maandag 19 november 2018

Paolo Sorrentino, Loro


Als het zijn bedoeling was om de leegte en verveling van bandeloos boengaboenga-vertier te tonen, dan is Paolo Sorrentino (La Grande Bellezza en Youth) daar met zijn op de handel en wandel van de Italiaanse politicus Silvio Berlusconi terende langspeelprent Loro zeker in geslaagd. Tot vervelens toe zien we perfecte, schaars geklede en schunnig bewegende lijven voor de camera paraderen, het is van een holte en leegte die doet gapen – het is een gapende leegte. Niet één gevoel, behalve dan het gevoel van verveling, is écht; alles is hier parade, pose, theater, bedrog.

De vastgoed- en televisiemagnaat en toevallig ook politicus Silvio blijft familienaamloos. Behalve één keer: wanneer we zien hoe zijn afgeluisterde telefoongesprekken worden geanalyseerd, verschijnt de naam ‘Berlusconi’ op een van de computerschermen. De film speelt in de periode 2006-2009, toen Berlusconi, na een tijd geen premier te zijn geweest, nog een laatste keer de macht wist te verwerven. Ondanks het feit dat het toen al ferm gonsde van de financiële schandalen en boenga-boengageruchten. Sorrentino toont hem als een oud geworden – fysiek heel sterk op Rik Daems gelijkende, maar dat terzijde – narcist en machtswellusteling, die probeert zich net voor zijn onvermijdelijke definitieve retour nog even aan de macht vast te klampen in een universum van protserige kitsch, waarvan sommige attributen aan Jeff Koons doen denken en waarin perfect gevormde vrouwelijke personages een pantomime opvoeren op een manier die doet vermoeden dat Sorrentino een hedendaagse Fellini wil zijn.

Maar. Het had allemaal best wat korter gemogen. Het opzetten van het decor waarin de uiteindelijke ontknoping zich moet voltrekken, duurt ellendig lang. Deze film, die vrijwel verhaalloos blijft, had gerust een uur korter kunnen zijn. (En dan zeggen dat hij aanvankelijk zo lang was dat hij in twee delen moest worden uitgebracht. De versie die we hier te zien krijgen is deze die werd bijgetrimd om aan de normen van de filmfestivals te beantwoorden.)

Het laatste halfuur van de 145 minuten durende zwembadchoreografie wordt dan toch boeiend. We krijgen, aan weerszijden van een somptueus keukeneiland zich voltrekkend, een formidabele ruzie te zien tussen Silvio (Toni Servillo) en zijn vrouw Veronica Lario (Elena Sofia Ricci), die dan eindelijk toch tot het besluit is gekomen dat ze maar beter haar luxekoffers kan pakken. Het is een schitterend geacteerde dialoog over de ware drijfveren achter de ambitie, over de onmogelijkheid van een duurzame liefde en zelfs om iemand te kennen, over de meedogenloze greep van de ouderdom.

Het is opvallend hoe kuis Sorrentino zijn Silvio B. portretteert. We zien hem niet één keer op onheuse wijze een vrouw aanraken. Sorrentino lijkt daarmee anticiperend het gerecht uit te dagen: ‘Doe mij maar eens iets!’ Maar ondertussen laat hij Silvio B. wel de meest cynische visies op politiek uitdragen: met onversneden minachting voor het domme kiesvee orakelt de gesjeesde charmezanger-op-een-cruiseschip dat het in een democratie niet om waarheid maar om perceptie gaat.

Ook de eerbaarheid van de twintigjarige bakvis Stella wordt niet aangetast. In die scène, een gesprek dat wordt gevoerd op haar bed, doet het contrast tussen jeugd en ouderdom schrijnend pijn: ‘Wat heb je een gaaf huidje,’ zegt het met esthetische chirurgie opgepimpte masker. Eén keer laat Silvio zijn hand op een schouder rusten, maar dat is dan de schouder van een oude vriend die hem altijd trouw is gebleven – een trouw die Silvio indertijd beloonde met een quizmasterschap op een van zijn onnozele Mediaset-televisiekanalen.

In Silvio’s tuin staat een namaakvulkaan van een meter of drie hoog. Dat kunststukje zou de apotheose moeten brengen van het grote tuinfeest – maar dat is zo saai verlopen dat niemand er nog aan denkt dat spel in gang te steken. Uiteindelijk doet Silvio het zelf: de vulkaan is te bedienen met een remote control. We zien een pruttelend vuurwerkje uit de krater opborrelen en op de flank een neonlicht dat de lavastroom moet voorstellen.

