vrijdag 4 september 2015

wolken 1584-1587



wolkenfragmenten uit Laurent Greilsamer, Le Prince foudroyé. La Vie de Nicolas de Staël

1584
« On ne peut faire ce qu’il a fait sans se voir dans chaque nuage, chaque griffe du ciel », écrit-il. (Greilsamer citeert Nicolas de Staël, 314)

1585
Les nuages, lourds de neige, stagnent sur le Luberon. (326)

1586
« (…) Et tout cela fonctionne comme les nuages qui passent les uns dans les autes avant que le ciel ne soit ciel et terre, terre (…) » (Greilsamer citeert Nicolas de Staël, 339)

1587
En cette fin d’année, Staël se retrouve seul. La lumière de la Méditerranée le trahit. Tantôt trop violente, trop crue, avec des transparences à rendre fou, des bleus qui virent au violet. Tantôt éteinte par des nuages lourds de pluie. (342)

wolken 1560-1583



wolkenfragmenten uit Stefan Zweig, Schaaknovelle en andere verhalen

1560
Die witte, onrustige wolken die alleen mei en juni kennen dartelden langs de hemel, die witte, zelf nog jonge en dartele makkers, die spelend over de blauwe baan rennen, om zich plotseling achter hoge bergen te verstoppen, die elkaar omhelzen en ontvluchten, zich nu eens verfrommelen als zakdoeken, dan weer in strepen uiteenvallen en ten slotte voor de grap de bergen witte mutsen opzetten. (7)

1561
Buiten daalde drukkend de duisternis neer, de bossen zuchtten in kinderlijke vrees, toen nu de grote regenwolken grijze handen naar hen uitstrekten, steeds donkerder drongen de schaduwen de kamer binnen, steeds meer schenen de mensen hier samengeperst door het zwijgen. (11)

1562
Hij moest dit zwijgen verbreken, dit verschrikkelijk dreigende zwijgen dat boven hem hing als een zwarte wolk. (57)

1563
Zij kon zijn zware adem voelen en zag met haar starre en als door wolken bedekte blik de glans van zijn ogen fonkelend uit het donker van het vertrek treden. (116)

1564
Zij voelde verward uit haar bezwijming ontwakend dat men haar uitkleedde, zag als door vele wolken het gezicht van haar man, vriendelijk en bezorgd. (118)

1565
En algauw verwelkte ook deze wens, werd een broeien, mat en willoos als dat van de dorstende grassen en de zwoele droom van het roerloze, dampomwolkte bos. (119)

1566
Langzaam schoof de wind zachte kluwen wolken aan, er klonk gehijg en gesnuif achter de bergen, alsof iemand een enorme last voortrolde. (121)

1567
Onwillekeurig kromden zich mijn vingers, alsof ze de wolken konden grijpen en die sneller omlaag konden trekken naar de smachtende wereld. (121)

1568
Alleen naar boven greep zijn begeerte, greep diep in de samengepakte wolken, in het boven ons hangende onweer, en aan mij raakte hij niet. (122)

1569
Vanuit het westen werd de berghelling lichter, de muur van wolken loste allengs op, zacht rommelend rolden ze verder. (123)

1570
Steeds doorzichtiger werd het wolkenfloers, een boze, gevaarlijke lichtheid stond boven de weerloze wereld. (124)

1571
Achterin stond het raam open en ontsloot een zwarte vierhoek van nacht, samengedrongen sparretoppen ginds van het bos en daartussen een stuk van de met wolken bedekte hemel. (132)

1572
Het was dezelfde stem, dezelfde trillende klank die vanmiddag buiten voor de nabije wolken had gehuiverd, toen haar blik me nog helemaal niet had opgemerkt. (133)

1573
Als een vreselijke afgrond was het donkere ontsloten, wolken stormden aan en bouwden in razend tempo zwarte wanden op, en iets suisde gewelddadig tussen hemel en wereld. (…) En plotseling scheurde dit wit in tweeën: een bliksemschicht, de hemel tot beneden op de grond splijtend. En daarachter knetterde de donder, alsof de hele wolkenmassa krakend in de diepte verdween. (…) Weer scheurde een bliksemschicht de omlijsting van het landschap open: in een flits zag ik het verlichte silhouet van de sparren, dooreengeschud door de storm, de wolken die als razende dieren over de hemel renden, de kamer kalkwit verlicht en witter dan haar bleke gezicht. (137)

1574
Ik stond de lange, zoele, bewolkte avond voor je ramen, tot het licht doofde. (156-157)

1575
Ik bekommerde mij er niet om, zat ontspannen en als het ware in gepeins verzonken onder de kringeling van mijn sigaret die wit-rimpelig ten hemel steeg, waar hij lichter en lichter als een kleine wolk in het voorjaarsblauw oploste. (244)

1576
Maar het kamertje was verrukkelijk: de zolderverdieping boven de woning van mijn leermeester, ietwat donker door de overhangende houten gevel, schonk uit het raam een verre, ronde blik op de naburige daken en de kerktoren; in de verte zag je al een groen blok en daarboven de wolken, de zo geliefde wolken van thuis. (307)

