vrijdag 29 november 2013

facebookbericht 471


'Alles', 'niets'... En 'dit land' - alsof in andere landen 'alles' 'altijd' 'perfect' functioneert. Ik denk dat we allemaal een beetje minder zwart-wit moeten denken.


facebookbericht 470


Ik kan het niet uitleggen (waarom een kind van een alleenstaande ouder die 1600 euro verdient geen kindergeld krijgt omdat het bijklust terwijl een kind dat geen vakantiejob doet wel kindergeld krijgt, hoewel zijn ouders elk 2000 of 3000 euro verdienen). Ik zou ook niet kunnen uitleggen waarom een kind van ouders die samen 8000 euro verdienen evenveel moet krijgen als een kind van ouders die samen 4000 hebben. Zoals ik ook niet kan uitleggen waarom iemand die al heel zijn leven meer verdiend heeft meer pensioen moet krijgen dan iemand die het met minder heeft moeten stellen. Of waarom iemand die al tien jaar hetzelfde werk doet door zijn anciënniteit meer krijgt dan iemand die op een zelfde functie begint en dus veel harder zijn best moet doen, en eigenlijk de centen veel harder nodig heeft omdat hij jonger is. En zo kunnen we nog wel een paar onrechtvaardigheden opsommen.


3429


Le Tréport, zicht op Mers-les-Bains (F) - 130825


donderdag 28 november 2013

13 in z/w 303


Brussel, kathedraal


mijn woordenboek 365


ARCHIVEREN

Het is altijd te laat, maar als je dan toch begint met archiveren, betekent dat twee dingen: het overzicht is weg en het einde nabij. En eigenlijk nog een derde: het geloof in het feit dat de situatie niet in die mate hopeloos is dat er niets meer aan te doen is.

Het archiveren wordt altijd te laat aangevat, als het kalf al bijna verdronken is. Van meet af aan, van bij het eerste item, dient het zich niet aan omdat dan het besef ontbreekt van het belang van datgene wat nog tot een collectie moet uitgroeien. Daarna, tijdens het uitbouwen van de collectie, ontbreekt de tijd. Pas wanneer de groei al wat vertraagt, wordt de tot stand gekomen onoverzichtelijkheid als een gebrek ervaren en wordt aan archiveren gedacht, en dan gaat er opnieuw heel wat tijd voorbij want het vinden van het juiste ordeningssysteem blijkt geen sinecure. Ontelbaar zijn de aanzetten tot archivering die in goede bedoelingen blijven steken.

Archiveren doe je altijd met een ander in gedachten: zelf ga je waarschijnlijk dat archief nooit nog volledig ontsluiten. Je houdt een – wellicht denkbeeldige en dat is uitermate tragisch – andere voor ogen. Een die dat, minstens in theorie, wél zou kunnen doen. Een die, op een dag dat jij er zelf niet meer zult zijn, je mooi gerangschikte schat aantreft en er nieuwsgierig in gaat delven, op zoek naar de goudader: het systeem en de zin die je erin hebt gestoken.

Maar dat is, geef het nu al maar toe, al te vaak een ijdele hoop. Je beseft dit, je ijver zakt in, je levert de dingen uit aan hun beloop.


13 in z/w 302 / mirage 80






transgalactisch perspectief 6


R treedt op deze blog aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de toestemming deze berichten hier te plaatsen.
R wenst anoniem te blijven.

Dag Pascal,

Magere Hein of Pietje de Dood zoals jullie 'm geloof ik noemen, heeft het maar druk dit jaar. Zijn zeis raakt op hoorbare afstand, links en rechts heel goede vrienden. In juli begroef ik mijn jeugdvrienden Maarten en Winny, met wie ik de moeizame en onomkeerbare stap naar volwassenheid heb gezet. Gister namen we afscheid van Rob, ook een fantastisch mens.

Naarmate ik vaker afscheid neem, verandert ook mijn waarneming tijdens het ritueel. Vroeger dacht ik nog vaak aan wat ik met hem of haar had meegemaakt, en deed ik daar ook mijn best voor. Nu beperkt mijn aandacht zich steeds meer tot de details van het moment. De eigenaardigheden van de ruimte, de geveinsde rust en meelevendheid van de Monuta’s (*), de kwaliteit van de boxen, de mobieltjes die hun baasjes pesten en de achterhoofden van huilende mensen. En ook zie ik de tol die de oude mazzelaars moeten betalen voor het nog in leven zijn. De ogen die regelmatig dicht gaan, de arm van zoon of dochter, de afwezige blik bij de klets op de parkeerplaats. 

Het afscheid is van en voor de nabestaanden, maar vaak staat de wil van de overledene centraal. Wat deze had willen horen, had willen zeggen en waar deze wilde liggen. En dan in het geval van mijn vrienden, steevast eindigend met een borrel waarvan overledene zou willen dat we die op hem of haar nog zouden gaan drinken. Eind goed, al goed.

Groet, R

(*) In Nederland is een bedrijf, Monuta, dat leeft van ons afscheid. Begonnen als verzekeraar heeft het diverse centra waar je lijken kan stallen en afscheid kan nemen, inclusief mevrouwen van de Monuta die de kist dragen, koffie serveren, de weg naar de toiletten wijzen en dergelijke belangrijke dingen doen, en dat alles in de hoogst denkbare ernst. Het zijn die vrouwen die ik bedoel met 'Monuta's'.


3428


Le Tréport - 130825


wolken 872


wolkenfragment uit Peter Handke, La femme gauchère

872
Dans ma mansarde je me mets moi aussi souvent à la lucarne rien que pour voir les nuages. (112)


woensdag 27 november 2013

13 in z/w 301





mag de nmbs de vertragingen wegfoefelen?


actuele vraag 11

De treinen rijden vandaag trager dan een tijd geleden, dat is een feit. Hoewel ik het nog altijd een luxe vind om, in plaats van in de beloofde zestig, in zeventig minuten van Brugge naar Brussel te kunnen sporen, en ondertussen te kunnen lezen of schrijven of een uiltje te knappen of het voorbijzoevende landschap te bewonderen, wat ik in de file op de ‘snelweg’ tussen Affligem en Ternat allemaal niet zou kunnen, ben ik toch van oordeel dat de treinreizigers een punt hebben als zij klagen over de tegenwoordig al te vaak voorkomende vertragingen: zeventig is stilaan de regel geworden, zestig de uitzondering. En ik vind ook dat het een al te doorzichtige truc van de NMBS is om de vertragingen weg te werken door de rittenschema’s zodanig aan te passen dat dezelfde treinrit nu zeventig minuten hoort te duren. Zeventig minuten zal voortaan ‘op tijd’ zijn. Dat is verlakkerij, en dat deugt niet. Het kon ooit in zestig minuten en al die infrastructuurwerken tussen Brugge en Brussel worden toch niet uitgevoerd om de boel te vertragen?

Hetzelfde rekenkundig procedé wordt toegepast bij het verpatsen van de zogenaamde emissierechten en bij het meten van bosoppervlakte. Neem dat laatste: onlangs bleek de hoeveelheid bos in Vlaanderen te zijn toegenomen. Dat beweerde althans de overheid. Maar ze vertelde er in eerste instantie niet bij dat ze zodanig veel rek op de door haar gehanteerde definitie had gestoken, dat ook serres, dreven, aaneengesloten tuinen met een paar bomen en meer van dergelijke met de beste wil van de wereld niet als bos omschrijfbare groenzones werden meegeteld. Een juistere telling zou uitwijzen dat er niet méér maar minder bossen zijn dan een tijd geleden – en dat is ook wat iedereen verwacht. Want iedereen wéét natuurlijk dat dergelijke zaken – emissies, bossen, openbaar vervoer en er zullen nog wel voorbeelden zijn – in deze tijd niet voor- maar achteruitgaan.

