Posts tonen met het label corona. Alle posts tonen
Posts tonen met het label corona. Alle posts tonen

woensdag 25 januari 2023

6719

Sint-Pieters, AZ Sint-Jan - 221129

 

zaterdag 11 juni 2022

notitie 212

(220609 en 220611) 

BURN-OUT

Iedereen kent wel iemand in zijn omgeving die met een burn-out te maken heeft gekregen, als hij/zij al niet zelf in de lappenmand ligt. Wat is er aan de hand, dat het hek zo van de dam is? Hoe is deze dijkbreuk tot stand gekomen? – want dat lijkt het toch te zijn: een dijkbreuk.

Wat volgt is: luidop denken. Ik noteer enkele mogelijke verklaringen die in mij opkomen – zonder volledigheid na te streven. Ik heb me niet ingelezen in het onderwerp, ik heb er geen studies rond verricht. 

 


1. Om te beginnen vermoed ik dat velen niet voor de eerste keer een burn-out hebben of er al geruime tijd mee zitten. Maar het is voor velen wel de eerste keer dat het zo wordt benoemd. De vorige keer, of tot nu toe, bleven ze loyaal aan hun werkgever, solidair met hun collega’s of bang voor een afwijzende of veroordelende, om niet te zeggen stigmatiserende reactie van hun omgeving. Ze gaven gevolg aan een het strikte arbeidsethos waaraan ze zich contractueel hadden verbonden en die hun ook door onze prestatiecultuur wordt opgelegd. Ze ploeterden voort vanuit een sterk ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel, in de veronderstelling dat hun malaise wel vanzelf zou overgaan of dat ze in de eerstvolgende vakantie wel wat tijd zouden vinden om hun conditie bij te spijkeren.

2. Er is een soort van kettingreactie ontstaan: vanaf een kritische massa burn-outgevallen stappen individuen die dat anders niet zouden doen gemakkelijker naar de dokter. Managementjargon: multiplicatoreffect.

3. Een andere verklaring is, vermoed ik, dat dokters gemakkelijker overgaan tot de diagnose van burn-out. Het is misschien een gewaagde veronderstelling, maar zou het kunnen dat hier sprake is van projectie maar ook van een soort van tegenbeweging? Dokters hebben zich tijdens de coronapandemie in de steek gelaten gevoeld door de overheid. Nu wachten ze uitgeput en met angst op een eventuele volgende golf, die zij vrezen niet meer aan te kunnen. In de symptomen van hun patiënten herkennen ze hun eigen klachten. Maar ook: door nu massaal werknemers op non-actief te stellen, lijken zij uiting te geven aan hun ongenoegen over de overheid of, bij uitbreiding: over het systeem.

4. De coronacrisis speelt zeker mee. Velen zijn danig op de proef gesteld. Niet alleen in de zorg maar ook in het onderwijs en in heel wat functies waar werken op afstand mogelijk is gebleken en allicht ook zal gehandhaafd blijven. Werknemers staan vaak veel te zwaar onder druk, om niet te zeggen dat ze worden uitgeperst. Ze moeten een groot deel van hun energie, ijver en enthousiasme opofferen aan ondoorgrondelijke administratieve taken en geraken vervreemd van de motivatie die hen het beroep heeft doen kiezen.

5. De burn-outpandemie is, in zekere zin, een massaal verzet tegen een evolutie die al lang aan de gang is: de doorgedreven rationalisering van de arbeid. Stachanovisering, kwantificering, het aanhoudend nastreven van het ‘boeken’ van nog meer ‘efficiëntiewinsten’, een algehele instrumentalisering en digitalisering, het uitdrijven van informele contacten die alleen maar tijdrovend zijn en bovendien wel eens een solidair verzet zouden kunnen voeden… De terreur van het managementdenken kortom, dat tot in de infiemste details van het arbeidsproces is doorgedrongen. De ontmenselijking van de arbeid. De betutteling die de relaties kenmerkt tussen ondergeschikten en oversten, die zelf zwaar onder druk staan. Niet toevallig zijn conflicten op de arbeidsvloer vaak de oorzaak van een burn-out, of juister: de druppel die de emmer, die al lang vol was, doet overlopen. Dit alles is niet wat mensen onder zinvolle arbeid verstaan.