Ondertussen voltrekt zich, in 2009, de al te werkelijke aardbeving die het stadje Aquila met de grond gelijkmaakt. We zien Silvio, wanneer hij opnieuw en voor een laatste keer premier is geworden, het tentenkamp bezoeken en er de mensen nieuwe behuizing beloven, in termen en met gebaren die hij nog kent van zijn carrière als vastgoedverkoper. Wat hij overigens in de loop van de film zegt het liefst te hebben gedaan.

Dát is inderdaad het probleem met deze man: hij is niet graag premier. Hij is het alleen geworden uit ijdelheid en machtswellust, en om zijn minderwaardigheidscomplex te bezweren, zoals zijn vrouw hem aan dat keukeneiland inpepert, maar hij doet het niet graag en hij bakt er niets van. Het opklimmen naar de top interesseert hem, niet wat je op die top kunt doen. Hij bedrijft politiek zoals hij een bedrijf runt. Hij schoffeert zijn landgenoten, vooral zijn vrouwelijke landgenoten, en zet Italië te kijk voor de hele wereld. Sorrentino bekritiseert hem in scherpe bewoordingen: ‘U hebt de kans gehad van Italië een beter land te maken, en u hebt die kans niet benut.’ Op die manier wordt Loro een waarschuwing aan het adres van elke politicus die op een gegeven ogenblik een machtspositie bekleedt en bijgevolg moet kunnen weerstaan aan de verlokkingen die daaraan verbonden zijn.



5187

Brugge, zolder Normaalschool - 181019

zondag 18 november 2018

afscheid van mijn digitaal bestaan 91


voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

7 april 2006

ACRIBIE

Acribie, het klinkt als een vloek. Uiterste nauwkeurigheid, en vooral dan in talige uitingen (waarvoor het woord hier en daar nog wordt gebruikt), is passé. In het woord hoor je niet de plastic dreun van het klavier maar het gekriebel en gekras van de ganzenveer. Akkerdzjie, in het scriptorium weerklinkt een vloek: alweer een vlek.

Waarom put ik mij uit, span ik mij in om accuraat te verwoorden? Welke neurose noopt mij daarbij de haast te ontlopen? Wie fluistert mij in aan een adequate formulering te hechten? Acribie in – godbetert – een blog, past dat niet als een tang op een varken?

Hé, dat is een goed idee: waarom eens niet googlen op ‘acribie’? Je komt, voor je het weet, uit bij een zaalvoetbalclub, een groep belastingadviseurs, een huidverzorgster en, warempel, toch ook nog een vertaalbureau. En, door de willekeur van de digitale snelweg geleid, zeer onfilologisch dus, vind ik langs deze weg op een site over reformatorische wijsbegeerte volgende, behoorlijk zorgvuldig geformuleerde onwillekeurige witz: ‘Het komt mij voor, dat de onderzoeker die de minimale acribie te boven wil komen, met het studiemateriaal van Kor Bril een zeer goede kans van slagen heeft.’

Het is, al bij al, een woord dat ligt te verstoffen op de talloze aan de vergetelheid prijsgegeven schappen van ongebruikte bibliotheken. Het maakt deel uit van een wereld waarin nog verschillen bestaan, wat nauwkeurigheid noodzakelijk maakt en een half woord onvoldoende.

18-30 * 22,6 * 1069,2

5186

Brugge, zolder Normaalschool - 181019

vrijdag 16 november 2018

Fernando Aramburu, Vaderland

Ik ben met de ‘roman’ Vaderland van Fernando Aramburu wel een week of drie zoet geweest. 572 dichtbedrukte bladzijden, daar moet je wel even voor gaan zitten. Was dat de moeite waard? Wel, na enig aarzelen in het begin, toen ik voortlas omdat ik in de aankoop had geïnvesteerd en ik niet meteen wou toegeven dat het à fonds perdus was geweest, ben ik toch geboeid blijven voortlezen en ben ik nu toch blij dat ik tot het einde heb doorgezet.

Het boek is opgedeeld in 125 korte hoofdstukjes van telkens 3 tot maximum 6 bladzijden, wat een vlotte lectuur bevordert. In het begin moet je bij de les blijven om wegwijs te geraken uit de (talrijke) personages, maar na een honderdtal bladzijden is iedereen die je moet kennen de revue gepasseerd en komen er nauwelijks nog nieuwe gezichten bij. Vanaf dan blijft alles duidelijk en overzichtelijk. Je hebt grosso modo twee kampen, met in elk kamp enkele ‘raakpunten’. Er is het kamp van de Baskische nationalisten, met een ETA-terrorist die een aanslag pleegt, en er is het kamp van de slachtoffers, ook Basken overigens, maar niet zo strikt in de leer.