Maar ja, de bonzen rekenen op de communicatiebureaus en die zeggen: verander stoemelings de regels en Jan Publiek zal het wel slikken. En als ze het niet slikken, dan zijn ze het na een paar dagen wel vergeten dat ze zich verslikt hebben. Zeker omdat ze tegen dan wel weer iets anders zullen voorgeschoteld krijgen dat ze moeten doorslikken.

Dit heeft dus met communicatie en manipulatie te maken. Met de overtuiging bij sommige lieden die aan het roer staan (of aan de stuurknuppel) dat het volk dom is en onmondig.

Maar het heeft nog met iets anders te maken. Met iets fundamentelers. Het heeft te maken met het feit dat onze samenleving nog geen taal heeft gevonden, nog geen criteria, nog geen meetapparatuur, om een cruciale ommekeer in kaart te brengen. Dat de treinen trager beginnen te rijden, beschouw ik als van dezelfde orde als fenomenen als: de vergrijzing, de klimaatsverandering, de teloorgang van de media, de sociale afbraak. Het gaat niet alleen trager, het gaat gewoon minder goed. Om niet te zeggen: het gaat niet meer. Er is een eind gekomen aan de vooruitgang of, om het misschien wat duidelijker te stellen: aan de Vooruitgang, mét hoofdletter. En het feit dat de treinen trager rijden is daar maar een symptoom van.

De actuele vraag moet dus niet luiden: ‘Mag de NMBS vertragingen wegfoefelen?’, maar: ‘Is het einde van de vooruitgang bereikt, ook al gaan de treinen van de NMBS nog vooruit, zij het een stuk trager dan vroeger?’

3427


Brimeux (F) - 130825


dinsdag 26 november 2013

niet opgenomen 23



los ingeslagen 139


18 augustus 2013

’s Avonds in de schuur krijgen we bezoek van het langwerpige knaagdier dat we hier drie jaar geleden ook al zagen. Volgens H. is het een loir, een marmot. Ik dacht aan een wezel (belette), maar nu ik het in de Larousse opzoek, denk ik dat H. gelijk heeft: het dier is donkergrijs en ongeveer 20 centimeter lang, en de helft van die lengte gaat op in een pluimstaart. Een wezel is veel rosser en heeft een kleinere staart. In elk geval: het dier, als het al hetzelfde exemplaar is als drie jaar geleden, is opvallend mak en riskeert zich ver van zijn holopening in de ruw gestapelde en nauwelijks gemetselde muur waarin hij woont. De wezel lijkt ons, Rummikubspelende campinggangers, te observeren en zelfs uit te dagen. Kan het dat een dier in drie jaar zo’n gewenning ontwikkelt? Het werkt in elk geval H. op zijn zenuwen en hij gaat het beestje met zijn slof te lijf. Het is niet duidelijk of hij het wil verjagen of treffen. Ik teken, een beetje flauwtjes, bezwaar aan, maar moet aanhoren hoe schadelijk die beesten zijn en ik geloof het: ze knagen een heel stelsel van gangen in de specie tussen de stenen – op den duur slagen ze erin om zelfs een kloekgebouwde schuur als deze waarin we toch elke avond gezellig rond het haardvuur komen zitten te ondermijnen en te doen instorten. Dat lijkt me wel een afdoende argumentatie om de antropocentrische omschrijving ‘schadelijk’ te gebruiken. Of je er met een slof op moet slaan, is natuurlijk nog een andere kwestie. H. mist doel, maar het beest is toch in die mate geschrokken dat het met een schril-piepende kreet wegschiet en in een ander gat, hoog in de muur, bijna in de nok, verdwijnt.


13 in z/w 300


H. op zijn tentoonstelling in The White Cube, Ronse


transgalactisch perspectief 5


R treedt op deze blog aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de toestemming deze berichten hier te plaatsen.

R wenst anoniem te blijven.

Dag Pascal,

Soms vult een besef mijn hoofd voor weken, zoals alleen muziek dat kan. Zo werden mijn vrouw en ik recent op een zondagmorgen hartelijk ontvangen in de Gestapokeller in Munster. Dat woord, Gestapokeller, heb ik al vaak uitgesproken, in een poging om eraan te wennen. Dat is nog niet gelukt, zoals het me ook niet lukte om te wennen aan  McDonalds Dachau. De vestiging is schuin tegenover de ingang van het voormalig kampterrein. Sommige dingen moet je niet willen.

Maar goed, de Gestapokeller ging vooral over de geschiedenis van de Ordnungspolizei, ook Grune Polizei genoemd, naar de kleur van het uniform. Aan hen heeft het niet gelegen dat Hitler de oorlog verloor. Ze waren met de SS, Sicherheitspolizei en dergelijke systeemgenoten een zeer brute en actieve schakel in het terreurbeleid. Ze zijn nog het meest bekend van de moordpartijen die hun politiebataljons in Oost-Europa hebben aangericht. Huisvaders die zich bij hun slachtoffers lieten fotograferen als bij een doodgeschoten olifant of leeuw.

Wat ik nog niet wist, is dat de leden van de Ordnungspolizei tot begin jaren 60 niet werden vervolgd. Die konden zo weer naar moeder de vrouw en aan een nieuw baantje beginnen, bijvoorbeeld als politieman. Slechts een enkeling kwam uiteindelijk voor het gerecht. Maar nog verrassender vond ik het feit dat de leden van de Ordnungspolizei niet hoefden te schieten. De daders die over hun massale moordpartijen hebben gesproken, zeiden zonder uitzondering dat ze niet anders konden. Want als ze dat niet zouden doen, dan liep hun eigen leven gevaar, zeiden ze. Onderzoek heeft uitgewezen dat dat helemaal niet waar is. Schiet je liever niet? Geen punt, dan maken wij het wel af. Geen sanctie of iets. Alleen wel imagoschade natuurlijk, want stoer was het niet. Dat besef laat me maar niet los, dat de mens kennelijk zo klein is.

Ik ga The Bells van Rachmaninov maar weer eens draaien. Misschien helpt het.

Groet, R


3426


Tussen Crémarest en Desvres - 130825


maandag 25 november 2013

niet opgenomen 22





13 in z/w 299


C. en S.


Ian McEwan, Suikertand


Wederzijds bedrog

Je kunt Suikertand als een spionagethriller of als een romance lezen, maar dan heb je slecht gelezen. Of toch niet zo goed als Ian McEwan het eigenlijk bedoelde. Want zijn ambitie met Suikertand (Sweet Tooth, 2012) ligt hoger. Spionage en liefde? Ja, daar gaat deze roman natuurlijk ook over. Zoals McEwan ook de grauwe Engelse jaren zeventig nog eens tot leven heeft willen brengen. (Ergens is zelfs de fluit van Jethro Tull te horen!) Maar eigenlijk onderzoekt McEwan in Suikertand het contract tussen auteur en lezer. Suikertand is – encore! – een roman over de roman.

