zaterdag 21 september 2019

3444-3445

wolkenfragmenten uit Paul Claes, Serendipity

3444
De beeldspraak van de Franse surrealisten bestaat voornamelijk uit romantische natuurclichés: zon, maan, sneeuw, schuim, vogels, avond, nacht, licht, schaduw, wolken, lucht, vuur, aarde, water, zee, bloemen, bomen. (52)

3445
In La clef des Illuminations (2008) laat ik zien hoe Arthur Rimbaud in ‘Villes’ de wolken omschrijft als chalets de cristal et de bois qui se meuvent sur des rails et des poulies invisibles ‘berghutten van kristal en hout die over onzichtbare rails en katrollen glijden.’ (102)

facebookbericht 1222

Boudry heeft het gat ontdekt in de vrije markt van de academische concurrentie. Er was nog een plaats vacant voor een vooruitgangsoptimist.

LVO 10


John Berger schrijft in Sering en Vlag, het derde deel van zijn trilogie over arbeid en over, bijgevolg, wat volgens hem de zin van het leven is: ‘Hoe minder vooruitzichten mannen overhouden, des te vuriger dromen ze van het vaderschap.’26 Ik ben er mij van bewust dat het een met een zwaar taboe beladen waarheid is: dat kinderen voor de meeste mannen geen prioritaire doelstelling zijn. Toch niet van meet af aan. Ze willen wel op de een of andere manier voortbestaan, een spoor trekken, maar niet noodzakelijk en zeker niet in de eerste plaats in de vorm van een nageslacht. Vanuit die vaststelling durf ik te zeggen dat mijn verlangen naar het schrijven van dit boek groter is dan mijn verlangen naar kinderen ooit is geweest. Ik vraag me sinds enige tijd zelfs af of ik ooit naar kinderen heb verlangd.
We zullen het er te gelegener tijd nog over moeten hebben.
(Overigens kruiste die quote van Berger hoogst toevallig mijn pad op het moment dat ik deze bladzijden aan het schrijven ben, en zo zal het wel vaker gaan. Je leest altijd wat je zoekt te lezen. Ik zal nooit eropuit zijn deze toevallige collisies te camoufleren. Integendeel: ik zal er altijd open en eerlijk over communiceren. Wie dat pedant gekoketteer vindt, begrijpt mij niet.)
Dit boek, zo schreef ik, zal over vaderschap gaan. In deze zogenaamd vaderloze tijd is het vaderschap in mijn leven tot dusverre een belangrijk en ook zeer problematisch gegeven geweest. (Maar gaan die twee, belang en probleem, niet vaak, om niet te zeggen altijd, samen?)
Ik herlees Bergers citaat. ‘Hoe minder vooruitzichten mannen overhouden, des te vuriger dromen ze van het vaderschap.’ Ik laat deze zin doordringen. Het citaat spreekt mij heel erg aan. Berger heeft het over mannen die doordat ze, via hun vrouwen, een kind krijgen vader worden. En over in welke mate dat voor hen een prioriteit is. Ik herlees het citaat nog eens en denk aan een ander soort vaderschap, en dan bovendien een waarvoor de bemiddeling van een vrouw niet nodig is. Ik denk aan het ‘geestelijk’ vaderschap. Opeens wordt Bergers citaat over biologische vaders toepasbaar op wat ik hier doe: pas na het uitdoven van al mijn andere vooruitzichten is er vuur genoeg om die ene doelstelling brandend te houden, een doelstelling die er altijd is geweest en die in elk geval groter, belangrijker en urgenter is geweest dan het verlangen naar het hebben van kinderen – ik heb het over de doelstelling een boek te schrijven, schrijver te zijn.
En ik herschrijf de zin van John Berger: ‘Hoe minder vooruitzichten ik overhoud, des te vuriger droom ik ervan een boek, in concreto dit boek, te schrijven.’
Inderdaad: ik houd minder vooruitzichten over. Ik heb er een aantal gehad en heb ze zien teloorgaan. Voor zover, uiteindelijk, het schrijven van dit boek als een van de weinige vooruitzichten is overgebleven – of noem het doelstellingen of ambities –, dan lijkt het een negatief antwoord op de roeping van het schrijverschap – in zekere zin tegenovergesteld aan wat Proust doet met zijn Recherche, die kan gelezen worden als een positieve, of constructieve, wording van het inzicht in de eigen roeping schrijver te worden.
Het verhaal dat hier volgt zal dus zijn: enerzijds een verklaring voor het verdwijnen van de andere ambities; anderzijds het relaas van een langzaam, al te langzaam, tot wasdom komende ambitie, wellicht een laatste ambitie: de ambitie om dit boek te schrijven, om de schrijver te zijn van dit boek, om schrijver te zijn.

26 John Berger, De vrucht van hun arbeid


Hier eindigt de proloog. Vanaf aflevering 11 begint deel 1, ‘Het sanatorium van Aalst’, en daarin hoofdstuk 1, ‘De voorvaderen’.

