vrijdag 16 maart 2012

mijn dag van nationale rouw

Goed idee! Dat zal vandaag mijn rouw zijn: geen verslaggeving van 'intieme' rouwplechtigheden; geen kranten met van socialenetwerksites geplukte (gestolen) foto's van kinderen op de voorpagina; geen journalisten ter plekke die het 'maar terecht' vinden dat de ouders vragen om niet gefilmd te worden terwijl - ik verzin het niet - tegelijk beelden van ouders in die tunnel worden getoond; geen verslaggeving over witte ballonnen en rouwregisters en stille marsen - of kort gezegd: geen kranten of radio of televisie vandaag want over iets anders gaat het toch niet. Ik probeer mij in stilte iets voor te stellen bij het leed van die mensen, probeer ook te denken aan het leed van die talloze anderen die vandaag onnoemelijk verdriet te verwerken krijgen (in Syrië bijvoorbeeld), en neem mij voor niet toe te geven aan mijn voyeuristische en sensatiebeluste behoefte om mij in die door de media geregisseerde rouw te koesteren.

2807

De Panne - 111225

reactie

Ja! En niet alleen reclame. Het verwondert me hoeveel woorden en beelden we moeten spuien om uit te drukken dat het onverwoordbare en onverbeeldbare soms gebeurt. Waarom niet met Auden vragen om te staken met blogs en Facebook en Twitter? De netwerken te ontmantelen? De toetsenborden en touchscreens onklaar te maken? De modems uit te schakelen en de kabels door te snijden? De stekkers uit te trekken en onszelf het zwijgen op te leggen? Dat zou een dag van rouw zijn in deze eeuw. Anders dan in Audens eeuw mag de hond dan blijven blaffen en hoeft de maan niet te worden ingepakt. De sterren mogen blijven staan en de zee hoeft niet uitgegoten. Alleen al die commentaar, die moet ophouden.
(maar zie, ook dit is commentaar)
Anoniem

donderdag 15 maart 2012

schrikkel 071


Zondagmorgenontbijt en ik moet geen pistolets halen want D. heeft gisterenavond een door hemzelf gebakken en in een mooie blauwgrijs-geblokte handdoek verpakt brood meegebracht.

moet een dag van nationale rouw reclamevrij zijn?

actuele vraag 9


Ik vernam zonet op het VRT Radio 1-journaal dat er morgen, op de dag van nationale rouw die is afgekondigd naar aanleiding van het busongeluk in Zwitserland waarbij 28 Vlaamse en Nederlandse kinderen en volwassenen om het leven zijn gekomen, op de openbare radio geen reclame zal worden uitgezonden. Ik weet niet wat de commerciële radiozenders plannen.
Vlaggen halfstok, een minuut stilte, aangepaste radio- en televisieprogrammatie: de overheid probeert met dergelijke, in hoge mate symbolische, maatregelen het stuurloze verdriet en de existentiële wanhoop die bij elke rechtgeaarde mens opkomen naar aanleiding van een volkomen absurde en niet – en in geen enkel zingevingsysteem – tot enige zin te herleiden gebeurtenis een beetje te kanaliseren. Daarom is het bijvoorbeeld ook goed dat politici en andere gezagsdragers zichtbaar aanwezig zijn op momenten van collectieve rouwbeleving. Zij kunnen het gemeenschapsgevoel, dat nodig is voor de verwerking, versterken. Het is dan ook platvloers om elk publiek optreden van een prominente figuur als opportunisme te brandmerken.

Maar wat kan een reclamevrije dag op de openbare zender bijdragen tot de nationale rouw?
Begrijp mij niet verkeerd. Uiteraard vind ik dat de dag van nationale rouw van morgen het best zo sereen mogelijk blijft: halfstok, minuut stilte, aangepaste programma’s (bijvoorbeeld geen aflevering van ‘Kinderziekenhuis Manchester’, zoals gisterennamiddag te elfder ure werd beslist). En dus ook: géén reclame.

Maar de maatregel zet mij aan het denken. Waarom wordt reclame niet passend geacht voor een dag van nationale rouw? Wat kenmerkt dan die reclame, die wij op gewone dagen quasi gedachteloos over ons heen laten gaan en waardoor wij ons zelfs laten beïnvloeden, hoe kritisch wij er ook tegen aankijken, opdat zij niet compatibel wordt geacht met een dag van stilte, inkeer en ingetogenheid? Met een dag van oprechte gemeenschapszin, een dag van uitdrukking geven aan ons onvermogen om het leven en de dood  in al hun aspecten, onder meer de manifeste zinloosheid, volledig onder ogen te zien?
Ik weet het. Het is niet omdat de reclame wordt gekenmerkt door een schier ondraaglijke lichtheid, door een onbehaaglijk stemmende frivoliteit, door een onbeschaamde opdringerigheid. Het is niet omdat reclame vaak ronduit lelijk, luid en hinderlijk is. Het is omdat reclame per definitie leugenachtig, onoprecht en vals is. Want wat is reclame? Goederen en diensten worden aangeprezen. Oké, daar is op zich niets mis mee. Maar de winst die beoogd wordt, is altijd, onvermijdelijk, gebaseerd op een in min of meerdere mate onethische ondergrond: woeker, kinderarbeid, ecologische roofbouw en nog veel meer vormen van intentionele en vermijdbare criminaliteit aan de kant van de producent; hebzucht, profileringsdrang, kuddegedrag en denkluiheid aan de kant van de consument. Aan reclame is er niets dat ethisch hoogstaand is. Het is een door en door verdorven onderdeel van het economisch leven en we zouden – ik heb het al vaker gezegd – beter af zijn als er geen reclame zou bestaan, als reclame gewoon verboden zou worden. Dan zou de reclame, die nu als al te vanzelfsprekend wordt getolereerd, niet zo’n gigantische invloed op ons dagelijkse leven uitoefenen, een invloed die veel verder strekt dan het ongemak dat wij moeten ervaren gewoon als wij bijvoorbeeld op de radio of op het internet de actualiteit willen volgen, of als wij in het straatbeeld overal logo’s en slogans op ons moeten laten inwerken, of als wij merken dat bijvoorbeeld het culturele aanbod waarmee wij de kwaliteit van ons leven willen opkrikken in steeds grotere mate afhankelijk wordt van sponsoring.   