6. Het thuiswerken heeft de banden met de werkvloer en met de collega’s doorgeknipt. Binnen een strikte functionaliteitscalculus is het, praktisch en technisch, misschien wel mogelijk om thuis te werken, en het biedt zeker ook voordelen, onder meer voor het milieu, maar wat de heren en dames functie-analisten over het hoofd zien is hoe belangrijk het informele samenzijn en ook het sámen werken is voor het algemene welbevinden.

7. Het zich vastrijden in consumentisme en statusnajagerij. Naast de overvolle agenda voor het werk wordt ook het privéleven belast met tal van nutteloze ambities en zelfopgelegde doelstellingen die de kwaliteit van het leven niet bevorderen.

8. De atomisering van de maatschappij. Het wegvallen van sociale verbondenheid. Het verdwijnen van de gedeelde publieke ruimte. De instrumentalisering en anonimisering van heel veel aspecten van de samenleving, die hoe langer hoe minder een samenleving is.

9. Het gewicht van de algemene politieke, ecologische en ook economische omstandigheden: een wegkwijnende democratie, de oorlog in Oekraïne, de klimaatcatastrofe die op ons en op onze kinderen afkomt, de toenemende ongelijkheid in de verdeling van de welvaart. Het gewicht van de wereld dat wij allen, overgeïnformeerd als we zijn, op onze schouders tillen, wordt te groot.

Tot daar enkele mogelijke verklaringen. Aanvullen staat vrij.

donderdag 9 juni 2022

notitie 210

(220608) 

WACHTKAMER

De gekende troosteloze aanblik. Een drietal personen die op- noch omzien wanneer ik binnenkom. Geen enkele aanduiding dat er schot in de zaak komt. Wie hier gaat zitten, levert zichzelf uit aan onvoorspelbaarheid. Je weet niet of je er vijf minuten zult wachten of twee uur. Ik ken dat soort situaties: het is niet de eerste keer dat ik een wachtkamer betreed. En daarom doorboor ik meteen de akelige stilte die hier hangt: ‘Goede middag, hebben jullie er een idee van hoelang hier moet worden gewacht?’

De meneer van middelbare leeftijd zegt dat hij er geen idee van heeft. De jonge vrouw – ze heeft het, te zien aan haar strakke topje en het zweet op haar bovenlip duidelijk te warm – zegt dat ze hier al een uur zit. Dat is niet bepaald bemoedigend.

Ik neem plaats en richt mij na enkele minuten, nadat een zwarte vrouw voor het periodieke controleonderzoek is binnengekomen en heeft plaatsgenomen, tot de jongedame: ‘Het is toch niet normaal dat u hier al een uur zit? Misschien staat u niet op de wachtlijst van de dokter?’ Daar lijkt ze nog niet aan te hebben gedacht.

De zwarte vrouw begint aan een Franstalig telefoongesprek. Ze weet niet wanneer ze hier buiten zal zijn. Maar ze komt zeker nog langs. De mannenstem aan de andere kant klinkt vriendelijk en geduldig.

Een jongeman betreedt de wachtzaal. Even later een vrouw met een hoofddoek, die tegenover mij plaatsneemt en zonder oortjes naar Arabische of arabiserende muziek begint te luisteren.

Na tien minuten stilte en geen-schot-in-de-zaak staat het meisje recht. Ze stapt op de glazen deur af die uitgeeft op de gang die naar de consultatiekabinetten leidt en geeft daarop een kordate roffel ten beste. In die gang heb ik tot dan toe nog geen teken van leven mogen bespeuren, al zit ik hier nu toch ook al een kwartier. Mij geen zorg hoor, of ik nu hier of elders mijn boek lees, dat maakt me niet uit. Ik ben daar nogal stoïcijns in. Al vind ik het muziekje van de mevrouw tegenover mij wel een beetje storend. Maar ik zeg er natuurlijk niets van. Ze vraagt – in het Frans – aan de meneer van middelbare leeftijd of men zich hier ergens moet aanmelden. ‘Non,’ antwoordt die meneer met een Vlaams accent, ‘il faut seulement attendre.’ ‘Et espérer,’ vul ik met een kwinkslag aan. De kwinkslag valt op een koude steen.

