woensdag 31 augustus 2011

ondertussen in brugge 168

Karamazov 17

VI.3., getiteld ‘Uit de gesprekken en vermaningen van de starets Zosima’


e. ‘Een en ander over de Russische monnik en over zijn mogelijke betekenis’

Veel Russen vinden de monniken nietsnutten en profiteurs, maar zij schijnen niet te beseffen ‘dat van deze zachtmoedige mensen die dorsten naar een eenvoudig gebed misschien nog de redding van het Russische land zal komen’. De monniken zorgen voor het tegenwicht voor de eenzame Russen die enkel nog maar hun kunstmatige behoeften nastreven en denken dat ze vrij zijn. Enkel de monniken kennen de ware vrijheid.

f. ‘Een en ander over heren en knechten en of het mogelijk is dat heren en knechten in de geest elkanders broeders worden’

‘Ook onder het volk neemt de vereenzaming toe’ – en in dat proces hebben de koopmannen hun deel. Alcoholisme en kinderarbeid zijn symptomen. De hogere kringen zoeken rechtvaardiging voor hun normloosheid in de wetenschap. Normloosheid inderdaad: ‘als je geen God hebt, wat kan er dan voor misdaad zijn?’De redding zal komen uit het volk: daar zijn mensen die ten volle de menselijke waardigheid opnemen. De rijken zullen zich schamen voor hun rijkdom. En die waardige armen zullen die rijken hun rijkdom gunnen. (Nietzsche zal dit allicht een mooi staaltje van ‘slavenmoraal’ vinden.) ‘Gelijkheid is alleen te vinden in de geestelijke waardigheid van de mens…’ Zosima geeft een anekdote als voorbeeld. Op een van zijn omzwervingen kwam hij zijn vroegere bediende Afanasi tegen. Ze behandelden elkaar op voet van gelijkheid – en dat bracht een groot geluksgevoel teweeg. Ooit, zegt Zosima, zal de ongelijkheid tussen heren en knechten in heel Rusland verdwenen zijn. (En tussen mannen en vrouwen?) De ‘grondslag voor de toekomstige, schitterende eenheid van de mensen’ wordt de gedachte van Markel: hoe kan ik de dienaar van mijn dienaar zijn; de gedachte van het Evangelie: de ‘grootste wens om zelf ieders dienaar te worden’. Dit kan enkel met de hulp van Christus. Zij die de eenheid willen bewerkstelligen zonder het geloof, zullen enkel een bloedbad aanrichten.

g. ‘Over het gebed, de liefde en de aanraking met andere werelden’

Zosima predikt over de opvoedende waarde van het gebed, hij roept op om ook de zondige mens lief te hebben, en de dingen, de dieren en de kinderen, hij vraagt elkeen om zijn verantwoordelijkheid op te nemen, te erkennen dat iedereen ‘voor alles en iedereen schuldig’ is, en dat alles in verband staat met een hogere werkelijkheid en dat we dit moeten geloven.

h. ‘Kan men rechter zijn over zijns gelijken? Over het geloof tot het einde’

Enkel wie erkent dat hij zelf schuldig is, kan rechter zijn. Zosima roept op tot geloof, ook als alle andere mensen het geloof hebben laten varen.

i. ‘Over de hel en het hellevuur, een mystieke beschouwing’

De hel is, aldus Zosima, ‘het lijden omdat je niet meer lief kunt hebben’ omdat je de kans die je daartoe hebt gekregen, niet hebt waargenomen. Dat is een geestelijke kwelling, erger dan de materieel voorgestelde hel – want daarin ‘zouden zij ten minste even hun gruwelijke geestelijke kwelling kunnen vergeten’! Zelfmoord is de ergste zonde, maar ook voor hen, zegt Zosima, moeten wij bidden.

Hier eindigen, schrijft Dostojevski, de aantekeningen van Aljosja. Hier eindigen het zesde boek en meteen ook het tweede deel, maar Dostojevski sluit niet af zonder eerst nog voor een cliffhanger te zorgen. De starets sterft en de burgers uit de stad stromen samen. Daarover, zegt Dostojevski, zal ik in het volgende boek berichten. Maar er gebeurt ook nog iets totaal onverwachts, iets wat een ‘vreemde, verontrustende en verwarrende indruk’ maakt. Wie wil weten wat er gebeurt, moet verder lezen…

Karamazov 16

VI.2., getiteld ‘Uit het leven van de in God ontslapen priestermonnik starets Zosima…’


a. ‘Over de jongeman die de broer van starets Zosima was’

Zosima’s acht jaar oudere broer Markel stapte na een contact met een vrijdenker van zijn geloof. Maar toen werd hij ziek en hij stierf als een heilige op 17-jarige leeftijd. ‘Leef voor mij’, zei hij tegen zijn broertje en die is dat nooit vergeten.

‘En er was nog heel veel wat ik niet meer weet en niet kan opschrijven.’ De ‘ik’ is hier Zosima, maar Dostojevski meldde toch dat hij hier de notities van Aljosja zou weergeven?

b. ‘De Heilige Schrift in het leven van vader Zosima’

Zosima herinnert zich zijn eerste religieuze ervaring, als achtjarige in de kerk, toen het verhaal van Job werd voorgelezen. De Bijbel is sindsdien voor hem altijd een belangrijk boek gebleven, met al zijn wonderen en mysteriën: ‘alles is er genoemd en geduid voor alle eeuwigheid’. De Bijbel verzoent hem met de wetenschap dat zijn einde nadert. Zosima wijst op het belang van bijbelonderricht – ‘Slechts een klein zaadje is nodig, piepklein’ – en haalt een aantal verhalen uit de Bijbel aan, ook dat van Jozef die door zijn broers als slaaf aan de Egyptenaren wordt verkocht. Wanneer Jozef vele jaren later als ‘aanzienlijk hoveling’ zijn broers terugziet, ziet hij hen onmiddellijk opnieuw graag in weerwil van wat ze hem hebben aangedaan, maar hij kan het niet laten hen te kwellen.

Dit thema – ‘toch kwelde en martelde hij hen, hoewel hij hen liefhad’ – sluit aan bij de verwikkelingen tussen Katerina, Ivan en Dmitri.

c. ‘Herinnering aan de jeugd en leerjaren van starets Zosima toen hij nog in de wereld verkeerde. Het duel’

Zosima vertelt over zijn losbandige tijd aan de kadettenschool. De wending komt er nadat hij kennis heeft gemaakt met een meisje maar verdrongen wordt door een rivaal. Het komt tot een duel. De avond voor het duel slaat Zosima zijn ‘oppasser’ Afanasi. Daar heeft hij geweldig veel spijt van. Hij herinnert zich de woorden van zijn broer Markel: ‘ben ik het waard dat jullie mij bedienen?’. Hij verzoent zich met Afanasi, komt tot het inzicht dat – het leven, Jean-Pierre, de vogeltjes, de bloemetjes… – het leven al hier op aarde een paradijs is, en gooit, na eerst zijn uitdager te hebben laten schieten, op het duel zijn pistool in de struiken. Dat wordt aanvankelijk slecht onthaald door de vrienden op de kadettenschool, maar wanneer iedereen ziet dat Zosima’s gebaar oprecht is, juichen ze toe dat hij van plan is naar het klooster te gaan. Op dat ogenblik komt…

d. ‘De geheimzinnige bezoeker’

Een milde weldoener van vijftig bewondert Zosima omdat hij tegen de mogelijkheid van hoon in toch voor de waarheid is opgekomen en wil weten wat Zosima voelde toen hij tijdens het duel om vergiffenis vroeg. Er ontstaat een vriendschap tussen beide heren, waarbij de man van vijftig over zichzelf nauwelijks iets lost. Ze spreken over het inzicht dat het leven hier op aarde al een paradijs is. Het is in ons en het kan aan de oppervlakte komen indien de mens beseft dat hij, ‘naast zijn eigen zonden’, ‘voor iedereen en alles schuldig is’. Maar je moet er wel in geloven! Eerst moet de mensheid door ‘een periode van menselijke vereenzaming’: iedereen plaatst het eigen (materiële) welbevinden boven het collectief. Totdat de mens tot betere inzichten komt, moet er af en toe iemand ‘het vaandel’ doorgeven en aantonen dat broederlijkheid en gemeenschapszin nog iets anders inhouden dan het egoïstische eigenbelang waaraan iedereen zich nu overgeeft. De geheimzinnige bezoeker klaagt over hoofdpijn en zegt dat hij iemand vermoord heeft. Hij vertelt zijn geheim aan Zosima. Hij heeft een vrouw vermoord die zijn huwelijksaanzoek had geweigerd. De bediende wordt ten onrechte verdacht, maar hij sterft in gevangenschap. De zaak wordt geklasseerd – ‘En daarmee begon zijn straf’: gewetenswroeging. (De bediende wordt verdacht, onder meer doordat hij enkele dagen voor de moord zou hebben gedreigd dat hij de vrouw zou vermoorden: ook hier een echo met de Karamazov-situatie.) De gewetenswroeging wordt op den duur onhoudbaar, tot hij (nog steeds is zijn naam niet genoemd) in de manier waarop Zosima met het duel is omgegaan de inspiratie vindt om zich als moordenaar kenbaar te maken. Zosima moedigt hem daarin aan, maar de man durft het niet. Zosima probeert hem te overtuigen met de parabel van de graankorrel. Uiteindelijk doet de man zijn bekentenis op zijn verjaardagsfeestje. Hij draagt bewijsmateriaal aan. Maar niemand gelooft hem. Zosima en de man zien hierin het teken van Gods genade. Zosima wordt aangewezen als de schuldige voor het feit dat de man ‘krankzinnig’ is geworden. De man bekent aan Zosima dat hij hem had willen vermoorden. Omdat hij alles wist. Maar uiteindelijk heeft hij hem gekust. Michail, zo wordt hij pas nu genoemd, sterft en wordt ten grave gedragen. Zosima moet de stad uit. Hij weerstaat aan de verleiding zijn versie te geven en trekt naar het klooster.

gisteren en vandaag 239

Van gisteren wil ik mij herinneren dat we tussen twee gangen naar het containerpark bij J. en R. allemaal samen keken naar de 400 meter-finale met de gebroeders Borlée.

Vandaag moeten de laatste spullen uit de Boudewijnlaan naar de Kringloop worden gebracht.