Daarom zeg ik: als wij op een dag van nationale rouw inzien dat reclame ongepast is, wat houdt er ons dan tegen om het op gewone dagen in te zien?
De actuele vraag moet dus niet luiden: ‘Moet een dag van nationale rouw reclamevrij zijn?’, maar: ‘Waarom zouden we niet elke dag reclamevrij maken?

driekleur 87

De doodstraf wordt uitgesproken tegen Tsjechen die pamfletten hebben uitgedeeld, op de zwarte markt hebben gehandeld of gewoon naar buitenlandse radiozenders hebben geluisterd. Het aantal rode tweetalige aanplakbiljetten op de muren neemt toe, er worden steeds nieuwe maatregelen aangekondigd. De Tsjechen leren hun nieuwe meester snel kennen.
En onder hen leren de joden het natuurlijk nog sneller. Op 29 september kondigt Heydrich de sluiting van de synagogen af en de arrestatie van de Tsjechen die als protest tegen de davidsster die recent voor joden verplicht is geworden, zelf met een gele ster op hun jas lopen.

Laurent Binet, HhhH, 154

2806

De Panne - 111225

woensdag 14 maart 2012

overschrijven 157

Verkenning

Kerstmis was dat jaar uitzonderlijk zacht.
Wij maakten een lange strandwandeling, kusten elkaar
in de luwte, een toegevoegd zintuig.

Ik tastte behoedzaam je lichaam af, onder je kleren,
je blozende meisjesbotten, je zinnebeeldige vlees.
Ik proefde de eerste smaak van je mond, niet zoet
en niet zout, zeg maar brak.

De atmosfeer viel uiteen tot een wijdverspreide ontroering,
een doorzichtige nevel van minimale gevoelens.

Wij glimlachten om de zich steeds herhalende zee,
lichtelijk verdoofd door de donderslag van de branding.

Adriaan Morriën, geciteerd in Rob Molin, Lieve rebel, 468

schrikkel 070b

Ik denk niet dat D. boos zou zijn als ik hem een knutselaar zou noemen. De kwalificatie ‘prutser’ zou hij misschien ook wel verdragen, maar dat klinkt toch een beetje te negatief. Laat ons zeggen dat hij een hogere prutser is, iemand die prutst met stijl. Maar knutselen is toch beter. Of noem D. een bouwer. Hij is in elk geval een fundamenteel positief ingesteld persoon want dat moet je zijn als je in elk materiaal constructiemateriaal ziet. Beter nog: D. is effenaf een kunstenaar. Zoals Leonardo in een steen al het beeld zag – hij moest het er enkel nog uit kappen – zo ziet D. in bijvoorbeeld een stuk cake of kaas (hier is het cake) onderdelen van een op te trekken kunstwerk. Geef D. geen cake of hij snijdt er vormen uit, die hij stapelt, sorteert, in elkaar past. Hij doet dat met het sérieux dat de echte artiest siert: zich bewust van het tijdelijke, voorbijgaande, verkruimelende en verteerbare karakter van zijn creaties.

reactie

Het is mooi wat je schrijft over de sterren, de planeten, denevels en de satellieten (in een andere volgorde). Het doet me denken aan dat gedicht van Elsschot, voor een gestorven kind:

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en ‘t huis is overeind gebleven.

Geen natuurramp als een mens het laat afweten. En wanneer de natuur in de lente opnieuw tot leven komt, begeven sommige mensen het, het is te sterk voor hen, een geweld dat zich buiten de mens afspeelt.
Ik heb graag de foto. Omdat ik de plek ken natuurlijk, omdat ik daar soms sta en het zo vertrouwd is. Maar ook voor het bord en dat het juist buiten de controle valt. Een raam in de avond, de nacht die je overvalt. We zijn vertrouwd met de duisternis maar het kan ook zo eenzaam en nietig maken.

S.

2805

De Panne - 111225

dinsdag 13 maart 2012

schrikkel 070a

’t Is een hard bestaan, ontwerper van Vlaamse kitschtuintjes. Niet alleen de sculpturen en lichtelementen en planten en wat weet ik nog allemaal verzamelen – de herhaalde gang naar het tuincentrum, uitkijken naar koopjes, versleuren en verslepen en in de auto terug naar huis – maar ook dat zuipen. Man, wat moet je zuipen om al die flessen te verzamelen: sherry, port, wijn uit de aanbieding van de Colruyt. Kijk, daar heb je de flessen die we over hadden van ons gouden huwelijksjubileum. En dan maar hals op zijn kop de grond in, om borders van te maken. Een delirium van volkskunst.

schrikkel 069b

Ooit vertelde F. me hoe wonderlijk hij het vond, dat ondeelbare moment waarop ajuinen in de pan zacht worden. Eerst zijn ze hard en dan worden ze zacht. Maar waar precies ligt het moment van overgang? Kun je dat bepalen? Het is inderdaad iets wonderlijks. Ajuin bakken (of stoven) is sinds die ene, ‘kwansuize’, opmerking voor mij altijd een aanleiding tot bezinning gebleven. De snippers snateren in de pan en je denkt aan fenomenen van transitie, transformatie, transsubstantiatie. Een scheut Ricard, overigens, voegt een heerlijke smaak toe aan deze zeer gangbare gerechtbasis. Of laat de fijn of grof gesneden sjalotjes lichtjes aanbranden – altijd prijs.

schrikkel 069a

Je herkent ze aan hun licht naar rechts gebogen hoofd, alsof het te zwaar is geworden van het vele tot zich nemen van gedachtegoed, verhaal en bericht, en daardoor niet meer rechtop kan worden gehouden: de lezers. Ze lopen het euvel op door in bibliotheken en boekhandels voortdurend een voor een de altijd veel te krappe schappen af te lopen, titels lezend van de ruggen van de samengeperste boeken. In Franstalige gebieden laten lezers het hoofd naar links doorwegen omdat daar de titels op de ruggen zich niet, zoals bij ons, van boven naar onder laten lezen maar omgekeerd, van onder naar boven. Hoe het in de Arabische of Japanse of Chinese wereld zit, ik zou het niet weten.

2804

De Panne - 111224

maandag 12 maart 2012

schrikkel 068

Kijk, zijn decor past mooi bij het mijne.

schrikkel 067

Ondertussen blijven de nevels, sterren, planeten en satellieten hun banen draaien en zich niets van onze hoop of wanhoop, ons lief en leed, onze vreugde en ons verdriet aantrekken. Niet omdat ze hooghartig zijn maar gewoon omdat ze niet begiftigd zijn met het vermogen zich wat dan ook aan te trekken. Wij zijn het die, onnadenkend, hun dat vermogen toeschrijven. Hoewel het te gek is, natuurlijk: vuurballen, stofwolken en steenbollen waarop vuurballenlicht weerkaatst, zijn niet voor denken of voelen, laat staan voor hooghartigheid of onverschilligheid toegerust.

