zaterdag 1 augustus 2020

dienstmededeling

Ik ben even weg. Tot half augustus ongeveer.

5809

Oostende - 200628

scherf 46

Rouw

 

In Het jaar van magisch denken beschrijft de Amerikaanse schrijfster Joan Didion hoe zij de rouw om haar onverwacht vroeg overleden echtgenoot verwerkt. Het is niet een boek dat mij lang zal bijblijven, al heb ik het wel met belangstelling en inleving gelezen.

De passage waarvan ik wel wil dat ze mij zal bijblijven, staat op de bladzijden 172-173. Joan en haar man John zijn veertig jaar samen geweest. Wat betekent rouw in het licht van die tijd, van dat huwelijk?

Didion ziet de dood van haar echtgenoot en de rouw die erop volgt niet als de opmaat naar iets nieuws – een opruiming, een verhuizing, een nieuwe partner, een nieuw leven. Dat is gewoon onvoorstelbaar. Zij kan zich ‘het werkelijke leven zonder de ander’ niet voorstellen. Je zet veertig jaar huwelijk niet zomaar opzij. ‘Een huwelijk is herinnering, een huwelijk is tijd.’ Een ‘vriend van een vriend’ had haar eens verteld, nadat hij een tweede huwelijk was aangegaan: ‘Ze kende de goeie liedjes niet’. De vergelijking hangt altijd in de lucht en de samen doorgebrachte tijd – uiteraard in goede én in kwade dagen – kan niet worden uitgewist.

Maar: ‘Het huwelijk is niet alleen tijd: paradoxaal genoeg is het ook de ontkenning van de tijd.’ Veertig jaar lang samen doorbrengen, betekent dat je altijd even jong blijft in elkaars ogen. Je zelfbeeld blijft bepaald door het beeld van de ander zoals hij jou voor het eerst zag. Wanneer die ogen zich sluiten, zie je jezelf door de ogen van anderen, plots veertig jaar ouder. Je leven is voorbijgegaan. Daardoor ligt in onze rouw om het verlies van de ander ook altijd de rouw om het verlies van zichzelf besloten. Het is een herinnering aan de eigen sterfelijkheid. (Ik schreef hier eerst: sterfgelijkheid.) Het is rouw ‘om onszelf. Om hoe we waren. Om hoe we niet meer zijn. Zoals we eens helemaal niet meer zullen zijn.’ Rouw is rauw.

 

Joan Didion, Het jaar van magisch denken (2005; vertaling Christien Jonkheer 2006)

 

200713

5808

Oostende - 100628

vrijdag 31 juli 2020

scherf 46

Feit en fictie

 

Nestor van L.H. Wiener is een autobiografische roman, dus een door de in het eigen leven opgedane ervaringen geïnspireerd verzinsel van de L.H. Wiener genaamde auteur. Er staan enkele cruciale bladzijden in over literatuur, wat zij is, hoe zij werkt en hoe zij zich verhoudt tot de werkelijkheid en, in die werkelijkheid, de auteur. Het gaat om de bladzijden 99-104.

‘Ware literatuur beschrijft een werkelijkheid die niet bestaat’, zo begint het fragment. Alsof dat al niet raadselachtig genoeg klinkt, doet Wiener er meteen nog een schep bovenop: het gaat niet alleen om een werkelijkheid die niet bestaat – hoe zou dat kunnen? – maar zelfs een ‘die echter is dan het origineel’. Dat maakt van literatuur een soort van hocuspocus, zou je kunnen zeggen – maar goed, waar het Wiener om te doen is, is dat ‘de vraag in hoeverre de beschreven wereld op autobiografiese [zijn schrijfwijze] gegevens berust per definitie [zijn cursivering] overbodig’ is. Neen, je moet niet vissen naar een relatie tussen tekst en auteur: ‘[d]e wereld van de gecomponeerde tekst bestaat autonoom en onafhankelijk van iedere andere wereld en kan slechts worden getoetst aan normen van artisticiteit en ethiek’.

Wat Wiener nu bedoelt met dat ‘echter dan het origineel’, blijkt uit de aanhef van de tweede alinea: ‘Pas als de werkelijkheid tot fictie wordt verheven (…) treedt een tijdloze waarachtigheid in die zich leent voor iedere beleving.’ Overigens, wat doet het ertoe dat de auteur zich op de werkelijkheid beroept: ‘[w]at anders heeft de schrijver om vorm te geven (…) op zoek naar de “waarheid” [let op de aanhalingstekens] (…) die misschien wel helemaal niet bestaat’?

‘Opschrijven wat echt heeft plaatsgevonden levert geen garantie voor het kunstzinnig waarheidsgehalte van een boek’, vervolgt Wiener. In deze zin weegt uiteraard het begrip ‘kunstzinnig waarheidsgehalte’ zwaar door. Er wordt een verschil bevestigd tussen feitelijke en artistieke waarheid.