2609

Brugge, Boeveriepoort - 110514 

dinsdag 30 augustus 2011

gisteren en vandaag 238

Van gisteren wil ik onthouden dat ik in Man Bijt Hond een bejaard koppel zag dat elke dag een tafel met soep op de oprit klaarzette voor de mannen die in de straat aan het werken waren. Ik vond dat een hartelijke geste.

Vandaag moeten we naar het containerpark en zal er tijd zijn voor enkele bladzijden Karamazov.

2608 / Via Bari 19

Pescara - 110718

maandag 29 augustus 2011

gisteren en vandaag 237

Van gisteren zal het mij heugen dat ik op een gegeven ogenblik samen met P. halverwege de wenteltrap vastzat met een tafel en dat we noch voor- noch achteruit konden. Het zal mij zeker ook bijblijven – er is een foto van – dat we ons T.’s broodjes lieten smaken terwijl we op het laadplatform van de vrachtwagen uitrustten, en dat we er een Stella bij dronken. Ik wil mij ook herinneren hoe Guy Verhofstadt in Zomergasten duidelijk maakte hoezeer zijn ervaringen in Rwanda hem ertoe brachten in de politiek een ruimer perspectief te hanteren en dat hij volmondig de lapidaire stelling van François Mitterand onderschrijft dat nationalisme altijd op oorlog uitdraait.

Vandaag worden de laatste loodjes verhuisd en die wegen, zoals algemeen geweten is, het zwaarst. Er zal ook tijd zijn voor enkele bladzijden Karamazov.

2607 / Via Bari 18

Pescara - 110718

zondag 28 augustus 2011

gisteren en vandaag 236

Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren dat er op het bureau van de vrachtwagenverhuurder een foto stond van Patrick De Spiegelaere en dat we ’s avonds met T. een goed gesprek hadden over jaloezie en daarna lachten met Wim Sonneveld.

Vandaag verhuist S. naar de Eikenberg. Misschien is er vanavond tijd om naar Zomergasten met Guy Verhofstadt te kijken.

2606

Pescara - 110718

zaterdag 27 augustus 2011

reactie

Wat haal je in 'Van boeken bezeten 9' weer hard uit naar mijn generatie en die van je kinderen, Pascal. Echt zo ontgoocheld in de huidige twintigers?
jouw generatie - en die van mijn vader e.a. - hebben die twintigers nochtans opgevoed of hadden dat moeten doen.
Ik vind dit maar een zure oprisping van een tekst en heb genoeg vrienden die wel lezen, net als ikzelf.

A.

Karamazov 15

V.6.
Op weg naar Fjodor wordt Ivan overmand door droefgeestigheid. Het feit dat hij ten overstaan van Aljosja zo’n ‘onzin’ heeft uitgekraamd, is er niet vreemd aan. Maar het is toch vooral de figuur van Smerdjakov die hem dwars zit. Diens verwardheid en gekwetste eigenliefde staan hem niet aan. Smerdjakov vraagt Ivan waarom hij niet naar Tsjermasjnja gaat. Hij maakt ook zijn beklag over Fjodor en Dmitri, die hun frustratie over het feit dat Agrafena Aleksandrovna (Groesjenka) niet komt op hem afwentelen. Smerdjakov is bang dat Dmitri Fjodor iets zal aandoen. Hij weet dat als Fjodor sterft, alles naar Groesjenka gaat en niets naar de drie broers.

V.7.
Ivan komt thuis maar vermijdt zijn vader. Die brengt de nacht ijsberend door. De volgende dag vraagt Fjodor Ivan, die naar Moskou wil vertrekken, om langs te gaan in Tsjermsasjnja, om een zaak te regelen. Ivan zegt dat hij het zal doen, maar eens onderweg naar Moskou, ‘naar een nieuwe wereld, naar nieuwe plaatsen, zonder omzien’, besluit hij het toch niet te doen. Hij denkt gelukkig te zijn, maar voelt verdriet omwille van zijn verraad. Thuis is ondertussen Smerdjakov van de keldertrap gevallen. Fjodor zit op hete kolen want hij verwacht bezoek van Groesjenka.

VI.1.
Aljosja komt aan bij de starets. Die is omringd door vier monniken voor zijn ‘waarschijnlijk laatste gesprek’: Iosif, Paisi, Michail en Anfim. De starets voorspelt dat er iets ‘verschrikkelijks’ staat te gebeuren met Aljosja’s oudste broer. Hij verklaart waarom hij Aljosja zo graag heeft gezien: omdat hij hem deed denken aan zijn eigen broer, die op 17-jarige leeftijd is gestorven. De starets kondigt aan het verhaal van zijn broer te vertellen.
Dostojevski last hier een methodologische opmerking in: hij neemt voor het levensverhaal van de starets en diens broer integraal de zogenaamde notities van Aljosja over. Hoe dat manuscript in zijn bezit is gekomen, licht hij niet toe. Wel dat het onmogelijk de letterlijke weergave kan zijn van die ene toespraak die de starets met zijn laatste krachten tot zijn medestanders richtte.

gisteren en vandaag 235

Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren dat ik een kwartier (of zeven tegels van plusminus vijftien centimeter) heb staan kijken naar een voortkruipende bruine naaktslak. Ik wil mij ook herinneren dat ik ’s avonds samen met S. en Z. pizza at in de Visart en dat ik op de RTBF een komiek zag die voorstelde dat we misschien beter onze levens omgekeerd zouden leven: we beginnen met de dood, dan zijn we daar al van af, en eindigen in een orgasme.

Vandaag moet er worden geschilderd en verhuisd.

2605

Pescara - 110718

vrijdag 26 augustus 2011

Karamazov 14

V.5., getiteld ‘De grootinquisiteur’


Ivan begint met een ‘literair voorwoord’ waarin hij uitlegt dat zijn verhaal past in een literaire traditie ‘waarin naar behoeven heiligen, engelen en alle hemelse machten zich deden gelden’. Hij laat ten tijde van de inquisitie in Spanje God in de gedaante van Jezus ter aarde neerdalen om het volk, dat ondanks het lange wachten blijft geloven in Zijn komst, te overtuigen dat het wachten de moeite waard is. Er hebben net ‘ruim honderd ketters’ gebrand ‘ad majorem gloriam Dei’. Jezus verricht wonderen en wordt gearresteerd door de negentigjarige kardinaal-grootinquisiteur. De Kerk heeft de vrijheid die Jezus vijftien eeuwen geleden aan de mensen heeft geschonken ingepalmd. Hoe zouden de mensen gelukkig kunnen zijn als ze vrij, en dus rebels, zijn? Hun hebzucht (behoefte aan ‘brood’) zal altijd verhinderen dat iedereen ten volle van die vrijheid gebruik kan maken. Bovendien zal de mens altijd, zodra hij vrij is, de behoefte hebben om samen met anderen te knielen. Dat is het begin van alle godsdienstoorlogen want de mensen aanbidden verschillende goden. De behoefte van de mens om een gesust geweten te hebben, is nog groter dan de behoefte aan brood. Door de vrijheid van de mensen te vergroten in plaats van hen ervan te verlossen, heeft Jezus zelf de aanzet gegeven tot de uiteindelijke ondergraving van zijn koninkrijk. De mens wil wonderen en niet een geloof waarvoor je kunt kiezen vanuit de vrije wil. Dat is te moeilijk. Jezus heeft de mensen overschat. Om die zwakke zielen alsnog te winnen, heb je wonderen nodig, mysterie en autoriteit. Door de wereldse macht niet te aanvaarden, heeft Jezus geen wereldrijk kunnen stichten. Dat zou de mens heel wat miserie hebben bespaard. De jezuïeten hebben wel het zwaard opgenomen. Zij strijden niet alleen voor de uitverkorenen, zoals Jezus, maar voor alle mensen, die in de waan worden gebracht dat zij het eeuwig leven zullen verkrijgen – dat er natuurlijk niet is. Dat te geloven, is waanzin. Alleen de honderdduizend martelaren die over de mensenmassa’s waken, weten dit. Aljosja denkt dat Ivan een vrijmetselaar is. Hij gelooft in elk geval niet in God en dus is ‘alles geoorloofd’. Na deze preek over de grootinquisiteur die de zwijgzame Jezus ondervraagt, nemen beide broers afscheid. Aljosja gaat naar het klooster, Ivan naar zijn vader.

Karamazov 13

V.4., getiteld ‘Rebellie’

Ivan legt uit waarom hij de wereld ‘niet aanvaardt’. Hij gelooft niet dat je je naasten kunt liefhebben, ‘alleen mensen die ver weg zijn’. Dan heeft hij het over het lijden van onschuldige kinderen en de wreedheid van de mensen. De mens heeft niet alleen God maar ook de duivel naar zijn gelijkenis geschapen. Ivan heeft als voorbeelden de martelpraktijken die Turken en Bulgaren toepassen, en de Russische gewoonte om lijfstraffen uit te delen. Dan vertelt hij over l’enfant sauvage Richard, die in Zwitserland, nadat hij na een leven van verwaarlozing een misdaad had begaan, ter door werd veroordeeld. Dat hij zich vlak voor het schavot uit berouw bekeerde, kon zijn beulen niet op andere gedachten brengen. Dan heeft Ivan het over het sadistische mishandelen van dieren en kinderen. Hij zegt al die op feiten gebaseerde verhalen te vertellen aan zijn broer omdat hij hem niet ‘aan die Zosima’ wil afstaan. Met zijn ‘Euclidische verstand’ zegt hij niet te begrijpen waarom de mensen, die nochtans niet schuldig zijn, zoveel moeten lijden. Maar hij wil ‘vergelding’, hij wil weten waartoe al dat lijden, ook van de onschuldige kinderen, moet dienen. Als het zinloos is, ‘maak ik mezelf van kant’. Maar als die hogere harmonie, waartoe dat lijden moet dienen, eruit bestaat dat de moeder de beul van haar kind moet omhelzen, dan wil Ivan die hogere harmonie niet. De gedachte dat het lijden dat een onschuldig kind is aangedaan zou kunnen worden vergeven, is onaanvaardbaar. Ivan heeft liever ‘mijn ongewroken lijden en mijn niet gelenigde verontwaardiging, ook al heb ik geen gelijk’ en daarom geeft hij God zijn toegangsticket tot de hogere harmonie terug. Aljosja bestempelt deze houding als ‘rebellie’. Ivan vraagt Aljosja of hij de architect zou willen zijn die voor zijn gebouw als fundament het lijden van een onschuldig kind zou nodig hebben. Neen, zegt Aljosja, maar je vergeet dat er één is die de zonde kan vergeven omdat hij ‘zelf zijn onschuldige bloed heeft gegeven voor iedereen en alles’. Dat brengt Ivan ertoe om het verhaal van de grootinquisiteur te vertellen.

