maandag 22 oktober 2018

het overzicht 051


































Beide foto’s zijn gemaakt tijdens dezelfde reis. Ze tonen leden van hetzelfde gezelschap. Op de eerste foto bewonderen drie figuren een volledig geopend landschap, een panorama dat zich tot diep in de kloof uitstrekt. Zij nemen dat landschap in zich op – terwijl de fotograaf zich op de drie figuren concentreert. Hij ziet drie uit het struikgewas oprijzende zuilen op de voorgrond en degradeert op die manier het sublieme landschap tot een bordkartonnen decor. Op de tweede foto zien we vijf leden van het gezelschap. Ze wachten onder een snelwegbrug, in zichzelf gekeerd. Er is geen op een landschap gerichte openheid. Integendeel, de brug en de pijler en de omkadering van de openstaande autodeur sluiten alles nog meer af. Het gelaat van de enige figuur die naar de fotograaf kijkt, gaat deels schuil achter de lijst van het autodeurraam.

Twee groepsfoto’s, twee totaal andere benaderingen. Maar er is een grote overeenkomst. Als ik u nu zeg dat de sfeer in die groep niet opperbest was, zult u misschien niet verwonderd opkijken. En ja, misschien gaan beide foto’s wel dáárover. Misschien voelde de fotograaf dat er moeilijkheden waren. Of misschien waren die er nog niet, maar voorvoelde hij dat ze zouden ontstaan. Dat leidt tot een interessante vraag. In welke mate kun je, terwijl je je concentreert op onderwerp en vormgeving (landschap, openheid/geslotenheid, kadrering – maar ook kleur, compositie, lichtinval, etc…), dergelijke veeleer onbewuste inschattingen laten meespelen? Gebeurt dat op het moment zelf, of ‘kleuren’ dergelijke gevoeligheden pas achteraf de foto’s? En in welke mate heeft ook een neutrale toeschouwer, die de personen op de foto’s niet kent en die geen weet heeft van de spanningen die in die groep heersten, op basis van deze foto’s dóór dat er iets aan de hand was?

D., H. en G. ergens in de Languedoc (F) – 060825
D., G., F., J. en B. op weg naar het Zuiden (F) – 060823

5159

Brugge, Filips de Goedelaan - 180912

zondag 21 oktober 2018

pauwenveren 15


Herman en Egbert vertrekken naar Amsterdam om er op straat pauwenveren te gaan verkopen.

Charlotte Mutsaers, Bont, 173
0303

parallel 115


Wezen zonder contradicties, / de ui is als schepsel volmaakt. / In de ene gewoon een andere, / in de grotere zit de kleinere, / in de volgende de volgende, / de derde en de vierde.

Wisława Szymborska, Bloemlezing (samengesteld door Jeannine Vereecken), 221

ǁ

Men begon de uien te schillen. Zeven schillen heeft een ui, beweert men. De dames en heren schilden de uien met de keukenmessen. Zij ontdeden de uien van de eerste, derde, blonde, goudgele, roestbruine, of beter: uikleurige schil en schilden tot de uien glasachtig, bleekgroen, vochtig en kleverig nat werden en roken, naar uien roken (…)

Günter Grass, De blikken trommel, 739