2803

S. - 111217

zondag 11 maart 2012

schrikkel 066

De kinderparty was in mineur geëindigd. Het feestvarken had zich misdragen en was door zijn op en top gespannen moeder naar bed gestuurd, waarna een na een de gastjes beteuterd het pand vroegtijdig hadden moeten verlaten; ze werden opgevangen door opgetrommelde ouders in auto’s met draaiende motor. Het laatste vriendje werd, na nog eens anderhalf uur met de nintendo van zoonlief (huilend in bed) te hebben zoekgemaakt, door een kleerkast opgehaald – en eerlijk gezegd, die had een alcohollucht verspreid van heb ik jou daar. Woedend was hij. ‘Wat is me dat hier voor een feestje!’ en ‘Kom mee!’ balkte hij tot zijn zoontje, dat, de ogen betraand, ook niet meer goed wist wat er aan de hand was. De moeder van het verwijderde feestvarken lag huilend op de canapé, een sigaret die nog nasmeulde in de asbak op het salontafeltje. Een vader des huizes was in geen velden of wegen te bespeuren. En toen had die alcohollucht verspreidende bodybuilder, met zijn peuter in z’n kielzog, het pand verlaten – ‘Wat is me dat hier voor een feestje!’ (hij sprak alleen maar zinnen met uitroeptekens uit) – en keihard de deur achter zich dicht gesmeten. De aan de voordeur bijzonder hoopvol bevestigde verjaardagsfeestversiering was op het trottoir gevallen en lag daar, de volgende ochtend, toen ik er voorbij kwam op mijn weg naar het station, nog.  

schrikkel 065b

In de Noordzandstraat te Brugge is er een tijdelijke winkel met sterk afgeprijsde huishoudtoestellen, potten en pannen, bekers, koppen en allerlei keukenparafernalia. Een inferno van dingen, prullen en objecten die je anders geen blik waardig zou keuren maar die, wanneer ze de helft of meer goedkoper zijn dan in de reguliere handel, toch aantrekkelijk worden. Ik kocht een tefalpan (had ik nodig), een stel van zes koppen (niet echt nodig) en zo’n ovenschaaltapijtje dat tegen aanbakken moet beschermen. Dat het blijkbaar kan lonen om zo’n ramsj van gebruiksvoorwerpen op te zetten, stemt tot nadenken over de winstmarges die ‘normaal’ worden gehanteerd en door het consumentenvee aanvaard. Twintig meter verder in dezelfde straat is er een keukengeriefwinkel. Ik denk niet dat ze daar gelukkig zijn met de nieuwe concurrent – ook al is hij hier maar tijdelijk. Maar ik heb geen compassie want toen ik er eens een waterketel kocht, waren ze allesbehalve vriendelijk. En deze man, in deze uitdragerij, is dat wel. Bovendien zet hij de impliciete economische wetmatigheden, die, zoals we allemaal weten, in grote mate op bedrog, misbruik van vertrouwen en afzetterij zijn gebaseerd, eens goed op hun kop.

2802

J. in Huize - 111217

zaterdag 10 maart 2012

schrikkel 065a

De weg baant zich een weg. De bomen, mooi van groot naar klein gerangschikt, wijken. Ik kijk achterom: we hebben de hindernis probleemloos genomen. Een rit onder alsmaar grauwer wordende wolken. Straks begint het te gieten; we komen niet droog thuis.

2801

J. - 111217

vrijdag 9 maart 2012

schrikkel 064a

Patrick Van Caeckenbergh noemt zijn tentoonstelling een ‘vruchtbare ruïne’. Of zijn piramidale constructie met talloze speelkaartluikjes ruïneus kan worden genoemd, weet ik niet. Misschien kun je je eraan ruïneren want het is eigenlijk een soort van flipperbak. Denk ik. Je kiest een luik – in gedachten want aankomen mag niet – en laat daar een denkbeeldige kogel in los. Die valt door een – onzichtbaar en wellicht al even denkbeeldig – labyrintisch buizenstelsel op een platform, waar hij dan naar een van de gaten rolt die leiden naar de basketbalnetjes die zijn bevestigd aan de buitenkant van de tafel onder het platform. Zwaartekracht en toeval verdelen de toebereidselen van het lot – maar de wegen van deze op vruchtbaar-ruïneuze wijze vormgegeven contingentie blijven natuurlijk ondoorgrondelijk.

Van Caeckenbergh is een verzamelaar, encyclopedist en fantast. Zijn tentoonstelling in het Museum M te Leuven is een superbazaar, volgestouwd met de hersenspinsels en fortuïte trouvailles van een prettig gestoorde pereciaan. Poëtisch zullen sommigen zeggen, en ik kan ze daarin wel volgen – al is dat adjectief natuurlijk als vlag die vele ladingen dekken kan al veel te vaak misbruikt.

2800

Parijs - 111031

donderdag 8 maart 2012

mijn woordenboek 356

ARBEIDSETHOS

Als bij mij wordt geïnformeerd naar de mate waarin ik mij kan verzoenen met het feit dat ik een deel van mijn tijd – en gelukkig slechts een deeltijdse tijd van mijn tijd – verkoop in ruil voor dukaten en zilverlingen, die mij dan weer in de mogelijkheid houden om niet alleen te overleven maar daarenboven ook een meer dan behaaglijke levensstandaard te handhaven (ik woon goed, koop wel eens een boek en boek al eens een reis), verwijs ik steeds naar het feit dat ik het geluk heb mijn werk met een zekere trots te kunnen volbrengen. Zonder die trots zou ik er, denk ik, geen vreugde aan kunnen beleven noch mij ermee kunnen verzoenen – hoe prettig of prestigieus op zich het werk ook zou mogen zijn.

Als ik fier ben op mijn job, dan heeft dat te maken met ethiek. Met de ethische waarde van mijn werk – en die kan enkel bepaald worden in functie van de maatschappelijke waarde ervan. Is wat ik doe nuttig en relevant voor mijn medemensen? Draagt het bij tot een betere wereld? Ik zeg altijd: ik ben gelukkig want ik werk niet in een wapenfabriek, een petrochemisch bedrijf, een bank of een vastgoedkantoor. En ook niet bij Electrabel of Telenet. En ik zou wellicht ook fier kunnen zijn als ik verpleger zou zijn of onderwijzer, kunstenaar of – waarom niet? – een consciëntieuze timmerman.

Maar dat is slechts één dimensie van arbeidsethos: de externe, zo u wilt. Er is ook een inherent arbeidsethos, iets wat met het goed uitvoeren van het werk zelf te maken heeft, ongeacht waartoe dat werk leidt of wat het inhoudt. In dat opzicht kan – zou je met enige zin voor controverse kunnen zeggen – ook een drugstrafikant of een pooier het gevoel hebben goed te hebben gewerkt.

Maar we geven natuurlijk wel de voorkeur aan moreel hoogstaande jobs.

Arbeid is een activiteit die haar zin in zichzelf kan dragen. Iets wordt je opgedragen – en je probeert dat zo goed mogelijk te doen. Meer nog: je probeert het, indien mogelijk, béter te doen dan wat van je wordt verwacht. Je levert puntgaaf werk af, binnen de opgelegde termijn, zonder anderen lastig te vallen, zonder klacht. Je doet het gewoon omdat het je plicht is. Je doet het omdat het – binnen een aanvaardbare en door het merendeel van de mensen aanvaarde consensus – móet. En daar put je voldoening uit.