In deze moraalfilosofisch-theologische uiteenzetting, die los komt te staan van de stuiterende verhaallijn die Dostojevski tot hiertoe heeft uitgezet, word ik – als lezer – voor het eerst echt aangesproken. De inhoud is hoogst relevant, maar door het feit dat we ons hier stilistisch en literair buiten al het voorgaande begeven, kan ons oordeel met betrekking tot dat voorgaande moeilijk anders dan nog negatiever uitvallen. Het is duidelijk dat het zwaartepunt van Dostojevski’s discours in hoofdstukken als dit zal terug te vinden zijn – de rest, welbeschouwd niet veel meer dan een opeenvolging van scènes die de gesprekken van de personages in beeld moeten brengen, is niet veel meer dan bindtekst.

2604 / Via Bari 15

Pescara - 110718

gisteren en vandaag 234

Van gisteren zou ik mij eventueel kunnen herinneren, maar het lijkt me weinig waarschijnlijk, dat ik op de snelweg een Britse kampeerauto zag met de nummerplaat ‘HOB BY’.

Vandaag moet er worden geschilderd en verhuisd.

gisteren en vandaag 233

Van gisteren wil ik mij herinneren hoe J. vertelde dat hij eens per week kookt voor zijn ‘gasten’.

Vandaag moet er geschilderd worden en gaan we naar de IKEA.

woensdag 24 augustus 2011

wolken 152-158

Max Temmerman, Vaderland


152
Er komt niets binnen op de server maar buiten
beweegt er van alles. Takken en vogels en wolken en auto’s. (9)


153
Het dakraam kijkt uit op veel geel, op vergeelde wolken
die teruggaan tot een lang geleden heden. (9)


154
Het is een laffe dag.
Onweer hangt als een belofte.
Wolken schuiven voor en voorbij de zon. (11)


155
[…] Vlaamse wolken hangen
laag. […] (29)


156
Ze komen uit op een grasveld dat zon
en wolken weerkaatst. Zo groen is dat. (30)


157
Als de slagbomen naar beneden komen en alles stokt, dan kijken we
elkaar voor geen geld ter wereld aan, maar naar de wolken en de vogels. (34)


158
In Japan staat de splijtstof nog gedeeltelijk onder
water maar alles en iedereen warmt heuglijk op,
van de wolken over de bomen tot de grond. (39)

reacties

nee, nooit gedaan, dat kan ik niet.

JWL

Daar heb ik werkelijk geen problemen mee - vroeger zelfs met balpen. Heiligschennis ;-) (Ja, ik ben ook het type dat een nieuw boek meteen helemaal durft te openen om de rug te kraken.) Ik vind het alleen vervelend als anderen dan mijn boeken inkijken en zien hoe ik van alles heb aangestreept. Maar niet-schrijvend lezen, dat gaat bijna niet.

MV

tijdens het lezen schrijf ik niks in mijn boek, maar als het 'uit' is, schrijf ik achterin een paar dingetjes die me troffen op. als een soort geheugensteuntje voor nadien... heb het trouwens vijf minuten geleden gedaan in 'The Blindfold' van Siri Hustvedt.

VW

Alleen voor studiedoeleinden in handboeken. In andere boeken nooit.

SS

Ik noteer alleen op de bladwijzer-van-het-moment de pagina's waaruit ik daarna passages (al dan niet met commentaar) wil overtypen in mijn 'dagboek'...

KP

gisteren en vandaag 232

Van gisteren wil ik wel een tijdje onthouden dat ik op tv zag hoe John Lennon ergens in de jaren zeventig te moe, stoned of onverschillig was – of te zeer ongeïnteresseerdheid voorwendde – om het liedje te herkennen dat zijn zoontje was beginnen te zingen: ‘What would you think if I sang out of tune?’: ‘That’s old Beatle stuff.’

Vandaag verhuis ik S.’s computers naar de Eikenberg omdat ze daar al zullen zijn van Telenet, en misschien begin ik al met de schilderwerken. Vanavond worden we verwacht bij J. en N. Tussendoor lees ik nog een paar bladzijden Karamazov.

2602 / Via Bari 13

Pescara - 110718

dinsdag 23 augustus 2011

van boeken bezeten 9

De omgang met boeken is in grote mate fetisjistisch. Dat fetisjisme uit zich, onder andere, in het maniakale maken van aantekeningen. De manier van aantekeningen maken die een manie is. De aantekeningen, de onderstrepingen, de verwijzingen naar andere plaatsen in het boek, het schoolfrikkige aanduiden van zetfouten, het aanbrengen van data om ooit – maar aan wie?, ten behoeve van wie? – duidelijk te maken wanneer het boek is gelezen. Een fenomenologie van de aanstreping is denkbaar.

Waarom, eigenlijk, al die potloodsporen? Waartoe? Een van de antwoorden is, onmiskenbaar en onvermijdelijk: om aan de erfgenamen duidelijk te maken dat de boeken wel degelijk gelezen zijn. En ja, u hoort daarin iets defensiefs doorklinken. Want de erfgenamen zijn geen boekenmensen – dat is de huidige generatie in haar algemeenheid niet. Zij zullen zich natuurlijk de bedenking maken, wanneer zij de dozen vol boeken op de container gooien: dzju, had die vader van ons zijn geld maar in andere zaken gestoken, vastgoed bijvoorbeeld, iets waar wij wél iets aan zouden gehad hebben. Maar kijk, hier en hier en hier, hij heeft die boeken dan toch gelezen. Hij heeft er, hopelijk, iets aan gehad. Het weze hem vergeven, dat frenetieke verzamelen van al die waardeloze boeken. Zo bekeken kunnen wij ermee leven, met onze gemiste erfenis.

Ja, ook daarvoor dienen die potloodaantekeningen.

Karamazov 12

V.1.
Aljosja komt terug bij mevrouw Chochlakova. Katerina heeft een toeval gekregen. Aljosja moet op Lise passen. Hij vertelt haar wat hij heeft doorstaan met postkapitein Snergijov. Die heeft, volgens Aljosja, het geld niet aangenomen omdat hij zich vernederd voelde door de hulp. Maar morgen, zegt Aljosja, zal de postkapitein het wel aannemen. Lise zegt dat ze het niet meende toen ze haar liefdesbrief terugvroeg. Beide bevestigen dat ze elkaar graag zien. Er wordt gekust en er worden dure eden uitgesproken. Mevrouw Chochlakova heeft alles in de gaten en zegt Aljosja dat ze hoopt dat hij het niet meent. Maar hij meent het wel, zegt hij. Mevrouw Chochlakova is nieuwsgierig naar de liefdesbrief van haar dochter, maar krijgt hem niet te lezen van Aljosja.

V.2.
Aljosja zou nu naar de stervende starets moeten gaan, maar hij gaat naar Dmitri omdat bij hem de overtuiging groeide ‘dat er een onontkoombare, verschrikkelijke catastrofe bezig was zich te voltrekken’ en misschien kan dat nog worden tegengehouden. Hij verschuilt zich in een prieel en is daar getuige van een conversatie tussen de gitaar spelende Smerdjakov en Marfa Kondratjevna. Smerdjakov heeft het over het doorbreken van de ketenen van de afkomst, en over de vraag of achterlijke boeren gevoelens kunnen hebben. Hij zegt Rusland te haten, en dat de Russen beter af zouden zijn als ze zich in 1812 zouden hebben laten verslaan door Napoleon. Aljosja verraadt zichzelf door te niezen (de eerste keer in het boek dat Aljosja moet niezen!) en hij komt uit zijn schuilplaats te voorschijn. Smerdjakov zegt dat Dmitri hem met de dood bedreigt – Dostojevski doet zijn best om Dmitri de bekwaamheid om te doden toe te schrijven; zullen wij hem op een gegeven ogenblik van een moord moeten verdenken? Hij denkt dat Dmitri in de herberg is. Aljosja gaat daarheen maar treft er niet Dmitri, wel Ivan aan.

V.3.
Aljosja en Ivan kennen elkaar in die mate niet, dat ze nu met elkaar moeten kennismaken. Ivan stelt zichzelf voor als iemand bij wie de primaire, basale, ‘misschien obscene’ levensdrift vooralsnog groter is dan de wanhoop. Ivan wil naar Europa, zeker zolang zijn vader van plan is op zijn ‘rots’ van wellust te blijven staan, en hij vindt dat Aljosja stevig in zijn schoenen staat. Wanneer het over Dmitri gaat, parafraseert Ivan de woorden van Kaïn: ‘Ben ik soms mijn broeder Dmitri’s hoeder?’ Hij vindt het belachelijk dat wordt gedacht dat hij met Dmitri in een complot zat om Katerina. Hij is opgelucht van haar bevrijd te zijn, maar vraagt toch aan Aljosja hoe het met haar gaat. Daarna starten beide broers een gesprek over het al dan niet bestaan van God. Ivan vindt het een lovenswaardige uitvinding van de mens, hij is wel bereid te doen alsof God bestaat en te geloven dat alles uiteindelijk zal leiden tot een ‘eeuwige harmonie’. Maar de wereld, zoals hij is, aanvaardt hij niet.

reactie

Wanneer ik in Châtin ben, spreek ik tegen een 'hond met een strikje'. (De minste aanleiding is goed om met een onbekende of een bekende een gesprekje aan te knopen.)

Hier in Sijsele of in Brugge, is dat niet vanzelfsprekend. Oudere mensen vinden het veelal wel kunnen, dat je ze aanspreekt of een blik van verstandhouding uitwisselt.

P.

gisteren en vandaag 231

Van gisteren zal ik onthouden dat ik, toen ik om vijf uur ’s ochtends in de stoel was gaan zitten om dat formidabele boek Onzichtbaar van Paul Auster uit te lezen, werd opgeschrikt door een megagrote huisspin op het tafeltje naast me. Ik moet ook onthouden dat ik me herinnerde dat ik me eergisteren had voorgenomen te onthouden dat M. aangaf dat voor mensen die geneigd zijn met om het even wie een gesprek aan te knopen de uitdrukking ‘Hij zou spreken met een hond met een hoedje’ bestaat.