Het gevolg hiervan is, dat wat ‘echt gebeurd’ (cursivering Wiener) is, niet meteen relevant hoeft te zijn voor de ‘toegevoegde waarde aan een boek’. Van dat ‘echt gebeurd’ maakt onder meer ‘het privéleven van een schrijver’ deel uit. Die ‘toegevoegde waarde’ betreft, denk ik dan, het ‘kunstzinnig waarheidsgehalte’, datgene wat het boek mooi maakt, literaire kwaliteit, ‘artisticiteit’ verleent. Het streven naar die schoonheid is meteen de vrijbrief voor de schrijver van fictie – het doet Wiener met de grootst mogelijke instemming Elsbeth Etty citeren: ‘In fictie bestaan geen leugens en bedrog, geen laster of smaad, een fictieschrijver hoeft (goddank) geen rekenschap af te leggen over zijn verhaal’. Wiener noemt deze stelling ‘geldig, absoluut, zo geldig zelfs dat hij wel als een grondrecht door schrijvers mag worden opgeëist’.

In literatuur streeft de schrijver, noodgedwongen op basis van zijn eigen ervaringen en waarneming van de werkelijkheid, naar schoonheid, ‘losgemaakt’ van de werkelijkheid en de eigen ervaringen ‘en tot een nieuwe, autonome wereld verheven door middel van literaire verbeelding’. Literatuur is dus: eigen ervaringen + literaire verbeelding. Daardoor kan om het even welk leven, zelfs het saaiste en onbeduidendste, het uitgangspunt vormen voor een literair werk, voor fictie. Waar het in de literatuur om draait, is niet de inhoud, maar: ‘de stijl en de authenticiteit’. ‘[O]f het geschrevene in wat wij de werkelijkheid plegen te noemen ook inderdaad heeft plaatsgevonden is niet relevant.’ En een zin verder, opnieuw dat onderscheid tussen feitelijke en artistieke ‘waarheid’: ‘Wat er stáát is waar, althans als het er goed staat, en níét waar als het er slecht staat, en in hoeverre des schrijvers werkelijkheid model heeft gestaan voor deze nieuwe versie van de werkelijkheid is van geen enkel belang. Uiteindelijk,’ besluit Wiener, ‘is de enig hanteerbare maatstaf voor literatuur de vraag in hoeverre een boek “goed” is of “slecht”.’

Wat die ‘literaire meerwaarde’ dan precies is, het blijft gissen want: ‘Meer valt er – in concreto – niet van te zeggen.’

En waarom Wiener het aanvankelijk ook over ‘ethiek’ heeft (‘[d]e wereld van de gecomponeerde tekst bestaat autonoom en onafhankelijk van iedere andere wereld en kan slechts worden getoetst aan normen van artisticiteit en ethiek’), wordt ook niet duidelijk.


L.H. Wiener,


200713

 


5807

Oostende - 200628

donderdag 30 juli 2020

scherf 45

Dutroux schrijft een roman

 

Ik volg op Facebook een discussie tussen twee critici over het schrappen van Jef Geeraerts’ Black Venus uit de ‘canon’. Marijke Arijs verdedigt het volledig los van de auteur beoordelen van een literair werk: ‘De roman moet een vrijplaats blijven, waar een mens veilig is voor de politiek correcte meute. Morele, politieke of andere niet-literaire motieven mogen niet meespelen bij de beoordeling van een literair werk.’ Herman Jacobs is het in grote mate hiermee eens, maar hij vindt toch dat bij de beoordeling van een literair werk ‘morele overwegingen’ mogen meespelen: ‘niet alles wat gezegd en geschreven wordt is even waardevol, en die waarde kan wat mij betreft niet uitsluitend aan formeel-esthetische, dus uiteindelijk technische criteria worden afgemeten’. Stel – en ik parafraseer hier Jacobs – dat Dutroux een meesterwerk zou hebben geschreven, zonder dat wij weten dat hij de auteur is. Zouden wij het nog altijd een meesterwerk vinden wanneer de identiteit van de auteur ons ter ore zou komen?

Ik voeg daar het mijne aan toe:

Wat telt is: stijl en structuur (compositie) en de noodzaak waarmee die werden toegepast in functie van een perfect samengaan van vorm en inhoud. Authenticiteit. En dan pas het verhaaltje, de maatschappelijke relevantie, de ethische waarde. En helemaal op het eind: het persoontje van de auteur, die, wat mij betreft, de grootste schoft of feeks mag zijn. In die volgorde, maar ach, wat is het moeilijk om dat persoontje niet voorop te laten lopen in de beoordeling. Een goede lezer is hij/zij die – onder meer – zich daarvoor weet te behoeden. Hij/zij kan dat doen door zo lang mogelijk niets te weten over de auteur, door zich voor informatie over diens persoontje af te schermen. Eerst lezen, zo onbevangen mogelijk, en dan, eventueel, documenteren. En ja, als Marc Dutroux een meesterwerk zou geschreven hebben, dan zou het niet minder een meesterwerk zijn. Een beetje criticus zou het verdedigen. Zelfs tegen een witte mars in.





 

200702