Dat niets minder dan de manier waarop schrijven werkt, of de manier waarop wij horen te lezen, de inzet vormt, wordt al in de allereerste alinea duidelijk. Daarin laat McEwan al meteen een ferme clue slingeren – en wie goed kijkt zal er her en der verspreid in het boek nog veel meer aantreffen. Die eerste alinea bevat – maar dat kun je natuurlijk pas achteraf weten – een samenvatting van wat volgt. Dat gebeurt wel vaker, de auteur doet het om de aandacht van de lezer te vatten. De kwestie is om niet al te nadrukkelijk te zijn. McEwan slaagt daarin want je bent toch geneigd om niet voldoende aandacht te besteden aan dat ‘bijna veertig jaar geleden’ in de eerste zin – en precies dat is de clue: ‘Mijn naam is Serena Frome (rijmt op bloem) en bijna veertig jaar geleden werd ik op een geheime missie voor de Britse inlichtingendienst gestuurd.’ Je bent geneigd er niet voldoende aandacht aan te besteden omdat je wordt afgeleid door dat nutteloze toevoeginkje ‘(rijmt op bloem)’, maar ook natuurlijk door de bevreemdende gewaarwording dat de ik-persoon niet van dezelfde kunne is als de auteur.

(Geslachtsverwisseling, de verhouding tussen de geslachten  en feminisme zijn belangrijke neventhema’s in Suikertand.)

Een tweede clue is de eerste zin van de tweede alinea: ‘Ik zal niet veel tijd aan mijn jeugd en tienerjaren verdoen.’ Dat is niet gebruikelijk – de lezer zal pas na het beëindigen van zijn lectuur kunnen begrijpen wat deze zin hier komt doen.

En zo gaat het door. Tegelijk met de ontwikkeling van de personages en de verhaallijn die we nodig hebben om het boek te kunnen savoureren op een eerste, gemakkelijke, niveau, zet McEwan niet al te nadrukkelijk – en precies daarin toont hij zijn meesterschap – de sleutels uit voor de lezers die de eigenlijke lectuur aankunnen. Hij maakt overigens expliciet dat onderscheid tussen minder goede en goede lezers.

Serena Froome is een ‘eenvoudig soort lezer’ (202). Zij verslindt boeken, al van jongs af aan, maar voor haar is lezen een ‘manier om niet te denken’. ‘Ik hield me niet zo bezig met thema’s of treffende zinsneden, en fraaie beschrijvingen (…) sloeg ik over. Ik wilde personages waarin ik kon geloven en ik wilde nieuwsgierig worden gemaakt naar alles wat hun ging gebeuren. In het algemeen gaf ik de voorkeur aan liefdes (…) ik zag graag dat iemand aan het einde “Wil je met me trouwen” zei. (…) Pulp, hoge literatuur en alles ertussenin – ze kregen van mij allemaal dezelfde ruwe behandeling.’ (13)

Wie minder goed leest, zegt McEwan hier, behandelt het boek op een ruwe wijze. Een fijnere afstemming is nodig. Zo een die, onder meer, voldoende oog heeft voor de ironie waarmee McEwan Suikertand zelf op een huwelijksaanzoek laat eindigen. Natuurlijk!, ben je bijna geneigd te stellen.

Die fijnere afstemming is nodig om de clues te capteren, en ze hebben vaak met het gewrongen tijdsperspectief te maken waarvan al in de eerste zin (‘bijna veertig jaar later’) sprake was. Zo staat er kwansuis op bladzijde 54 een wel wat merkwaardige ‘Naderhand bleek’ (in de zin ‘Naderhand bleek dat ik niet zo geheimzinnig had hoeven doen’), en ook aan de ‘een leven lang later’ op bladzijde 55 ben je geneigd niet genoeg aandacht te besteden. Een schijnbaar overbodige opmerking als ‘In zekere zin begon hier het verhaal’, pas op bladzijde 112!, moet de wenkbrauwen doen fronsen want wat heb je dan die eerste honderd bladzijden zitten doen, Ian?

Ook zinnetjes die met inlevingsvermogen te maken hebben, zouden bij een tweede lectuur, dus nadat je van de afloop kennis hebt genomen en dus, als goede lezer, doordrongen bent van de eigenlijke inzet van de auteur, wel eens een andere lading kunnen krijgen. Zo bijvoorbeeld de opmerking op bladzijde 58: ‘Hoe kunnen we het innerlijk leven van een personage, echt of verzonnen, begrijpen (…)?’ Of, met opnieuw een sneer naar de slechte lezeres Serena: ‘vermoedelijk was ik op mijn hersenloze manier op zoek naar iets, een versie van mezelf, een heldin bij wie ik in de huid kon kruipen (…).’ (86) Serena is uit op herkenning – en ze kan dan ook niet anders dan teleurgesteld vaststellen dat de personages waarmee ze zich even kon vereenzelvigen, haar ontsnappen. Vooral in Engelse boeken van vrouwelijke auteurs vindt ze het soort realisme dat ze aankan; liefst nog heeft ze dat de verhalen die ze leest zich in Londen afspelen! ‘Dan had ik een maatstaf, dacht ik, dan kon ik de kwaliteit van het geschrevene afmeten aan de precisie, aan de mate waarin het strookte met mijn eigen indrukken (…).’ (87) Voor het geval het nog niet mocht duidelijk zijn, krijgt de lezer op bladzijde 134 nog eens voorgeschoteld: ‘Ik was de meest laag-bij-de-grondse lezer. Ik wilde alleen mijn eigen wereld, met mij erin, aan mij teruggegeven in kunstige gedaanten en een toegankelijke vorm.’

Serena houdt niet van romans die het verschil tussen feit en fictie thematiseren. Zij zou met andere woorden Suikertand van Ian McEwan geen goed boek vinden. Tenzij zij het als spionageromance zou lezen. ‘Dus geen verraderlijk gesteggel over de grenzen van hun kunst, geen vertoon van ontrouw aan de lezer door telkens weer in vermomming de grenzen van de verbeelding te passeren.’ De auteur mag niet een soort van dubbelagent zijn: hij mag niet onder het mom van het gangbare contract met de lezer dat contract, en meteen ook het vertrouwen waarop het gebaseerd is, ondermijnen. (Op bladzijde 244 expliciteert McEwan dat contract tussen schrijver en lezer. ‘Er bestond naar mijn mening een ongeschreven contract met de lezer dat de schrijver moet nakomen. Geen enkel element van een bedachte wereld en ook geen van de personages daaruit mocht zomaar door een gril van de schrijver verdwijnen. De fantasie moest even degelijk en samenhangend zijn als de werkelijkheid. Dit contract berustte op een wederzijds vertrouwen.’ (244)) Serena wil verhalen en niet een boek dat gaat over hoe die verhalen werken. Voor Serena geen postmoderne literatuur!

Afgezien daarvan is het wel spitsvondig dat het dubbelagentschap (als metafoor voor de auteur die het vertrouwen van de (eenvoudige) lezer schendt) in Suikertand, gelezen op het niveau ‘spionageverhaal’, ook een rol speelt!

Clues zitten er ook in de talrijke plaatsen waarin wordt gezinspeeld op het verschil tussen de seksen en de mogelijkheid om in die verhouding van plaats te wisselen. De schrijver Tom Haley (die, hoe kan het ook anders, veel gemeenschappelijks heeft met Ian McEwan zelf) vertoont androgyne trekjes. ‘Hij was meisjesachtig rank, met smalle polsen (…) Die eerste paar seconden vroeg ik me af of me soms een transseksueel element in de verhalen was ontgaan.’ (177)

Goede lezers blijven niet in het verhaal, het realisme en de zelfherkenning steken. Zij zoeken daarachter naar de ware bedoelingen van de auteur. Zij horen zich af te vragen ‘of elke zin een heimelijke bedoeling bevestigde of ontkende of maskeerde’. Zij moeten ontcijferen, ontmaskeren, codes breken – ja, precies zoals in een inlichtingendienst als deze waarvoor Serena werkt wordt gedaan. En zij zullen zien dat niet het verhaal, maar de werking van het verhaal het ware thema is; dat niet het plezier van het lezen maar de bezinning over hoe het lezen werkt en waarom de lezer er zich zo aan uitlevert de ware inzet is van de (hedendaagse, postmoderne) romankunst.