Vandaag moet ik Karamazov lezen.

2601 / Via Bari 12

Pescara - 110718

maandag 22 augustus 2011

proza in huis 166-170

166
Jeroen Brouwers
Kroniek van een karakter. Deel 1. 1976-1981. De Achterhoek

Houtekiet, 1986
400 p.
13 januari 1992, Brussel
294 frank

eigen stempel en nummer (‘915’) in rode inkt

gelezen

167
Jeroen Brouwers
Kroniek van een karakter. Deel 2. 1982-1986. De oude Faust

Houtekiet, 1986
400 p.
13 januari 1992, Brussel
294 frank

eigen stempel en nummer (‘916’) in rode inkt

ongelezen

168
Jeroen Brouwers
De zondvloed

Atlas

(exemplaar uitgeleend)

gelezen in februari 1989 en september 2007

169
Herman Brusselmans
Ex-schrijver
Prometheus, 1991
266 p.
verworven door S.

geen bijzondere kenmerken

niet door mij gelezen

170
Herman Brusselmans
Prachtige ogen

Bert Bakker (Ooievaar Pocket 295), 1992 (3de druk)
189 p.
verworven door S.

geen bijzondere kenmerken

niet door mij gelezen

wolken 149-151

Ellen Deckwitz, De steen vreest mij


149


Rondjes razend om het huis, / smeulende wolken, er is iemand / die het ziet. […] (13)


150

[…] soms // kruipen er wolken voor de zin. (15)


151

Een aalscholver stort uit de wolken, scheert / over het oppervlak. (34)

Karamazov 11

IV.4.
Aljosja komt aan bij de Chochlakova’s en verneemt daar van mevrouw Chochlakova dat ook Katerina Ivanovna en Ivan daar zijn, en dat Lise hysterisch is geworden toen ze hoorde dat hij kwam. Ze vraagt Aljosja om haar brief te vernietigen, het was maar een grap. Maar Aljosja zegt dat hij de brief ernstig opneemt en dat hij ermee instemde om met haar te trouwen, ook al is ze gebrekkig. Lise lacht het weg, of doet alsof. Mevrouw Chochlakova neemt Aljosja mee naar de salon, waar Ivan en Katerina ruzie aan het maken zijn.

IV.5.
Aljosja beseft dat de betrekkingen tussen Dmitri, Ivan en Katerina worden gestuurd door ‘emoties’. Voor wie zal Katerina kiezen? En voor wie moet hij partij kiezen in de rivaliteit tussen Dmitri en Ivan, want hij ziet ze allebei even graag? Katerina deelt – geëxalteerd – mee dat ze heeft besloten Dmitri, ondanks wat er de vorige avond is voorgevallen, altijd trouw te blijven. Mevrouw Chochlakova vindt dit verkeerd, Ivan daarentegen steunt Katerina, maar de manier waarop hij zijn steun betuigt laat de mogelijkheid open om hem van ironie te verdenken. Aljosja doorziet Katerina: zij wendt volgens hem liefde voor Dmitri voor, terwijl zij zegt niet van Ivan te houden – en zij doet dat alleen maar uit een door liefde voor Ivan ingegeven kwelzucht. Ivan denkt er anders over: hoe meer Dmitri Katerina vernedert, hoe meer Katerina van Dmitri houdt. En nu heeft hij er genoeg van: ‘Ik wil niet naast een vat vol emoties zitten’ – en hij verlaat het pand. Aljosja voelt zich schuldig. Alvorens ook van het toneel te verdwijnen, vraagt Katerina hem nog om een gunst: of hij tweehonderd roebel kan bezorgen aan stafkapitein Snegirjov, die het slachtoffer is geworden van Dmitri’s baldadigheid. Het is zwijggeld want Snergirjov overweegt klacht neer te leggen.

Met dit soort passages, die niet het niveau halen van een doordeweeks Frans boulevardstuk, stelt Dostojevski het geduld van menig 21ste-eeuws lezer danig op de proef. Wat een aaneenschakeling van hysterische, inconsistente, ongeloofwaardige taferelen met bordkartonnen personages die voortdurend van mening veranderen en voor wie je geen greintje sympathie of inlevingsvermogen kunt opbrengen! En het blijft maar duren! En als het nu nog grappig was!

IV.6.
Bij het incident met Snergirjov was ook een kind betrokken en Aljosja vermoedt nu dat dit kind het kind was dat hem in de vinger heeft gebeten. Hij gaat eerst langs bij Dmitri maar daar verneemt hij dat Dmitri al drie nachten weg is. Dan maar naar de aan lager wal geraakte stafkapitein Snergirjov, om Katerina’s geld te overhandigen. Hij komt er in een ‘nederige stulp’ terecht en vindt daar inderdaad dat kind, Iljoesja. Snergirjov is op cynische wijze onderdanig en stelt zijn benenloze vrouw Arina Petrovna en zijn dochter Varvara Nikolajevna aan Aljosja voor. Hij neemt Aljosja mee op straat om iets met hem te bespreken.

IV.7.
Snergijov vertelt Aljosja wat Dmitri hem heeft aangedaan en Aljosja belooft hem dat hij Dmitri zal dwingen zijn excuses te komen aanbieden. Snergijov vertelt ook dat hij voor Fjodor zaakjes opknapt en dat hij zich nu gedeisd houdt om die broodwinning niet te verliezen. En dat Iljoesja de vernedering van zijn vader door Dmitri heeft gezien en daardoor nu voor het leven zit opgezadeld met een haat jegens de rijken. Bovendien pesten ze hem op school en is hij er ziek van. Aljosja overhandigt Snergijov de tweehonderd roebel van Katerina. Snergijov vertelt wat hij daar allemaal mee kan doen en lijkt gelukkig, hij geraakt in extase, maar dan weigert hij toch het geld en verklaart kwaad dat hij zijn eer niet verkoopt.

De personages bij Dostojevski zijn altijd dubbel. Ze worden heen en weer geslingerd tussen tegengestelde emoties – en dat gaat vaak gepaard met geëxalteerde, aan waanzin grenzende gemoedsbewegingen.

Karamazov 10

IV.1.
De stervende starets hamert in zijn afscheidstoespraak tot de monniken op schuld en zondigheid. Hij spreekt zo extatisch dat iedereen gelooft dat er een wonder zal gebeuren als hij uiteindelijk zal bezwijken. En kijk, daar komt net een brief binnen van mevrouw Chochlakova, die meldt dat een gebed van een van de vrouwen met wie zij samen bij de starets was geweest, is verhoord. Het gaat om de vrouw die had gebeden dat haar zoon spoedig uit Siberië zou terugkeren. Dit nieuws maakt grote indruk op de broeder ‘van de heilige Silvester’, die net een bezoek heeft gebracht aan kloostervader Ferapont, in het klooster de tegenstander van de starets. Ferapont is een grote vaster en zwijger. Maar bij het bezoek van de broeder ‘van de heilige Silvester’ was hij heel spraakzaam. Ze hadden het over voedingsgewoonten, maar ook over het feit dat Ferapont bij de abt de duivel heeft gezien. Want hij beschikt over de gave om de duivel te kunnen zien! En hij praatte ook met de heilige geest, die zich in de vorm van een vogel aan hem toonde en met hem in mensentaal converseerde. De broeder ‘van de heilige Silvester’ is hiervan nogal onder de indruk en vat daardoor meer sympathie op voor Ferapont dan voor starets Zosima. Hij is dan ook erg nieuwsgierig als blijkt dat Zosima een wonder heeft laten gebeuren. Aljosja zal zich pas later herinneren dat de broeder ‘van de heilige Silvester’ in die dagen vaak heel nieuwsgierig bij de starets opduikt. Alvorens Aljosja vertrekt, zegt de starets aan Aljosja dat hij tot hem zijn laatste woord zal spreken, en krijgt hij nog van vader Paisi een toespraak over de wetenschappelijke vooruitgang: hij mag dan al heel wat bijbelse waarheden hebben ondergraven, ‘een hoger beeld van de mens en zijn waardigheid’ heeft hij nog niet kunnen leveren. Aljosja herkent in Paisi zijn nieuwe leidsman.

IV.2.
Aljosja gaat op bezoek bij zijn vader. Die zegt dat Ivan, die net de deur uit is, daar niet logeert om zijn vader van kant te maken maar om Dmitri zijn verloofde af te pakken door hem ervan te overtuigen met Groesjenka te trouwen. Waardoor, en passant, Dmitri zijn vader verhindert met Groesjenka te trouwen, wellicht in de hoop dat hij zo aan diens centen zal geraken… Maar Fjodor is niet van plan zijn zonen ook maar iets achter te laten. Hij vraagt aan Aljosja of hij Dmitri met drieduizend roebel zou kunnen overtuigen om te vertrekken, uiteraard zonder Groesjenka. Maar hij komt onmiddellijk terug op dat idee en vraagt Aljosja te vertrekken.

IV.3.
Op weg naar de Chochlakova’s belandt Aljosja midden in een stenengevecht tussen een groepje van zes kinderen en één kind, dat door die zes wordt gepest. Hij neemt de verdediging van dat ene kind op zich, maar het keert zich ook tegen hem. Hij wordt door het kind in de vinger gebeten. De reden hiervoor wordt hem niet meteen duidelijk.

gisteren en vandaag 230

Van gisteren wil ik onthouden dat het blad van de tafel die ik samen met E. naar hier verhuisde wél in de lift paste, in tegenstelling tot wat ik had gevreesd – en dat we dat loodzware geval dus geen drie hoog langs de trap naar boven moesten sjouwen.

Vandaag moet ik Karamazov lezen.