Dat soort – inherente – arbeidsethos is, ik ben er mij bewust van, tegenwoordig nogal ouderwets. De 51 procent-generatie, zoals ik haar dan maar noem, probeert zo dicht mogelijk bij het minimum te blijven van wat wordt verwacht. (Geëist is al een woord dat niet meer kan.) Ik ben inderdaad ouderwets want ik maak nog deel uit van een lichting die met minder dan 75 procent niet tevreden was en eigenlijk liever zo dicht mogelijk bij de 90 procent uitkwam. Ik slaagde daarin als kind en ik moet zeggen: dat schonk een voldoening die ik sindsdien, noch als student noch in mijn beroepsleven, nauwelijks nog heb geëvenaard.

Nu is het omgekeerde vaak het geval. In een tijd waarin alles op efficiëntiemerites wordt beoordeeld, wordt elke inspanning die leidt tot een resultaat dat het strikt noodzakelijke overstijgt beschouwd als een overtolligheid, als een verlies van energie. Het is bovendien niet cool het beste uit jezelf te willen halen.

Het spreekt – binnen mijn ouderwetse logica – voor zich dat hoe zinvoller het werk en hoe hoger de morele waarde ervan (lees: de maatschappelijke relevantie), en hoe meer het aansluit bij de menselijke waardigheid en de volledige ontplooiing van bekwaamheden en talenten, hoe gemakkelijker het zal zijn om tot een dergelijke inherente arbeidsvoldoening te komen.

Mijn arbeidsethos impliceert: als je eenmaal uit vrije wil een werk hebt aanvaard waar je ten volle achter kunt staan, moet je het zo goed mogelijk proberen uit te voeren en open staan voor de mogelijkheid dat je daar een persoonlijk genoegen aan beleeft. De fierheid van de loodgieter die de betere oplossing boven de gemakkelijkste verkiest, van de boer die een extra inspanning veil heeft voor duurzaamheid, van een schrijver die zijn tekst vier keer herleest vooraleer hem vrij te geven en er een punt van maakt geen komma verkeerd te plaatsen. Het heeft met ambachtelijkheid te maken, er je tijd voor nemen, geduld. Plichtsbesef ook.

Bezoldiging, roem en praktisch nut spelen daarin geen enkele rol.

schrikkel 063

Soms, als het hevig waait, vliegt van mijn brievenbus naast de voordeur van het appartementsgebouw het deurtje open en dan verspreidt er zich in het trappenhuis een kille wind.

Om maar te zeggen: de dagen dat ik uitkeek naar een brief – handgeschreven, eventueel verlucht met een tekening, laat staan geparfumeerd of bevattende een lok – zijn nu wel voorgoed voorbij. Zelfs ansicht- of wenskaarten zijn zeldzaam geworden. Mensen schrijven niet meer met de hand. En eigenlijk schrijven ze zelfs bijna helemaal niet meer als ze dat niet voor hun plezier doen. ‘Geen post, geen kost’ is het parool geworden; de facteur is vandaag een onwelkome brenger van onheilstijdingen, rekeningen, aanmaningen. Heel af en toe is er nog wel eens een vriend die probeert aan te knopen bij een vervlogen analoge epistolaire traditie. Als het gebeurt, zou ik het moeten honoreren met een eigenhandig geschreven wedergroet, maar dat voornemen blijft steken in een ongearticuleerd verlangen naar een intense, bewerkelijke, haar eigen zin in zich dragende, uitgesponnen correspondentie.
Vandaag was er post. Een heel klein briefje met een uitnodiging om deel te nemen aan een ‘vermageringsplan’. Of was het een stoelovertrekker of schoorsteenveger die zijn diensten aanbood? Kijk, ik weet het al niet meer. ’t Was niet meer dan een blaadje in de wind.

2799

Parijs - 111031

woensdag 7 maart 2012

schrikkel 062


Een ‘haas meisje’ en een ‘haas jongen’ kosten evenveel. De hazenparade koppelt Tirolerfrivoliteit aan een soort van french cancan-esthetiek. Sint-Kristoffel waakt over de elk jaar vroeger toeslaande paasgekte in mijn bakkerij.

schrikkel 061

De levens die passeren. Nog een knappe, dacht ik heel primitief en onnadenkend. De vrouw rijdt, star voor zich uitkijkend, voorbij in haar zwarte cocon.

2798

Parijs - 111031

dinsdag 6 maart 2012

2797

Parijs - 111031

maandag 5 maart 2012

reactie

zandkastelen bouwen tegen beter weten in, is een volwassenenactiviteit. Zoals jij hier doet : wat is fotografie anders dan een gevecht tegen de vergankelijkheid ? of de wolken in een boek inventariseren. een kapelletje beschrijven. mooie benen op de pont des Arts, le pont des cadenas amoureux. een verdwaalde zwaan.
Voor jezelf, voor de lezers of voor de zwaan, de wolken, de benen, het zandkasteel ?

S.

ongefotografeerd 21-25

21. op het ijs van de rei langs de Grauwwerkersstraat: een schaatsende gele kwikstaart

22. langs de Pijpeweg in Sint-Kruis: een man met wit haar die in zijn voortuin de bladeren van een eenzame heester samenharkt

23. op een erf van een boerderij naast de weg naar Knokke: een oude vrouw, de boerin wellicht, die, met waggelende gang, met een brief in de hand van haar brievenbus naar haar nog openstaande voordeur stapt

24. langs de weg naar Knokke, in de mist en naast een huis waarvan alle rolluiken neergelaten zijn: een bord ‘Open dag’

25. in de Noordzandstraat te Brugge: een telefonerende arbeider met rood-witte kerstmuts naast een rood-wit diagonaal gestreepte bouwafvalcontainer

schrikkel 060

Elk signaal is welkom en wordt dan ook ontwaard. Een jogger in mouwloos T-shirt, of ‘marcelleke’: hoe grauw en bladloos de bomen nog zijn, toch kondigt de lente zich aan.

schrikkel 059

Na een lange en vermoeiende dag op het werk heb je echt geen zin om lang te zoeken, laat staan om je te laten bevangen door de paniek die je overvalt wanneer je denkt: ‘Laat het geen waar zijn, toch niet alweer gestolen.’ Om dat soort onaangenaamheden te vermijden, kun je bij het ’s ochtends parkeren van je fiets drie maatregelen in acht nemen om het ’s avonds terugvinden ervan te vergemakkelijken. Eerst en vooral moet je je fiets altijd in hetzelfde rek achterlaten. Of dan toch zeker in hetzelfde compartiment van de fietsgarage. Tweede stelregel: memoriseer telkens waar precies je vandaag een vrije plaats hebt gevonden: voor- of achteraan, links of rechts. Zeker als je niet in je gewone rij of compartiment hebt kunnen parkeren, is memoriseren ronduit onontbeerlijk. Derde maatregel die je kunt nemen, is je fiets doen opvallen: met een felgekleurde sticker, wimpel of zadelovertrek laat je stalen ros zich des te makkelijker terugvinden. Deze laatste voorzorg moet je natuurlijk niet elke dag opnieuw uitvoeren. Maar het probleem bij deze maatregel is wel dat je niet de enige bent die op het idee is gekomen – zo kun je in de fietsengarage wel meer rode zadelovertrekken met witte stippen aantreffen. Toch blijft het makkelijker om in een overwegend grijs bos een vliegenzwam terug te vinden dan een boleet.