(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin

5493

Tourcoing, Villa Cavrois (F) - 190602

vrijdag 20 september 2019

LVO 9


Ik ben er mij terdege van bewust dat, afgezien van enkele dierbaren, geen kat geïnteresseerd is – indien ik het zo zou laten – in deze tot de essentie herleide versie van mijn levensverhaal. Het is het triviale leven van twaalf in een dozijn: moeizame maar toch niet geheel ongelukkige jeugd, onontgonnen en bijgevolg terecht miskend talent, twaalfeneenhalf stielen en dertien ongelukken, huisje-tuintje-keukentje en twee kinderen (en later, toen de gezelligheid mij al te lang in een houdgreep gehouden had, godbetert ook nog een hond), de getelefoneerde scheiding en al het gedonder dat daaruit voortvloeit, de nieuwe liefde die van meet af aan wordt aangetast door het besef dat de oorspronkelijke koorts niet anders zal kunnen dan afnemen, de afgebroken carrière en het veel te vroeg aangevatte uitbollen, de confrontatie met de spiegel, het ouder worden, het verlies van haar en geheugen, de angst dat het allemaal niets te betekenen zal hebben gehad, de verlokking c.q. verschrikking van het graf en het opgaan in de aarde. Of kies dan misschien toch maar, klinisch en hygiënisch, voor het vuur en de bij het interieur van wie achterblijft passende urne.

Er moet natuurlijk méér zijn dan dit saaie, voorspelbare, onbeduidende, en in retrospect volslagen niet de moeite van het overpeinzen waard zijnde leventje. Een babyboomer op de sukkel: het zou onaanvaardbaar en onverteerbaar zijn mocht het alleen maar dat zijn. Babyboomer op de sukkel, wat een titel! Een zelfverklaard en ja, zelfs ook door anderen in een onnadenkend moment erkend talent dat nooit iets van betekenis heeft kunnen voortbrengen. Een vader die, net als destijds zijn eigen vader, zijn kinderen in de steek heeft gelaten. Een vroegtijdig aan alzheimer en alcoholische hersenverzeving tenondergegaan en aan een verdiende vergetelheid prijsgegeven, miskend en nooit tot ontbolstering gekomen genie.

Bij dat laatste woord horen uiteraard ironie vertolkende smileys, maar ik wil de bladspiegel niet ontsieren: in typografisch opzicht blijven die dingen een vloek en horen ze niet thuis in een boek.

Neen, er moet méér zijn. Of toch minstens iets ánders. Dit boek mikt helemaal niet op een breed publiek van anonieme bewonderaars, meestal dames van middelbare of zelfs nog iets oudere leeftijd natuurlijk, die zich afvragen wie dan toch die auteur kan zijn (een geflatteerd portret met veel Vanfletereniaanse diepteonscherpte in de achtergrond grijnst de kandidaat-koper vanop het achterplat toe) en die een biografische belangstelling ontwikkelen die hen – stelt u zich dat voor! – in de auto doet kruipen, als ze zich al niet door een taxi laten afhalen, om mij vele kilometers verderop in deze of gene naburige stad te ontmoeten in boekhandel Goud Op Snee of De Bestelde Bestseller. Ik kom er mijn door een prestigieuze uitgeverij prachtig uitgegeven vuistdikke turf signeren, niet na eerst de door de plaatselijke cultuurjournalist voorgeschotelde vragen op de mij geheel eigen wijze, dat wil zeggen doordacht en met wijsheid en wit, te hebben beantwoord. Neen, die ambitie koester ik niet. Ik wil helemaal niet in een treurig provinciestadje, Roeselare of Nieuwegein, bij de plaatselijke boekenboer mijn poot neerpoten op de titelbladzijde van drie of ochgot vier exemplaren van mijn boek, 'Voor Melanie, met affectie', of 'Voor Trees, blij dat je mij leest' – en vervolgens, schutterig grimassend om het amechtige rijm, poseren voor de selfie. Waarna de grotendeels onverkochte voorraad natuurlijk bij De Slegte belandt, voor de helft of een derde van de prijs, zodat ik per verkocht exemplaar nog twintig eurocent vang, maar zelfs dat is mij niet gegund want na een paar weken is ook dat stapeltje verdwenen en heus niet omdat het dan alsnog verkocht is geraakt, of omdat ik zélf alle exemplaren heb gekocht omdat ik het niet kon verkroppen dat ik daar zeer statusverlagend in de ramsj lag weg te rotten, mijn mislukking als schrijver openlijk geëtaleerd, maar gewoon omdat geen luis mijn boek wil kopen, ook niet na een tweede of zelfs derde afprijzing. Neen, het stapeltje verdwijnt omdat de papierversnipperaar hongerig is.

Er moet méér zijn. En dat méér is er. Het heeft met vaderschap te maken. Met mijn verhaal wil ik eigenlijk alleen of in elk geval vooral duidelijk maken aan mijn kinderen wie ik ben, wie hun vader zal zijn geweest. Welk bereik er verder bijkomt, en de talloos veel miljoenen25 die ik eraan verdien: dat zal dan aardig meegenomen zijn. U, lezer die mijn kind niet bent, moet aanvaarden dat ik niet in eerste instantie voor u schrijf. Ik schrijf voor mijn kinderen, in de hoop dat zij zich de moeite getroosten deze woorden te lezen. En ja, ook in die zin gaat dit boek over de complexe verhouding tussen vaders en zonen.


25 W.F. Hermans



(wordt vervolgd) 
Lees hier LVO vanaf het begin