De roffel van het meisje scoort meteen resultaat. Een opvallend wulps geklede en geschminkte mevrouw, slank en met niet dichtgeknoopte medische schort die uitzicht biedt op een blouse waarvan de twee of drie bovenste knopen ook niet dichtgeknoopt zijn, treedt op hoge hakken naar voren en vraagt of er iemand op de deur heeft geklopt. ‘Ja,’ antwoordt het meisje geheel naar waarheid, ‘ik heb op de deur geklopt.’ De mevrouw met de hoge hakken informeert naar de naam van het meisje. Het meisje zegt haar naam. ‘Inderdaad,’ zegt de mevrouw met de hoge hakken, ‘ik zie uw naam hier op mijn lijst staan. U was te laat.’ ‘Ik was twee minuten te laat,’ verdedigt het meisje zich. ‘Ja, maar toch te laat,’ herbevestigt de hooggehakte, die aan de jongeman die net is binnengekomen zegt dat hij mee naar binnen mag. ‘Met u ga ik graag mee,’ zegt de jongeman. Ik vind dat hij een hashtag tegen zijn kop verdient, maar de hooggehakte laat zich zijn onbeschaamdheid welgevallen.

Wat later mag het meisje dan toch binnen. Drie minuten later komt ze terug buiten en banjert dwars door de wachtruimte het gebouw uit. Dat doet ze zonder te groeten, terwijl ik dan denk: als ik jou niet had aangepord, zat je hier misschien nog. Ik maak van de gelegenheid gebruik om aan de hooggehakte verpleegster of dokter – het is mij niet duidelijk wat zij is – te vragen of ik dan wel op de lijst zou staan, eventueel-alstublieft. Ik zit hier nu toch ook al een halfuur en ik moet straks mijn trein.

Ik blijk niet op de lijst te staan. ‘Ik zal het eens checken,’ zegt de hooggehakte. De zwarte mevrouw en de mevrouw met de hoofddoek kijken mij verongelijkt aan: ‘Die staat niet eens op de lijst en straks mag hij nog voor ons binnen.’ Ik zie het hen denken, maar dan in het Frans.

En ze krijgen gelijk. Even later mag ik binnen. Wanneer ik een kwartiertje later terug door de wachtzaal moet om naar buiten, naar de straat te gaan, zie ik dat er nog een jonge vrouw is binnengekomen. Ze zit ijverig op een laptop te tokkelen die ze op haar bovenbenen in evenwicht houdt. De tippen van haar voeten zijn naar elkaar toe gedraaid. Ik zal nooit weten welke rol zij in dit verhaal te vervullen heeft – behalve dan als rekwisiet in de scène van mijn uittocht uit dit oord van onzeker en zelfs schier uitzichtloos wachten.

 


 

 

zondag 5 juni 2022

woensdag 25 mei 2022

6471

220401

 

donderdag 28 april 2022

notitie 169

(220428)

WACHTZAAL

Samen met zeven andere personen – drie koppels en nog een enkeling – zit ik in de wachtzaal. De wachtzaal is een witte ruimte, met witte stoelen. Neonlicht. Een prikbord met mededelingen die door bijzonder weinig mensen worden gelezen, heb ik de indruk. Patiëntenrechten. Voedingstips. Coronamaatregelen.

Ja, de mondmaskerdracht is hier nog verplicht – en dat voelt al onwennig aan, nu de regels zowat overal versoepeld zijn. Het zal niet lang meer duren vooraleer die halfverborgen aangezichten in mijn nachtmerries zullen opduiken, heb ik het gevoel.

De personen die de patiënten vergezellen mogen het dokterskabinet niet betreden. Ook dat is: corona. Daardoor blijft de dame die op de witte stoel naast mij zit alleen achter nadat haar echtgenoot naar binnen is geroepen. Ze diept haar smartphone op uit haar handtas en houdt zich daar wat mee bezig. Tot de deur van het kabinet opengaat en een verpleegster vraagt wie mevrouw X is. Mijn buurvrouw veert recht. Of mijnheer X nog bloedverdunners neemt, wordt haar gevraagd.

Wanneer de verpleegster opnieuw verdwenen is, wendt mevrouw X zich tot mij: ‘Gôh, dat hij dat ook al vergeten is. Hij begint zoveel te vergeten. Hij zal toch niet dement worden?’