2600 / Via Bari 11

Pescara - 110718

zondag 21 augustus 2011

droom #40

Ik ben met Pol B. op reis in Oost-Duitsland. Na lange discussies weet ik hem te overtuigen om een auto te huren. Ik ga daarvoor naar een autoverhuurkantoor, terwijl hij het plaatselijke instrumentenmuseum bezoekt – hij hoopt daar enige cd’s te kunnen kopen. In het gebouw van de Autovermietung bevindt de jury die moet beslissen of je al dan niet in aanmerking komt zich op de eerste verdieping. Om daar te geraken moet je over enkele metalen hekken klimmen, alsook langs een hellend vlak gaan zoals dat wordt gebruikt voor personen met een beperking die zich in een karretje voortbewegen: een bizarre vermenging van ontoegankelijkheid en toegankelijkheid. De juryleden komen een voor een binnen en nemen plaats aan de tafel die op het eind van een lange zaal staat opgesteld. Ik moet naderbij komen. Sprechen sie Deutsch?, klinkt het streng. Ik zeg dat ik de taal van Schiller en Goethe voldoende ken om het oordeel van de jury te begrijpen. Het juryhoofd somt de voorwaarden op waaraan ik moet voldoen om een auto te kunnen huren. Rituele slachtingen en fruitveilingen krijgen voorrang. Er zijn nog twee andere mogelijke bestemmingen waarvoor een huurauto mag worden gebruikt, maar die herinner ik mij niet meer. Kom ik in aanmerking om een auto te huren als mijn motief louter van toeristische aard is? Nein, luidt het verdict. Onverbiddelijk. Ik word verzocht het bureau van de Autovermietung onmiddellijk te verlaten en doe dat langs dezelfde weg als deze die ik heb gevolgd om tot voor de jurytafel te komen. Een van de vrouwelijke juryleden neemt een kortere weg en komt, op een iets lager niveau, voor mij staan en buigt zich voorover. Daarbij wordt mij een royale inkijk in haar decolleté verschaft – ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat zij zich bewust is van dit effect. Ik reageer uiteraard niet op dit goedkope manoeuvre. Ik ga Pol B. opzoeken in het instrumentenmuseum. In een smalle gang die langs alle zijden van de ruimte loopt, zitten aan weerszijden bezoekers met een ouderwetse koptelefoon op te kijken naar een scherm. Mede door de krappe ruimte doen ze mij denken aan marconisten in een vliegtuig dat wordt ingezet voor bombardementen, een vliegend fort. Zij kijken naar filmbeelden die een bepaald muziekinstrument moeten illustreren. Opeens word ik opgetild door een reusachtige figuur die zich achter mij bevindt, een beer van een Duitser. Hij draagt mij naar de eerste vrije plaats bij een van de schermen. Aan de andere kant van het gangetje herken ik B. – wij komen dus rug aan rug te zitten. Ik krijg zo’n koptelefoon op mijn hoofd en moet een filmfragment bekijken waarin wordt uitgelegd hoe de straatbeelden van Berlijn, Parijs en Dublin in de jaren dertig een wisselende ‘eenduidigheid’ vertoonden. In Berlijn tonen de straten enkel nazistische symbolen, in Parijs heb je in beperkte mate publiciteitspanelen, in Dublin veel meer. Berlijn is dus veel eenduidiger dan Dublin – zegt de offscreen-grafstem.

gisteren en vandaag 229

Van gisteren wil ik onthouden hoe de vijftien kleinkinderen van mijnheer G. rond zijn kist gingen staan en hoe de alt op het doksaal door merg en been ging, dat ik in Paulatem zeer prettig kennismaakte met M. en L., en dat we in Bottelare van een perfecte barbecue mochten genieten bij S. en S.

Vandaag lees ik en kan ik in de voormiddag werken aan Karamazov en aan mijn vijftig octetten, deze namiddag zie ik E. bij mijn moeder.

gisteren en vandaag 228

Van gisteren wil ik onthouden dat ik er eindelijk toe gekomen ben om mijn belofte aan N. na te komen, en dat we samen met G. naar een aflevering van de Jos Bosmans-show keken.

Vandaag ga ik naar de begrafenis van mijnheer G., en deze namiddag naar S. en S. in Bottelare.

2599 / Via Bari 10

Pescara - 110718

2598 / Via Bari 9

Pescara - 110718

zaterdag 20 augustus 2011

Karamazov 9

III.9.
Dmitri denkt dat Groesjenka bij zijn vader is, maar hij vergist zich. Zijn vader probeert hem tegen te houden maar wordt ei zo na vermoord. Exit Dmitri, niet na eerst nog aan Aljosja te hebben gevraagd om het beloofde bezoek te brengen aan Katerina Ivanovna. Hij vraagt hem om haar te vertellen wat er net bij zijn vader is voorgevallen. Ivan gaat met hoofdpijn een luchtje scheppen. Grigori, die ook een tik van Dmitri heeft gekregen, doet zijn beklag. Aljosja gaat bij zijn vader zitten, die zijn wonden likt. Fjodor vraagt Aljosja om naar Groesjenka te gaan. Of nee, toch maar liever niet want Groesjenka zou met Aljosja kunnen aanpappen. Ivan vraagt Aljosja of hij denkt dat hij, Ivan, zijn vader zou kunnen vermoorden. Aljosja is blij met deze toenadering maar vermoedt dat er een bedoeling achter zit.

III.10.
Aljosja verlaat in de grootste verwarring het huis van zijn vader. Hij gaat naar Katerina Ivanovna. Bij een eerste bezoek, samen met Dmitri, had hij het gevoel gekregen dat Dmitri niet voor altijd gelukkig zou kunnen zijn met zijn verloofde. Zij is te trots, te zelfverzekerd. Nu maakt Katerina een veel positievere indruk, en Aljosja betreurt al zijn eerste oordeel. Hij heeft het gevoel dat Katerina al op de hoogte is van Dmitri’s beweegredenen. Hij brengt zijn boodschap over: dat Dmitri een buiging voor haar maakt. Katerina leidt uit de manier waarop Dmitri dat heeft gevraagd af dat nog niet alle hoop verloren is. Hij zal nooit trouwen met Groesjenka, zegt ze. En: Groesjenka is een engel. Waarop – coup de théâtre! – Groesjenka (Agrafena Aleksandrovna) van achter het gordijn tevoorschijn komt! Zij is ‘een Russische schoonheid’, helemaal niet het ‘wilde dier’ zoals Ivan haar noemde. Ze is 22, geruisloos, zacht en stralend maar, stelt Aljosja tot zijn ergernis vast, ze spreekt geaffecteerd. Katerina en Groesjenka gaan als twee geliefden met elkaar om. Katerina vraagt Groesjenka aan Dmitri te bekennen dat zij verliefd is op een oude kandidaat, die met een ander was getrouwd maar nu weduwnaar is geworden. Plots slaat Groesjenka om en maakt duidelijk toch voor Dmitri te zullen kiezen. Ze verlaat het huis, maar vraagt Aljosja achter haar aan te gaan. Katerina wordt hysterisch achtergelaten. Aljosja krijgt van het dienstmeisje nog een brief van mevrouw Chochlakova, wier dochter Lise hem bij de starets zo heeft aangestaard.

III.11.
Op weg naar zijn klooster loopt Aljosja Dmitri tegen het lijf. Dmitri staat hem op te wachten. Aljosja vertelt alles over zijn ontmoeting met Katerina en Groesjenka. Dmitri lijkt blij dat Katerina door Groesjenka is vernederd. Maar dan moet hij Katerina gelijk geven, ze heeft hem terecht een ‘schoft’ genoemd. Dmitri kondigt aan een ‘wandaad’ te zullen begaan en zegt aan Aljosja dat ze elkaar nooit meer zullen terugzien. Aljosja komt aan bij de starets, waar novice Porfiri en vader Paisi samen zijn voor de dagelijkse broederbiecht – die volgens sommigen een aanfluiting zou zijn: broeders zouden zonden verzinnen om toch maar iets te zeggen te hebben. De starets is heel ziek, maar heeft wel nog gezegd dat Aljosja moet terugkeren naar de wereld. Dat zou betekenen, zeggen Paisi en Porfiri, dat hem daar iets te wachten staat. Tijdens zijn avondgebed herinnert Aljosja zich de brief die hij bij het verlaten van het huis van Katerina heeft gekregen. De brief is niet van mevrouw Chochlakova maar van haar dochter Lise. Het blijkt een liefdesbrief te zijn.

Hier eindigt het eerste deel.

gisteren en vandaag 227

Van gisteren zal ik mij de berichten over en de eerste beelden van het noodweer op Pukkelpop herinneren en wellicht ook dat we S.’s bibliotheek alweer in dozen staken voor nog maar eens een verhuizing – hopelijk is het nu voor een jaar of zes.

Vandaag is er tijd voor lectuur. Vanavond gaan we naar H. en A.

gisteren en vandaag 226

Van gisteren wil ik mij herinneren dat P. vertelde over haar jaar in de Waalse kostschool en dat niemand er wist dat ze eigenlijk Nederlandstalig was, en hoe ze ook niet vergeten was – ik wel – dat ik ermee inzat dat haar vingers zo’n pijn deden van de kou toen ze mij een heel eind moest voortrekken op de slede, ik moet toen een jaar of vier zijn geweest.

Vandaag moet ik nog altijd die poëziedebuutrecensie afwerken, het komt er maar niet van.

2597 / Via Bari 8

Pescara - 110718

2596 / Via Bari 7

Pescara - 110718

vrijdag 19 augustus 2011

Karamazov 8

III.6.

Aljosja komt bij zijn vader. Ook Ivan, Grigori en Smerdjakov zijn daar. De sfeer zit er al goed in. De schrijver maakt van de gelegenheid gebruik om een en ander over Smerdjakov te vertellen. Hij was een wreed kind, dat katten op rituele wijze vermoordde. Hij wou geen kerkgeschiedenis leren en kreeg de vallende ziekte. De boeken die Fjodor hem voorstelde te lezen, vond hij maar niets. Hij is nors, eenzelvig, nuffig en afkerig van het vrouwelijk geslacht. En af en toe staat hij in zichzelf gekeerd te contempleren. Maar niemand weet eigenlijk goed wat er in hem omgaat.

III.7.
Op het ogenblik dat Aljosja binnenkomt, is er een discussie aan de gang over een soldaat die weigerde zijn christelijke geloof in te ruilen voor de islam en die de marteldood was gestorven. Fjodor zegt dat ze hem meteen heilig moeten verklaren, daar valt nog munt uit te slaan. Smerdjakov vindt dat de soldaat er beter aan had gedaan zijn hachje te redden, dan had hij alsnog met goede werken ‘zijn lafhartigheid’ kunnen ‘afkopen’. En met casuïstisch vernuft bouwt hij het bewijs op dat dit deze soldaat niet ten kwade zou kunnen worden geduid, en zijn gebrek aan geloof al evenmin – dit laatste op basis van de redenering dat ook wie echt gelooft geen bergen kan verzetten, ook al staat er in de Bijbel dat dit wel kan!

