donderdag 26 mei 2016

parallel 63



Inderdaad viel er vanuit mijn bed niets anders meer van de wereld te zien dan het kleurloze stukje hemel in de lijst van het raam.

W.G. Sebald, De ringen van Saturnus, 13-14

ǁ

Ook nu is dat het geval, zoals ik kan afleiden uit het kleine stukje van de hemel dat ik vanuit mijn kamer, of beter gezegd vanuit mijn cel, vanuit mijn strafkamer, via een klein raampje kan zien.

Imre Kertész, Het fiasco, 316

wolken 1869-1876



wolkenfragmenten uit Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel I (1921-1952)

1869
Ook een plaatje werd op de hoop gelegd. Het stelde het paradijs voor met gulden wolkjes en rozige engeltjes. (Otterspeer citeert WFH, 181)

1870
Een wolkje voor de maan; zij poedert haar neus. (Otterspeer citeert WFH, 360)

1871
Het afscheid van de geliefde, in het laatste gedicht, wordt gevangen in de tegenstelling van de lach en de ‘zachte, warme wolken die voor haar in het verschiet liggen; voor hem resten slechts de regen en de natte straten. (385)

1872
Mijn gastvrouw, die het aan het hart heeft, beschikt over een grote flacon Digitaline, waar ik soms verliefd naar knipoog, maar toen ik verleden week boven op de wolkenkrabber van Antwerpen stond, heb ik de ontmoedigende ontdekking gedaan dat ik toch wel niet eraf zou durven springen. (Otterspeer citeert WFH, 406)

1873
Een wolk was een zwart dons op riet van regen (Otterspeer citeert WFH, 407)

1874
‘Deze dichter is een zeer eenzame,’ vond de criticus van De Nieuwe Nederlander, ‘ingekeerd in zichzelf en met een waarlijk gruwen afgekeerd van dit schijnbestaan onder onze blauwe of onbewolkte hemel.’ (Otterspeer citeert Maurits Kok, 469)

1875
Alleen wanneer je niet bang bent nat te worden, is het een boeiend gezicht te zien hoe de ene donderwolk na de andere over je hoofd raast. (Otterspeer citeert WFH, 494-495)

1876
Wat dat betreft is het precies als je had gedacht, tot in de vorm en de kleur van de wolken (die hier heel anders zijn dan in Holland) toe. (Otterspeer citeert WFH, 580-581)

4340

Louise-Marie - 160328

woensdag 25 mei 2016

instagram 93

Brussel, Warandepark - 160318

los ingeslagen 316



21 augustus 2001

Tegenlicht en schaduw

Het door de restanten van nevel binnenvallende ochtendlicht schenkt het tafereel iets idyllisch. Een vrouw – onmiskenbaar een vrouw: type echtgenote van stripheld Octaaf Keunink, schonkig in het bekken, paarsig in het opgekrulde haar, rechtlijnig en honderd procent voorspelbaar – hangt de witte was op aan de draad die, zoals dat vroeger in talloze Vlaamse tuintjes het geval was, van betonnen paal naar betonnen paal gespannen is; beide palen staan naast de moestuin in de zanderige bodem geplant. De vrouw begint rechts op te hangen, de ene witte onderbroek links van de andere. Het lijkt een omgekeerd schrijven. Vlaggenschepen. Vaandels. Vaginawindels. Ik zei het: gelukkig is er het tegenlicht. Met sexy slipjes en beha’s, en natuurlijk een jonge vrouw met loshangend haar en hagelwitte tanden, had je een reclamespot voor een wasproduct. Zelfs mét de betonnen palen.

Aan de andere kant van het woninkje waar zich in de tuin dit tafereel afspeelt, gebeurt iets anders. Daar is geen gras, alleen stof; daar is geen overvloedig licht, alleen schaduw; daar is geen vrouw die witte was uithangt, alleen dit: een haan die over kippen heerst. Hoe stapt een haan? Statig, natuurlijk. De gouden veren, het formaat, de kam, de lellen. De sporen. Een stofwolkje: de heersende haan bestijgt een anonieme kip. Gekakel. Twee seconden geharrewar. Dan is het voorbij. De kip maakt zich niet eens uit de voeten, ze gaat door met pikken, met in het stof bijten. De haan overschouwt zijn slagveld. De andere kippen zijn kippen gebleven.