2796

Parijs - 111031

zondag 4 maart 2012

schrikkel 058


Ik had de zwaan die in het park tegenover mijn deur doelloos rondwaggelde en van pure ontheemdheid niet aan grazen en snibbelen toe kwam al een uurtje in de gaten. Hij was niet echt op zijn gemak, zoveel was duidelijk. Hij leek wel benieuwd wat er in deze vreemde omgeving zou gebeuren. Hij was op uitstap, maar besefte hij dat wel? Waar waren zijn kameraden van het Stil Ende? Waren zij opeens allemaal tegelijk weg of was hijzelf op het verkeerde pad? Waar was het Stil Ende trouwens? Wat zeg je, aan de overkant van de straat? Waar is dat? Wat is een straat? Wat is een overkant?

Dat waren allemaal vragen die de zwaan zich ongetwijfeld niet stelde. Hij waggelde maar wat aan en het zag er niet naar uit dat het tot hem doordrong dat hij hier niet hoorde.

Tot een meneer met een stok hem in de richting van zijn vijver probeerde te porren. Dat leek te lukken: de zwaan strompelde, dat mannetje een meter of vijf achter hem aan, richting zebrapad, waar hij dan denkelijk de straat zou kunnen oversteken naar de vijver waar zijn afwezigheid ongetwijfeld nog door geen enkele van zijn collega’s was opgemerkt. Maar hoe moest dat dan met de draad die op knobbelhoogte rond het Stil Ende gespannen is? Hoe zou deze zwaan daarover geraken? Hoe wás hij er trouwens overgeraakt? Want vliegen kunnen ze toch niet, de Brugse zwanen? Gekortwiekt als ze zijn?

Op het zebrapad. Autobestuurders respecteren het verkeersreglement en stoppen voor de overwaggelende zwaan. Hoe stapt een zwaan? Maar stappen is het niet, en waggelen klinkt wat denigrerend voor zo’n statig dier. Maar ’t is toch vrij onevenwichtig, dat zwaanachtige voortbewegen. Een onzekere stap, dat in elk geval. Aarzelend. Zoekend naar een telkens hernieuwd evenwicht. ’t Is al bij al een zwaargewicht, en dat op twee poten.

Op het zebrapad dus. Geraakt dat beest in paniek. En wat doen zwanen in paniek? Juist, ze vluchten. En dan blijkt: dat dit exemplaar kan vliegen. Hij loopt eerst enkele stappen op zijn plompe poten, wint snelheid en slaat zijn vleugels uit. De vleugels raken het beton van de straat, maar dan vangen ze lucht en wordt er hoogte gewonnen. En zo transformeert ineens die onhandige waggelaar in een sierlijk vliegtuig dat statig mijn straat uitwiekt.

Verbaasd blijft dat oude, goedbedoelende mannetje met zijn stok achter.

schrikkel 057

Alleen kinderen en vaders in quality time bouwen zandkastelen, maar enkel van het kind is de beweegreden zuiver. Het kind bouwt à fonds perdu – de vader daarentegen doet het zelden belangeloos. Een enkele keer niet te na gesproken, dan vergeet hij de tijd en wordt weer als een kind en doet de mooiste efemere fortificaties ontstaan. Maar meestal ziet hij al in de eerste spadesteek de uiteindelijke vernieling toeslaan – kinderen, zo beeld ik mij in, dromen altijd van een waterburcht die ook tegen het verst oprukkende getij bestand is en zijn zich nooit ten volle bewust van de vergankelijkheid.

Het is bij zo’n zandfort aan de waterlijn onmogelijk om niet de associatie te maken met de voorspelde stijging van de zeespiegel. Deze zorg zal de volgende generaties wellicht – of mogelijk? – meer bezighouden dan het dieet van Bart De Wever de huidige, of dan de kwestie of, in Thuis, Femke inderdaad zwanger is van notaris Peter en niet van haar halfbroer Rafaël. Het is nog maar de vraag of het artificiële ophogen van onze stranden de verwachte vloed zal kunnen tegenhouden. Dit ongemakkelijke denken bekruipt me wanneer ik een kind een zandkasteel zie bouwen. Het tij vult de eerste gracht, knaagt de eerste omwalling aan, ondermijnt uiteindelijk het hele fort.

Kunnen wij wel iets ánders zeggen dan: Après nous le déluge? Zijn er niet ook problemen die gewoonweg niet te overzien zijn? Moeten wij niet te allen tijde ook als het kind proberen te zijn en – tegen beter weten in – zandkastelen blijven bouwen?

driekleur 86

Natuurlijk kan ik laveloos genieten van de schoonheid van het artefact ‘oude vergeelde foto’, het technisch volmaakte van een haarscherpe afdruk, maar au fond is de collectie een zoektocht naar een beter begrip van onszelf. Daartoe dienen foto’s als bewijsmateriaal, zeker als ze ruim een eeuw oud zijn en men zwart op wit kan aantonen dat er tussen toen en nu een rode draad loopt.

Jan Desmet, Kijk eens naar het vogeltje, 14

schrikkel 056b

Dit kapelletje volg ik al jaren. Ik bedoel, ik ken het al jaren. Het verandert traag, en ik volg het in zijn veranderingen. De polderlucht erboven weegt en beweegt als gevolg van minieme modulaties in de Golf van Biskaje of in de uiterwaarden van een front boven de Azoren. Hij weegt zwaar op het land. Vaak zijn de kleuren van die lucht wit en hemelsblauw. In gradaties en nuances, maar toch: wit en hemelsblauw. Dat is het kapelletje in intentie ook, wit en hemelsblauw, maar blijf lang genoeg kijken en je ziet hoe, door de impact van weer en wind, die kleuren afbladderen. Een paar jaar geleden kreeg het kapelletje een nieuwe lik en stond het er op zijn allerhemelblauwst bij, maar het is alweer aan een opknapbeurt toe. En daar situeert zich het grote verschil tussen kapel en hemel: die laatste is voor zijn kleurenonderhoud niet afhankelijk van de levende kerk. Als ik hier voorbijfiets, en dat doe ik dus al vele jaren, vraag ik mij telkens af: wie schildert om de zoveel jaar dit frivool vormgegeven kapelletje bij om het zo nauw mogelijk bij de hemel erboven te laten aansluiten, wie trimt er zo secuur het haagje, welke onverlaat heeft er zo plomp een elektriciteitspaal voor het devote ensemble neergepoot?