III.8.
Fjodor heeft er genoeg van en jaagt zijn bedienden weg. Smerdjakov is te progressief. Fjodor vindt dat er afstand moet zijn en dat de boeren af en toe eens moeten getuchtigd worden. Voor het overige haat hij Rusland. Hij vindt dat de kloosters moeten worden afgeschaft en dat er baan moet worden geruimd voor de waarheid en de vooruitgang. Ivan wijst hem erop dat hij zijn privileges zal kwijtspelen. Dan, vindt Fjodor, kunnen de kloosters beter toch blijven bestaan. Hij blaast dus koud en warm tegelijk. Hij ondervraagt Ivan en Aljosja. Aljosja is ervan overtuigd dat God en de onsterfelijkheid bestaan. Ivan denkt van niet, maar hij is van oordeel – heel pragmatisch – dat er zonder idee van God geen beschaving zou zijn. Fjodor, behoorlijk aangeschoten, lastert de starets. En dan vraagt hij Ivan om voor hem naar Tsjermasjnja te gaan. Waarop hij uitlegt hoe je ‘de vrouwtjes’ moet benaderen: ze hebben allemaal iets speciaals, je moet het alleen zien te vinden. En je moet ze ‘overdonderen’. Dan begint hij over Aljosja’s moeder, hoe ze volgens hem te mystiek aangelegd was en hoe hij daar tegen inging door op het icoon te spuwen. Aljosja krijgt bij het horen van dit verhaal eenzelfde toeval als zijn moeder destijds. Ivan is woedend op zijn vader: zij was toch ook zijn moeder? Dat lijkt Fjodor even vergeten. Dmitri stormt binnen en Fjodor is bang dat hij door hem zal worden vermoord.

gisteren en vandaag 225

Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren, als ik het niet vergeet, dat ik mij in de Raaklijn liet verleiden tot de aankoop van het Vergeetboek van Douwe Draaisma. En dat ik aan mijn vijftig octetten begon.

Vandaag kan ik het vooruitzicht van gisteren integraal overnemen. Maar ik zou daarbovenop toch ook iets willen schrijven over de film Drei, die ik een paar dagen geleden zag. Vanavond komen P. en F. eten, ik moet dus boodschappen doen en koken. Coq au vin?

gisteren en vandaag 224

Van gisteren moet ik onthouden dat ik om drie uur ’s nachts een ingrijpend, maar constructief, gesprek met S. doorspoelde met een cognac, dat ik in het park in een hondendrol trapte, en dat ik ontroerd was door de gedichten ‘December 1999’ en ‘Naar Marvell’ van Hugo Claus, opgenomen in de compilatie ‘uit de geheime laden’ De wolken.

Vandaag werk ik de debuutrecensies af. Daarna zal ik toch twintig of dertig bladzijden Karamazov moeten lezen. Ik wil eindelijk ook eens mijn werk maken van de belofte die ik N. heb gedaan.

2595 / Via Bari 6

Pescara - 110718

2594 / Via Bari 5

Pescara - 110717

donderdag 18 augustus 2011

Karamazov 7


III.4.
Dmitri biecht aan Aljosja op dat hij inderdaad, zoals zijn vader zei, met geld smeet en van ‘de vrouwtjes’ houdt en dat zijn ‘wormenwellust’ hem ertoe noopt zich van hun diensten te verzekeren. Altijd met respect voor hun naam, voegt hij eraan toe. Hij mag dan toegeven aan zijn laagste instincten, eergevoel heeft hij wel. Daarin is hij een echte Karamazov. Aljosja bekent op zijn beurt dat hij zich, hoewel nog niet in zo’n vergevorderd stadium als zijn broer, aan dezelfde drijfveren uitlevert. Dmitri vertelt hem één specifiek geval – hij zegt ook dat Ivan op de hoogte is maar zwijgt als het graf. Dat specifieke geval was Agafja Ivanovna, met wie Dmitri, naar eigen zeggen, een louter vriendschappelijke relatie onderhield. Maar zijn oog viel op Agafja’s halfzuster, de beeldschone en deugdzame Katerina Ivanovna. Met een gemene list – het had iets met geld te maken – kwam hij in contact met haar. Hij maakte haar van hem afhankelijk, maar kon dan een edelmoedig gebaar stellen en tevreden zijn voor het feit dat zij voor hem moest buigen.

III.5.
Het enige wat Dmitri nog vernam van Katerina na dit incident is een briefje waarop ze zegde dat ze hem vanuit Moskou, waarheen ze zou verhuizen, zou schrijven. Katerina erfde een fortuin en stuurde Dmitri dan die brief: een aanzoek. Dmitri weigerde, ondanks zijn gevoel, omdat hij geen geld heeft, en hij stuurde Ivan op haar af. Het gevolg is dat Ivan nu verliefd is op Katerina, en zij op hem. Dmitri heeft zijn kans laten schieten. Hij is in Groesjenka’s klauwen terechtgekomen en voorspelt dat hij in een zijstraatje zal eindigen terwijl Ivan met Katerina zal kunnen huwen. Dmitri vraagt Aljosja dat hij Katerina gaat zeggen dat hij, Dmitri, haar, ondanks het feit dat ze met elkaar verloofd zijn, nooit meer zal zien. Ook bij Agafja heeft hij het verkorven want hij heeft haar het geld waar zij om vroeg niet gestuurd. Het enige wat hij nu nog kan doen, is: naar Groesjenka gaan, die ‘één en al lichaamsronding’ is, om zich bij haar te bezuipen. Ivan denkt dat Katerina Dmitri kan vergeven als zij ziet hoe ongelukkig hij is. Dmitri gelooft niet dat Katerina dat zal doen. Dan stelt Aljosja voor Dmitri het geld voor Agafja voor te schieten. Alleen is het zo dat hij dat niet kan. Hij zal bij Fjodor en bij Ivan moeten aankloppen. Maar Fjodor zal niets geven omdat hij zelf smoor is op Groesjenka. Hij heeft zelfs het bedrag al klaarliggen. Dmitri is van plan om met de hulp van Smerdjakov, die als enige op de hoogte is, Groesjenka te onderscheppen wanneer zij het geld bij Fjodor komt ophalen. Dmitri vraagt Aljosja nogmaals om het geld aan Fjodor te vragen. Hij maakt daarbij een waanzinnige indruk. Hij zegt dat hij van God een wonder verwacht. Als dat wonder niet gebeurt, zegt Dmitri, dan zal hij zijn vader vermoorden. Aljosja is gealarmeerd en besluit de verzoeken van zijn broer in te willigen: eerst naar Fjodor en dan, al dan niet met geld, naar Katerina om haar de boodschap van Dmitri over te maken.

wolken 143-148

Tim Parks, Italiaanse opvoeding


143
Vader wreef krachtig je haar droog, waardoor je een vertrokken beeld kreeg van de lage wolken boven de boulevard. (14)


144
Er hangen slechts een paar romige wolkjes in de blauwe lucht. Mooi, zou je dus zeggen, het is mooi weer. Maar nee. Zelfs mijn kinderen weten al dat dat niet het geval is. Het is beslist geen mooi weer. Want de lucht is vochtig. Klam. Het is niet meer dan zestien, zeventien graden. En bovendien wordt er lichte bewolking voorspeld, later in de middag. (137)


145
Net zoals het Italiaanse huis perfect schoon moet zijn voor je je erin kunt ontspannen, moet de hemel vlekkeloos blauw zijn, moet elk wolkenveegje verwijderd zijn voor je je veilig kunt voelen, voor je het gevoel hebt dat het universum zich gedraagt zoals het moet, dat het er eerlijk aan toegaat, dat de hemelse graduatoria zonder gekonkel verloopt. (137)


146
Na telefonisch overleg heeft iedereen paraplu’s en regenjacks en capuchons meegenomen, want er drijven nog steeds twee of drie wolken door de lucht. (139)


147
Het zogezegd slechte weer beperkt zich tot een zacht briesje dat bolle wolkjes verschuift boven onze hoofden, terwijl er een dikke waas over de bergen in het noorden is komen te liggen. (143)


148
Het biljet van vijftigduizend lire dat nog steeds de eerste plaats inneemt in Micheles portefeuille, maar dat al uit Stefi’s portefeuille was verdwenen de dag nadat ze het had gekregen, dateert van de keer dat Nonno en Nonna er tijdens een bezoek onverwachts vandoor gingen met de uit de lucht gevallen aankondiging, of liever gezegd uit winterse wolken gevallen aankondiging dat ze naar Rome moesten komen om een appartement te bekijken dat Berto’s broer Renato wilde kopen. (206)

wolken 141-142

Henning Klüver, Reisleesboek Italië


141
Het water was grijs, woest en vies. Donkere wolken joegen voorbij, de zon kwam er maar af en toe door en scheen dan met een merkwaardig melkachtig licht op de schuimende golven. (73)


142
Terug in het dal, op de lange brug over de rivier Paglia, blijft de Monte Amiata schuilgaan achter de bewolking. Grijze sluiers klampen zich vast aan de kruinen van de beuken. Bij regen is zelfs Toscane triest. Tenminste, in elk geval tot het wolkendek weer openbreekt en er weer een stukje stralend blauwe lucht te zien is, dat net zo felgekleurd is als de t-shirts van het Italiaanse nationale voetbalteam. (90-91)

2593 / Via Bari 4

Pescara - 110717

2592 / Via Bari 3


Pescara - 110717


woensdag 17 augustus 2011

gisteren en vandaag 222

Van gisteren zou ik kunnen onthouden dat de bundel De steen vreest mij van Ellen Deckwitz behoorlijk wat indruk op mij maakte en dat we op Benenwerk eerst stevig dansten op de muziek van een Zweedse rockabillyband en daarna in de muzettetent de farandolle dansten op Pour un flirt avec toi.

Vandaag moet ik werken voor de Poëziekrant: debuutbundels lezen en bespreken en eindredactie uitvoeren op andermans teksten. We gaan ook naar de finissage van de tentoonstelling Suspicious Landscapes.

gisteren en vandaag 221

Van gisteren zou ik kunnen onthouden dat ik tijdens een verhuizing op straat een briefje van tien Britse ponden vond en dat op de terugweg, toen ik samen met G. naar Nick Cave luisterde, de volumeknop het liet afweten zodat we de autoradio niet stiller konden zetten – wat we niet erg vonden.

Vandaag moet ik werken voor de Poëziekrant. Vanavond gaan we naar Benenwerk in de Brugse binnenstad. Hopelijk regent het niet, maar het ziet er niet naar uit. Ik bedoel dat het er naar uitziet dat het wél zal regenen.

het huwelijk is maar één mogelijke vorm

Drei van Tom Tykwer confronteert ons met onze gangbare opvattingen over liefde, seks en huwelijk. Het is Tykwer trouwens niet alleen om die opvattingen te doen, maar minstens evenzeer om de verwarring die het gevolg is van de confrontatie. Drei is zeker geen pleidooi voor ménages à trois of andere mogelijke relaties maar wil enkel aantonen dat onze traditionele opvatting – een verbond van een man en een vrouw, het liefst gezegend met kinderen – slechts een van de vele mogelijke is en dat de mate waarmee we daaraan hechten de hevigheid verklaart waarmee we reageren op een ondermijning ervan. Zonder dat we echter rationele argumenten kunnen aanvoeren om het alleenzaligmakende karakter van die traditionele band te verdedigen.


Tykwer laat in zijn intrige het toeval een zeer grote rol spelen. De waarschijnlijkheid in het verhaal interesseert hem niet. Hij wil enkel een situatie creëren waarin hij zijn ideeën het best naar voren kan brengen. Dat hij er ondanks de bewust niet geweerde clichés en het onwaarschijnlijke verhaalverloop toch in slaagt om onze sympathie voor zijn – door uitstekende acteurs vertolkte – personages op te wekken, bewijst hoe stevig hij, als cineast, de touwtjes in handen heeft. En passant laat hij in zijn film nog enkele belangrijke thema’s de revue passeren: kinderwens en onvruchtbaarheid, genetische manipulatie en de rol van de man hierbij – je zou wensen dat hij ook iets zegt over de invloed van seksuele overdraagbare ziekten op de manier waarop we tegen liefde, huwelijkstrouw en seks aankijken.

Tykwers ideeën komen grosso modo hierop neer: liefde kan vele gedaanten aannemen en soms kan het bevrijdend zijn om de geijkte paden te verlaten. Vrees de andere kijk niet, durf de verandering aan. Hoe komt het dat zovelen berusten in een halfslachtig huwelijk dat na twintig jaar moeilijk anders kan dan in sleur verzanden? Als het al niet finaal op de klippen loopt? Precies omdat ze de taboes niet durven te doorbreken. Tykwers voorzet is minstens het overdenken waard.

Maar met drie?, dat maakt er de zaken niet makkelijker op. Het is moeilijk over alles openhartig te zijn, de leugen is nooit veraf. Alles wordt ingewikkeld. Sleur mag dan al minder bevredigend zijn, maar heeft in elk geval het voordeel eenvoudiger en veiliger te zijn. Tykwer heeft dit gegeven van complexiteit mooi vormgegeven met de compositie van zijn film, met de bruuske overgangen, met de split screens die hij copieus en zeer functioneel gebruikt.

De film eindigt mooi – dat zal in het werkelijke leven, waarin de mensen vaak maar wat aanmodderen met liefde en seks, al dan niet trouw en open, zeker niet altijd het geval zijn. Maar Tykwer heeft naar mijn aanvoelen de grote verdienste om, ook met dit heikele thema van promiscuïteit, een hommage te hebben bedacht, en gebracht, aan de liefde. Hij haalt liefde en seks uit elkaar en toont ons de essentie van de gehechtheid die mensen, ongeacht hun seksuele voorkeuren en praktijken, voor elkaar kunnen voelen. Hij toont ons met andere woorden de bijkomstigheid van seks aan, het triviale, niet-essentiële karakter ervan. Het slotbeeld maakt dit duidelijk. De finale verstrengeling wordt gekenmerkt door tederheid, niet door brute lust.

2591 / Via Bari 2

S. - 110717

2590 / Via Bari 1

Luchthaven Pescara - 110717

dinsdag 16 augustus 2011

gisteren en vandaag 220

Van gisteren heb ik niets speciaals te memoreren.

Vandaag moet ik T.’s kot helpen leegmaken en de inboedel verhuizen.

gisteren en vandaag 219

Van gisteren zou ik een paar van de oorlogsverhalen willen onthouden die W. vertelde, bijvoorbeeld over de ‘zoetekoek’ waarmee de baas van de Meli W.’s vader betaalde voor een transport dat hij had verricht op de dag dat de Duitsers België binnenvielen, en over de vrachtwagen vol naakte lijken die zijn moeder aantrof: Duitse soldaten die hun aftocht niet hadden overleefd, en dat op een ogenblik dat elk uniform en elk stuk ondergoed een schaars artikel was geworden.

Vandaag is er tijd voor lectuur. Na de middag zijn we terug in Brugge.

Karamazov 6

III.1.
In het huis waar Fjodor en Ivan wonen, houden de ratten de bewoners gezelschap. Er zijn ook drie bedienden. Grigori Vasiljevitsj Koetoezov is eerlijk, trouw, toegewijd en vastberaden. Hij heeft, tegen de wil in van zijn vrouw Marfa Ignatjevna, geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om, na de bevrijding van de lijfeigenen, een eigen leven te beginnen. Fjodor kan dag en nacht een beroep doen op Grigori. Grigori moest van Fjodors eerste vrouw, Adelaida, niets hebben, de tweede daarentegen, Sofja Ivanovna, beschouwt hij als een heilige. Grigori leest graag Job en is enigszins geneigd tot het mystieke. Marga is verstandig maar onderdanig. Beide echtelieden zwijgen meestal. Ze hebben een kindje gehad dat zes vingers had. Om die reden heeft Grigori, die nochtans veel van kinderen houdt, het nooit willen aanvaarden. Het kind heeft twee weken geleefd. Andere kinderen hebben Grigori en Marfa nooit gehad. Maar de nacht nadat ze hun kind hadden begraven, gebeurde het dat in het badhuis in de tuin de zottin van de stad, Lizaveta Smerdjasjsjaja, het leven schonk aan een kind en daarbij zelf het leven liet.

III.2.
Lizaveta Smerdjasjsjaja is een slechtgeklede, stomme doolster, die slecht behandeld wordt door haar vader Ilja, een aan lager wal geraakte middenstander. Op een dag wordt zij mishandeld door een gezelschap boemelaars. Fjodor maakt deel uit van dat gezelschap. Enkele maanden later blijkt Lizaveta Smerdjasjsjaja zwanger. De verdenking gaat uit naar Fjodor. Het kind wordt geboren en door Grigori en Marfa opgenomen. Ze noemen het Pavel en – naar de vermeende vader, die daar geen bezwaar tegen maakt – Fjodorovitsj. Later krijgt Pavel er, naar zijn moeder, ook nog de naam Smerdjakov bij. Smerdjakov wordt de derde bediende van Fjodor.

De auteur stelt dat hij nu niet langer bij bedienden kan stilstaan, zijn lezers zouden dat niet pikken. Over Smerdjakov zullen we te gelegener tijd nog wel meer vernemen ‘in het vervolg van mijn roman’.

III.3.
De hoofdstukken III.3, III.4 en III.5 dragen allemaal dezelfde titel: ‘De biecht van een vurig hart’, maar kregen wel elk een andere ondertitel of specificatie. III.3 kreeg de bepaling ‘In verzen’ mee, III.4 ‘In anekdotes’ en III.5 ‘”Met de hielen omhoog”’.

Aljosja is verscheurd door het bevel van zijn vader om mee naar diens huis te gaan en het verzoek van Katerina Ivanovna om tot bij haar te komen. Hij is bang van Katerina Ivanovna. Hij weet dat ze goed is en dat ze ‘uit louter grootmoedigheid’ Dmitri, die bij haar in het krijt staat, wil redden. Aljosja overwint zijn angst en gaat naar Katerina Ivanovna, maar komt onderweg Dmitri tegen. Dmitri doet nogal geheimzinnig, hij heeft het ook over een geheim. Dmitri begint in verzen te spreken. Het komt goed uit dat hij Aljosja ziet want hij was net – zo zegt hij met veel omhaal want er staat een halflege fles cognac op tafel – van plan om ‘een engel’ naar zowel zijn vader als naar Katerina Ivanovna te sturen. Hij deelt Schillers smart ‘om ’s mensen val’ en wauwelt dat wellust erger is dan een storm. Schoonheid en schande gaan samen. De mens kan zowel de Madonna aanbidden als Sodom. Er is ook schoonheid in Sodom. De duivel vecht zijn strijd met God uit in het hart van de mensen.

2589

Ter Hand - 110613

2588

Knesselare - 110613

maandag 15 augustus 2011

overschrijven 152

Naar Marvell

Hadden wij maar de plek en de tijd,
dan wachtte je, lady,
want hadden wij de hele wereld
alle tijd
dan wandelden wij
hand en hand in de eeuwigheid.
Dan verging met een mekkerende lach
onze lange liefdesdag
Dan mocht je in je kamers blijven dralen,
blijven weigeren, nooit kiezen
voor wat trilt in je liezen, geef toe.
O, wat zou ik je ogen loven in zo’n droom!
Honderd jaar zou ik naar je tepels staren,
driehonderd jaar naar je billen
drieduizend jaar naar elke plek van je vel.
Heus, lady, ik zou niets anders willen.
Alleen, alleen zit in mijn nek de kater
van de tijd te blazen
en ik hoor de kar van de tijd die ratelt
want zie jij dan niet, mijn heksje,
wat straks voor ons ligt, zo snel,
onduldbaar snel, dat zwarte niets,
die woestijn van niets? En wat wil je dan
met de gratie van je rekbare graten?
Wat met de echo van mijn blaten?
Kevers, lief, hebben jouw binnenste buiten
gekeerd, wormen hebben je vochtige vouw
geruïneerd. En dan is – luister je, weifelend wijfje? –
mijn lust voorgoed herleid tot as.
Het graf onder het gras is fijn. Je rust er vrij, privé,
maar of je er ooit nog kust met mij?
Nee, nee, o neen


Hugo Claus (2005), in De wolken, 321

driekleur 61


December 1999


De trein vertraagt, geeft een gil en stopt
midden in de godvergeten natte weiden.
Mist vlot in het coupé.
Tijd om te bezinnen
Daar zit ik dan met mijn bloemekee
die verslenst naarmate de horizon
ros wordt en goud en koninklijk blauw
en dan vergaat in het duister van de tijden.
Zo ver heb ik het geschopt.
Geen tijd om te beminnen.