‘Misschien moet hij meerdere pillen innemen, en legt u ze voor hem klaar?’ opper ik. Dat blijkt het geval te zijn. ‘Dan is het toch niet verwonderlijk dat hij niet precies weet wat hij inneemt. Hij vertrouwt op u en is blij er niet zelf over te moeten nadenken.’ Dat lijkt mevrouw X enigszins gerust te stellen. ‘Misschien kunt u er eens een speciaal pilletje bijleggen?’ Dat is wat stout van me, maar de suggestie komt goed aan: ‘Ach, mijnheer, op onze leeftijd!’ De beleefdheid gebiedt mij niet naar die leeftijd te informeren, maar ze zegt het zelf: haar man is 87 en zelf is ze 86.

Ik heb niet erg veel zin in een gesprekje want ik wil terug naar mijn boek: De jaren van Annie Ernaux. Die zelf bijna zo oud is als de dame naast mij, realiseer ik me. ‘Dat zie je niet veel meer,’ probeert mevrouw X nog. ‘Iemand die een boek leest.’ Ik kan dat alleen maar beamen, maar ik hoed me ervoor een gesprek aan te gaan over ontlezing, concentratiebogen en de teloorgang van de westerse cultuur in het algemeen en de bellettrie in het bijzonder. Ik kan het ook maar beter niet hebben over het feit dat ik De jaren zelfs hérlees en dat ik er hier al eens over geschreven heb.

Ik weet niet waarom ik niet geneigd ben om mevrouw X in haar praatbehoefte tegemoet te komen. Misschien omdat ze wat eerder haar beklag had gemaakt over het feit dat het wachten zo lang duurde. Ze hadden, volgens de gemaakte afspraak, al een halfuur binnen moeten zijn. Ik had haar geantwoord dat die vertraging ook voor mij gold maar dat ik mij daar geen zorgen over maakte, blij als ik was dat we überhaupt de luxe van zo’n goede en voor een groot deel terugbetaalde geneeskunde hebben. Er waren mij bovendien ook beelden voor de geest gekomen van in puin gebombardeerde ziekenhuizen in de Donbas en wanhopige dokters. Ja, overwoog ik bij mezelf: die geneeskunde zorgt ervoor dat we zulke lange levens hebben en dus vele jaren om aan terug te denken. Bovendien maakt het voor mij geen verschil uit of ik hier in deze totaal witte wachtkamer zit te lezen of buiten op een bank in het park of thuis in mijn zetel. In mijn boek ben ik wég en dan maakt het niet uit. Dan is wachten geen verloren tijd. Ook dat is luxe.

De deur ging open en mijnheer X kwam naar buiten: het was mijn beurt. Ik zei vriendelijk goeiedag tegen mevrouw X en betrad het kabinet met de hoop op levensverlengende handelingen.

dinsdag 26 april 2022

6442

J. in het Concertgebouw van Brugge - 220220

 

vrijdag 1 april 2022

6417

Antwerpen, Gerechtsgebouw - 220121

 

zondag 27 maart 2022

notitie 148

(220326)

 

HET GAAT NIET GOED MET X.

 

X. lichtte mij gisterenavond op café in over zijn gemoedstoestand. Het gaat niet zo goed, zei hij. Op alle fronten loopt het fout: gezondheid, werk, vereniging, l’amour, de sport.

