dinsdag 31 augustus 2010

overweging 1

ASCETISME

Ik denk na over het leven en over hoe te leven, en dus denk ik ook over de dood, en ik zie niet in waarom ik ascetisch zou zijn, en zelfs gematigd, want waarom zou ik de genietingen waaraan ik mij kan overgeven terzijde laten? De asceet beoogt een langer leven en afgezien daarvan bereidt hij zich, door ascetisch te zijn, voor op het niets dat volgt na het verscheiden. Hij streeft al in dit leven de leegte na die hem na zijn dood in zich zal opnemen. Maar hoe zou hij dan kunnen ervaren dat hij zich goed heeft voorbereid want dan is hij er, immers, niet meer. Ondertussen laat hij alles wat hij krijgen kan onaangeraakt staan. De genieter daarentegen neemt, of aanvaardt dankbaar, wat hij krijgen kan. Hij weet dat vergelijken niet eens aan de orde is, dat enkel het nu telt. Iets gaat voor hem boven niets, of veel boven weinig, en hij schrijft het minder lang genieten van dat iets – genot is jammer genoeg meestal levensverkortend – hoger aan dan het langer ondergaan van het niets.

2240

Assebroek, GB aan ‘t Perretje – 100816

2239

Brugge, Blauwe Toren – 100816

dinsdag 24 augustus 2010

236/365

235/365

234/365

G.

233/365

D. en S.

232/365

H. en J.

baraque lecture 69

Dag L.,

Dat was inderdaad lang geleden. Blij dat je er nog bent.

Ik heb zelf Zwaarbewaakte treinen niet en ik zou zo niet meteen iemand kunnen bedenken die het wel heeft. Ik ken zelfs niet één iemand die wat dan ook van Hrabal heeft.

Verschoven zelfportret is in mijn bezit. Ik kocht het een paar maand geleden voor - hou je vast - één (1) euro in het jaarlijkse 'afgevoerden'-festijn van de Biekorf, het autodafé van de cultuurbarbaren die die boetiek openhouden! Een boek, je kent het principe, dat één jaar niet werd uitgeleend, wordt door die functionarissen genadeloos afgevoerd. Ik ga daar altijd langs om de meesterwerken die door hen niet als dusdanig werden herkend van de ondergang te redden.

Nu doe ik dat boek van Hrabal (een onbeschadigd, nagelnieuw en inderdaad wellicht ongelezen exemplaar) niet weg om redenen die jij wel zult begrijpen. Ik las al een paar dingen van Hrabal en dat Verschoven zelfportret wil ik zeker ook nog de eer bewijzen die het vast en zeker verdient. Maar ik wil het je wel uitlenen. Als je dat een goed idee vindt, en zeker ook in acht genomen dat je het dus in de Biekorf alvast niet meer zult aantreffen, dan mag je er om komen. Doe maar een voorstel...

Groeten,

P.

2232

De Panne 100801

2231

T. in Ghyvelde 100801

maandag 23 augustus 2010

getekend 36

1985 (?)

mijn woordenboek 276

ALLERLAATSTE

Het is een van de moeilijkst te vatten begrippen. Eigenlijk is het niet te vatten.

Ja, toen mijn stad nog heel wat leuke cafeetjes in de aanbieding had en het nog niet de gewoonte was om zich in een park met een paar flessen wodka uit de nachtwinkel lazarus te zuipen, plachten wij lachend te zeggen dat we onszelf nog een ‘allerlaatste voorlaatste’ gunden alvorens in vriendschap uit elkaar te gaan en ons naar de eigen sponde te togen – maar dat is alweer heel lang geleden. In onze uitdrukking lag ironie vervat, en de onwil om zich aan het al te definitieve karakter van de ultieme dingen te onderwerpen. We zeggen toch ook niet: ‘het Allerlaatste Oordeel’?

Nu zijn we dertig jaar verder en het woord krijgt stilaan, heel stilaan, een andere invulling. Bitterder, wijzer, gelatener. We weten dat, inderdaad, sommige dingen zich een allerlaatste keer aan ons voltrekken. We komen in de menopauze van het bestaan. De allerlaatste keer kijkt een bouwvakker zonder meewarigheid naar ons om als wij met een zweem van heupwiegen aan zijn stelling voorbijgaan. Gelukkig dat wij dat op dat moment niet beseffen. De allerlaatste keer zien wij Napels zonder meteen te sterven. De allerlaatste keer trekken wij een deur achter ons dicht. Maar we weten het nooit helemaal zeker. We zeggen, bijvoorbeeld na een verhuizing: kijk, dit is de laatste keer dat we deze deur, die we zovele malen hebben geopend en weer hebben dichtgedaan, achter ons hebben dichtgetrokken en we zijn ons met enig aplomb en eindigheidsbesef bewust van dat gegeven – maar vijf minuten later vinden wij aan onze bos nog een sleutel waarvan we denken dat hij op die deur past maar we zijn het niet zeker waardoor wij hem toch nog eens, de proef op de som makend, moeten openmaken, waarna wij hem nóg eens een allerlaatste keer achter ons moeten dichttrekken.