Op bladzijde 233 – en als je al die clues zo achter elkaar plaatst, begin je je toch af te vragen of McEwan niet té nadrukkelijk te werk is gegaan – staan beide visies op literatuur, de traditionele en de hedendaagse, diametraal tegenover elkaar: ‘Ik zei dat ik niet van kunstjes hield, dat ik graag het leven zoals ik het kende op de pagina herschapen zag. Hij zei dat het niet mogelijk was om zonder kunstjes het leven op de pagina te herscheppen.’ In literatuur is het niet meer voldoende om met verschillende elementen of bouwstenen een constructie op te zetten. Dan bekom je iets ‘als bonen op een rijtje geplaatst’ (383): ‘Geen weerstand of moeite of terugslag, geen verrassingen, niets sprankelends of vreemds. Geen ruis, geen torsie. (…) Het was gewoon niet interessant.’ (383)

‘De uitkomt was meer dan de som van de delen.’ (268) Er moet inderdaad een surplus zijn want voor minder doen we het niet meer. ‘In een bepaald opzicht was het overduidelijk hoe die afzonderlijke onderdelen werden ingevoegd en aangewend. Het geheim school erin hoe ze tot iets samenhangends en geloofwaardigs werden vermengd.’ (269) Die alchemie is tegenwoordig vereist om het romanschrijven tot een hogere kunst te verheffen.

Nog clues. Op pagina 243 lezen we: ‘Pas op de laatste pagina kwam ik erachter dat het verhaal dat ik las eigenlijk het verhaal was dat de vrouw aan het schrijven was.’ Lezer: hier moet u extra gealarmeerd zijn! Het mag dan al gaan, ‘in het verhaal’, over een door Tom Haley geschreven verhaal (merk opnieuw de geslachtsverwisseling tussen auteur en ik-persoon; bij de lezer van het boek Suikertand moeten nu werkelijk alle rode lichten flikkeren) – hier is, uiteraard, McEwan zelf aan het woord met iets wat niets minder is dan een gebruiksaanwijzing, een leesinstructie voor de lezer van het boek Suikertand zelf! In de postmoderne roman, die Suikertand ondanks de schijn van het tegendeel is en voor minder goede lezers ook blijft, wordt het oude contract tussen lezer en auteur verbroken. In plaats van op ‘wederzijds vertrouwen’ (244) gaat het nu om ‘wederzijds bedrog’ (386) – en het knappe van McEwans boek is dat het duidelijk maakt dat het niet alleen in de literatuur tegenwoordig zo gaat, maar dat het eigenlijk in de liefde altijd zo is gegaan: ondanks dat wederzijdse bedrog kan de liefde gedijen, sterker nog, het wederzijdse bedrog is er altijd want zelfs in de innigste liefdesband blijft de ander een vreemde.

Het knappe is ook dat McEwan in zijn boek zelf de verdeeldheid heeft voorspeld die de recensies hebben gekenmerkt. Ik vind dat een hogere vorm van ironische vooruitziendheid en ik moet bekennen: het gevoel door deze auteur zwaar op het verkeerde been te zijn gezet – ja, ook ik! – doet mij nu een diepe buiging maken voor zijn prestatie. Faut le faire!

3425


Tussen Belle-et-Houllefort en Bellebrune (F) - 130825


zondag 24 november 2013

doordeweekse zinnen 107-124


131117

107. Hij had er beter aan gedaan door de zure appel heen te bijten.

108. Verlies desnoods, maar verlies niet de les die je uit het verlies trekt.

131118

109. Het boekje over de Izegemse koekoek kon zijn belangstelling niet vasthouden.

110. Vandaag wordt er niet bladgeblazen, padgepoetst, boomgezaagd, grasgemaaid of gootgeschuurd in het park tegenover mijn deur en blijft het dus relatief stil.

111. Ik ben vierenvijftig en biseksueel, zei de man met pet en paardenstaart die zich even voor hij aan ons tafeltje was komen postvatten luidop had afgevraagd hoe het toch kwam dat je naarmate je meer dronk alsmaar zatter werd: ‘Waarom is het omgekeerde niet waar, waarom word je niet nuchterder als je meer drinkt, dat zou toch veel aangenamer zijn?’

131119

112. Elk van ons moet maar uitmaken of dat voor hem of haar van toepassing is.

113. In dat rosbruine hemd zullen we hem niet meer zien, nu het gescheurd in de vuilnismand ligt.

131120

114. Mijn papegaai blijft me afwisselend uitschelden voor rotte vis en vragen om over zijn kopke te krabben.

115. Schrijfschoolboeken lezen is erg, maar hoe erg moet het niet zijn ze te moeten schrijven!

131121

116. Ze mag dan al vaak met JFK van de grond zijn gegaan, tot luchthaven heeft Marilyn het toch nooit geschopt.

117. Ik vind ‘woord van het jaar’ de meest nutteloze woordgroep van het jaar.

131122

118. Is JFK nu alweer 50 jaar geleden doodgeschoten?

119. Ik voel me niet aangesproken door wat je zegt over de culturo's die foto's van zichzelf trekken in de Dansaertstraat.

120. Waar was JFK toen ik werd vermoord?

131123

121. Je kan het al horen aan de manier waarop ze zeggen dat ze goed voor dat kind zullen zorgen.

122. De publicatie De Izegemse koekoek van W. Terrijn zal ik bewaren omdat zij zo’n mooie cover heeft.

123. Een Ferrari met een parkeerticket, dat is een beetje als een Lamborghini met een trekhaak.

124. We dronken in de vooravond wijn bij een man die zowel op Raymond Poulidor, Claude Nougaro als op Peter Falk geleek.


los ingeslagen 138


18 augustus 2013

’s Namiddags, na de siësta, maken we een wandeling met M. en J., nog een Nederlands koppel dat we inmiddels hebben leren kennen, en ook zeer sympathieke en interessante mensen. Ze wonen ergens tussen Tongeren en Maastricht en zitten in de psychotherapeutische sector. Ze hebben gisteren een kleine wandeling tot helemaal boven op de heuvel naast de camping ‘klaargemaakt’. Klaarmaken wil hier zeggen: het meeste kruid wegmaaien, overhangende takken verwijderen, en bij splitsingen of aftakkingen met keien stapeltjes vormen die de juiste richting aangeven. S. fungeert als proefkonijn en loopt voorop: zij moet, zonder instructies en enkel op de aangebrachte aanwijzingen voortgaand, het traject volgen zoals zij denkt dat het is. Dat lukt heel goed.