Zijn algemene conditie laat te wensen over, zei X. Hij slaapt niet goed, drinkt te veel, is kortademig, voelt zich loom en zwaar. Heeft specifieke klachten. En minder specifieke: de jaren beginnen te wegen. Alles wat aan het werk plezierig was, werd weggesaneerd door een extern bureau dat de mond vol had van rationalisaties en efficiëntiewinsten, maar dat helaas weinig oog had voor arbeidsvreugde en geen neus voor de niet-kwantificeerbare irrationele processen die collega’s loyaal maken ten aanzien van de werkgever en solidair met elkaar. X. noemt mij, door mij daarnaar gevraagd, het aantal jaren dat hem nog van zijn pensioen scheiden. ‘Maar aftellen doe ik niet,’ zegt hij. ‘Dat is mij te min.’ In de vereniging waar X. actief is heeft corona lelijk huisgehouden. De leden lijken hun frustraties op elkaar uit te werken. Twijfel over de doelstellingen en argwaan jegens elkaar heersen. Vriendschappen sneuvelen. De sfeer is toxisch. En dan is er l’amour. Een slagveld. X. twijfelt aan zijn vermogen om lief te hebben. Hij kan niet mét en hij kan niet zonder. Het tussenbeense laat het stilaan afweten. Verveling slaat toe en hoeveel vrouwen en vriendinnen heeft hij nu eigenlijk al niet ongelukkig gemaakt. Bovendien zou je, met heel die metoo, schrik beginnen krijgen om hoe dan ook nog iets te ondernemen. Mijn verzoek aan X. om de terechte eis van intergeslachtelijk respect te erkennen wordt op ironisch gegrom onthaald. De voetbal ten slotte is – stilaan iedereen is daar nu eindelijk van overtuigd – een corrupte maffieuze bedoening. Managers, witwaspraktijken, mensenhandel, gokbedrijven. De lol is ver te zoeken. X. kan niet meer onbevangen vanop een zitplaatsentribune die vetbetaalde passanten aanmoedigen. ‘In mijn tijd was het beter,’ moppert hij. Daar kan ik hem geen ongelijk in geven. Want ja, waar is de tijd van Fons Bastijns, Julien Cools en Raoul Lambert! En dan is er, last but not least, als slotitem van de jeremiade, ook nog de wereld. ‘Ach, breek me de bek niet open,’ zegt X. en hij doet er het zwijgen toe. ‘Ik wil het niet meer weten, maar dat het niet goed gaat, dat weet ik wel.’

‘Weet je,’ zegt X. ‘Ik denk dat ik dicht tegen een depressie sta. Of een burn-out. Wat is het verschil eigenlijk, weet jij dat?’ Ik probeer het hem uit te leggen, zo goed en zo kwaad. Het lijkt hem niet te overtuigen. ‘Hoe begin je daar eigenlijk aan?’ Het is meer een opmerking dan een vraag. ‘Als je zoiets aan je dokter begint te vertellen, dan denkt die toch meteen dat je op een ziektebriefje uit bent? Hoe kun je nu klagen over sombere gedachten of slecht slapen of concentratieproblemen of geen zin meer hebben in seks als er tegelijkertijd op amper duizend kilometer van hier een oorlog woedt en mensen uit hun huizen worden gebombardeerd? Want ja,’ zegt X. nog, ‘dat komt er ook nog eens bij: de toestand van de wereld. De oorlog, het klimaat, het kapitalisme, het uit elkaar vallen van de samenleving, de teloorgang van de waarheid. Ik kan er niet van slapen, en ook niet van het contrast tussen mijn luxeleventje en al die ellende. Maar ik zal je daar niet mee lastigvallen. Drink je nog iets?’

dinsdag 15 maart 2022

6400

Brugge, Blauwe Toren - 220104

 

dinsdag 8 maart 2022

zaterdag 5 maart 2022

notitie 134

(220221)

 

BARST EN KLOOF

 

Een werkpuntje, behalve mijn neiging om te veralgemenen, is mijn verhouding tot jongeren. Zeg maar de leeftijd vijftien tot vijfentwintig. Ik heb het soms moeilijk met hoe zij in de wereld staan. Vroeger kon ik mij daar vaak nuanceloos aan ergeren. Nu nog eigenlijk. Dat vergemakkelijkt het contact niet. Maar sinds ik mij – onder meer door wat vaker met hen te praten – door mijn eigen gezeur een ouwe zak begin te voelen, probeer ik mijn leven alvast op dat punt te beteren. Zonder dat ik daarom in het tegenovergestelde verval en mij plooi naar het dictum dat vandaag heerst: dat wat jongeren doen of laten goed is omdat het jongeren zijn. Soms vind ik dat ik niet per se moet uitsluiten dat iets wat ik denk fout is omdat ik ouder ben.

Ik weet dat ze het moeilijk hebben. Ze leven in een virtuele wereld met tools waar ze zelf nooit om gevraagd hebben maar die hen wel in hun greep houden. Ze komen vaak uit gebroken gezinnen, waardoor ze het moeilijk vinden om in duurzame relaties te geloven. Ze leven in een heden waarin er steeds minder historisch besef maar ook steeds minder toekomst is. Ze worden nu al twee jaar zwaar getroffen door de coronamaatregelen. Ze moeten aan massa’s idealen beantwoorden wat hen vroeg oud maakt. Ze gaan gebukt onder het jeugdigheidsideaal dat onze samenleving hun oplegt.