Gisteren vertelde iemand me dat hij op reis een man had ontmoet en die had gezegd: ‘Wat doet het er toe? Het is de laatste keer dat wij elkaar zien. Wij zullen elkaar nooit meer terugzien.’ Hij was nog jong, die man, en daardoor klonk zijn uitspraak al te berustend. Maar het is waar natuurlijk: we lopen hier met veel te veel mensen rond, hetgeen de probabiliteit van een weerzien erg gering maakt. En toch lijkt het me beter om bij elk afscheid wél een weerzien in te calculeren. Je weet maar nooit dat we iets vergeten zijn, dat we vergeten zijn hoe definitief het had moeten zijn. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk – misschien herziet Hij alsnog Zijn Laatste Oordeel en is Hij ons genadig.

2230

Ghyvelde 9/9

2229

Ghyvelde 8/9

vrijdag 20 augustus 2010

34 * 27,71 * 1258

Steely Dan – Deacon Blues
Monteverdi – L’Orfeo. Mira, deh mira
Mildred Baily – Me And The Blues
The Beatles – Being for the Benefit of Mr. Kite!
Lola Beltrán – Soy Infeliz
Frankie Laine – Cry of the Wild Goose
Luciene De Lyle – Mon Amant De Saint Jean
Slade – How Does It Feel
Handel – Concerto Grosso in D minor, Op.6/10, HWV 328: Overture... Allegro/Lentement
Vivaldi – Flute Concerto In D, Op. 10/3, RV 428, "Il Gardellino" - 3. Allegro
Radiohead – Track 13
Anthology of Spanish Music – Pie Jesu Domine
Satie – Chapitres Tournés En Tous Sens - 2. Le Porteur De Grosses Pierres
J.S. Bach – St. Matthew Passion, BWV 244 - Ja Nicht Auf Das Fest
Bob Dylan – Love Minus Zero/No Limit
Elvis Presley – Hard Headed Woman
Conny Vandenbos – Paleis met gouden muren
Jacques Arcadelt – Quanta volte diss'io
Vivaldi – Magnificat RV 610b. 2. Et exultavit (II)
Dolores Agujeta – Llévame Contigo - Siguiriya

baraque lecture 68

Op een terras onder een galerij zit een dode boer een glas brandewijn te drinken, vlak naast hem stort de zon neer op het hoofdplein, een middeleeuwse hond loopt boven op zijn eigen schaduw, en verder gebeurt er niets. De tijd wordt hier nog met de hand gemaakt en er is erg veel van.

Die boer is dood, de zon stort neer, de hond is middeleeuws – ‘en verder gebeurt er niets’. De in een passieve formulering meegegeven specificatie van hoe de tijd hier is – ‘met de hand gemaakt’ – vind ik spectaculair.


Als je zo verpletterend, in een paar zinnen, de hitte kunt beschrijven, de stilstand en de totale verlatenheid van een dorp in een Spaans gat, dan kun je wel wat. Cees Nooteboom is er een expert in – ik weet zijn ‘reisverhalen’, waarvan er een aantal zijn gebundeld in Een ochtend in Bahia, dan ook zeer zeker te smaken. Waar hij ook komt, in Berlijn of New York of Chartres, of in zo’n Spaans gat, in casu Alcañices, Nooteboom heeft niet veel plaats nodig om een adequate impressie te schilderen. Hij kiest trefzeker het relevante detail, de vaak irrelevant lijkende maar altijd zeer veelzeggende anekdote (dat kan een schaduw zijn die op een markante manier valt, of een hond die huilt, of iets wat in de verte heel fel, feller dan je op basis van de afstand zou verwachten, de zon weerkaatst), en hij stelt in geen tijd een treffend portret samen. Soms is het wat maniëristisch, soms kan Nooteboom het niet laten zich in iets te gemakkelijke woordspelletjes of opzichtige herhalingen en paradoxale constructies te verliezen. Zoals: ‘Zo stil is het nu, dat ik mezelf hoor lopen, en daarnaar luisterend wandel ik traag naar het hotel…’ Da’s even doordenken en je denkt ook: niet slecht geschreven, maar achter de kunstige verwoording gaapt een holte. Dat stoort hier en daar. Maar dit is geen literatuur die op niets minder dan de eeuwigheid mikt. Het zijn journalistieke impressies die, het moet gezegd, ook na bijna een halve eeuw overeind blijven.