Boven komen we bij ‘de ruïne’. Niet van een kasteel of zo, wel van een verblijf van, ja, van wie eigenlijk? Wie heeft hier ooit zijn nachten doorgebracht? (Ja, zijn nachten: ondenkbaar dat het, in deze verlatenheid, een vrouw was.) Een herder? Vandaar wellicht die grote ruimte: om ook de hele kudde beschutting te bieden. Tegen het weer maar wellicht ook tegen de wolven die hier toen nog talrijk rondwaarden. Ik schat dat deze kleine, volledig met gestapelde stenen opgetrokken abri, negentiende- of misschien zelfs achttiende-eeuws is. Ouder kan het, denk ik, niet zijn. Ik herinner mij in De ontdekking van Frankrijk van Graham Robb te hebben gelezen dat de Cevennen en de Auvergne pas halfweg de achttiende eeuw werden ontgonnen, om niet te zeggen ontdekt. Ik herinner mij ook het boek van Richard Holmes, Voetsporen, onder meer over de reis die Louis Stevenson in 1878 met zijn ezel door deze toen nog zeer onhergbergzame streken ondernam. Ik probeer mij in te denken hoe de man die hier met zijn dieren (schapen, hond) overnachtte zich moet hebben gevoeld, hoe hij zichzelf behielp, hoe verpletterend zijn eenzaamheid moet zijn geweest. En hoe groot zijn verwondering wanneer hij ’s nachts onder de peilloze sterrenhemel aan zijn pijp lurkte.


3424


Audresselles - 130825


zaterdag 23 november 2013

los ingeslagen 137


17 augustus 2013

Bij ‘la soupe au pistou’, opnieuw een gezamenlijke campingactiviteit (pistou is een gevijzeld mengsel van look en basilicum, en de soep zelf is gemaakt van verse groenten en bonen), kom ik naast een man te zitten die X heet. De afbeelding en het opschrift op zijn T-shirt gooien de brug over onze vreemdheid: Wagners Walküre. Operaliefhebbers, en zeker liefhebbers van Wagner, zullen wel een culturele babbel kunnen slaan, denk ik, die niet van opera houd – en ik vergis mij niet. We hebben het over muziek beluisteren, de teloorgang van de hoge cultuur, overheidscommunicatie, de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. X werkt aan een lezing en een tentoonstelling over dit heikele thema, het is de bedoeling om ermee langs Nederlandse én Duitse scholen te gaan. Ik raad hem de lectuur aan van Erich Kästners Nota bene, een oorlogsdagboek van een Duitser, waarin het vaak gaat over hoe de Duitsers tegen de nakende nederlaag aankeken.


13 in z/w 298


Knokke, Natiënlaan


reactie


Audresselles blijft pure magie.
PVH

facebookbericht 469


Dat de liberalen beseffen dat het misschien toch wel een ietsiepietsie belangrijk is om rekening te houden met het milieu is op zich niet slecht. Dat ze het woord 'groen' willen vermijden omdat dat te veel eer is voor een politieke opponent die veel eerder tot dat inzicht is gekomen, kan ik begrijpen. Maar ja, 'blauwe planeet', dat is inderdaad een beetje ongelukkig. Mocht ik op dat congres zijn geweest (quod non, uiteraard!), ik had voorgesteld om te kiezen 'voor een appelblauwzeegroene planeet'.


3423


Audresselles (F) - 130824


reactie


Op die 'geitenwollensokkenjongens' van toen, waar we ons mede dankzij hun benaming (compliment voor de bedenker?) zo makkelijk vrolijk over maken, baseert de bio-commercie nu haar succes.
Maar eigenlijk waren die gwsj's de harde avant garde.
Waarin en waarom eigenlijk verschilt de cool die de kunst avant garde uitstraalt van deze van hen?
K.


vrijdag 22 november 2013

facebookbericht 468


gisteren vierden ze dat hij morgen, vandaag dus, vijftig jaar geleden vermoord werd, vandaag dat hij vandaag precies vijftig jaar geleden vermoord werd, en morgen zullen ze vieren dat hij gisteren vijftig jaar geleden vermoord werd - en over vijftig jaar zullen ze herdenken dat het vijftig jaar geleden gevierd werd dat hij vijftig jaar geleden vermoord werd


facebookbericht 467


Ik vind je stukje over het programma dat in de plaats van ‘Joos’ gaat komen ‘leuk’, afgezien van het denigrerende woord 'culturo', tot twee keer toe. Bedoel je daarmee mensen die bezorgd zijn om het cultuuraanbod, die zich verzetten tegen vervlakking en commercialisering, tegen opleuking en infantilisering? Zo ja, dan zijn er beslist andere benamingen mogelijk. Zelf, ook ondertekenaar van een Joos-enquête, zou ik niet graag als 'culturo' worden aangesproken.

'Culturo's', 'groene jongens', 'geitenwollensokkendragers': dat soort woorden is een retorisch middel om allerlei welmenende lieden over één kam te scheren. (Wol en scheren in één zin, dat kan geen toeval zijn.)


de eerste bladzijden van Leonard Nolens’ ‘Dagboek van een dichter’


In het motto bij dit boek (opgedragen aan Adriaan en David Nolens) is al meteen heel wat denkstof vervat. Het is van de joodse filosoof Leopold Flam en luidt: ‘Nadenken over het eigen lot heeft geen ander doel dan een gemeenschap te vinden die een einde maakt aan de verbanning.’ Nadenken. Lot. Doel. Gemeenschap. Verbanning. Het lot van de dichter is: de ballingschap. De dichter kiest er niet voor dichter te zijn. De dichter denkt na over zijn dichterschap. En het enige doel dat hem daarbij voor ogen staat is: opnieuw opgenomen te worden in de gemeenschap waarin hij, door dichter te zijn, zijn plaats heeft verloren.

Al meteen in de eerste notitie (27 december 1979 – op zich al onconventioneel, om het dagboek niet vlak na maar vlak voor oudejaar te laten aanvatten) heeft Nolens het over dat buitengesloten zijn: de bijzondere manier waarop de dichter in de wereld staat – door roerloosheid probeert hij datgene wat hij observeert en wat mogelijk een bestemming zal vinden in een gedicht niet op te schrikken – is voor ‘iedereen met wie hij samenleeft’ een ‘constante bron van ergernis’. Al meteen geeft Nolens een van de basispremissen prijs die aan de basis ligt van de manier waarop hij voelt dat hij, met zijn dichterschap en met zijn zwaarte in de wereld staat: geïsoleerd, buitengesloten. Ja, ook die zwaarte is een belangrijk gegeven: het is een eigenschap met een dubbele presentie wat de dichter is zowel zwaarmoedig als té zwaar ‘door ongezond leven’.

‘Zo’n lichaam van mij, ik gun het niemand. Alles kost moeite.’ (31 december 1979)

De tweede notitie (ook 27 december 1979) is al even cruciaal en geeft uitdrukking aan datzelfde levensgevoel, al is er een nuance: de dichter staat niet alleen buiten de wereld (de samenleving), hij staat ook buiten zichzelf, in zekere zin. Er is een afstand tussen de dichter-die-op-zichzelf-reflecteert en de dichter-zelf. Nolens zegt dat hij graag vanzelfsprekend zou zijn, vanzelf zou spreken – zonder al dat bespiegelen en reflecteren.

In notitie vier (nog altijd 27 december 1979) geeft Nolens al meteen een verscheurende paradox prijs: waar hij al heeft aangegeven dat het lot van de dichter, namelijk om buiten of naast de wereld te staan, zwaar om dragen is, doet hij nu zijn beklag over die wereld want daar wordt toch alleen maar gekletst over ‘zomervakanties (…) en dure pensioenverzekeringen’, daar heerst wat Heidegger Das Gerede zou noemen. En daar heeft de dichter een broertje aan dood.

Notitie zes (de laatste van 27 december 1979) gaat – nu al! – over de perceptie, of receptie, van deze dagboeknotities. Dit doorgedreven denken over zichzelf is schaamteloos, is een ‘(v)erraad aan de anderen’. Maar Nolens hoopt dat hij niet verkeerd zal worden begrepen en dat men de waarde van zijn denkarbeid zal zien, hij heeft het over ‘een juist begrepen zelfingenomenheid’.

