geschreven tekst nog altijd, in weerwil van de postmoderne scepsis ten aanzien van verhaal en plot, een esthetisch genoegen teweegbrengen. (Maar wanneer is een tekst goed geschreven?)

*

(…)


8 april 2002

Droom: Mijn kot in Leuven. Het is helemaal anders ingericht. De verschillende kamers in het huis lopen nu allemaal in elkaar over. Er wonen andere studenten. Promiscuïteit. Een zeer vuile wc-pot.

*

Droom: Ik kom te laat voor een examen omdat ik er niet toe kom om tijdig met voetballen te stoppen. (In andere dromen kom ik vaak te laat voor het voetballen!)

*

Casanova, De school van het leven:
[104]: ‘Ik vond dat ik een ellendeling was als ik het vertrouwen beschaamde dat zij in mij stelden. Ik besloot daarom tot onthouding. Omdat ik er zeker van was dat ik deze overwinning op mijzelf zou behalen, durfde ik tegen mijn begeerte te vechten en het besluit te nemen mij alleen tevreden te stellen met haar aanwezigheid. Ik kende de grondwaarheid nog niet dat zolang de strijd duurt, de overwinning onzeker is.’

*

(…)

*

(…)


9 april 2002

Met het gezin naar Ieper: bezoek aan de tentoonstelling ‘Dead-lines’ in de Lakenhalle. Tearoom, Menenpoort. Beide kinderen krijgen elk een Zwitsers mes. Tyne-cot. Een heerlijke namiddag.

*

Aster Berkhof in Humo (nr. 3214): ‘Vrouwen zijn ietsje meer mens dan mannen, ze hebben iets meer karaat.’ En: ‘Ik heb het geloof niet verlaten, het geloof heeft mij verlaten.’

*

(…)


10 april 2002

Opnieuw een zelfmoordaanslag in Israël: de bezetting haalt blijkbaar niet veel uit.

*

Casanova, De school van het leven:
[ergens tussen 116 en 130]: ‘Liefde is welsprekend, het onderwerp is onuitputtelijk, maar als het einddoel waarop zij is gericht, niet in zicht komt, zakt zij ineen als deeg bij de bakker.’

*

Wat werken, opruimen, eten maken, boodschappen doen, bibliotheek verhuizen van mijn bureau beneden naar het bibliotheekkamertje boven. Heb zin om een inventaris aan te leggen – maar waarvoor zou dat goed zijn? Om intussen al die boeken niet te moeten lezen?

*

(…)

*

Denis en zijn maatje Angelo breken het oude wc’tje af onder de buitentrap en installeren een mooie koperen goot onder het dakterras.

4574

Omgeving La Houppe, in een kapel - 161023

vrijdag 13 januari 2017

niet opgenomen 120

160218

geen verloren tijd 103


I:865-874

Een spoedige kennismaking met de meisjes zit er niet in want het nakende vertrek van Saint-Loup eist nu alle aandacht op. Als afscheidsgeschenk heeft grootmoeder de originele brieven van Proudhon gekocht. Robert de Saint-Loup is er heel blij mee. In het station van Balbec vraagt hij Marcel om zeker vaak langs te komen in Doncières, waar hij nu zijn eenheid zal vervoegen. Aan Bloch, die ook bij dit afscheid aanwezig is, laat hij fijntjes verstaan dat die uitnodiging voor hem minder geldt. Maar Bloch lijkt dit niet zo begrepen te hebben, zeer tot ergernis van Marcel.

Saint-Loup vreest dat hij Marcels grootmoeder niet voldoende bedankt heeft voor het geschenk en schrijft daarom een brief. Deze missive wordt integraal geciteerd. Hoewel de brief niet veel meer bevat dan een paar belegen beleefdheidsformules, is Marcel er zodanig door gecharmeerd dat hij bij elke postbezorging uitkijkt naar een volgende brief van zijn vriend.

Waar hij nu ook naar kijkt, is naar de voorwerpen in de eetzaal van het hotel. Sinds hij bij Elstir is geweest, probeert Marcel de schoonheid te vinden là où je ne m’étais jamais figuré qu’elle fût, dans les choses les plus usuelles, dans la vie profonde des «natures mortes» (869:40-42). Deze nieuwe belangstelling is zelfs zo hevig dat zij Marcel ervan weerhoudt om voortdurend door het raam van de eetzaal te speuren of de meisjes misschien toevallig passeren.

Deze uitweiding over Marcels belangstelling voor stillevenwaardige objectconstellaties lijkt hier zonder al te veel samenhang met de rest van het betoog te zijn aangebracht.

Een paar dagen na het vertrek van Saint-Loup gaat Marcel naar Elstir, wetende dat Albertine Simonet daar ook zal zijn. Voor zijn vertrek woedt er in zijn hoofd (hart?, onderbuik?) een felle strijd tussen zijn verstand, zijn gevoel en zijn wil. Verstand (intelligence) en gevoel (sensibilité) zijn in tweestrijd en lijken te aarzelen of een ontmoeting met Albertine wel opportuun is. Zo overweegt het verstand, nu de ontmoeting verzekerd lijkt, dat Albertine misschien niet interessant genoeg is om le charme et l’élégance (870:3), waarover Marcel meent te beschikken, voor deze ontmoeting met haar in te zetten: Mon intelligence jugeait ce plaisir fort peu précieux, depuis qu’il était assuré. (870:10-12) Maar de wil (la volonté) is standvastig en dwingt als het ware Marcel om dan toch maar te gaan.