De wereld waarin de jongeren vandaag opgroeien is totaal anders dan die van de jaren zeventig waarin ik volwassen moest proberen te worden.

Ik heb veel om rekening mee te houden in mijn omgang met jongeren. Ik heb veel meer redenen om niet te overhaast te zeggen dat ze materialistisch zijn, contactgestoord, onrespectvol, hedonistisch en egocentrisch dan om dat wel te doen.

Veel ouderen zijn dat ook allemaal, en heel veel jongeren zijn dat helemaal niet. Of toch veel minder dan ik soms geneigd ben te denken. Als ik dat denk, ben ik gemakzuchtig en impulsief.

Soms moet ik maar eens proberen te beseffen wat het is om nooit iets anders dan een digitale wereld te hebben gekend. Om te zijn opgegroeid met een gsm die aan je vingers kleeft. Om voortdurend en op elk moment aan alle mogelijke informatie te kunnen geraken. Om van de ene flard informatie naar de andere te worden geslingerd en zo eigenlijk nooit een moment rust te kennen. Om voortdurend aan het oordeel van anderen te worden blootgesteld. De impact van dat alles is enorm. Dat ze geen zin hebben om een boek te lezen, moet toch érgens een oorzaak hebben.

Tussen mij en mijn ouders was er een ferme barst. Maar we leefden nog in dezelfde wereld en die barst was incidenteel. Nu gaapt er tussen wie ouder is dan vijftig en 'de jeugd van tegenwoordig' een structurele kloof en ik denk soms dat zij op een andere planeet leven, terwijl ik, vanuit hun standpunt bekeken, in die andere tijd ben blijven hangen, ergens ver voor de eeuw-, wat zeg ik, millenniumwissel.

woensdag 16 februari 2022

6373

Brugge, Markt - 211217

 

woensdag 26 januari 2022

6352

J. - 211204

 

dinsdag 25 januari 2022

6351

Brugge, BEEN - 211203

 

vrijdag 24 december 2021

notitie 69

OP SLOT

 

Eergisteren, 22 december 2021, besliste het Overlegcomité om de cultuursector voor minstens vijf weken op slot te doen. Daarmee ging het tegen de adviezen van de virologen in. Een dag later uitte Jan Raes, algemeen directeur van Opera Ballet Vlaanderen, in De Ochtend zijn ongenoegen. Hij had het niet over mondmaskers, ventilatie en bubbels, ook niet over studies die uitwijzen dat er in een theater- of bioscoopzaal waar de voorschriften worden nageleefd nauwelijks besmettingen zijn, noch al te uitvoerig over de kerstmarkten en winkelstraten waar men wél over de koppen mag blijven lopen en glühwein drinken. Neen, Jan Raes ging recht naar de kern van de zaak.

Ik schrijf even letterlijk uit wat hij zei: ‘Het is een debat over waarden. Ik denk dat we dat toch eens moeten voeren. (…) Men heeft gekozen voor de markt en de economie. Met alle respect, wij zijn ook een economisch deel van de maatschappij. Maar de cultuur hinkt altijd achteraan. Men vergeet het of men schuift het weg. Dat is gisteren gebeurd. (…) Dat is al lang bezig. Als ik zie hoe weinig cultuur er nog is, ook in de media. Delaplace wil ons nog meer kapot amuseren op de VRT. Kinderen hebben nog amper kunst en cultuur in de school. Ik denk dat we nu beslissingen meemaken die te maken hebben met, zeg maar, het onder de mat schuiven van wat kunst en cultuur kunnen betekenen voor een gemeenschap.’

Delaplace, tussen haakjes, is Frederik Delaplace, gedelegeerd bestuurder van de VRT. Twee weken geleden concludeerde hij op basis van een ‘representatieve steekproef’ bij 2.620 Vlamingen dat er meer amusement op de VRT moet komen: ‘Het is belangrijk dat we onze publieke opdracht ook tot uiting kunnen laten komen op een meer ontspannende manier: met muziek, humor, talkshow en sitcom.’ Met dat ‘kapot amuseren’ verwijst Raes uiteraard naar het klassieke werk van Neil – what’s in a name – Postman, Amusing ourselves to death (1985). Dat boek ging over de ‘treurbuis’ (de term is van Gerrit Komrij, die indertijd de door Aaldert van den Bogaard en Janneke van der Meulen gemaakte vertaling Wij amuseren ons kapot (1986) inleidde).