2224

Ghyvelde 3/9

2223

Ghyvelde 2/9

donderdag 19 augustus 2010

231/365

230/365

229/365

P.

woord in beeld 1

Gent - 081026

debuut 24

Gezichtsverlies

Het moet zijn dat verdriet hard is want ‘op maat geschreven’ wordt het zachter. En bovendien, dat op maat schrijven dicht de door het verdriet veroorzaakte wonde. Zo ongeveer lees ik de slotstrofe van deze opmerkelijke debuutbundel:

omdat ik niet anders kan
omdat verdriet op maat geschreven zachter wordt
heb ik je mooiste gezicht
gedicht


Een gezicht dat moet worden gedicht: u moet het letterlijk opvatten. Yerna Van den Driessches (1949) debuutbundel, die Reconstructie heet, is geschreven naar aanleiding van de gruwelijke dood van Alice, aan wie de bundel is opgedragen: ‘In memoriam mijn zus Alice’. De flaptekst laat er geen twijfel over bestaan – of het zou hier om een gruwelijk misplaatste grap moeten gaan –: ‘De aanleiding […] tart alle verbeelding: Alice, de zus van de dichter, wordt in augustus 2007 dood aangetroffen in haar woning. Zonder gezicht. Naast haar zat de hond.’

De bundel bestaat uit twee grote delen. Ze zijn gevat tussen het inleidende gedicht ‘Het maken van een masker in functie van de reconstructie van een gezicht’, een ‘Scharnier’-gedicht in het midden en een ‘Afwerking’. Dit bundelslot beschrijft de verschillende onderdelen van het nieuwe, ‘mooiste’ gezicht dat na het dichten is ontstaan: diepe ogen, warme lippen, een trage glimlach.


De reconstructie is maar mogelijk nadat in het tweede grote deel de kelk tot de bodem is geledigd en een blad kan worden gekeerd: ‘voor het eerst is er een vóór en een ná’. Want Yerna Van den Driessche neemt ons wel heel ver mee in de verwerking van haar verdriet – een verdriet dat niet alleen door het gruwelijke einde van haar zus (zelfmoord in het gezelschap van een hongerige hond), maar ook door het schuldgevoel is veroorzaakt: ‘ik raas en baal / omdat belofte schuld maakt’.

Het laatste gedicht van de tweede grote cyclus (‘Uitfaden’) brengt een zeer effectvolle afwisseling van eigen gevoelens met citaten uit het dossier waarin Alices dood als ‘zonder gevolg te seponeren’ wordt geklasseerd.

ik zie je liggen tussen sofa en salontafel
precies daar, op die plek, de benen
gespreid, de armen wijd open
in overgave voor het kruis

lijkstijfheid van de onderste ledematen,
linkerarm en rug vertonen rotting-
vlekken, veneuze marbreringen.

ik onderga de verstikkende hitte,
de koorts van het niet kunnen
aanraken, geen enkele dood laat zich
wiegen in de pijn van misselijkheid

dierenvraat, gemis van weke delen
van de kin tot de glabula,
vlakke plek op het voorhoofdsbeen.

En dan citeer ik maar liever niet de strofe met de maden.
In de titel van dit gedicht staat het nummer van het dossier vermeld: ‘GR71392/07’ en ik weet niet of het de bedoeling was of gewoon een luguber toeval maar daarin gromt de hond nog mee.

In ‘Vertekende beelden’, de eerste grote cyclus, grijpt Yerna Van den Driessche terug naar herinneringen uit een tijd dat het leven nog niet leek af te stevenen op zo’n vreselijke eindbestemming. Aan oma, het dorp, de straat, de zondagmiddag, de weg naar het pensionaat, het eten van – ‘altijd werd ze te heet opgediend’ – soep: ‘jij de balletjes / ik de letters, zo puzzelde ik / verminkte zinnen op de rand van het bord’.

Die ‘verminkte zinnen’ klinken bitter in het licht van wat nog komen moet. Zoals ook de aanwezigheid van ‘een verzopen straathond’ (in ‘Onze straat’) onheilspellend is, en van een wolf in een gedicht waarin beide zussen ‘roodkapje en de wolf’ speelden: ‘om beurten aten wij elkaar’…

We leren beide zussen kennen als dochters van een weinig harmonisch gezin met verre, ruziënde ouders. De vrolijkheid die kinderen in ongelukkige gezinnen tentoonspreiden, is grijs, en gedanst wordt er enkel ‘op de maten van betrapt verdriet’. De zusjes stellen samen hun dromen samen (en ‘sprookjes // die moesten we zelf verzinnen’) – en lopen littekens op als blijkt dat hun inschattingen onrealistisch waren.

