vrijdag 24 november 2017

de herfst van 2017 – 46


19 november 2017

54 – (…)
‘Wat interesseert jou eigenlijk meer, woorden of mensen?’ De vraag wordt gesteld en hij blijft hangen.

55 – Eergisteren verneem ik in het boekenantiquariaat In Den Eenhoorn van Titia en Arthur Van de Velde dat de zaak zal worden stopgezet. Niet dat ze er geen zin meer in hebben, neen, ondanks hun eind in de zeventig willen broer en zus nog wel een tijdje voortdoen. Het is dat de pacht van het pand niet kan worden verlengd. Titia en Arthur moeten eruit, en samen met hen hun duizenden boeken. Het is vooral erg voor die twee, maar ik vind het ook geen pretje: hiermee staat alweer een plek die ik regelmatig aandoe op verdwijnen. Een paar huizen verderop richting Ezelpoort stopt ook Café De Vismijn binnenkort, een van de weinige etablissementen in Brugge die ik nog frequenteer omdat je er, ver van het toerisme, op je gemak kunt praten bij een goedkope en eerlijke pint bier.

Maar goed, ik kom dit keer thuis met alweer een paar boeken waarvan ik mij de aanschaf zeker niet had voorgenomen. Je onbekende vader, het laatste boek van Jan Emiel Daele, is er een van. Daele gaat erin op zoek naar – de titel zegt het – een antwoord op de vraag wie zijn vroeggestorven vader is geweest. En ja, Daele sr. heeft zich tijdens de oorlog de vingers verbrand aan een bepaald gedachtegoed! Dit sluit dan weer wonderwel aan – je kiest je lectuur nóóit toevallig – bij de reeks Kinderen van de collaboratie waarvan ik al de twee eerste afleveringen bekeek. (De eerste bekeek ik een tweede keer, samen met mijn zoon, omdat ik nu eenmaal vind dat hij, hier in Vlaanderen wonende en samen met mij bepaalde politieke ontwikkelingen gadeslaande, van bepaalde dingen toch iets meer móet weten dan hij mogelijk op school heeft opgestoken.)

Van Daele herinnerde ik me zijn nare levenseinde – en om dat weer eens op te frissen kan ik bij Jeroen Brouwers terecht, die het eerste hoofdstuk van zijn literaire zelfmoordboek De laatste deur aan de brutale dood van Jan Emiel Daele wijdt. (Ik bedoel ‘literaire zelfmoordboek’ in dubbele zin: een literair hoogstaande boek over schrijvers die zelfmoord gepleegd hebben.) En ja, wie Brouwers leest, wordt meegesleurd en zo beland ik nog voor het eind van de dag bij Keefman van Jan Arends aangezien ook hij in Brouwers’ boek is opgenomen: Arends stapte uit een enige verdiepingen hoog gelegen raam van een flatgebouw aan het Roelof Hartplein in Amsterdam.

4888

M. in Watou - 170903

woensdag 22 november 2017

dinsdag 21 november 2017

de herfst van 2017 – 45


53 – Ik lees de brieven van James Joyce aan Nora Barnacle. Over allebei las ik ooit een biografie (geschreven door respectievelijk Richard Ellmann en Brenda Maddox), en van Joyce de léésbare dingen (ik bedoel: alles behalve Finnegans Wake). Deze brieven brengen me terug naar de sfeer van die lectuurervaringen.

Het spectaculaire verhaal van de coup de foudre op 16 juni 1904 in Dublin werd door Joyce zelf gemonumentaliseerd door op die ene dag zijn hele Ulysses te laten ‘plaatsvinden’. Of hoe via de omweg van de fictie een reële gebeurtenis van al bij al toch ook niet zo overweldigend grote betekenis nu nog altijd, elk jaar opnieuw, door een grote schare bewonderaars wordt herdacht: Bloomsday. Maar ja, die bewonderaars bewonderen natuurlijk vooral het geniale kunstwerk en wellicht minder het wonder van de liefde dat zich tussen twee zo verschillende personen heeft kunnen voltrekken. Hoewel, het geduld dat Nora Barnacle moet hebben gehad met haar door seks geobsedeerde en monomane Jim, die het nodig vond om vreemde oorden op te zoeken omdat hij over zichzelf een bannelingschap uitriep, en die met de jaren halfblind en helemaal alcoholicus werd – ja, dat geduld moet toch ook bewonderenswaardig zijn geweest.

De correspondentie tussen James en Nora voltrekt zich – zoals dat met correspondenties tussen echtelieden het geval is – uitsluitend in periodes waarin ze níet samen zijn. En dus vooral in de eerste maanden na hun ontmoeting en nog vóór ze samen uit Dublin naar Triëst vertrekken. Het is aandoenlijk om de grote schrijver zijn liefde te zien uitschreeuwen.

Aandoenlijk zijn ook de briefjes, meer kattenbelletjes eigenlijk, die Nora terugschrijft. Ze trekt zich niet al te veel aan van grammatica en interpunctie – en het zal wel geen toeval zijn dat deze schriftuur terugkeert in Ulysses, vooral dan in het laatste hoofdstuk, de beroemde en op een totale affirmatie eindigende monologue intérieur van Molly Bloom.

