woensdag 11 december 2019

handgetekend 13

Ze zijn al 24 uur informateur.

vorig jaar 31

181210

Alweer na een halve nacht, dat wil zeggen om vier uur, wakker. Lectuur: Pavese, De kameraad en Laurent Graff, Je laatste foto. Graff is een van mijn recente bibliotheek-reddingen – ik had nooit van hem gehoord. Het begint goed, en het gaat over fotografie, dat is ook meegenomen. De kameraad is opgenomen in een lijvig boekdeel met de verzamelde romans, gebundeld onder de titel Jouw land. Ook dat boek, in perfecte staat nog, schafte ik mij voor 1 euro aan in de jaarlijkse opruiming in de Biekorf. Ik was in De kameraad bezig toen ik in mei mijn accident had. De lectuur lag dus een halfjaar stil. Eigenlijk zou ik opnieuw moeten beginnen want het duurt nu wel eventjes vooraleer ik weer min of meer weet wie wie is – en er zijn zoveel personages. Pavese schrijft sec. Hij laat zijn personages handelen, met elkaar interageren, en hij noteert wat ze doen en zeggen. De politieke achtergrond – naast de zedenschets (‘Italië in de jaren dertig’) het eigenlijke onderwerp van de roman – komt slechts impliciet aan bod. Alsof Pavese op die manier duidelijk wil maken dat je best voorzichtig kunt zijn in wat je zegt: het is een gevaarlijke tijd. * Terwijl ik de slaap probeerde te hervatten, dacht ik aan een mogelijke nieuwe reeks voor de blog: muziek, van alle mogelijke genres, die op de een of andere manier in mijn autobiografie zou opduiken mocht ik die schrijven. Chronologisch te ordenen. De eerste symfonie van Beethoven, de negende ook; Jo Erens; Freddy Quinn; Bohemian Rhapsody; The Beatles uiteraard. Enzovoort. * Ik herbegin met De laatste hand van Wiesław Myśliwski (aangekocht op 17 februari 2016) – hérbegin inderdaad, ik las nu alweer, stel ik tot mijn verbazing vast, drieënhalve maand geleden de eerste vijftien bladzijden. Ik deed dat op aanraden van W. – hoewel ik het boek lang voor zijn suggestie had aangeschaft. Ik staakte toen de lectuur, niet omdat ik het niet goed vond maar omdat andere dingen eerst om aandacht vroegen en zo geraakte het boek ondergesneeuwd, wat wel vaker gebeurt. Want ja, ik vond, en vind het nu opnieuw, wél goed. Het onderwerp spreekt me aan, doet me denken aan Perec en Saramago, en ook Auster is niet ver uit de buurt. De ikfiguur ordent zijn namen- en adressenbestand, en stelt vast dat hij bij heel veel namen niet meer weet wie er achter stak. Zijn geheugen speelt hem parten. Orde scheppen is dringend nodig, maar, zo stelt Myśliwski vast: ‘misschien kent elk voornemen om orde te scheppen wel een spoor van angst’. (20) * Gisterenavond begon ik – en deze voormiddag zette ik het voort – met het selecteren van prioritair te lezen boeken. Dikke en dure, maar nog altijd ongelezen boeken. Door hun formaat enkel aan mijn bureau te lezen. (Daarnaast moet ik dan maar dunnere en kneedbaardere volumes lezen in bed, of meenemen voor op de trein.) Ik ben nu ongeveer rond met mijn selectie en kom uit op 137 boeken. Allemaal kleppers, dus heb ik hier minstens voor drie jaar werk aan. Maar dan zal ik ze tenminste gelezen hebben en kijken ze me niet meer verwijtend van op hun planken aan. Ik noem er een paar die me al járen de ogen uitsteken: De welwillenden, Jozef en zijn broers, De bleke koning, Verschoven zelfportret, Ik heet Karmozijn, Lucien Leuwen enzovoort enzovoort. Er zijn ook een paar reeksen bij: De man zonder eigenschappen, de Gangreen-cyclus, de trilogie van Nagieb Mahfoez, Een dans op de muziek van de tijd, de trilogie van Walter Kempowski… Het toeval zal de volgorde van lectuur bepalen – al mag ik natuurlijk niet uitsluiten dat elk van deze boeken op zijn beurt weer tot de lectuur van andere, niet in deze selectie opgenomen titels zal leiden. Enfin, we zijn nog wel een tijdje bezig. Alles tegen de dood. * 






