fragment uit Het maaiveld
De avond verloopt zolang we buiten op de oever van het kanaal aperitieven gemoedelijk, daarna echter, wanneer we samen met een ander, veel luidruchtiger gezelschap, in een tent schuilen voor de aangekondigde stortvlaag, veeleer chaotisch. Enkel met wie naast of tegenover je aan de lange tafel zit is er conversatie mogelijk. En dan nog. Het is uitputtend. Het eten laat bijzonder lang op zich wachten. Er valt al eens een gesprek stil. Iemand kijkt op zijn horloge. Ambassadeur Lepoutre houdt het al vlug voor bekeken. Met Eric Colenbier, die links van mij zit, heb ik nauwelijks een woord gewisseld. Tegenover mij zit Philippe D., die een tandartspraktijk heeft in de Duitse stad Essen. Hij overweegt om na zijn pensionering terug te keren omdat hij er niet in geslaagd is om ginds een sociale kring uit te bouwen. Rechts van mij zit mede-initiatiefnemer Koen Coppejans. Hij heeft een map bij met foto’s en memorabilia, onder andere zijn toegangsticket voor de Europacup I-finale in Wembley.
Wanneer het dan eindelijk stopt met regenen gaat het gezelschap buiten staan aan een ronde tafel. Men laat pintjes aanrukken. Maar ik houd het voor bekeken.
De volgende dag schrijf ik mijn indrukken neer in een brief.
(...) Als ik iets onthoud van de reünie van gisterenavond – behalve dan de zeer bizarre mengeling van vervreemding (wie zijn die ouder wordende mannen eigenlijk?, wat hebben ze meegemaakt?, zijn ze gelukkig?) en vertrouwdheid (de tics, de stembuigingen, de gedeelde herinneringen) – dan wel dat verschillende personen met andere ogen op dezelfde gebeurtenissen van bijna een halve eeuw geleden terugkijken. Ik aanvaard dit als een les in bescheidenheid: mijn blik is maar een mogelijke blik.
Maar het is niettemin mijn blik. En die is, wat de twee laatste jaren van mijn middelbareschooltijd betreft, absoluut niet gunstig. Zonder afbreuk te willen doen aan het plezier van diegenen die er wél graag aan terugdenken (het weze hun gegund) of van wie ‘zich ziek kon lachen met de grappen van Tant’ (zoals ik iemand tot mijn verbijstering hoorde zeggen), wil ik hier toch het volgende kwijt over hoe ik die jaren ervaren heb want de setting was gisteren te luidruchtig en te druk om dat daar en dan te doen.
Toen wij aan het vijfde jaar begonnen was er veel goede wil in onze groep. Wij waren vastbesloten er iets van te maken en hoopten op de welwillende medewerking van onze leraren. Op zeer korte tijd en wellicht georkestreerd zijn er toen zaken gebeurd die er enkel op gericht waren dat enthousiasme te fnuiken. En ze zijn daarin geslaagd, die volstrekt onbeduidende gluiperige gefrustreerde tuinkabouters. Lycke, Tant en – de Heer waarin de godsdienstleraars onder ons ongetwijfeld nog geloven hebbe zijn ziel – Dehaene: in amper een week tijd hebben ze onze groep met hun middelmatigheid aangetast. Ze zijn erin geslaagd om alle creativiteit en ondernemingszin te smoren. Vanaf september 1978 was het bijgevolg aftellen tot 30 juni 1979.
Het is geen toeval, beste vrienden en (ex-)lotgenoten, dat het veertig jaar heeft geduurd vooraleer twee van ons – en nogmaals, dank je, Jan en Koen – het aandurfden om iedereen nog eens samen te brengen. (...) Het was zeker zinvol, maar ach, wat was het toch ook pijnlijk – en nu spreek ik voor mezelf – om nog eens herinnerd te worden aan het feit dat die rotzakken erin geslaagd zijn om twee kostbare jaren van mijn toen nog jonge leven te besmeuren.
(...)
Wij werden op dat verdomde college omringd en overheerst door grijze muizen en enkele misdadige ratten. Het heeft sommigen onder ons getekend. Gelukkig niet allen, maar mij wel.