De vertaling die ik las, is die van John Vandenbergh uit 1976 (24 september 1993 door mij verworven in een Brugse tweedehandsboekenwinkel voor de ronde som van 225 frank), en laat dat nu een ‘gekuiste’ versie zijn – ‘gekuist’ dan allicht door de tekstbezorger van de in 1966 in Londen gepubliceerde Letters of James Joyce, biograaf Richard Ellmann. De pittigste passages en twee volledige brieven – die kennelijk volledig uit pittige passages bestonden – werden geweerd. Nu las ik onlangs op Facebook, op de tijdlijn van Koenraad Goudeseune, een Nederlandse vertaling (welke?) van een van die pittige passages – dat was ten andere de aanleiding om deze brievenbundel, meer dan 24 jaar na de aanschaf, ter hand te nemen.

Ik heb intussen de oorspronkelijke gecensureerde teksten gevonden op het net en ja, ze zijn best wel pittig. Zo pittig zelfs dat ze worden voorafgegaan door een al even pittige waarschuwing:

NB: A final warning to the sensitive. The texts below may be a century old, but some of them are sexually explicit even by contemporary standards. They are intended for adults only. If discussion of sexual matters is likely to offend you or get you into serious trouble with your employer, your parents, your religion or your government then you should leave this page now.

To everyone else: enjoy your “research”, you dirty little brown-arsed blackguards. Sorry for making you read all this intellectual stuff before you got to the smutty part.

Wat – na verwijdering van the smutty part – overblijft, zijn alles bij elkaar brave, heel erg verlangende en daardoor ook wel vertederende liefdesbrieven waarin je ziet hoe de later zo gesofisticeerde en experimentele schrijver op het neerbuigende af zijn best doet om binnen het register van zijn aanbeden ongeschoolde Nora te blijven, en hier en daar levert dat wel een paar mooie bedenkingen over de liefde op.

Zoals: ‘Geen man, geloof ik, kan ooit de liefde van een vrouw waardig zijn.’ (19 augustus 1909)

Of, zo eenvoudig zou het kunnen zijn: ‘Laat me nooit de liefde voor jou verliezen die ik nu voor je koester, Nora. Als we op die manier samen door het leven konden gaan, wat zouden we dan gelukkig zijn. Laat mij je liefhebben, Nora. Dood mijn liefde niet.’ (22 augustus 1909)

We leren Joyce kennen als een man die zijn verantwoordelijkheid niet volledig opneemt, en die minstens de neiging vertoont tot pathetisch zelfmedelijden.

Hilarisch is toch ook wel dit citaat, uit de brief van 29 september 1904: ‘Je vroeg me je een lange brief te schrijven, maar echt, ik heb een hekel aan schrijven – het is zo’n onbevredigende manier om de dingen te zeggen.’ En, voor wie het zich afvraagt, tot en met de laatste brief (april 1922; er volgt nog één kattenbelletje gedateerd 5 januari 1924), blijft James poeslief: vanuit Parijs spreekt hij Nora – ondanks de zoveelste episode van echtelijke spanningen – als volgt aan: ‘Mijn lieveling, mijn liefste, mijn koningin’.

Voor kerstmis 1909 stuurt James vanuit Dublin een exemplaar van zijn dichtbundel Chamber Music als geschenk naar Triëst. ‘Misschien dat dit boek dat ik je nu stuur ons beiden zal overleven. Misschien dat de vingers van een of andere jonge man of meisje (onze kindskinderen) vol eerbied de perkamenten bladen zullen omslaan, als de twee minnenden wier initialen op de band met elkaar vervlochten zijn al lang van deze aardbodem verdwenen zijn.’ Bij deze zin moest ik aan Hugo Claus denken, wanneer hij ergens – maar waar? – mijmert over wat er van hem en zijn poëzie zal overblijven, en dat hij al heel gelukkig zou zijn indien ooit een van zijn verzen over vijftig jaar lustgevoelens bij een jonge krolse deerne zou opwekken. Of zoiets.

4885

Watou - 170903

maandag 20 november 2017

niet opgenomen 147

170925

getekend 277

eind jaren tachtig (?)

de herfst van 2017 – 44



17 november 2017

52 – Een nadeel van Facebook, of beter een gevaar, is dat je in je eigen ‘bubbel’ opgesloten kunt geraken: je doet aan zelfcensuur om binnen je virtuele peergroup appreciatie te oogsten, en je confirmeert díe vrienden met wier meningen je het eens bent. Uiteraard in de hoop om op jouw beurt door hén te worden opgemerkt. Ik ken de mechanismen en die kennis behoedt mij ervoor er de gevangene van te zijn. Dat is althans wat ik mezelf wijsmaak. Een voordeel van Facebook is dan weer dat je tot het besef kunt komen dat er nog andere ‘bubbels’ zijn, waar uiteraard dezelfde mechanismen werken – Facebook maakt met andere woorden de maatschappij zichtbaar als een geheel van aparte denksferen waartussen nauwelijks communicatie en al zeker geen vergelijk mogelijk is. En zo is deze contactmachine een instrument dat atomisering in de hand werkt. (Lees meer hierover in mijn tekst ‘Facebook als anesthesiemachine’.)