2795

Parijs - 111031

zaterdag 3 maart 2012

2794

Parijs - 111031

vrijdag 2 maart 2012

schrikkel 056a


Met aan verbijstering grenzende verbazing kan ik zo’n keukenapparatuurdemonstratie gadeslaan. Een speciale rasp voor zus, een bijzonder mes voor zo, een extra vergiet voor nog weer wat anders. Alsof het met de gewone raspen en messen en vergieten ineens niet meer zou gaan. Misschien wel, maar niet ineens in één: het moet in één tuig kunnen, opeens. Het is niet meer voldoende dat het met verscheidene instrumenten heel goed mogelijk is, blijkbaar. Het gedemonstreerde apparaat voegt niets nieuws toe aan wat zo al kan, maar het pakt uit met een mate van compactheid en veelzijdigheid die anders niet wordt bereikt. Dat fascineert en verleidt de mensen want ze verwarren compactheid en veelzijdigheid met versnelling en vereenvoudiging – terwijl het winstpunt van de compactheid meestal minimaal is en louter van esthetische aard en volledig verloren gaat in het veel complexere reinigingsproces achteraf, en terwijl het tweede winstpunt, dat van de veelzijdigheid, vaak helemaal niet tot vereenvoudiging leidt, het tegendeel is bijna altijd het geval. Bovendien is de gedemonstreerde veelzijdigheid veelal vals want veel van de in het nieuwe toestel vervatte mogelijkheden en ergonomische spitsvondigheden blijven in de dagelijkse praktijk toch onbenut.

Enfin, ik bekijk zo’n demonstratie met grote verbazing, en ook met aandacht en appreciatie voor de aan de dag gelegde retorische en theatrale vaardigheid van de marktkramer die met deze aanpraterij zijn brood verdient. ‘U hebt allemaal thuis wel een frietsnijder waar u aardappelen die te groot zijn niet in krijgt of, erger nog, niet terug uit. Welnu, met de Rapido Groentensnijder snijdt u moeiteloos frietjes, ongeacht de grote van de patat, op de gewenste dikte: van allumettes over mignonettes tot uit de kluiten gewassen dikke frieten.’ En ondertussen toont spreker met routineuze bewegingen hoe moeiteloos de toegelichte operaties kunnen worden uitgevoerd. Alleen met de Rapido Groentensnijder, welteverstaan.

Met grote verbazing kan ik dat allemaal bekijken, en met grote opluchting kan ik zo’n demonstratie ook weer achter mij laten. Ik heb een stukje straattheater meegemaakt en ga nu thuis, volgens de veelbeproefde en al voldoende op deugdzaamheid geteste methode, mijn groenten snijden met mijn vertrouwde keukenmes. Zoals ik ook frieten snijd, als ik frieten snijd. Formidabel, wat je allemaal met een mes kunt doen.

2793

Parijs - 111031

donderdag 1 maart 2012

overwin uw weerzin!

De maagd Marino roept heel wat weerstand op. Dat bleek duidelijk tijdens de twee aan de roman van Yves Petry gewijde leesclubbijeenkomsten die ik leidde. Aan de literaire kwaliteit van het boek werd niet of nauwelijks getwijfeld, maar toch kwam het twee keer tot vrij heftige discussies over de manier waarop het programma voor de leesclub werd samengesteld. ‘Moeten wij echt dit soort boeken lezen? Daarvoor is het leven te kort.’

Ik heb respect voor deze opmerkingen en beloofde in het vervolg een beetje meer rekening te houden met de suggesties van de leesclubleden. En ik moet toegeven: Petry maakt het wel erg bont. Met zijn eerste hoofdstuk, waarin hij in geuren en kleuren (overwegend rood, als ik mij goed herinner) en met zeer veel zin voor visualisering een kannibalistische moord beschrijft, trekt hij een hindernis op die lezers die nog niet helemaal overtuigd zijn van het feit dat literatuur gerust amoreel mag zijn maar moeilijk kunnen slechten. Petry’s relaas is effenaf weer-zin-wekkend. Een buitengewone narratieve performance, dat wel, maar ik kan begrip opbrengen voor wie zich hierdoor laat afschrikken.
Toch is De maagd Marino natuurlijk wél zeer de moeite waard. En dat heeft in grote mate te maken met het feit dat de beschreven weerzinwekkende gebeurtenis en de psychologische zoektocht naar mogelijke verklaringen ervoor niet de hoofdbrok van deze roman vormen. (Petry kan zich overigens met alle gemak verweren tegen het verwijt van perverse sensatiezucht: de door hem vertelde misdaad is immers geen verzinsel: het uitgangspunt voor De maagd Marino is gebaseerd op een geënsceneerde lustmoord die ‘in het echt’ heeft plaatsgevonden.)
Ik noem, naast de bij momenten indrukwekkende stilistische kwaliteiten, twee redenen waarom ik dit boek toch ten zeerste waardeer en bijgevolg Yves Petry een belangrijk auteur vind.

Ten eerste durft hij het aan de onverklaarbaarheid als thema te nemen. Zijn boek gaat minder over een kannibalistische moord (zoals de roman in de recensies voortdurend wordt voorgesteld) dan over onze behoefte aan verklaring, ook ten aanzien van het manifest absurde. Om het in existentialistische termen te zeggen: niet het absurde (in dit geval een wreed geval van perversiteit) is de rots die we vruchteloos bergop moeten rollen, maar onze neiging om het absurde niet als dusdanig te aanvaarden en het door middel van een verklaring verteerbaar te willen maken. Petry maakt duidelijk dat dit zijn thema is door, tegen de chronologie van zijn verhaal in, de moordscène naar voren te halen. Als vanzelf gaan we spontaan op zoek naar een verklaring en die lijkt ons te worden aangereikt door de psychologische voorgeschiedenis van zowel dader als slachtoffer. Maar dit spoor loopt dood: de psychologische verklaring is niet sluitend. Wij raken niet overtuigd van de noodzaak en onafwendbaarheid van het misdrijf, en al zeker niet van de reden waarom de dader zich door het slachtoffer ertoe heeft laten overhalen. Uiteraard beseft Petry dit zelf ook. Dat deze moordzaak niet tot op de laatste grond kan worden uitgeklaard, mag dan ook zeker niet als een tekortkoming worden bestempeld. En dat is nu net wat Petry wil aangeven: dat we er vrede mee moeten zien te nemen dat bepaalde zaken – en welbeschouwd zijn dat er niet weinig – nu eenmaal onverklaarbaar zijn.
Toch hebben wij een onweerstaanbare behoefte aan een verklaring – en daarom zijn wij zo verslingerd aan verhalen: wij pressen het onverklaarbare in een narratieve constructie en sussen daarmee ons onvermogen om vat te krijgen op de vaak onwaarschijnlijke werkelijkheid. Dat is de tweede reden – in de receptie van dit boek al evenmin gesignaleerd, of toch niet genoeg – op basis waarvan ik beweer dat Petry met dit boek bewijst een belangrijk auteur te zijn: hij behandelt op zeer originele manier de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Met het oog daarop voert hij het personage Eveline Tits op, de advocate van Marino Mund. Zij overtuigt Marino ervan dat hij het verdict ‘ontoerekeningsvatbaarheid’, wat hem op levenslange internering zou komen te staan, kan omzeilen door de verantwoordelijkheid voor zijn daad ten volle op te nemen. En dat kan hij door de jury een geloofwaardig verhaal op te hangen. Dit verhaal moet, bij wijze van verzachtende omstandigheid, een psychologische verklaring bieden van de feiten in plaats van uit te gaan van ontoerekeningsvatbaarheid. Uiteraard kan ook deze verklaring niet stroken met de waarheid omtrent de misdaad – die is nu eenmaal onverklaarbaar, volkomen absurd, volslagen onredelijk.