1577
Ik had met beiden aan tafel gezeten – de ramen stonden open, en in hun verduisterde kader trad allengs langzaam een schemerige hemel met witte wolken binnen: iets zachts en helders ging van hun majesteitelijk voortzwevende weerlichten werkelijk verder, tot diep beneden moest je ’t voelen. We hadden achtelozer, vreedzamer, drukker gebabbeld, de vrouw en ik, dan anders. Mijn leermeester zweeg gedurende ons gesprek; maar zijn zwijgen stond als het ware met stilgevouwen vleugels boven ons gesprek. Verstolen keek ik hem van opzij aan: iets merkwaardigs verlichts was vandaag in zijn wezen, een onrust, maar zonder enige verstrooidheid, helemaal zoals in die wolken, de zomerse wolken. (336)

1578
Buiten lag onder zomerse wolken de stad; nog lichtten ramen van lampenschijnsel, maar die daar zaten werden verenigd door een vreedzaam gesprek, verwarmd door een boek of huiselijke muziek. (343)

1579
(…) ik, die wat te snel had geroeid en mijn hart nog heftig tegen mijn ribben voelde bonzen, ging eerst op mijn gemak in de schaduw liggen en liet behaaglijk de wolken over me heentrekken, wellustig genietend van het zoemende, zoete gebruis van vermoeidheid in mijn terugstromende bloed. (354)

1580
Toen kreeg haar anders zo rimpelloze gezicht plotseling een merkwaardig gespannen uitdrukking, alsof schaduwwolken over haar zeegrijze ogen vlogen: ‘Wat jammer! Ik had nog zoveel met u te bespreken.’ (398)

1581
De gaslantaarns flakkerden zacht naar de wolkenbedekte hemel, heel zelden slechts haastte zich een gedaante voorbij, want het was vlak voor middernacht en ik was helemaal alleen in het park met die tot zelfmoord neigende figuur. (414)

1582
De hele avond al had de wind boven de zee zware, dampende voorjaarswolken bijeengedreven, je voelde met je longen, met je hart, dat de hemel heel diep neerdrukte – plotseling begon een gedruppel neer te kletteren, en reeds plensde in zware, natte, door de wind voortgejaagde slierten een fikse regenbui neer. (414)

1583
Daar zat ik versuft te midden van druk gebabbel en schrok telkens weer opnieuw als ik toevallig opkeek en in hun onbewogen gezichten keek die, in vergelijking met dat als door het licht- en schaduwwerpende spel der wolken tot leven gewekte, me maskerachtig of versteend voorkwamen. (437)

donderdag 27 augustus 2015

woensdag 26 augustus 2015

brief aan Jan Haerynck


Beste Jan,

Ik ga ook niet meer naar Watou. Niet dat ik een oordeel heb over wat er nu te zien en te beleven valt, dat kan ook niet aangezien ik er niet was en ik ook geen recensies erover lees. Maar ik voel de behoefte niet meer om er te zijn. De laatste twee keren dat ik wel nog ging kijken, ik denk één en drie jaar geleden, miste ik – alle 'luwte van de tussentijd' en 'vormen van vertoeven' (heuheu!) ten spijt – de bezieling, het experiment en de algemene achterliggende visie die ik er vroeger wel herhaaldelijk heb aangetroffen – zie de artikels die ik aan 'Watou' wijdde in De Standaard en Poëziekrant. Dit heeft misschien te maken met een verzadiging en toenemende desinteresse bij mijzelf: ik lijd aan een soort van hedendaagsekunstvermoeidheid. Maar mijn afgenomen enthousiasme is toch zeker ook veroorzaakt door de recuperatie door citymarketing en regionale kunstambtenaren van het indertijd door Gwy Mandelinck, inderdaad jouw vader maar dat doet er verder niet toe, uitgewerkte en lange tijd unieke, sprankelende en inspirerende concept. (Al denk ik dat ook hij op het laatst te veel water in zijn wijn moest doen om alle parasieten en satellieten en subsidieverstrekkers te paaien. Zo had ik de indruk dat er bij de gastintendanten wel eens een kwalijke vermenging optrad tussen hun expertise en hun zakelijke belangen.)

Deze vervlakking en ontzieling hebben zich niet alleen in Watou doorgezet. Kunstwerken worden tegenwoordig op veel te veel plaatsen ingezet in een soort van tijdelijke pretparken waar vooral de plaatselijke neringdoeners garen bij spinnen. Vaak heb ik de indruk dat het er niet meer zo toe doet wélke kunstwerken het zijn en hoe vaak ze al werden opgevoerd – als ze maar spectaculair genoeg ogen en een bepaalde ‘heftige beleving’ garanderen. De poëzie die erbij komt kijken, als dat al gebeurt, lijkt te vaak at random gekozen, niet-noodzakelijk.

Ergens onderweg is het concept 'Watou' zijn levenskracht verloren. Ik weet niet of dat langer of korter dan zeven jaar geleden was. Maar het zal allicht zoiets zijn.

Doe trouwens maar eens de groeten aan de échte geestelijke vader en moeder van de Poëziezomer van Watou! Zij werden niet voldoende beloond voor hun onverdroten en bijwijlen zelfs roekeloze inzet.

Hartelijke groet,