Soms kom je in een andere bubbel terecht, en dat voelt heel snel behoorlijk onwennig aan. Gisteren en vandaag had ik het twee keer.

Gisteren zag ik een N-VA-parlementslid een artikel delen waarin van de jongeren die zich in Brussel aan geweld en vernielingen te buiten gaan wordt gezegd dat ze zich ‘wreken’. Commentaar van het parlementslid, heel sec: ‘Wraak? En voor wat dan?’ Meteen het startschot voor een hele resem soms ronduit racistische commentaren.

Vandaag een conversatie met een Bruggeling die vragen stelt bij het caféterrassenbeleid in deze stad: waarom moeten die terrassen in de wintermaanden worden opgeruimd?; het zou toch veel gezelliger zijn als ze zouden mogen blijven staan? Ik antwoord met de gekende argumenten:

Misschien is het wel eens goed om toch een paar maanden in het jaar de markt te zien zoals hij eigenlijk is. Bovendien is de terrasverwarming een energieverspilling. Het is te koud om buiten te zitten, dus zetten we buiten de kachel aan. Bizar.

Ik krijg meteen lik op stuk:

wat een onzin, alsof een ijspiste bij 12° geen verspilling is, en een ijssculptuur dat nog veel erger is. Maar eerlijk gezegd lijkt me het discours om alles te herleiden tot zuinigheid, verantwoordelijkheid en duurzaamheid een zeer kwalijke tendens. Vroeger hadden we daar de kerk en al zijn misselijkmakende uitwassen voor. Tegenwoordig werpt de linkerzijde zich, bij gebrek aan een duidelijk programma of tenminste een breed gedragen mening, op als behoeder van de maatschapij. En wat 'de markt zien zoals hij echt is' betreft, heeft al dan niet terrassen daar momenteel niets mee te maken. Geef mij in plaats van die spuuglelijke commercie maar terrassen met gezellige mensen op. En laat ze maar stoken, het zal misschien de kilte in de maatschappij verjagen en in het beste geval de zuinigheid doen verbranden en generositeit weer binnenbrengen.

Ik probeer nog de kloof tussen onze bubbels te dichten:

een terras is een stoep met meubilair op om van de zon of een zwoele avond te genieten, niet de semi-definitieve verwarmde veranda's die nu terras worden genoemd en die wel degelijk een esthetische impact hebben op de architectuur van de plek - de ijssculpturentent aan het station is inderdaad een grote schande, onbegrijpelijk dat het stadsbestuur daar niet op wordt aangesproken (allicht omdat het stationsplein onder NMBS-bevoegdheid ressorteert?) - mijn discours voor zuinigheid, verantwoordelijkheid en duurzaamheid is geen kwalijke maar gezien de klimaatopwarming een broodnodige tendens - en wat die gezelligheid betreft, die kan toch ook binnen?, maar wat mij betreft niet in cafés aan de markt want die zijn mij te duur en commercieel - de onvriendelijke associatie tussen de misselijkmakende uitwassen van de Kerk en het pleiten voor duurzaamheid laat ik volledig voor uw rekening’

Maar het is vergeefse moeite:

Daar wil ik toe komen: gans de hysterie rond de klimaatsverandering wordt meer en meer tegengesproken. Als de doelstellingen van Parijs gehaald worden zal dat 0,03 graden verschil maken. Maar het is wel een miljardenbusiness. Geld dat beter zou besteed worden aan wat er echt toe doet, zoals armoede.

Ik besluit nog:

Dus, stook maar lustig verder jongens, en après nous le déluge? Ewel santé.

Waarna de bubbelgenoten van mijn gesprekspartner, die niet meer reageert, de borstwering herstellen:

En al de co2 die de lucht in gejaagd wordt bij de afbraak en het opzetten van de terrassen. Ja man zo is er altijd wel iets.#Laat de terrassen staan#houbruggegezelligindewinter

De Markt zoals ie is? Kaal en leeg...

wat de klimaatopwarming betreft moet men in Brugge ook z’n mond houden, want voor een groot deel van de stad zijn dingen zoals dubbel glas en zonnepanelen verboden.

Einde discussie, er lijkt geen vergelijk mogelijk – ik blijf natuurlijk bij mijn groot gelijk, maar het is toch goed te beseffen dat er in de verschillende bubbels veel gelijken zijn. En ik besluit, uiteraard ironisch:

Ik ben voor verwarmde terrassen, ik ben voor ijssculpturen bij 15 graden Celsius, ik ben voor skiën in de Alpen, ik ben voor goedkope vliegtuigreizen, ik ben voor Noordzeegarnalen die gepeld worden in Marokko, ik ben voor Parmahesp van Vlaamse varkens die wordt gelabeld in Parma, ik ben voor tulpen en snijbonen uit Kenia, ik ben voor... En weet ge wat, ik drink er nog een op en dat de rest zijn plan trekt. Als het maar gezellig is. En als het te koud is, dan doe ik mijn frak niet uit. 

© rr