Bij Elstir aangekomen, herkent Marcel Albertine eerst niet. En wanneer hij haar dan toch herkent, doet hij eerst nog de ronde van de andere aanwezigen, en van het buffet, waar hij un éclair au café (872:2) meegrist. Het is niet dat hij niet hunkert naar de kennismaking met Albertine, maar op die manier wordt de uitgestelde kennismaking slechts één ‘uit een reeks andere’, een que j’avais entièrement oubliée avoir été, quelques minutes auparavant, le but unique de ma venue (871:24-26). Zo gaat het overigens altijd, aldus de Verteller: wat voor ons essentieel is en bijdraagt tot een fundamenteel geluk, of ongeluk, gaat schuil onder een oppervlaktelaag van geplogendheden en onbenulligheden, die de emotie die gepaard gaat met het zich voordoen van le plus grand événement de notre vie sentimentale (871:37-38) verstikt en verdoft: il faut continuer à causer, les idées s’ajoutent les unes aux autres, développant une surface (871:31-32). De echte emotie sijpelt pas later binnen – wat Proust naar een fotografiemetafoor doet grijpen: Ce qu’on prend en présence de l’être aimé n’est qu’un cliché négatif, on le développe plus tard, une fois chez soi, quand on a retrouvé cette chambre noire intérieure dont l’entrée est «condamnée» tant qu’on voit du monde. (872:12-16) ’t Is een onrechtstreekse manier om te zeggen dat Marcel er op recepties met zijn gedachten niet echt bij is.

De lang verbeide ontmoeting kan niet anders dan teleurstellen – dat beseft Marcel maar al te goed. Om te beginnen komt er met de ontmoeting een einde aan het zoete verlangen. Maar niet alleen dat: de inwilliging is ook een inlevering, want het beeld dat van het voorwerp van verlangen tijdens pénibles recherches (872:24-25) werd gevormd, kan niet anders dan buitenproportioneel zijn: de tot koorts opgestookte fantasie heeft dat beeld danig misvormd. De verliefde kan daar maar beter op voorbereid zijn, wil hij door de onvermijdelijk teleurstellende ontmoeting niet al te zeer uit het lood worden geslagen. Eigenlijk ondergaat het ideaalbeeld door de werkelijke ontmoeting een metamorfose: chaque partie d’imagination et de désir étant remplacée par une notion qui valait infiniment moins (873:21-23). Maar daar staat dan weer une sorte d’équivalent, dans le domaine de la vie (873:24-25) tegenover, waardoor de inwisseling – Proust gebruikt uitdrukkelijk een bancaire metafoor als betrof het hier versjacherbare grootheden met meetbare waarden – alsnog niet als een verlies moet worden bestempeld. Dat sorte d’équivalent – in casu de waarneming van een schoonheidsvlek en daarna van Albertines fout gebruik van een woord – kan misschien nog het best worden omschreven als wat Roland Barthes l’effet du réel noemde. Het gaat om kleine mankementen die afbraak doen aan het ideaal, maar die, omdat ze reëel zijn, toch een meerwaarde vertegenwoordigen. ‘Klein gebrek, geen bezwaar.’ Integendeel zelfs.

Deze decalage tussen de voorstelling en de effectieve waarneming van de ander zal er altijd zijn: de ander is geen vaststaand gegeven, zij verandert voortdurend – het beeld moet voortdurend worden bijgesteld, het kennen van iemand (la connaissance exacte d’un être (874:19)) is nooit volledig. Het beeld dat wij van iemand hebben, en dat in de opeenvolgende ontmoetingen wordt geverifieerd en – altijd! – gerectifieerd, is altijd achterhaald. Deze structurele ontoereikendheid leidt tot een voortdurend streven, maar geen nood, dat streven is la seule qui soit saine pour les sens, qui y entretienne l’appétit (874:30-31). Wie ervan uitgaat de ander volledig te kennen, kan niet anders dan zich bij haar te vervelen. Zijn liefde zal ten dode opgeschreven zijn.

De vorige afleveringen van deze Proust-lectuur zijn hier te lezen: Rechercheur.

4573

La Houppe - 161023

donderdag 12 januari 2017

de winter van 2017 – 14


Een mooi moment in dat in politiek opzicht onzalige jaar 2016 was die keer dat er, tijdens een druk bijgewoonde speech in openlucht, een vogeltje op de pupiter van Bernie Sanders landde. De verbazing van de kandidaat kon onmogelijk gespeeld zijn. ‘Hier landt een campagnebeeld,’ moet hij meteen hebben gedacht. Hij zag wat iedereen in die mus wou zien, hij zag een teken van God. En dus deed hij het juiste: hij onderbrak zijn speech en lachte zijn breedste lach en gaf de mus alle egards.

Dat was een mooi moment.

Maar het bleek uiteindelijk een dooie mus. Zo een die wél van de dakgoot valt zonder dat het verderop in het verhaal iets betekent. Gewoon een stomweg verdwaalde stomme mus, een mus die de kluts kwijt was. Het leverde Bernie misschien wel een percentje extra op, zomaar gratis en voor niks, maar Bernie werd niet verkozen.

Een mooi moment in dat onzalige jaar was een mus die de loop van de geschiedenis niet heeft kunnen omgooien. Het bleef bij een poging.

Overigens was het geen mus, maar een graspieper of zoiets. Maar dat doet er eigenlijk niet toe. Een echte mus zou ook niet veel uitgehaald hebben.


© Forget The Box