5574

Paris (F) - 190822

dinsdag 10 december 2019

vorig jaar 30


181209

Stel dat Hitler een zoon had gehad, ja, natuurlijk moest hij dan Siegfried heten! Dat kon niet anders! * De klankovereenkomst tussen Wannsee en waanzin. * De regering is gevallen. Enfin, ze is niet gevallen: de N-VA stapt eruit en Michel I gaat verder als minderheidsregering. (…) Klimaatverziekers zijn het. Maar de bruine onderbuik smult ervan en voelt mee met Calimero. Er wordt gehunkerd naar een Leider, fier rechtopstaand, gif spuiend, schreeuwend desnoods. We hebben het laagste en het vuilste nog niet gezien. Ze gaan nu een halfjaar van op de zijlijn de boel verder laten verrotten. Het is niet ondenkbaar dat dit al van meet af aan in het scenario was ingeschreven. Dat de struikelsteen in Marrakesh lag, en bijvoorbeeld niet in een of ander vastgoeddossier in Antwerpen, was een godsgeschenk. Het enige wat we kunnen hopen is dat verenigd extreemrechts in Vlaanderen geen absolute meerderheid behaalt in mei. Want dan zou het wel eens snel kunnen gaan. * (…) ook omdat het na al een heel weekend regenen eindelijk wat zonnig is – ga ik naar buiten voor een korte wandeling. Ik zie andere wandelaars, vaak mannen alleen maar ook koppels. Als twee koppels samen uit wandelen gaan, lopen de mannen steevast een eind voor de vrouwen uit. Ik vang flarden van gesprekken op die worden gevoerd door de wandelaars die ik kruis op het pad over de Vesten. ‘Ik weet nog de tijd dat we daar gingen zwemmen in Sijsele. We waren met zovelen dat we in de rij moesten staan.’ (De mannen.) ‘Ik heb er nog van in de kelder staan. Dat is goed materiaal. Ik heb dat gevonden in de Lidl.’ (De vrouwen.) En dan zijn ze weer voorbij. De mannen, dat was vader en zoon. De vrouwen: moeder en schoondochter. Of het kan ook vader en schoonzoon, en moeder en dochter zijn geweest. Wat verderop komt er een koppel op mij af dat ik ken: J. en zijn nieuwe vriendin. L. heet ze. (…) We maken een praatje over de politieke situatie. Ik informeer naar J.’s gezondheid. En dan vraagt hij of ik al naar de kijkdagen bij Bonte ben geweest. Neen, dat heb ik niet. Ik had het mij voorgenomen maar ik ben het vergeten. En zo krijgt deze wandeling nog een onverwachte bestemming. Bonte ligt helemaal de andere kant op, ik neem afscheid en keer terug via het Zand en wandel door het westelijke segment van de stad tot aan de Ezelpoort. Tussen de talrijke schilderijen vind ik niet meteen iets naar mijn gading. Enkel een klein (zelf?)portretje van een schilder van een zekere Schuermans treft mij. Het werkje is bovendien matig geprijsd. (…) Misschien doe ik een bod. * (…) *  Een mooi eresaluut van Mulisch aan zijn collega. Ik weet niet hoe die twee tegenover elkaar stonden. Niet vriendschappelijk, als ik mij goed herinner, maar dit is toch mooi. Mulisch laat Eva Braun, pasgetrouwd op de laatste dag van haar leven en nu dus Eva Hitler, in haar dagboek schrijven: ‘het was intussen zondag geworden, niemand sliep, de meesten van ons zullen nooit meer slapen’. * (...) * 