Gezichtsverlies veroorzaakt wel een heel drastisch litteken.

Reconstructie is een bundel die beklijft, maar niet helemaal om de juiste redenen. Yerna Van den Driessche schetst een zeer rauw verdriet soms iets te nadrukkelijk. Zij is niet altijd subtiel genoeg om de sympathie te winnen van de lezer die na het lezen van de geciteerde flaptekst iets te verbouwereerd was om onbevooroordeeld genoeg te beginnen.


Yerna Van den Driessche
Reconstructie
Uitgeverij P, Leuven


Deze recensie verscheen in Poëziekrant

2222

Ghyvelde 100801 1/9

2221

Markt De Panne 100731 4/4

dinsdag 17 augustus 2010

reactie

hey pascal: merci voor de recensie. ook al heb je het noorden van mijn roman niet gevonden, toch zeer blij dat je 'm gelezen hebt. ;-)

Jeroen Olyslaegers

*

Beste,

Het woord 'seut' bestond reeds in de jaren ‘60 ; het werd destijds veelvuldig gebruikt in het OLV-ten-Doorn Instituut, Eeklo.

Mvg
Paul Van Steenberge

*

In 1972 vonden mijn beste vriendin en ik iedereen seutig behalve onszelf. We pasten het woord ook toe op jongens en dat was niet gebruikelijk (maar wel verpletterend).

2218

Markt De Panne 100731 1/4

2217

De Panne 100730

maandag 16 augustus 2010

228/365

227/365

226/365

baraque lecture 67

Ik had nooit eerder iets van Jeroen Olyslaegers gelezen. Enige tijd heb ik zijn debuut Navel in huis gehad maar ik vind het boek niet terug en weet bij Jove niet waar het heen is. De verhalenbundel Il faut manger heb ik vorig jaar of zo uit de bibliotheekopruiming gered, de schampere ‘AFGEVOERD’-stempel slordig schuin op de titelbladzijde. Maar hem tot mij nemen deed ik nog niet. En nu vond ik in De Slegte een nagelnieuw (recensie?)exemplaar van de voortreffelijk door Dooreman vormgegeven roman Wij – inclusief typografische hoogstandjes, imitatiekrokodillenlederen hardcoverbekleding en een statieportret in profiel door een anonieme statieportrettenfabrikant. Die begon ik te lezen omdat ik Olyslaegers de vorige maanden als een bevlogen facebookvriend had leren kennen. Ik wou wel eens weten wat die kerel in zijn mars had. En ik moet, enfin, ik wil zeer graag, toegeven dat Olyslaegers schrijven kan.

En ook wel iets te zeggen heeft.

Maar.

Wij heeft mij niet kunnen overtuigen. Het ‘verhaal’, voor zover dat er in deze postmoderne tijden toe doet natuurlijk, speelt zich grotendeels af in de zomer van 1976. Olyslaegers heeft het gelukkig niet over de negenjarige die hij toen was, neen, zijn romanopzet is bevlogener: hij beoogt niets minder dan een milieu te schetsen – dat van de zelfgenoegzame, in welvaart zwelgende, zijn morele principes als hem dat goed uitkomt graag opzijzettende Vlaamse burgerman. En hij noemt dat milieu, die klasse, die groep ‘Wij’.

Olyslaegers kiest voor een adequate setting: de illegaal vanuit het Spaanse buitenland opererende piratenzenderij, annex allerlei handeltjes, onder meer in lokaal onroerend goed dat ten behoeve van het klootjesvolktoerisme aan de nog niet helemaal uit de Franco-dictatuur ontwaakte autochtonie wordt ontfutseld. Wij herkennen de benepen wereld van Radio Mi Amigo, het spannende speeltje van een clevere koekjesmagnaat uit Adegem waarmee in het zog van de bevrijding der zeden van de jaren zestig een eerste aanzet werd gegeven tot de vermarkting van de ether. Ondernemers ontdekten in die jaren – dat heeft Olyslaegers goed gezien – hoe ze zich, onder het mom van vrije meningsuiting en democratisering – waarden waaraan dat soort uiteraard want per definitie lak heeft –, konden verrijken door aan de amusementsnoden van de volksheffe tegemoet te komen. VTM en al die andere vormen van etherpollutie waarvoor wij vandaag al immuun zijn geworden, ook op de zogenaamde ‘openbare’ zenders, zijn de hedendaagse vertalingen van deze evolutie.

Tussen haakjes: ik ken nu nog de advertenties uit het hoofd – inclusief toonzetting – voor merken als Stimorol (‘De smaak is raak’), Lois (‘Voor girls and boys’) en Suzy Wafels: de indoctrinatie verliep gesmeerd en trok diepe sporen in ieders consumptiepatroon.

Maar Wij gaat niet over de bevrijding en vermarkting van de media – van de ene kluisters naar de andere; die thematiek is maar een decor. Wij gaat in de eerste plaats over sociologische mechanismen en groepspsychologie. Over sociale druk en het feit dat onder die sociale druk morele principes moeilijk kunnen worden gehandhaafd.

Olyslaegers situeert Wij in het verre, dorre, hete en zeer brandbare Spanje, destijds de favoriete vakantiebestemming van het soort Vlaming dat hij viseert. Zo, door dit artificiële geografische isolement, kan hij des te duidelijker het verschil tussen het in en het out in de verf zetten, tussen het mijn en dijn, tussen wie er wel en wie er niet bij hoort. We volgen de weinig vrolijke avonturen van het stelletje vakantiegangers dat zich op een Spaanse heuvel te pletter zuipt, aan elkaars vrouwen frummelt, een felle bergbrand overleeft, mekaar te lijf gaat op uit de hand lopende fuiven. Soundtrack bij dit alles: de kitschdisco van de zeventiger jaren.

De roman heeft manco’s. De jaren zeventig komen niet echt tot leven. En ik mag dat zeggen want ik ken ze ook, en nog meer dan Olyslaegers want ik was al vijftien in dat hete ’76. Olyslaegers probeert het wel, maar soms slaat hij de bal mis door zich aan anachronismen te bezondigen – vooral in het taalgebruik. ‘Seut’, was dat een woord dat in 1976 al werd gebruikt? Ik denk het niet. Dronk men toen al ‘ijsthee’? Ik durf het te betwijfelen.

Maar dat is niet essentieel. Het voornaamste struikelblok is toch dat de lezer het noorden verliest in de veelheid aan personages die, elk op zich, onvoldoende duidelijk geprofileerd worden. Ze krijgen niet genoeg epitheta mee, waardoor je ze op de duur niet meer uit elkaar weet te halen. Vic, Max, Roland, Georges… Die hele cast loopt in het honderd. Dat werkt onverschilligheid in de hand, hetgeen natuurlijk – hoezeer ook Olyslaegers zijn best doet om een sfeer van beklemming op te bouwen – nefast is voor de aandacht die nodig is om de verhaallijn en, belangrijker, want ze leiden tot een climax, in casu een anticlimax, de psychologische ontwikkelingen te volgen.

Op het einde van de roman verlaat Olyslaegers zijn de hele tijd aangehouden perspectief en verplaatst hij het tijdstip van handeling naar twintig jaar later. Zo kijk je nog eens van op een afstand terug op de gebeurtenissen, waardoor zij zich duidelijker kunnen profileren. Maar dat vermag het evenwicht niet te herstellen. Wij heeft mij enkel overtuigd van het feit dat het de moeite waard is om deze schrijver te volgen.

*

Ik heb Wij misschien te onzorgvuldig gelezen. Maar dan denk ik altijd: een zorgvuldige lectuur wordt afgedwongen. Als ik – dat durf ik met mijn lectuurervaring toch wel te beweren – onzorgvuldig heb gelezen, dan is het omdat het boek in kwestie mij niet tot zorgvuldigheid heeft weten te bewegen.

2216

Les Moëres (F) - 100730

2215

Adinkerke 100730

zondag 15 augustus 2010

overschrijven 140

Ik denk somtijds

Ik denk somtijds, als ’t avond wordt,
Hoe wij ’t geluk met voeten
Vertraden om een nietig woord,
En hoe we daarvoor boeten.

Ik denk me een huizeken klein en rein
Met bloemen in alle hoeken,
Een gouden zonnestraal op den vloer,
En hier en daar wat boeken.

Daar midden, geurend en fleurend in,
Uwe schoonheid, de schalke, de blonde:
Ach neen, ’t geluk lag niet ver, mijn kind,
Toch hebben we ’t niet gevonden.

De zoetgekruide wijn, hij laat
In den beker bitteren droesem,
En telkens laat die herinnering
Meer bitterheid in mijn boezem.


Victor dela Montagne
uit: Tussen droom en daad, 157

2214 / mirage 25

S.