We zijn één dag ver in een dagboek dat 28 jaar zal beslaan.

De vervreemding – van zijn omgeving maar ook van zichzelf – heeft bij Nolens ook altijd te maken met de kunstmatige opwekking ervan, door overmatig drankgebruik. Al meteen blijkt dat hij zich van dit gevaar bewust is, van de vertekenende invloed die alcohol op het schrijven kan hebben: ‘ik geloof niet in schrijven met een in Bols gedoopte pen’.

Op 29 december 1979 fantaseert Nolens: ‘Een dagboek waar je een mensenleven voor nodig hebt om het uit te lezen.’ En dan nog ken je de dagboekschrijver niet. Je schrijft er commentaren bij, en na jouw dood schrijft iemand commentaren bij het dagboek-plus-commentaren. Enzovoort, een steeds uitdijende tekst.


Ik denk nu: waar was ik in 1979. Wat is dat een eeuwigheid geleden, zeg. Maar met Nolens heb je het gevoel dat wat je op die eerste vier bladzijden gelezen hebt gisteren kon geschreven zijn. Of zelfs vandaag.

reactie


Ach, had mijn vrouw maar één zo'n been ...

(Godfried Bomans over Marlène)


Uvi


13 in z/w 297


Brussel, Ravensteinstraat


3422


J. in Audresselles (F) - 130824


donderdag 21 november 2013

facebookbericht 466


bij mij is er onlangs zoiets bols (en 't was geen jenever) ontploft - zat gelukkig al in de vuilniszak - 't was mozarella, over tijd - 'k ben er wakker van geworden - 't kan dus ook ontploffen in uw maag - Klaas, g'hebt nog chance gehad


bond en lot 11


011a - W. (195*), leraar Engels op rust - 130909

facebookbericht 465


(ngo’s verlaten klimaattop in Warschau)

Ja, dat is tegenwoordig wat wij democratie noemen. Schijninspraak, gesponsord door de belanghebbers. Reclametechnieken en belangenvermenging, zonder enige schijn van openlijk cynisme toegepast. De economische logica is overal. Wij zijn murw, apathisch, machteloos - en 'zij' weten het. Weggaan van zo'n vertoning is het enige zinvolle wat je kunt doen. Maar wat nu?


13 in z/w 296



los ingeslagen 136


17 augustus 2013

Rond elf uur vertrekken we voor onze laatste fietsrit. We zullen deze week 59 + 85 + 50 + 52 = 246 kilometer hebben afgelegd. Met de auto rijden we tot Versols (op de weg naar Saint-Affrique) en van daaruit vertrekken we met de fiets. Eerst doen we de beklimming van Gissac; op de top is er nog een bolletjestrui op het wegdek geschilderd, het restant van een VTT-wielerwedstrijd. Op het eind van de afdaling vinden we op een bult van rode aarde, onder twee eiken, een mooie picknickplaats. Met uitzicht op het château de Montaigu. De beklimming daarheen blijkt de zwaarste van de hele week – en we hebben er toch al een paar lastige gedaan. Boven worden we opgewacht door een orkestje (vijf jongemannen waarvan er een deuntjes speelt op een trekzak, hij wordt begeleid door een trommelaar). Niet dat ze er speciaal voor ons staan, maar ’t is toch prettig te denken van wel. Nog wat verder (de beklimming is, zo stellen we vast, nog verre van gedaan), wanneer we alweer uitpuffen en S. nog wat moet bekomen van de nare ervaring net een van de bergwand losgekomen rotsblok achter zich te hebben horen neerkomen, wacht een vriendelijke staartloze hond ons op.

Na een steile en niet ongevaarlijke afdaling bereiken we Saint-Affrique. We kopen er de fles champagne die we H. en J. willen geven voor hun vijftigste huwelijksverjaardag. Ze vieren dat maar in september, dus mogen ze pas dan de doos openmaken! Op een terras drinken we een koffie. De ober zorgt voor de enige negatieve noot van de hele reis. Wanneer ik hem ‘un grand noir’ vraag, zegt hij: ‘Ici, il n’y a pas de noirs.’ Zuid-Frankrijk mag dan idyllisch mooi zijn, het is er soms ook onbehoorlijk bruin.


facebookbericht 464


Wat? Is het waar? Is JFK vermoord? Dat moet zeker vijftig jaar geleden zijn want ik weet van niets.


reactie


Mooi schilderijtje, mooi contrast, oud-jong, oud groen en jong wit.  Robert Devriendt zou er een mooi miniatuurtje van maken.
Gegroet in de morgen.



3421


Audresselles (F) - 130824


woensdag 20 november 2013

transgalactisch perspectief 4


R treedt op deze blog aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de toestemming deze berichten hier te plaatsen.
R wenst anoniem te blijven.


Dag Pascal,

Ik hou van de overheid. Iedereen zou moeten houden van de overheid. De overheid, dat zijn wij. Het zijn onze belangen die de overheid dient, met ons geld en onder ons toezicht. Natuurlijk kan alles beter, maar toch iets om trots op te zijn, zou ik denken. Maar ik behoor geloof ik tot de minderheid. Voor velen is de overheid een noodzakelijk kwaad en een onophoudelijke bron van ergernis en falen. De markt kan volgens de heersende opvatting alles wat de overheid doet, per definitie beter. En beter is dan vooral goedkoper.

Dat is natuurlijk niet waar. De overheid is een appel, de markt een peer. De markt heeft ten doel haar winst te maximaliseren. Niets op tegen, maar dat is een heel andere, en veel engere doelstelling dan de opdracht die de overheid voor ons uitvoert. Die vraagt om een bredere afweging dan alleen de financiële consequenties. Toch lijkt de overheid hiervan nog het minst overtuigd. Zij brengt nog steeds massaal taken, en daarmee ook ambtenaren, naar de markt. Ik zit in zo’n markt: de automatisering.

De Nederlandse overheid werkt vanaf 2017 volledig digitaal. Applaus, zou je zeggen, maar ik zou nog even wachten met klappen. Want de hele automatisering is uitbesteed aan bedrijven. Van advies tot en metbeheer. En bedrijven doen alles wat niet bij wet verboden is om hun winsten te maximaliseren. Dus als het hen helpt om dealtjes met elkaar sluiten, failliet te gaan, te fuseren of gekke dingen te doen, staat de overheid machteloos. Net zo machteloos als in de financiële crisis, waarin de overheid zich ook volledig afhankelijk voelde van de banken en zich genoodzaakt voelde hen een blanco cheque te verstrekken. Herhalingsgevaar = 100%. Echt waar. Bah.

En hoe kan dat nou? Hoe kan de overheid het publieke belang nou aan de bedrijven verkopen? Waarom is ‘socialist’ een scheldwoord? Waarom zijn ambtenaren geen helden maar losers? Wat voor samenleving is dat, die dat vindt? Dat brengt ons bij Remco Campert:


Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen



Groet, R


facebookbericht 463


 Gisteren nog in de wolken, vandaag terug op de grond. Je brengt mij op een idee: de fenomenologie van de teleurstellende leeservaring moet dringend geschreven worden. Hoe je aanvankelijk bereid bent om mee te gaan, betoverd, ja zelfs verliefd. Je overwint de argwaan die jou is bekropen naar aanleiding van de hype, de bekroning en misschien de mooie ogen van de schrijfster. De eerste bladzijden zijn inderdaad... meesterlijk. Je bent euforisch! Maar dan wordt de idylle ras doorprikt. Je ziet de mechanismen en de trucs. Je wordt kwaad want je bent niet au sérieux genomen. De teleurgestelde lezer als bedrogen minnaar. Je verlangt naar een boek mét ruis, naar Proust, naar een échte schrijver. Maar je moet voortdoen, nog honderden bladzijden, want je wilt je vergissing niet toegeven. Misschien wordt het toch nog een goed boek. Je bent echter een goede lezer en je weet dus dat het niet meer goed komt... Enzovoort. Bedankt Pierre, voor je eerlijk leesverslag!