Vernuftig confronteert Petry ons met onze behoefte aan verhalen. Ook wij hebben behoefte aan een geloofwaardig verhaal. Ook als wij weten dat de waarheid niet haalbaar is, construeerbaar of reconstrueerbaar is, laten wij ons door die behoefte leiden. Waar de wetenschap tekortschiet, schiet de religie te hulp. Of de literatuur.
Besluit: til uzelf over de in het eerste hoofdstuk ervaren weerzin heen en stel u open voor de unieke romankunst van Yves Petry. Ik begin alvast aan De laatste woorden van Leo Wekeman. Een leesimpressie van De achterblijver is hier te vinden.

wolken 326

wolkencitaat uit: Erik Spinoy, As/zteken

326
Tegelijk is veel van wat ik in een kwarteeuw dichterschap heb geschreven en met stelligheid verdedigd niet denkbaar zonder die onheilspellend rommelende, nergens precies af te grenzen discursieve wolkenformatie die als ‘postmodernisme’ bekendstaat.

schrikkel 055

Vandaag beschikte ik niet over de auto om naar de leesclub in Knokke te rijden – geen erg, Knokke ligt binnen fietsafstand, dus kon ik volop genieten van het polderlandschap ter hoogte van Dudzele en Westkapelle. Ik hield er een stevig tempo op na want ik was iets te laat vertrokken en bovendien had ik de afstand onderschat: ik dacht dat het zestien kilometer was maar het bleken er twintig te zijn. (Een opsteker voor mijn onkostenvergoeding!) Toch had ik tijd om te genieten van de door de mist nog verhevigde desolaatheid van dit landschap. Sommigen vinden het polderlandschap mooi, ik heb het altijd treurig en saai gevonden en daar komt geen verbetering in. Ik mis reliëf, geaccidenteerdheid. Maar ik geef toe, het desolate heeft zeker ook zijn charmes. Soms meer dan algemeen wordt aangenomen. Zeker in de mist. Dan krijgt dit landschap beslist iets suïcidaals of suïcidairs, of hoe zeg je dat?, suïcitiefs, tot suïcide aanzettend of inspirerend… Niet bij mij hoor, voor alle duidelijkheid: ik fiets naar Knokke!

2792

Parijs, Beaubourg - 111031

woensdag 29 februari 2012

schrikkel 054b / driekleur 85


Elke dag, of toch elke dag dat het niet te hard regent, komt hij hier aan met zijn auto, een bescheiden zwarte monovolume-Toyota RAV4, die met zijn sterke lijnen opnieuw hoge toppen scheert, zowel in 4x4 als in 4x2-versie. Hij stapt uit (vandaag heeft hij een rode trui aan), haalt uit de koffer een golfclub en wandelt rustig het grote, volledig door bomen en bos omgeven veld op. Hij haalt een balletje, een geel golfballetje, uit zijn broekzak en plaatst het voorzichtig, als was het zo breekbaar als een ei, op de grond. Dan zet hij een stap terug en gaat vervolgens in golfslaghouding staan. Hij neemt zijn tijd: benen uit elkaar, de voeten op een denkbeeldige parallel met de lijn die straks door het balletje zal worden beschreven, hoofd gericht naar het punt waar het straks een vijftig meter verderop zal neerkomen. En dan slaat hij. Lichtjes. Het balletje gaat de lucht in en komt een beetje links of rechts van het vooraf ingeprente punt neer. Waarop de man met de rode trui het op zijn dooie gemak gaat ophalen, van de vindplaats het nieuwe slagpunt maakt en zijn handeling herhaalt. Twee of drie keer in dezelfde richting, en dan terug het hele veld af – en dat een keer of drie, vier na elkaar. Een halfuur nadat hij zijn eerste balletje heeft weggeslagen, raapt hij het een laatste keer op, stapt op zijn Toyota af, legt zijn golfclub in de koffer, stapt in en vertrekt.

reactie

Bij verkeerslichten ken ik dit ook. Als de lichten rood zijn en ik staan moet, ben ik wakker, ik kijk veel en ik neem meer details waar dan soms. Als de lichten groen werden verdwijnt mijn konzentratie en de landschap of de stad gaat veel te snel voorbij.

Dieter (D)

schrikkel 054

Je leest een roman altijd van voor naar achteren. Evident, zult u zeggen, maar ik begin daar hoe langer hoe meer aan te twijfelen. Als ik zie hoe het bewerken van mijn notities vaak neerkomt op het omgooien van de volgorde waarin ze – onvermijdelijk – werden gemaakt, raak ik steeds meer doordrongen van de overtuiging dat bepaalde boeken – goede boeken meestal – evengoed achterstevoren zouden gelezen kunnen worden. In zekere zin, natuurlijk, want een reële uitvoering van dit principe zou natuurlijk op praktische moeilijkheden stuiten. Wat ik wil zeggen is: de opvatting die een roman reduceert tot een lineaire constructie zit goed fout. Als die roman zorgvuldig werd geconstrueerd, moet de lezer zich ook concentreren op verbanden die zich in andere richtingen en zelfs dimensies (gelaagdheid) uitstrekken. En om daarin door te dringen, is natuurlijk een veelvuldige lectuur aanbevolen, om niet te zeggen: noodzakelijk.