Raes heeft gelijk: je moet de fundamentele vraag stellen. Wat is de plaats van kunst en cultuur in onze door economische ratio beheerste samenleving? Niet iedereen maar toch alle bewindslieden (mag ik hopen) zijn het erover eens dat cultuur belangrijk is, ja zelfs in economisch opzicht – er werken in Vlaanderen rechtstreeks of onrechtstreeks 200.000 mensen in de sector. En toch wordt cultuur stiefmoederlijk behandeld. Men moet zich afvragen hoe dat komt.

Een eerste antwoord is dat cultuurdragers een gemakkelijker doelwit vormen dan bijvoorbeeld de horeca. Artiesten zijn vaak individualisten, om niet te zeggen einzelgängers, en allesbehalve lobbyisten. Ze hebben geen kaas gegeten van regeltjes en achterpoortjes. Ze voeren braaf uit wat van hen wordt gevraagd en malen er niet meteen om als zij daar niet of nauwelijks voor beloond worden. Maar er is nog iets anders aan de hand. Waarom komen cultuur en geschiedenis amper nog aan bod in de scholen? Waarom wordt er naarstig aan een breuk gewerkt in de overdracht van de traditie? Gebeurt dat doelbewust of is het uit gedachteloosheid, dwaasheid, domheid, luiheid? Waarom moet de openbare zender het er per se op aanleggen om de slechtst beschermde minderheid – die van de cultureel onderlegde ‘elite’ (excuseer mij dat ik het woord durf te gebruiken), van de zogenaamde meerwaardezoekers (voor zover ze al niet misnoegd en ontgoocheld hun, ja ook hùn, openbare zender de rug hebben toegekeerd) – waarom moet de openbare zender die niche al dan niet doelbewust nog meer van zich afduwen? Ik dacht dat democratie toch ook altijd een samenlevingsmodel is waarin minderheden worden beschermd?

Maar natuurlijk, hoe kon ik het vergeten, de economische logica is niet democratisch. (Net zo min als kunst en cultuur dat zijn.) De zwakkeren worden niet beschermd maar vliegen eruit. Economie heeft totalitaire trekjes – waarmee ik bedoel dat ze de neiging heeft om alles wat niet-economisch is te elimineren.

Daarover wil Jan Raes het dus hebben, denk ik, in het debat dat hij op gang wil trekken. Welke keuzes maken we in deze samenleving? Kiezen we altijd voor nut en het gemakkelijkste gewin? In welke mate blijven we tolereren dat onze politici ons hun eenzijdig economische logica door de strot blijven rammen? Heel veel mensen raken stilaan doordrongen van de overtuiging dat het economisme zo niet verder kan, vooral dan in ecologisch opzicht. Waarom zouden zij dan nog toelaten dat zij toch steeds verder in de richting van zogenaamde vooruitgang en stijgende welvaart worden geduwd? Cultuurdragers en -makers lopen daarbij in de weg want ze durven al eens kritisch te zijn. Daarom moeten ze monddood worden gemaakt. Noem hen verspreiders van lastige waarheden, noem hen nestbevuilers, noem hen subsidieslurpers, noem hen, zoals nu, covidverspreiders. Ik zou kunnen vaststellen dat er een patroon in zit.

Maar dat is natuurlijk al te paranoïde. Dat is complotdenken, en daar doen wij niet aan. Wat wél waar is, is dat met cultuur de vloer wordt aangeveegd. Het Overlegcomité geraakte er niet uit, durfde geen drastische maatregelen te nemen, en koos dus de cultuursector als gemakkelijk slachtoffer om toch maar iets te doen. Een offer dat weinigen – want het is toch een elitair clubje, nietwaar? – pijn doet.

O ja, de voetbal- en cyclocrossfans mogen ook het virus niet meer helpen verspreiden, de eerlijkheid gebiedt mij het te zeggen. Het zou er nog aan mankeren. Men kan het ter overweging meenemen bij een warm wijntje op de kerstmarkt of in een druk café, tussen twee impulsaankopen door in de overdrukke winkelstraat.

 

 

© Paul Rapp