3420


J. in Audresselles (F) - 130824


dinsdag 19 november 2013

13 in z/w 295


Brussel, Koloniënstraat 

facebookbericht 462


Je hebt gelijk, Roger, weten alleen is niet genoeg, er moet ook gehandeld worden. Het kan een schijnbetrokkenheid teweegbrengen. Elk van ons moet maar uitmaken of dat voor hem of haar van toepassing is. Maar reken maar dat die politici met weemoed terugdenken aan het pre-facebooktijdperk, toen ze nog niet op de vingers werden gekeken. Je mag het mobilisatie- en controlevermogen van de sociale media toch ook niet onderschatten.


facebookbericht 461


Naar welke musea ik met mijn ouders ging? De uitschakeling van mijn ouders was noodzakelijk om mijzelf de toegang tot een museum te verschaffen.


facebookbericht 460


De burgemeester heeft die zogenaamde 'oorlog' tegen drugs nodig om zichzelf te profileren als strenge burgervader - in de ogen van diegenen die smachten naar een strenge (burger)vaderfiguur en zij vormen, zoals wij kunnen vermoeden, een meerderheid, of dan toch zeker een erg grote minderheid. De tsjevenredenering van BDW (de professoren hebben in theorie wel maar in praktijk geen gelijk) bewijst dat hij zelf niet in die 'oorlog' gelooft. Maar zijn 'praktische' houding is electoraal interessant en dus pervers. (Merk dat ik het woord 'oorlog' tussen aanhalingstekens plaats want echte oorlog is natuurlijk geen show.) Staf, wat je overigens zegt over de willekeurige grens tussen legale en illegale drugs is pertinent: 'Eigen drugs eerst'.


3419


S. - 130822


maandag 18 november 2013

facebookbericht 549


Die DS-lijn zat ook een beetje in die ouwe Saabs: opgaand van een lagere achtersteven naar een hogere voorsteven, en met een rechtopstaande voorruit: werkelijk schitterend - Saab heeft dat lang kunnen volhouden, maar tegenwoordig is het ook allemaal uniforme prut, en zijn ze zelfs failliet, geloof ik. Citroën heeft nog altijd mooie modellen, maar ze blijven maar een tijdje mooi, ze demoderen snel, wat van de DS niet kan gezegd worden, die is werkelijk tijdloos mooi!


getekend 117



13 in z/w 294


Brugge, Visartpark

transgalactisch perspectief 3


R treedt op deze blog aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de toestemming deze berichten hier te plaatsen.
R wenst anoniem te blijven.

Dag Pascal,

Het leukste van weggaan is toch nog altijd het thuiskomen. Mijn beste herinneringen heb ik in dit verband aan de terugkeer van vakantie in Frankrijk, lang geleden. We reden ’s nachts, de drie kinderen achterin. Om een uur of 6, 7 passeerden we de Nederlandse grens en ging radio-1 aan.

Er was er een christelijke kinderboekenschrijfster te gast, Lijda Hammenga. Ze vertelde zo boeiend mogelijk over wat mij een heel saai bestaan leek. Haar nieuwe boek Prikpoes, was uit. Maaike en Koen speelden in de tuin van tante Suus. En opeens hoorden ze een gek geluid uit de schuur … etc. Toen ik een andere zender wilde zoeken, begon ze over de Tweede Wereldoorlog, en ze vertelde dat ze pas laatst had ontdekt dat dat “best een spannende tijd was geweest.” Onze kinderen schoten vanaf de achterbank als eerste in de lach: goed opgevoed. Hilarisch werd het toen ze vertelde waarom, namelijk met die onderduikers, en de joden, en die concentratiekampen… ja, misschien ging ze daar ook nog een keer een boek over schrijven. Dat was echt thuiskomen.

Gister kwamen mijn vrouw en ik terug van een korte dadertour in Duitsland. We bezochten het SS-museum in Wewelsburg en de Gestapokeller in Munster. De week ervoor waren we naar het geheel vernieuwde herdenkingsmuseum van de Eerste Wereldoorlog in Ieper geweest. De oorlogsindustrie draait nog op volle toeren.

Een van de vele boeiende objecten was een kaart uit 1942 met een Duitse prognose over hoe de wereld er na een paar jaar uit zou zien. Bijna alles was Duits blauw. Dat roept bij mij altijd weer de vraag op hoe het zou zijn geweest als ze hadden gewonnen. En opeens wist ik het. Ik had het al gezien in Amerika. In het geboortehuis van Thomas Jefferson. Daar hing een tekening aan de muur over “how the west was won”, namelijk door de genocide die niet alleen zeer succesvol was in zijn uitvoering maar ook in het verdringen van diepe schaamte door misplaatste trots. Zo had het in de vorige eeuw ook af kunnen lopen, bedacht ik me. In ieder geval als het aan mijn vader lag.


Groet, R


facebookbericht 458


Ik heb die anciënniteitsregel altijd al een monstruositeit gevonden. Ook toen ik zelfstandige was. Inderdaad hebben jongeren het meer nodig dan uitbollende carrièristen die vlak voor hun vet pensioen staan. Maar bovendien kwam ik onlangs tot de vaststelling dat een collega die even oud is als ikzelf maar die toevallig een rechtlijniger loopbaan achter de rug heeft, driehonderd (300) euro per maand meer verdient met precies hetzelfde werk. Nu vind ik niet dat ikzelf (als ambtenaar) te weinig verdien, maar het anciënniteitsprincipe lijkt me toch niet altijd even rechtvaardig – om het zacht uit te drukken. Dus wordt het hoog tijd dat er verandering in komt. Maar je zult zien: zij die hun schaapjes al op het droge hebben zullen zich er het hardst tegen verzetten.


los ingeslagen 135


17 augustus 2013


Vannacht is er onweer en regen. Ik lees van vijf tot zes en vat daarna – gelukkig – opnieuw de slaap. Alweer bevolken mijn kwelduivels mijn dromen. Deze vormen bij het ontbijt, onder het zeil vanwege de lichte regen, de aanleiding voor een diepgaand gesprek. We hebben het over mijn onverwerkte (‘versteende’) trauma’s. Wat moet ik ermee? Expliciteren? Waartoe zou ik dat doen? Nog het liefst van al zou ik, zeg ik, veel liever in elk geval dan ermee naar een psych gaan, er een boek mee schrijven. Een brievenboek, zoals Black Box van Amos Oz (dat ik nu aan het lezen ben), zou een zeer geschikte vorm zijn. Ik heb in elk geval stof genoeg voor een pittig familiedrama, zeg ik nog – maar dat klinkt me meteen al te dramatisch in de oren. Stof genoeg is echter niet genoeg, natuurlijk. Je moet het ook nog kúnnen. We hebben het ook nog over G., over genetisch en omgevingsbepaalde psychische aandoeningen, over het nut van psychiaters, psychologen en psychotherapeuten, en over al hun gepsychologiseer. S. moet me voor de zoveelste keer het verschil uitleggen: ik vergeet het iedere keer (of ik verdring het). Ze raadt me aan om eens met die X te gaan praten. ‘Is hij er zo eentje die wordt terugbetaald of niet?’, probeer ik nog. Gelukkig zijn er hier in een straal van vijftig kilometer vast en zeker geen te vinden: ik voel me veilig.


los ingeslagen 134


16 augustus 2013


Een praatje met de 80-jarige J. over fotografie en fototoestellen. Hij fotografeert graag tuintjes, maar ook mensen. ‘Aangezichten zijn belangrijk,’ zegt hij apodictisch. Ik beaam en denk: ze worden steeds belangrijker naarmate je ouder wordt (…).


doordeweekse zinnen 81-106


131110

81. Aubergines zijn niet saai.

82. Ik heb al meer succesvolle zelfmoordpogingen bijgewoond.

83. De belangrijkste reden waarom ik niet op uw vraag kan ingaan, is dat ik mezelf niet in staat acht om honderden gedichten te beoordelen zonder op een of andere manier arbitrair te zijn.