2791

Parijs, Beaubourg - 111031

reactie

Niet te geloven... Mijn buren begonnen in juli vorig jaar, en zijn nog steeds bezig... 6 dagen op 7. Ze beginnen om 7u. 's morgens met de drilboor... Behoudens de buitenmuren staat er niks meer... 't Is bijlange niet af... Ik vlucht, elke dag vroeger, mijn huis uit, en elke avond kom ik later naar huis...
Goeie moed !

L.

dinsdag 28 februari 2012

schrikkel 053 / mirage 55

Het moet zo een keer om de zes tot twaalf maanden. Er is geen ontkomen aan. En we hebben getweeën nogal wat verhuisd, de laatste jaren, en kinderen in de groei – dus ligt de frequentie zelfs hoger. Altijd is er wel een klerenkast nodig, of een zetel, of een bed – en je komt steevast met veel meer rommel thuis dan je je had voorgenomen te zullen kopen: een pan, een pollepel, een stel glazen, een oorkussen. Die winkel is duivels opgezet. Het helpt niet dat je doordrongen bent van het besef dat alles op manipulatie is uitgetekend: de opstelling van de waren, het zigzaggend traject waar je nauwelijks van kunt afwijken, de kleurtjes en prijsjes. Kopen zul je. En steek het dan maar eens allemaal in elkaar, achteraf. Sommigen gaan er, naar verluidt, naar zéér verluidt, voor hun plezier heen. Stel je voor: een dagje IKEA. Het kan niet anders of de Zweedse gehaktballen zitten daar voor iets tussen.

schrikkel 052

Een paar panden naast het appartementsgebouw waarin ik een verdieping betrek zijn ze met een gevelrenovatie begonnen. ‘Aquastra’: van het water naar de sterren. Maar dat klinkt lieflijker dan de pokkenherrie die nu al de hele dag van achter dat doek mijn rust verstoort. Ik begrijp dat het resultaat er zal mogen zijn, maar niet dat deze klus uitgerekend op een vakantiedag – of wat althans voor mij een vakantiedag is – moet worden geklaard.

schrikkel 051

Ik was met S. naar het station meegestapt. Kwart over zeven, heldere dagen breken vroeger aan dan sombere. Op mijn terugweg neem ik wat tijd om te fotograferen. Ik vat de stilstand en de beweging, de duisternis en de klaarte, de waanzin en de regelmaat. ‘De zotte poort’ van Paul Perneel is een van de elementen in mijn blikveld, naast de verkeerslichten en de wachtenden. Een auto rijdt tegen de leesrichting in door het beeld. Het is een moment van grote intensiteit. Ik ben klaarwakker, helder, fris als de buitenlucht die, hoewel dicht tegen het vriespunt aan, al iets van lente in zich draagt. In de nog kale bomen hoor ik, nog schuchter, de eerste merels hun lied inoefenen.

2790

Parijs - 111031

maandag 27 februari 2012

2789

Parijs - 111031

reactie

Wat je je blijkbaar niet meer herinnert : T. zei dat je ingenieuze luster haar deed denken aan een scoutsgroep die op een vrij podium het interieur van een ruimteschip wou evoceren. Studenten die futuristische atmosferen oproepen ! Het werkstuk van een Freinetkind na de lectuur van de Kiekeboestrip, De Mars op Mars.

S.

zondag 26 februari 2012

2788

S. - 111017

zaterdag 25 februari 2012

schrikkel 050


Zo’n naakte peer, dat is toch maar niets.
Daarom heb ik uit eigener beweging en met eenvoudige middelen een luster gemaakt. Benodigdheid, benevens een strook aluminiumfolie (‘zilverpapier’): het kartonnen omhulsel, doos genaamd, van een vijfliterwijnzak. U kent het verpakkingstype vast wel: zo’n doos met een luikje dat je eerst moet indrukken om er vervolgens het kraantje van de wijnzak doorheen te wurmen – waardoor je, naar behoefte, je glas kunt bijtappen zonder je al te veel zorgen te moeten maken over het dalende wijnpeil in de plastic zak want die blijft door de doos aan het oog onttrokken. Nu, dalen doet dat peil toch, maar dan alleszins traag genoeg om het systeem te kunnen roemen omwille van zijn Voornaamste Voordeel: je moet niet om de haverklap naar de glasbak.

Maar ik dwaal af. Ik ging het niet over wijn en wijnconsumptie hebben, maar over licht. Hoe bouw je zo’n fraaie luster? Ik leg het even uit zodat u meteen aan de slag kunt mocht u ook een peertje in te kleden hebben en bovendien ook al eens graag een glazeke wijn nuttigen.
Als die wijnzak dan toch eens leeg is geraakt en tot de laatste druppel uitgewrongen, bewaar je de doos. Je beschouwt het kleine oppervlak dat zich het dichtst bij het tapluikje bevindt als de onderkant en zet de vier kleppen die samen de bovenkant vormen open. Dan maak je drie extra kleppen door uit alle wanden behalve deze waarin zich het luikje bevindt, zo dicht mogelijk tegen de ribben van de doos aan, de drie zijden van een rechthoek uit te snijden. De vierde zijde, het dichtst tegen het oppervlak dat we de onderkant hebben genoemd, plooi je over – zo kun je die extra kleppen in geopende stand zetten. Bekleed nu kleppen en ribben van de aldus uitgeplooide doos met aluminiumfolie. Dat moet je niet al te zorgvuldig doen: de frommelstructuur verleent je knutselstuk een unieke textuur. Draai nu de doos om, zodanig dat de onderkant bovenkant wordt. Houd de zijde met het luikje ook naar boven gericht. Prop nu de peer door het luikje: de bedoeling is dat de lamp zich in de doos bevindt waardoor zijn licht zich ten allen kante tegen de inmiddels met zilverpapier beklede binnenkanten kan spiegelen. Door de schuine stand rust de doos op de bovenkant van de lampfitting, die zelf door middel van de elektriciteit toevoerende draad aan het plafond is bevestigd. Aan de buitenzijde van doos en kleppen zorgt de folie voor verfraaiing, aan de binnenkant voor weerkaatsing en dus voor bundeling en verheviging van het licht. De kleppen beletten uitwaaiering van het licht en dus onderbenutting deszelven. Bovendien kun je, door eenvoudig de doos, pardon, luster inmiddels, te draaien, te richten zeg maar, de lichtbundel op de gewenste plek focussen. Deze luster is met andere woorden ideaal voor lezers die houden van een stemmige gedeeltelijke belichting van de ruimte waarin zij vertoeven.

Mijn wijnzakdoosluster kent bijval. T. was alvast niet alleen maar verbaasd. Niet dat ze nu meteen een bestelling overweegt, maar zij kon toch niet anders dan toegeven dat mijn creatie stijlvol, nuttig, fraai én efficiënt is.

Voel u vrij zelf uw eigen wijnzakdoosluster te bouwen. Er rust geen patent op. Proost!

2787

Ryckevelde - 111016

ondertussen in brugge 175