Dat vergat ik te zeggen: Vaderland is een roman over Baskenland en het Baskische nationalisme. Daar heeft een tijd een nogal hevige strijd gewoed voor onafhankelijkheid of separatisme of hoe noem je dat, zoals we dat ook van Catalonië kennen (Poets uw mond!) en Vlaanderen, maar in Baskenland is het er wel een tijdje nogal heftig aan toegegaan, met heel wat aanslagen en centralistische tegenacties, samen goed voor een conflict dat ‘Vuile oorlog’ werd genoemd en dat in totaal – even Wikipedia erop naslaan – bijna duizend doden heeft geëist en heel veel miserie heeft veroorzaakt bij de nabestaanden en verwanten van de daders. Waar dat nationalisme al niet goed voor is. Want dat is het wat Aramburu doet met zijn boek. Hij introduceert ons in de families van daders en slachtoffers en toont de ravages die een politiek conflict, dat velen niet eens interesseert, kan aanrichten.

De ETA (Euskadi Ta Askatasuna, wat letterlijk vertaald ‘Baskenland en Vrijheid’ betekent) heeft ondertussen haar acties gestaakt en ik vermoed dat de meeste Spanjaarden en Basken daar heel blij mee zijn en hopen dat het zo blijft.

Is Vaderland de investering van het geld en plusminus een vol etmaal lezen waard? Het had allemaal veel beknopter gekund, dat is zeker. Aramburu beoefent een extreem realistische schrijftrant, waarin hij elke gemoedsbeweging, dialoog en demarche van zijn personages tot in de puntjes beschrijft. (In decor- en landschapsbeschrijvingen gaat hij dan weer niet zo minutieus te werk; dat is duidelijk niet wat hem interesseert.) Soms valt hij in herhaling, wat het geduld van de lezer danig op de proef stelt. Maar op den duur ontstaat er wel een flow, een ritme, iets soap-achtigs waarin je je kunt nestelen. Je geraakt vertrouwd met de personages, en wilt dan ook wel weten hoe het hun vergaat. Zoals in een soap word je nu eens in dit gezin, dan weer in het andere binnengeloodst: de settings wisselen elkaar af, verhouden zich tot elkaar, totdat… – maar dat mag niet worden verklapt.

Je moet er wel een paar stilistische eigenaardigheden voor lief bij nemen. Aramburu permitteert zich om van persoonsvorm te wisselen. Hij vertelt over iemand in de derde persoon, maar gaat dan in zijn of haar hoofd zitten en gebruikt de ik-vorm. Ook aarzelt hij vaak tussen adjectieven, en dan schrijft hij een zin als: ‘Van die menselijke/mooie, knappe/hartelijke vrouw.’ Hij schrijft ook veel werkwoordloze zinnen. En wat hij ook vaak doet, is Baskische woorden gebruiken, die hij cursief plaatst en die je dan moet gaan opzoeken in het register achterin het boek: ‘En de txakurras verspreidden zich zó snel over de woning dat ze niet zeker wist hoeveel het er waren.’

Hoe het de personages vergaat? Aramburu slaagt erin ze herkenbaar te maken, met eigen tics en kenmerken, en met een herkenbare psychologie. Voor de rest moet je het zien in het licht van de ruimere politieke context. Uiteindelijk heeft de ETA ingebonden en alle verdere politiek geïnspireerde gewelddadige acties afgezworen. De frustratie bij de enkelingen die hun leven voor de zaak hebben geriskeerd, weegt niet op tegen de opluchting en de berusting bij de meerderheid: was het dat wel allemaal waard? Maar de wonden zijn geslagen en verdwijnen pas volledig wanneer diegenen die erdoor zijn getekend in het graf worden bijgezet, naast de slachtoffers van de terreurdaden. Vaderland is een humanistisch, maar ook een politiek want antinationalistisch document.

5184

D. - 180920

donderdag 15 november 2018

facebookbericht 1123


Je kunt er donder op zeggen dat als er ergens iets gratis is, de Vlaming er alles aan zal doen (en desnoods veel meer kosten zal maken dan zijn demarche hem opbrengt) om er als eerste bij te zijn. Ik vind het altijd hoogst gênant, dergelijke spektakels.