Geen talent voor wroeging of berouw
Hooguit, de tijd van een binnenrijm, mededogen
met de lijken aan de Evenaar
gedoemd tot vergetelheid. Wie onthoudt ooit
Kosogevaren, Timorvrezen,
de gouverneur van Texas, de dronken tsaar?
Er is altijd een tweede oorlog.
Voor drie straten bodemzieke schutters
verzengt men hele steden,
vermenigvuldigt men steeds weer het verleden.
O, de obscene vertraging
van de schijnverdragen.

De trein begint zachtjes te bewegen.
Mijn buurman slaapt met zijn open mond
vol hamburger met mayonaise.
Een meeuw, zwart van de olie van de tanker,
klapwiekt tegen het rijdend raam
en hangt er de hele reis.

Hugo Claus, in De wolken, 320

mirage 49

Watou - 080626

Karamazov 5

II.7.

De starets zegt dat Aljosja, die de starets wil bijstaan, naar de maaltijd moet en dat hij goed moet zijn voor zijn beide broers en dat hij, als hij, de starets, binnenkort dood zal zijn, het klooster moet verlaten en in de wereld voor de lijdenden zorgen. Zo zal hij het geluk kunnen vinden. Op weg naar de maaltijd speculeren Aljosja en Michail Rakitin over de betekenis van de knieval die de starets voor Dmitri heeft gemaakt. Rakitin denkt dat de starets op die manier de toekomstige moordenaar heeft willen aanwijzen. Hij denkt ook dat Dmitri inderdaad tot moord in staat is omdat hij een eerlijke wellusteling is. Overigens bespeurt Rakitin ook in Aljosja wellust: hij mag dan al heilig zijn, wat hij van zijn moeder heeft, de wellust van zijn vader is hem ook niet vreemd. Zo zijn alle Karamazows, ook Ivan: ‘wellustelingen, geldwolven en heilige idioten’. Ivan, zegt Rakitin, is bezig met het inpikken van Dmitri’s verloofde. Mét de instemming van Dmitri, die van zijn verloofde Katerina Ivanovna af wil om bij Groesjenka te kunnen – die door vader Fjodor wordt begeerd! Aljosja verdedigt Ivan, maar Rakitin vindt dat hij dat doet met argumenten die hij overneemt van de starets. Rakitin vindt dat Ivans theorie – geen moraal zonder geloof in onsterfelijkheid – geen steek houdt: je kunt moraal ook stoelen op de liefde voor vrijheid, gelijkheid en broederschap… Maar hij houdt vlug op met spreken, alsof hij beseft dat hij als seminarist dergelijke theorieën best niet te luid verkondigt. Aljosja vermoedt dat Rakitin ook een oogje heeft op Katerina Ivanovna en dat hij daarom jaloers is op Ivan. Rakitin ontkent het niet, maar weet wel dat Ivan kwaad over hem heeft gesproken. Hij weet dat van Dmitri, die hij afgeluisterd heeft bij Groesjenka, die nochtans geen familie bij hem is… Rakitin en Aljosja komen aan bij de abtswoning, waar er blijkbaar hommeles is geweest: Fjodor, Ivan en Mioesov verlaten, naar elkaar scheldend, het pand… Er heeft zich een ‘onverwacht schandaal’ voltrokken…

II.8.
Hier moet Dostojevski, die even een andere groep personages gevolgd heeft, terug in de tijd om te vertellen wat er tegelijkertijd met het gesprek dat zich in II.7. heeft ontwikkeld in de abtswoning is gebeurd.

Mioesov beseft bij het betreden van de abtswoning dat hij zich beter niet in het bijzijn van de monniken had kwaadgemaakt op Fjodor en neemt zich voor om af te zien van alle rechten die hij bij het klooster had willen opeisen. Alvorens verder te gaan met de maaltijd bij de abt, somt de schrijver nog enkele karaktertrekken van Rakitin op – alsof hij dat in het vorige hoofdstuk is vergeten: Rakitin is onrustig, naijverig, bewust van de eigen capaciteiten op eigendunk af en oneerlijk. Mioesov betreedt dus de abtswoning en verontschuldigt daar Fjodor. Net op het ogenblik dat de abt de voorbeden afrondt, komt Fjodor alsnog, heel provocerend en alsof hij niets meer te verliezen heeft, binnen voor ‘zijn laatste act’. Hij begint nu echt iedereen te schofferen en noemt Pjotr, die zich van hem wil distantiëren, zijn ‘bloedverwant’ en verwijt hem ‘eigenliefde’. Hij zegt ook te willen zien hoe zijn zoon Aljosja, die in het klooster is gekomen voor zijn ‘zielenheil’, het stelt. Hij zegt niet publiek te willen biechten, zoals de starets daarnet in zijn woning, omdat de biecht niet publiek kán zijn. De schrijver komt tussen met een ‘notabene’: Pjotr lijkt de geruchten te hebben opgevangen dat de startsy in de kloosters de macht van de abten bedreigen, onder meer door misbruik te maken van het biechtgeheim. Nu verwijt hij de monniken dat ze met hun vasten hypocriet zijn, en dat het feestmaal dat klaarstaat, werd bereid op de rug van de hardwerkende boeren. Hij verklaart dat hij nooit nog een voet in het klooster zet, de tijd van de kloosters is definitief voorbij: ‘we hebben nu een liberale tijd, de tijd van stoomschepen en spoorwegen’. Het gezelschap spat uit elkaar, de maaltijd wordt geannuleerd.

gisteren en vandaag 218

Van gisteren zou ik mij kunnen herinneren dat Stéphane Beel in een twee uren durend radio-interview voortdurend vragen moest beantwoorden over de toegankelijkheid van zijn gebouwen voor gehandicapten, dat Hugo Claus – maakte ik op uit mijn lectuur van De wolken – graag woordspelletjes doet met weglating van de eerste letter van het woord (‘een voorschot van Van Oorschot’, ‘Paris: utile et futile’), dat C. zich kostelijk versprak door ‘vuilkal’ te zeggen in plaats van ‘valkuil’, en dat A. en S. het beeld opriepen van hun vader A., hoe hij gekleed in een oliepak en met een mijnlamp op zijn hoofd gemonteerd in een waterput afdaalde.

Vandaag lees ik Karamazov en ga ik samen met S. naar de academie van Koksijde, om er het werk te bekijken van een van de leerlingen van P. Volgens S. heeft A. voor vanavond tomates crevettes met pommes frites op het menu geplaatst en daar kijk ik nu al ten zeerste naar uit.

gisteren en vandaag 217

Van gisteren wil ik onthouden dat ik mij steeds meer begin te ergeren aan jongeren die voor de lol keet schoppen en vernielingen aanrichten, zoals nu weer in Engeland, dat ik op mijn weg naar de bibliotheek een aangename ontmoeting had met J., dat P. vertelde hoe goed haar reis naar Schotland was meegevallen en dat we ’s avonds bij S. samen met A., J. en C. gerookte sprotjes aten die, nog voor we hen onthoofdden, er al behoorlijk ongelukkig uitzagen.

Vandaag moet ik de gerookte sprotjes verteren. Dat zal deels in De Panne gebeuren want daar gaan we heen.

wolken 132-140

Frédéric Beigbeder, Windows on the World



132
Ik vind de gebouwen niet lelijk; ik zie het wel graag, wanneer de wolken zich erin weerspiegelen. (16)


133
Door torens te bouwen die tot in de wolken reiken, bewijst hij zichzelf dat hij groter is dan zijn natuurlijke grootte, groter dan de natuur. (19)


134
Gij wolken, ik denk dat ik met U ben opgestegen en weggedreven naar verre werelddelen en daar, om een roeping te vervullen, ben neergedaald… (20)
(Beigbeder citeert uit het gedicht ‘Salut au monde’ van Walt Whitman)


135
Achter de ruit is alleen witte damp. Als ik mijn neus tegen het glas druk, kan ik nog net de omliggende straten zien. Toen ik klein was zeiden ze altijd tegen me dat ik met mijn hoofd in de wolken liep. Dat doe ik dus nog steeds. (31/32)


136
Op de avond dat ik naar de bovenste verdieping ging was het bewolkt in New York, maar de toren stak door de wolken heen. (74)


137
Wolken, aanslagen en verandering van naam; dat zijn de drie dingen waardoor een skyline niet langer is zoals eens. (182)


138
Het kost moeite zich een voorstelling te maken van wat het World Trade Center was als de avond inviel: twee zuilen van licht met, van dichterbij gezien, de duizenden gele vierkantjes – de verlichte ramen van kleine kantoren –, reusachtig schaakbord van glanzend glas, waar duizenden robots hun telefoon opnamen, op hun tekstverwerker rammelden, af en aan liepen, zwaaiend met hoogst belangrijke documenten en een bekertje decaf in de hand, noodzakelijke mailtjes verzonden over de hele wereld, die zee van lichtjes in de schemering, lichtgevende mierenhoop, atoomcentrale, begin en eindpunt, als de dag ten einde liep het overwoestbaar baken voor de wereld, zwaard dat de wolken doorkliefde, houvast voor de New Yorkers wanneer de hemel zich rood kleurde en zij voelden dat hun ziel het spoor bijster raakte. (213)


139
De weidsheid van de hemel, de beweeglijke bouwsels van de wolken, de wisselende kleuren van de zee, het flikkeren van de lichten, vormen een prisma dat wonderwel geschikt is om de ogen te verblijden zonder ze ooit te vermoeien. (265)
(Beigbeder citeert uit Le Spleen de Paris van Charles Baudelaire)


140
Het vliegtuig dat me terugbracht naar Parijs doorkliefde de wolken met zijn haaienvin. Zittend in een stoel boven die diepe wolkenoceaan reisde ik met 2000 km/u door het luchtruim, op weg naar huis om je hand te vragen. (279)