maandag 30 maart 2020

LVO 145



En dus speelde ik mijn eigen 24 uren van Le Mans. Ik gooide de twee dobbelstenen, het was een zeven, ik duwde de eerste auto van het pelotonnetje zeven legoblokjes verder. Ik gooide nogmaals, dit keer een vier, ik duwde de tweede auto vier legoblokjes verder. Ik gooide nogmaals, een twaalf, ik duwde de derde auto twaalf legoblokjes verder. Enzovoort, en wanneer ik bij de laatste van de vijftien of twintig autootjes was gekomen, begon alles weer van voor af aan. En opnieuw, en opnieuw.
Nu zouden bezorgde ouders een dergelijk gedrag misschien wel autistisch noemen. Die van mij waren wellicht content dat ze niet naar me hoefden om te kijken: onze kleinste houdt zichzelf goed bezig.
Mijn neef Remy liet me ooit eens weten, toen ik hem voor het eerst sinds een tweetal decennia terugzag, dat hij, nochtans maar één jaar ouder, niet graag met mij omging omdat ik altijd zo in dat spel opgesloten zat. Maar ik deed niets anders dan mijn procedures uitvoeren, had een broertje dood aan afwijkingen, was in alles wat ermee te maken had – dat was in mijn verbeelding zo ongeveer álles – uitermate obstinaat en conservatief, en ik kon blijkbaar niet begrijpen dat een ander niet in staat was om zich, via dat repetitieve spel, een wereld van snelheid en heroïek voor de geest te toveren.
Ik hield alle standen en tussen- en eindstanden bij, maakte klassementen op, berekende gemiddelden en telde de behaalde punten op. En wanneer alle grote prijzen verreden waren, kende ik mijn wereldkampioen. Bij de uithoudingsraces die ik naspeelde, diende de boekhouding met de grootste zorg te worden uitgevoerd: na een uur of drie waren de meeste deelnemers al gedubbeld en liep alles door elkaar. Maar ik bleef het perfecte overzicht bewaren.
De overgang van deze boekhouding naar een nog rudimentaire verhalende verslaggeving was logisch. In een (aanzet tot) verhaal over Le Mans, veeleer een vorm van gefantaseerde journalistiek, geschreven toen ik een jaar of elf was, mogen mijn toekomstige biografen mijn eerste poging tot literatuur herkennen.

Hier eindigt het intermezzo over Le Mans.

(wordt vervolgd) 
lees vanaf hier deel 1
lees hier vanaf het begin van deel 2

5684

Begraafplaats Ronse - 200226

zondag 29 maart 2020

wolken 3618


wolkenfragment uit Godfried Bomans, Wandelingen door Rome

3618
Een wolkbreuk kwam er, die man wist van geen ophouden meer. (91)

LVO 144



En de Duitsers namen in 1955 ook alweer deel aan Le Mans, met hun zilveren Mercedessen. Vooraan op de eindeloze voorsteven, waar onder de kap een krachtige zevenlitermotor pompte, prijkte dezelfde trotse ster die ook de open wagens had gesierd waarmee Hitler zich in toen nog onbeschadigde Duitse steden had laten rondvoeren, toen hij het zenith van zijn persoonlijke roem had bereikt en voordat hij zijn hoogst persoonlijke versie van de apocalyps over zijn eigen volk zou uitstorten, en over tal van andere volken. Was het toeval dat een gestileerde ster drie jaar na 1955 het symbool zou worden van de Wereldtentoonstelling in Brussel, óns symbool van een niet ter discussie gesteld vooruitgangsgeloof? De Spoetnik, het Amerikaans Theater, het Atoomtijdperk.

In 1955 was autoracen nog een buitengewoon gevaarlijke sport. Er vielen regelmatig doden. Le Mans gold als extreem gevaarlijk. De machines werden zwaar op de proef gesteld, de piloten gingen vierentwintig uur lang tot het uiterste, nacht en ontij speelden een rol, en er namen wagens deel met zeer uiteenlopende maximumsnelheden, wat de kans op aanrijdingen natuurlijk aanzienlijk verhoogde.

In de editie van 1955 vielen vierentachtig doden. Vierentachtig. Een Mercedes werd vlak voor de hoofdtribune aangereden door een gestaartvinde Lotus, de piloot verloor de controle over het stuur, de wagen geraakte van de baan en explodeerde. De brandende en messcherpe brokstukken vlogen in het publiek. De wedstrijd werd – uiteraard – niet onderbroken. Een Lotus won. 'Jammer dat tot op heden geen stèle is opgericht om de namen te eren van de mensen die toen zijn gestorven.' (Commentaar op YouTube bij een Duitse documentaire over het ongeval.)

Er zijn beelden van. Toen ik deze beelden te zien kreeg, ik denk dat het ooit mythische jaar 2000 al voorbij was, begreep ik waarom er zo spaarzaam mee was omgesprongen. Ik besefte dat ik mij een aantal jaren van mijn leven, kinderjaren weliswaar, had laten inpalmen door een sport die in moreel en ecologisch opzicht op geen enkele manier te rechtvaardigen valt en die de emanatie was – en nog altijd is – van een ideologisch kader dat ik nu verwerp. Toen ik voor het eerst de beelden van het ongeluk uit 1955 zag, drong de iconische kracht ervan tot mij door, maar besefte ik ook hoe ik als kind, jawel, een kind van mijn tijd was geweest.





(wordt vervolgd) 
lees vanaf hier deel 1
lees hier vanaf het begin van deel 2