131111

84. Wat je doet, moet je steeds assumeren.

85. Fantasie noch geheugen, enkel het nu.

86. In jouw droom had ik eerst een T-shirt aan van Proust en dan een mooi blauw overhemd.

87. Hij had een zeer sterk uitgesproken verlangen om zijn leven te vertellen.

88. Blad na gevallen blad raapte zij op en zo bracht zij haar laatste levensjaren door.

89. Hoelang nog, dat rouwen om de dood van God?

90. In een wereld waarin alles om uitwendigheid draait, kan de ziel zeer eenzaam zijn.

91. Toen de fotoranden nog gekarteld waren, dacht hij dat hij de loop van de geschiedenis ingrijpend zou kunnen wijzigen.

131112

92. Heb je dat nu ook, als je op straat een papiertje in een vuilnisbak gooit, dat je eerst rond en achter je kijkt om te zien of er een GAS-ambtenaar in de buurt is?

131113

93. De tekst is met potlood geschreven zodat je hem nog kunt uitgummen als hij jou slecht uitkomt.

94. Je ging net gehuldigd worden toen die kerel in de zaal zijn overhemd uittrok en met veel misbaar en exuberant schaduwspel de aandacht trok.

95. Dat vervelend-beschamende gevoel dat je kunt hebben als je je, onmiddellijk nadat je eindelijk de televisie hebt uitgeschakeld, niet meer meteen kunt herinneren waarnaar je hebt zitten kijken.

96. Het gebeurt niet vaak dat je een bladzijde 1000 leest.

97. Zolang we dit niveau halen, hoeven we ons geen zorgen te maken over de westerse beschaving.

131114

98. Zou Vera bij elk nieuw boek van haar man gekeken hebben of hij het ook dit keer aan haar had opgedragen?

99. Ik zag vorige week op straat twee jongemannen – blank en zonder gouden oorring – met mijter over de schouder (de eerste) en rood-witte sinterklaasoutfit onder de arm (de tweede).

100. Op haar weg naar het toilet werd de al wat oudere vrouw met de groene spanbroek (rits op de bips) heen en weer geworpen op het middengangetje doordat de trein bij het binnenrijden van Brussel Zuid over wissels reed en van spoor veranderde – zo hevig dat ze naar de handgrepen bovenop de zitjes moest grijpen om zich overeind te houden.

131115

101. Zelfs de suikervraatzucht van de omhooggevallen ondertitelaarster moet wijken voor haar sacherijn.

102. De koningin heeft een nieuwe coupe.

103. Ik vond dat niet slecht van Bart Peeters, toen hij zei dat Sinterklaas bestaat zolang ouders in hun kinderen geloven.

131116

104. J. declameert met veel jolijt een van zijn geliefde spreuken: ‘Bezoekers brengen vreugde aan – is ’t niet bij ’t komen, ’t is bij ’t gaan’.

105. Volgens mij wéten vliegen dat je van plan bent ze dood te meppen.

106. Veel relaties stranden omdat de partners te gemakkelijk bereikbaar zijn en de goedgunstigheid niet de tijd krijgt om zich te ontwikkelen, of de ergernis om te bekoelen.

3418


130822

zaterdag 16 november 2013

13 in z/w 292



13 in z/w 291


Brussel, Duquesnoystraat

los ingeslagen 133


15 augustus 2013

Na de gemeenschappelijke quinze août-aperitief is S. wat suf van de wijn en ook de als hapjes vermomde lookbommen die H. serveerde liggen haar zwaar op de maag. Ze besluit wat uit te rusten op de mat. Ik dronk enkel water en kan dus lezen. Maar na enkele bladzijden ga ik toch ook liggen. Er zorgvuldig over wakend om steeds in de schaduw te blijven. Wat later gaat S. in de schuur schrijven en ik lees verder. Maar ik fotografeer ook de krekel die op ons flesje Nivea-zonnecrème heeft postgevat en daar met zijn grasgroen mooi contrasteert met de merkkleuren geel en blauw; ik maak een tekening van het zicht dat we van op onze standplaats hebben op het benedengedeelte van de campingweide en kleur hem vervolgens in met aquarel, en ga daarna ook nog zwemmen. Na het avondeten – tomaat, couscous, makreel, olijven, roquefort en brood – maak ik enkele foto’s van de kogeldistels die S. gisteren afsneed en in een op halve hoogte doorgeknipte plastic fles schikte, na eerst deze rudimentaire vaas te hebben verzwaard met een van de stenen die ik van een wandeling naar de sanitaire blok heb meegebracht. Zolang er genoeg licht is en het is niet te koud, blijven we buiten lezen. En zolang de insecten ons niet al te zeer belagen.




transgalactisch perspectief 2


R treedt op deze blog aan als gast. Hij nam zich voor mij 365 berichten te sturen en gaf mij de toestemming deze hier te plaatsen.
R wenst anoniem te blijven.

Dag Pascal,

Ons contact gister, heeft een gedachte in me opgeroepen waar ik nog niet de juiste woorden bij gevonden heb. Bij mijn schoonvader bekeek ik een fotoboek van een Engels vissersdorp, begin 20e eeuw: bootjes, kleine huisjes, gezellige kinderen, een koetje hier en een lammetje daar. Ik stelde me zo voor dat het er daar een paar eeuwen eerder ook zo aan toeging, en het er nu in niets meer op zou lijken.

Mijn schoonvader woont op een boerderij, heel mooi. We passen er vaak op als hij op vakantie is. Het leven rond de boerderij kennen we daardoor vrij goed, van het braakliggende, omgeploegde land tot het braakliggende omgeploegde land, en alle fasen daartussen. Dat ziet er elk jaar hetzelfde uit, maar niet voor mij. Mijn ogen registreren hetzelfde, maar ik zie en ervaar het steeds anders. Dat lijkt me een natuurlijke tegenhanger voor de overdaad aan beeld die ons heeft overvallen, sinds de televisie in onze jeugd zijn intrede heeft gedaan. Er is vast een relatie tussen omvang en diepgang: hoe meer beelden we zien, hoe minder tijd we hebben om deze op ons in te laten werken.

Terwijl nog wordt gespeculeerd over wat het effect van die verandering zou kunnen worden, is deze al te zien in het straatbeeld, in de kantoren en de huizen waar iedereen gelaten, uren per dag achter beeldschermen zit en regie voert op de beeldblubber. Het doet me denken aan obesitas: een overdaad die door de bedrijven die eraan verdienen tot het maximum wordt opgevoerd, en die de afnemer maakt tot een bodysnatcher: beeld erin, geld eruit. Het feestje van de 21e eeuw.


Groet, R

3416 a-j










Bort-les-Orgues (F) - 130820