LVO 83



En dan begon het herhalen. Tijdens de volgende sessie begon mijn moeder opnieuw over het vlas, over de school, over de nonnen en de mis, over haar vader die dronk – en hoewel ik probeerde om haar naar nieuwe geheugensporen te trekken, steeds herhaalde ze diezelfde verhalen en de weinig talrijke motieven kwamen met toenemende frequentie terug. Ik zag mijn moeder in een draaikolk terechtkomen waarin zij zich, steeds sneller spiralend en met minieme modulaties haar verhalen herhalend, naar het verdwijngat in het midden spoedde. Ik was helemaal niet zeker of ik haar met mijn aandringen dieper dat kolkgat induwde dan wel een reddende hand reikte. Dat verdriette mij. Wat mij ook speet, was dat ik vaak pas op de terugweg naar mijn eigen huis en leven, of nog later, wanneer ik mijn notities uitwerkte, op de vragen kwam die ik haar op het moment zelf had moeten stellen. Dit zou maar een voorafspiegeling blijken van de spijt die ik kreeg toen alles voorgoed voorbij was en zij haar onvertelde en onherinnerde verhalen voorgoed met zich had meegenomen.
'Moeder, dat hebt ge al verteld.'
Dat zei ik toen ze weer over dat vliegtuig begon dat een noodlanding had gemaakt, of over dat stukje zwoerd dat ze had weggegooid, of over haar vader, die zei dat hij geen juffrouwen kweekte. Vooral díe kwetsuur kwam vaak terug: met de miskenning van haar talent en ambitie had haar vader haar tot in haar ziel gekrenkt. Dat de man naderhand op zijn oorspronkelijke verdict was teruggekomen, volstond niet om haar van deze wonde te doen genezen.
En natuurlijk was er ook de slogan van Solo die ze als een mantra aframmelde, te pas en vooral te onpas. De slogan beloofde een mooi en zorgeloos leven aan wie met deze margarine zijn biefstuk bakte. Als die biefstuk er al was, natuurlijk. Mijn moeder sprak de spreuk uit met een vreemde mengeling van naïviteit en ironie. Grappig, ware het niet dat zij daarmee het gesprek blokkeerde en haar onvermogen om nieuwe verhalen op te diepen leek te willen maskeren. Zo werd pour qui de Solo se nourrit een stopslogan, zoals een stopwoord dat wordt gebruikt om een stilte te vullen. De Solo-slogan was het stopsel dat mijn moeder in het verdwijngat van de draaikolk drukte – zodat ze niet, begeleid door een akelig slurpend geluid, definitief zou worden weggezogen. Vooralsnog niet.
Une vie sans soucis. Ach moeder.
Ik keek naar de uitgebluste vrouw aan de andere kant van de tafel, uit wie ik in een gulp van slijm en koek en bloed geboren was, die mij gekoesterd had en gevoed, die mij had opgevoed. Ik realiseerde me dat ik niet wist of ze mij de borst had gegeven – dat was in die tijd niet gebruikelijk. Ik overwoog het haar te vragen, maar mijn aandacht werd afgeleid door een vetvlek op haar keurige beige bloesje, ter hoogte van haar hart, dat het niet veel later zou begeven. Ik zag hoe mijn moeder onafgebroken met haar duimen dat molentje maalde, en hoe zij een vast punt fixeerde op de beige toile cirée die op tafel lag, ergens midden tussen haar en mij, haar jongste zoon, in. En ondertussen zocht ze naar de woorden en de namen waarmee ze haar herinneringen stoffeerde en die ze steeds moeilijker kon vinden.
Zij kijkt mij niet aan. Zij kijkt mij niet in de ogen. Zij kijkt naar een van de wellustig bloeiende rode bloemen op de toile cirée, en ik kijk naar de vlek op haar hart.


Hier eindigt hoofdstuk 4: ‘Pour qui de Solo se nourrit’ van deel 1 ‘Het sanatorium van Aalst’. Ik las nu een pauze in. Hierna volgt hoofdstuk 5: ‘Gekrompen wereld’.

(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin