zondag 30 november 2008

Dag 459 vVH&C

Een groot deel van de zin van het leven, overweeg ik plotseling, op de trein, is gelegen in het máken. En meteen zie ik alle dingen als gemáákte dingen – de stoelen in de wagon, de lay-out van mijn krant, het perronmeubilair van het station waar we door rijden, het lettertype van een affiche – en hoeveel mensen – ontwerpers, ambachtslieden, lui die in iets gespecialiseerd zijn, die iets goed kunnen – hebben daar geen vreugde uit geput? Stel nu eens dat we iets van die vreugde beter tot ons zouden kunnen laten doordringen. Dat al die voorwerpen over het vermogen zouden beschikken om de trots en de genoegdoening van hun makers te tonen. En dan zie ik, vlak voor het binnenrijden van de Noord-Zuidverbinding, een nieuw opschrift, in koeien van letters: ‘J’ai toujours voulu le faire!!’.


*

Toen iemand een keer tegen haar zei dat al die pracht en praal van Venetië te danken was aan het zweet van de Venetiaanse arbeiders, antwoordde ze dat ze zich geen betere bestemming voor dat zweet kon voorstellen.

Karel van het Reve, Achteraf (Amsterdam 1999), 252

1608 / Uit het nieuws

Eén Amerikaan sterft door vertrappeling bij opening koopjesdagen.

zaterdag 29 november 2008

Dag 458 vVH&C

081120 – Het portret van Wannes Van de Velde dat Canvas zondagavond 16 november uitzond, was bijzonder goed gemaakt: een mooi overzicht, evenwichtig gespreid, een goede afwisseling van beelden, aandacht voor de verschillende disciplines waarin Van de Velde actief was.

Maar ik leerde toch vooral de man kennen – want ik kende hem niet, besefte ik. (Ook daarom was het een goed portret: je leerde iemand kénnen.) Dat ik hem niet kende, had veel te maken met zijn persoonlijkheid, zo bleek. Van de Velde bleek behalve intellectueel integer en artistiek uiterst begaafd ook, ‘als mens’, authentiek, teruggetrokken en zeer veeleisend – en dat laatste niet enkel voor zichzelf. Bovendien bleek dat hij helemaal niet gemakkelijk leefde. Dat hij jaren van depressie doormaakte. Dat hij door discipline, volharding en een groot geluk in de liefde – ook in de zin van chance – had weten te overleven. En vooral ook dat hij teerde op een gezonde woede, op boosheid, kwaadheid om al wat hem niet zinde. Daar poogde hij dan met zijn kunst schoonheid in stelling te brengen.

‘Kwaadheid, oprechte kwaadheid drijft Wannes Van de Velde. Kwaadheid over de manier waarop Antwerpen als een product wordt verkocht, over de pretentie van de loftbewoners, over de eenheidsmortadella die ze tegenwoordig wereldmuziek noemen, over flauwekul in al zijn gedaantes.’

Piet Piryns in Knack van 19 november 2008, een reprise van zijn rede bij de voorstelling in 2007 van Van de Veldes dagboek Beloken dagen

1607 / Veldzicht 3/3

Oedelem – 081122, 18u02

vrijdag 28 november 2008

Mijn woordenboek (205)

AFSCHEIDING

Snot en zout en sperma.
Nagels met of zonder lak.
Roos en andere epiderma-
le residu’s. Pis en kak
als keutel.
Of anderszins.
Teenkaas, rimmel en veel rommel.
Smeer in oor en trommel-
vlies.
Vies.
We pulken, krabben, scharten.
We wrijven, vijlen ons in flarden.
We knippen, pitsen uit en
ejaculeren.
Epileren.
Masseren.
Scheren.
We bukken om te knippen,
we rekken om te rukken.
We reiken naar onze verste tenen en
halen er met een houtje de rimmel vantussen.
Ge kunt ze kussen.
We worden al lijken.
We staan, of zitten, te zeiken.
We scheiden sappen af,
dat het geen naam heeft.
We verliezen vochten, we bloeden, we zweten.

En ja, vergeet de tranen niet die we
wenend, huilend, tsjiepend, tjankend
vergieten.

Proef onze exquise liquides!
Als daar zijn:
maagdenvliesbloed, vaginale vochten,
maandstondelijk materiaal, baarmoederkoek.
Enfin, alles tussen geil en kind.

En dan hebben we het nog niet gehad over
de ideeën, de gedachten, de emoties.

En vooral: de hunkering.

1606 / Veldzicht 2

Oedelem – 081122, 18u07

donderdag 27 november 2008

Dag 456 vVH&C

081118, 081119 en 081126 – Een groter contrast hadden ze moeilijk kunnen bedenken. Huismus Herman Brusselmans, die op een gegeven ogenblik ‘De inhoud is dood’ zegt, en politiek vluchteling Abdollah, een profeet die, helemaal uit het verre Iran daarvoor speciaal naar hier gekomen, het beschavingsmoeë Westen zijn (Abdollahs) Waarheid komt voorhouden. Het gesprek was af en toe bijzonder komisch. ‘Brusselsman’, bleef Abdollah aansprekingsgewijs in de boosheid volharden. ‘En jij, denk jij daar niet aan?’, vroeg de verkeerd aangesproken Gentenaar dan weer van zijn kant olijk nadat hij net de beleefd geformuleerde opmerking had geïncasseerd dat hij elke vrouw die op straat passeert als een wandelende winkel van te betasten fijne vleeswaren beschouwt. Hetgeen hij overigens niet ontkende. Dat Brusselmans het succesboek Het huis van de moskee van Abdollah niet echt hoog aanslaat, kon hij maar amper verbergen achter beleefd geformuleerde complimentjes in de aard van ‘We leren nog eens iets.’ Abdollah van zijn kant – je kunt het je eigenlijk nauwelijks voorstellen dat hij meer dan twintig bladzijden Brusselmans-geouwehoer úithoudt – zag in onze langharige vriend de vaandeldrager van de Europese angst. Of: Angst, ik denk dat hij, stevig articulerend van onder zijn forse knevel, een hoofdletter in zijn intonatie lei.

Enfin, het was spannend en geestig. Superieure ironie van beide kanten, maar toch ook af en toe, in beider ogenparen, de matte glans van perplexheid.

Waar Abdollah zich als een onvoorwaardelijke heraut van de Schoonheid aandiende, wellicht nog vanuit een prepostmoderne Perzische traditie waarin op tapijten gezeten mensen elkaar verhaaltjes plachten te vertellen, daar draaide Brusselmans al van bij zijn eerste woorden het oude deuntje van het anti-intellectualisme af. Gevraagd naar het belang van zijn passage in de Vlaamse letteren, die drie meters boekenplank geleden een aanvang nam, stelde hij dat het zijn grote verdienste was geweest de Vlaamse literatuur van haar ernst te hebben bevrijd. De Literatuur met grote L, ja, die had Brusselmans eigener beweging en kracht uit de exclusieve bibliotheken van de intellectuelen weggehaald. Ongeveer met die woorden zei hij het.

Abdollah pakte Brusselsman bij de lurven, of bij de achillespees. ‘Herman schrijft negenenveertig boeken in vijfentwintig jaar. Kader Abdollah schrijft elk boek zeven keer.’ Dat moest verklaren dat hij er nog maar vijf bijeengepend had. Door zijn gesprekspartner, waar die erbij zat, met diens eigennaam en in de derde persoon te vermelden (alsof Brusselmans, of Brusselsman, op dat eigenste ogenblik in de Gentse Sleepstraat op café zat), sorteerde hij precies het omgekeerde effect als het effect dat hij bewerkstelligde door, over zichzelf sprekend, niet ‘ik’ te zeggen maar ‘Kader Abdollah’. ‘Kader Abdollah schrijft prachtige boeken’, zei Kader Abdollah, die daarmee zichzelf, waar hij bij zat, tot instituut verhief.

Deze aflevering van Iets met boeken bracht een halfuurtje meesterlijke slapstick.

1605 / Veldzicht 1

Oedelem – 081122, 18u09

woensdag 26 november 2008

Ondertussen in Brugge (126)

Het bestaat (47) / Droom # 15

081115 – Met S naast mij kijk ik vanuit een stilstaande trein naar een sportief tafereel op een pleintje onder de spoorbaan. Een allochtoon gezin. De gehoofddoekte moeder, met een klein kind op de linkerarm en een pak op de rechterarm, op borsthoogte geheven, staat te keepen in een doel. De vader shot naar goal. De bal lijkt een eind naast de rechterpaal te zullen belanden, maar door het effect maakt zijn baan nog een ferme zwaai naar links. De bal ‘spat uiteen’ op de paal – en dat deze van metaal is, horen we tot in de trein: kleng!

Wat er dan in dat pak zit? Een adder, op sterven na dood. Het is de bedoeling dat die vader de adder doodshot. Wanneer S, in een vlaag van bewogenheid voor het ‘dierenwelzijn’, bezwaar aantekent tegen deze wrede marteling, vaart die vader tegen haar uit: ‘Ga er dan zelf mee naar Palestina!’

Dag 455 vVH&C

081115 – Telkens ik overweeg om aan mijn autobiografie te beginnen – of aan een autobiografische tekst, voor wie autobiografie te verwaand zou vinden, of gewoon aan een tekst over mezelf –, besef ik dat het tijd wordt om mijn ouders uit te horen. Zij moeten mij over hun verleden vertellen voor ze het in hun graf meenemen. Ik moet weten waar ik vandaan kom.
Maar is dat niet een vreemde gedachte? Dat ik om over mezelf te schrijven eerst zou moeten uitleggen wie zíj zijn geweest? Bestaat mijn identiteit niet uit mijn onwetendheid over hun levens, uit het feit dat ik deze levens níet ken, veeleer dan dat die identiteit een samenvloeiing zou zijn van wat zij, de twee rivieren die in mij zijn uitgemond, in hun beddingen hebben vergaard en meegesleurd? Ben ik niet, móet ik niet een ándere rivier willen zijn – een die met hen niets, of toch niets essentieels, te maken heeft? Of een waarin een dam is gelegen, waartegen al hún aanslibsels aanspoelen en mij dus niet hebben weten te bereiken? En moet ik dan niet vooral die dam beschrijven, en dat aanslibben, als ik het over mezelf wil hebben?

*

Ik beef alleen al bij de gedachte aan de ongeplande en onbekende maar onontkoombare en niet te stuiten kracht waarmee ouders in hun kinderen sporen achterlaten, die, net als sporen van een brand, niet meer kunnen worden uitgewist. […] Wij hebben er een leven lang voor nodig om de ingebrande tekst te vinden en te ontcijferen en we kunnen er nooit zeker van zijn die helemaal te begrijpen. […] Het is nog niet zo lang geleden dat het eindelijk tot me doordrong dat er in mij een machtige tekst is die over alles heeft geheerst wat ik tot de dag van vandaag heb gevoeld en gedacht, een verborgen, gloeiende tekst waarvan de verraderlijke macht eruit bestaat dat ik ondanks al mijn geleerdheid nooit op de gedachte ben gekomen dat die tekst misschien niet de geldigheid bezat die ik, zonder er ook maar iets van te weten, ervan verwachtte.
Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2008 24ste druk), 264

1604

Brugge, Guido Gezellelaan – 081123, 17u26

dinsdag 25 november 2008

Reactie

Nooit zag ik een beeld van de Smedenpoort als deze. Foto 1603 is om van te snoepen. Als een deugddoend bord soep op een koude dag. Ogenschijnlijk chaotische foto's boeien mij. Anders gezegd: intrigerende foto's van een chaotische werkelijkheid spreken mij enorm aan. Hoe die werkelijkheid vorm krijgt door de kadrering en de plaatsing van de beeldelementen tot een esthetische samenhang. Hoewel ze zich over en door elkaar heen manifesteren, vallen de diverse structuren - de Smedenpoort zelf, de bomen, de staketsels, de groene lappen, de bandensporen op de besneeuwde straat - wonderbaarlijk mooi in één plooi. De dunne laag sneeuw houdt alles samen. Wat kan de winter schoon zijn.
Luc

100 woorden (12)

In een hoek van de wachtkamer steekt in de muur een rooster. En uit die rooster breken, afgewisseld door kutmuziek, reclameboodschappen voor Peugeot en Beemsterkaas. Ik probeer te lezen. Dat gaat natuurlijk niet. Zie de mensen. Zie dat rooster. Radio Twee: ‘Laat ons allen optimistisch zijn en vergeten dat we in een wachtkamer zitten.’ Het ritme van de beat is de dreun van een bataljon dat met geheven benen voorbijmarsjeert. Ik lees een zin voor de vierde keer, ik wil opveren en dat rooster uit de muur rukken. En dan zie ik plots de meewippende voeten van de andere wachtenden.

1603

Brugge, Smedenpoort – 081123, 17u42

maandag 24 november 2008

Uit het nieuws

Een Amerikaanse vrouw, op straat naar haar mening over de crisis gevraagd: ‘Ik heb twee hobby’s: winkelen en lezen. Nu lees ik meer.’ Allez vooruit: leve de crisis!

Dag 453 vVH&C

081114 – J. laat een lied horen van Willem Vermandere, over kinderen die op het voormalige Duitse oorlogskerkhof van Lauwe spelen. (Dat kerkhof heeft plaats moeten ruimen voor een verkaveling.) Is het niet te ‘melig’?, vraagt J. Neen, J., het is niet melig. Het is misschien niet de allerbeste muziek, maar het is niet melig. Vermanderes lied is een authentiek antwoord op een vraag. Het is een lied dat troost wil zijn. Dan doet het er niet meer toe dat het cliché niet wordt overstegen.

Wij noemen het lied melig omdat wij ons onvermogen niet onder ogen wensen te zien. Stel dat we zouden beseffen dat we zelf misschien niet genoeg bij de dingen stilstaan. En: het antwoord dat die dingen ons vragen, moet, kán toch niet altijd origineel zijn? Soms heeft een mens enkel amechtige formules ter beschikking.

Gewoon een antwoord dat al duizend keer gegeven is op een vraag die al duizend keer werd gesteld.

Een ritueel.

Willem Vermandere die, gevraagd naar een reactie op de dood van Wannes Van de Velde, gewoon een stukje op zijn klarinet begint te spelen.

1602

Brugge – 081123, 17u52

zondag 23 november 2008

1601 / De Panne 081030 5/5

Microficties (2)

De tijd koken

Dankzij mijn genialiteit heeft mijn werk de eeuwen kunnen doorstaan. Het genoot het voorrecht om, tijdens een nucleair conflict dat de planeet gedurende honderdveertig jaar dodelijk radioactief maakte, in een speciale schuilplaats te worden bewaard. Ikzelf wist te overleven in een ruimtestation van meerdere kilometers lang, dat al geruime tijd op zee ronddobberde. Om de tijd te doden, plantten we ons voort als de ratten. Onze dochters erkenden we niet, eens ze volwassen waren bedreven we met hen de liefde.

– De landen die toen weerstand boden, bestaan niet meer.

Landen zijn al bijna even vergankelijk als de douaniers in hun grensposten. De continenten moesten uit elkaar worden getrokken, of samengebracht. De wereld kreeg de tijd om te worden geherstructureerd zoals een verouderd bedrijf. We hebben haar uitgevoerd naar een beter aangepast sterrenstelsel, of we hebben geprobeerd haar zodanig samen te drukken dat zij op haar geheel kon worden ingebracht in een atoom.

Op het ogenblik dat u deze bladzijden leest, weten nog maar een paar erudieten dat ik géén tijdgenoot was van Rabelais, La Bruyère, Molière of Dante. Velen onder u denken dat ik fabels schreef, tragedies of alchemietraktaten, en sommigen wachten sceptisch het moment af dat ik hun het geheim van de steen der wijzen onthul. Niemand spreekt nog mijn taal, u leest een vertaling die zozeer het product is van de verbeelding dat u in mij de opschepperige en mallotige uitvinder ziet van een oven om de tijd te koken, kwestie van hem hard te maken, krokant als een beschuit, om hem te bewaren in een blikken doos zodat je hem naar eigen goeddunken beetje bij beetje kunt oppeuzelen.

Maar misschien zullen in uw tijd mijn boeken al zijn herleid tot niets meer dan een geur van inkt, van lijm, van papier – zodat u er prat op zult kunnen gaan ze te hebben ontcijferd zonder u ook maar de moeite te hebben getroost ze effectief te lezen. Voor zover natuurlijk de bibliotheken al niet als bizarre zonnebanken zijn geworden waar de cliënten, die zich in grote haast willen laten bestralen met de ternauwernood geredde zwaarwichtige cultuur van teloorgegane beschavingen, zich eventjes kunnen laten verlichten.

Maar zelfs als u mijn boeken leest, als u elk van de woorden erin begrijpt, als ze u als schepen met zich mee weten te voeren, dan nog betreur ik het ondanks alles dat ze niet in mijn plaats tot stof zijn vergaan. Ik ben hen niet méér toegewijd dan het toetsenbord van de computer waarmee ik ze geschreven heb. In ruil daarvoor had ik graag wat langer geleefd.

– Een beetje eeuwigheid zou me plezier hebben gedaan.

Régis Jauffret, Microfictions 145-147 – mijn vertaling

zaterdag 22 november 2008

Het bestáát (46)

081111 – Ik deed een wandeling buiten en raapte wat gele blaadjes op. Ze zijn geel omdat het herfst is en ik kon ze oprapen omdat ze op de grond gevallen waren en ik nog soepel genoeg om mij te bukken en bovendien over een gezonde hersen-grijpcoördinatie en een voldoende gezichtsvermogen beschik. Ik heb er ook heel veel laten liggen: niet iedereen kan worden gered. Het waren esdoornblaadjes en blaadjes van zo’n Japanse boom. Waaiervormige blaadjes, een hard blad. Kijk, ze zien er min of meer zo uit:
Vorig jaar raapte ik er ook een paar op en met kleefband plakte ik ze tegen de muur. Daar verdorden ze, ik had ze beter eerst gedroogd tussen de bladzijden van een boek. Ze hielden aan die muur op met geel te zijn en werden bruin en krulden op. Nu heb ik de blaadjes in het telefoonboek gestoken en dat telefoonboek heb ik onder een van die zware fotoboeken gelegd die hier al een half jaar klaar liggen om gelezen en bekeken te worden maar ik kom er niet toe. Misschien dat op die manier die blaadjes hun kleur zullen bewaren. En dat ze niet zullen opkrullen.

1600 / De Panne 081030 4

vrijdag 21 november 2008

De Panne 081030 3

Dag 450 vVH&C

081110 – Middagjournaal Canvas, een bombardement van emoties.

1. ‘Pata Pata’-zangeres Miriam Makeba wil tijdens haar verbanning uit Zuid-Afrika ten tijde van de Apartheid maar één ding: bidden bij het graf van haar moeder. Maar ze weet niet waar haar moeder begraven ligt.

2. Waardige Congolese vluchtelingen in een troosteloos kamp: ‘Wij hádden iets. Een huis van steen, een stukje grond, ons dorp. Nu hebben we niets behalve een lege maag.’

3. Een Belgische oud-strijder van 14-18 in een archiefbeeld uit de jaren zeventig over een Duitse soldaat die na de uitbraakaanval van 1917 in een hoop lijken ligt en om zijn moeder schreeuwt: hij is blijkbaar nog niet dood. ‘Een stamp op zijn borst en dat was dat.’

*

081110 – Overschrijven (107)

[Ik heb] aan een mogelijk einde gedacht, en getracht me daar een voorstelling van te maken, maar ik zag geen ijzingwekkende beelden opdoemen. Althans niet voor mezelf. Het enige wat me pijn deed was de gedachte aan het verdriet van hen die achter zouden blijven.

Wannes Van de Velde (+10 november 2008), Beloken dagen (2007)

1599 / De Panne 081030 2

donderdag 20 november 2008

Dag 449 vVH&C

081110 – Prachtige beelden en veel sfeer in The Assassination of Jesse James (Andrew Dominik, 2007), maar verdorie, wat is dat verhaal breed uitgesmeerd! Ergens halverwege de film ga ik achter de computer zitten – ik heb nog iets dringends te doen. ‘Roep mij maar als er iets gebeurt!’

Goede acteerprestaties? Ja, misschien. Maar als het na een uur of zo voornamelijk uit tics en goed bestudeerde lijzigheid blijkt te bestaan – tja, daar ga je dóór kijken. Brad Pitt of nitt.

Ik wens van deze film te onthouden (en daarom schrijf ik het hier op) een conversatie ergens uit het begin. De heren bendeleden zijn, op hun dooie gemak uiteraard, een treinovervalletje aan het voorbereiden in het berkenbos waar het spoor doorheen loopt. ’t Is net koffiepauze en er worden herinneringen opgehaald aan liefjes. ‘Ze had zo’n mooi geel haar, geel als…, als…’, zegt de ene, niet zo goed in vergelijkingen. ‘Als haar in een gouden zonnestraal’, zegt de andere – hij heeft al eens een boek gelezen. ‘Waw! Wat kun jij het goed zeggen!’, zegt opnieuw de ene. Hij ziet zo dat haar weer voor zich, en meteen ook de hele griet eronder. ‘Ja,’ antwoordt de andere, ‘met woorden kun je veel verbergen.’

Zie hier voor een goede bespreking.

1598 / De Panne 081030 1

woensdag 19 november 2008

Ferroviaire observaties (15) / Het bestaat (44)

081016 – De jonge vrouw naast mij werkt op haar laptop aan – even spieken – ‘Synopsis nr. 1’. Meer durf ik niet te lezen en eigenlijk wil ik dat ook niet want ik doe mijn naasten niet aan wat ik niet zou willen dat mij zou worden aangedaan (maar ik werk op de trein nooit op een laptop), en stel dat ik toch niet aan de verleiding zou hebben kunnen weerstaan dan zou ik hier geen verslag van mijn waarnemingen uitbrengen want uiteraard is er toch nog zoiets als discretieplicht, nietwaar, en bovendien mag ik toch het verhaal van die jonge vrouw – voor een televisieserie?, voor een stationsromannetje?, voor een film? – niet zomaar prijsgeven. Eén ding kan ik misschien wel verklappen (en dat is in werkelijkheid, echt waar, het enige wat ik heb afgekeken) en dat is dat een van de personages, misschien wel het hoofdpersonage, ‘Dennis’ heet. Dat lijkt me in de richting van een televisiesoapaflevering te wijzen. Al weet je het natuurlijk nooit zeker. Voor ze haar tekst op haar Apple had geopend, was het bureaublad te zien geweest – en daar had ik moeilijker náást kunnen kijken: zij, in een interieur met veel boeken in een vertrouwelijke aanraking verwikkeld met een andere vrouw – een vriendin wellicht, háár vriendin? Brussel Centraal, zij stapt uit, ik stap uit. Zij verdwijnt in de massa die zich Koyaanisqatsi-gewijs verdeelt over de verschillende trappen en roltrappen die naar boven leiden – waar autostromen voorbijglijden, sirenes loeien, bussen zwenken, een helikopter in de lucht hangt boven het machtscentrum van het land en waar, voor ‘de Zestien’, tussen de herfstbladeren een stickertje op het trottoir ligt: ‘We want Belgium’.

1597

A.

Het bestáát (45) / Droom # 14

081108 – En dan opeens herinner ik mij een droom van een dag of drie geleden. Ik ben in de tuin van mijn ouderlijk huis in de Populierendreef. Mijn dierbaren zijn binnen. Ik hoor eerst een vliegtuig, en zie het dan laag overvliegen. Zeer laag. Het maakt een rare zwenking, scheert over het huis, verliest plots veel hoogte, probeert zichzelf nog aan de zwaartekracht te onttrekken, maar stuikt dan, neus naar beneden, naar de grond. Mijn fascinatie haalt het van het besef van gevaar en ik blijf kijken hoe op nauwelijks tweehonderd meter afstand een enorme vuurbal ontstaat. Dan komt een groot stuk motor in mijn richting gevlogen – als in een vertraagde film, waardoor ik nog de tijd heb om dekking te zoeken achter het huis waar ik ben opgegroeid. Dat huis ontsnapt ternauwernood aan de vernieling want ik zie nog hoe de grote brok gloeiend metaal rakelings over het dak zweeft. Het zal ergens achter mij te pletter slaan.

dinsdag 18 november 2008

Reactie

Beste Pascal,
Er zijn 'manieren om te ontsnappen aan het hectische', denk ik. Ik denk dat jij dat ook weet. Dat is niet altijd eenvoudig. Ik weet waarover zij spreken, zij die erover spreken. Maar soit. Ik ga niet over mezelf spreken, maar over je foto's en de flarden van teksten die je citeerde bij het 'Debat over Luiheid en Traagheid'. Ik herinner mij de foto's van je wandelingen met je hond in de bossen in en rond Brugge. Het is nog steeds te zien aan de meeste van je foto's die je op je blog plaatst. Je toont meestal stiltebeelden, met nauwelijks menselijke aanwezigheid. En als je foto's toont met mensen, dan toon je ze als ze ingetogen zijn en traag. Of op hun zachtst – 'zachtst' : een woord met 5 medeklinkers na elkaar, een woord vol 'harde' letters voor zo'n zacht woord. 'Lissewege 1' – meer bomen dan kerk, wat een goeie eigenzinnige keuze is – en 'Lissewege 3' doen mij denken aan 'romantische postkaartjes'. Het zijn foto's van 'het langzame leven'. Ik vraag mij af of deze foto's meer indruk op de mensen maken... 'Wijs is hij die het leven eentonig maakt', zegt iemand in het debat. Maar ook: 'Op die manier kan de kleinste afwijking tot een wonder uitgroeien'. 'Lissewege 4' voldoet het meest aan de laatst geciteerde quote. Het heeft een chaotische inhoud maar is door de opeenstapeling van geometrische figuren betekenisvol, want 'in zijn onrust een evenwichtig beeld'. 'Trage mensen zijn niet beter'?!
Liefdevolle groeten
Luc

Dag 446 vVH&C

081107 en 081118 – De wijsheden van Pipo Cornetto (1-2)
Mocht het mogelijk zijn, het huwelijk zou niet bestaan.

’t Zou makkelijk stoppen zijn, met gezonde sigaretten.

Uit het nieuws

Gisterenmiddag het journaal van 13 uur. In de studio geeft de als uitermate ernstig bekendstaande buitenlandjournalist Jan Balliauw commentaar bij het eerste televisie-interview van Obama als verkozen president. In een en hetzelfde lijkbidderstoontje gaat hij over van de kredietcrisisremedie van Obama over het Irak- en Afghanistanbeleid naar de melding dat de aankoop van een puppy nog even wordt uitgesteld en het weetje dat ook de schoonmoeder van Barack haar intrek in het Witte Huis zal nemen. Uiteindelijk wordt aan die twee laatste mededelingen ongeveer evenveel, of misschien zelfs méér tijd besteed dan aan de eerste twee. In elk geval is de disproportie zo frappant dat het gênant wordt. Geen body bags meer uit Bagdad, doggy bags in het Witte Huis. Ik weiger te geloven dat Balliauw zich in alle ernst overgaf aan de kijkcijferinstructies, dus moet het een cynische grap zijn geweest en als dusdanig was het wel te pruimen.

1596

Lissewege 5

maandag 17 november 2008

Dag 444 vVH&C

081105 – Ik woon in deBuren in Brussel een debat over luiheid en traagheid bij met Herman De Dijn, auteur van Hoe overleef ik de vrijheid, ex-politicus en lezer Jos Geysels en W.A. Prins, auteur van Uit verveling. Rik Torfs probeert met grappige en snedige interventies het gesprek te modereren en er met wat provocatieve uitspraken vaart in te houden. Ik kan de heren, die eigenlijk meer aan hetzelfde zeel trekken dan debatteren, meestal wel volgen. Ik noteer enkele uitspraken.

- ‘Wij zijn voortdurend op zoek naar het interessante en denken daarmee de verveling te overwinnen. Maar inter-esse, dat is zijn-tussen-de-zijnden: samen met anderen, met gelijken. Dat gebeurt dus niet. We staan daar alleen met onze interesse.’

- ‘Pessoa: “Wijs is hij die het leven eentonig maakt. Op die manier kan de kleinste afwijking tot een wonder uitgroeien.”’

- ‘Als je langzaam leeft, maak je meer indruk op de mensen.’

- ‘Onthaasting is de snelst groeiende ideologie.’

- ‘Het probleem van onze cultuur is dat de doelen niet meer duidelijk zijn. Alle aandacht gaat naar de middelen en naar presteren. De prestatie gaat voor op het doel. Versnelling is onvermijdelijk.’

- ‘Het enige doel is: zich differentiëren van anderen. Het kapitalistische differentiedenken.’

- ‘Het Instituut voor Faalangst.’

- ‘Rituelen zijn een manier van doen die eigenlijk een niet-doen is. De rite is iets doen zonder doel, iets waarin je je overgeeft aan de Tijd. Dat is een échte overgave, totaal niet-utilitaristisch.’

- ‘Trage mensen zijn niet beter.’

- ‘Zijn er in onze cultuur dan geen manieren meer om te ontsnappen aan het hectische?’

- ‘Heidegger: “laten zijn”.’

- ‘De traagheid staat vandaag in dienst van de versnelling.’

- ‘Onze cultuur is zeer moralistisch. “Medemenselijkheid!” “Het milieu!”’

- ‘Er zijn belangrijker dingen dan de moraal.’

- ‘In rituelen gaat het vooral om het niet-uitspreken.’

- ‘Milieubewustzijn is de angst dat de voordelen van het kapitalisme niet zullen kunnen blijven duren.’

Ja, dat is daar allemaal gezegd. Vooral dat laatste vond ik wel straf. De Dijn zei het. Ik overdacht die woorden en dacht aan de gelatenheid in de ogen van mijn kinderen wanneer het gaat over de wereld die mijn generatie en de generatie voor mij aan hen zullen overlaten.

1595 / Lissewege 4

Stad & ommeland (10) / Lissewege 3

zondag 16 november 2008

Aanvulling bij Mijn woordenboek (204)

Overschrijven (106)

Dat is de zin van een afscheid in een volle, belangrijke betekenis van het woord: dat twee mensen, voordat ze uit elkaar gaan, het erover eens worden hoe ze elkaar hebben gezien en ervaren […]. Afscheid nemen van elkaar, dat is ook iets wat je met jezelf doet: je tot jezelf verhouden terwijl de ander toekijkt.

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2008, 24ste druk), 373

Dag 443 vVH&C

081104 en 081106 – Zelden zo’n deprimerende film gezien als Flandres van Bruno Dumont (2006). Een stel communicatiegestoorde jongelui loopt in het grijze, nog niet door Ch’tis opgeleukte noorden van Frankrijk wat rond te lummelen, verlegt een paar dakpannen, maakt een doelloos ommetje op de landweg, kruipt vreugdeloos op elkaar in bos of stal. Verveling troef, geen uitzicht op iets vrolijkers. Het meisje dat onderligt kijkt droef naar een bladerloze knotwilg. De jongens besluiten zich dan maar te laten inlijven in het legioen, om zich in een ver land aan de oorlogslogica te onderwerpen. Daar moeten ze tenminste niet zélf denken. Een van die jongens heet Demester. Hij is zo’n beetje het hoofdpersonage – voor zover een mummelende minus habens hoofdpersonage kan zijn, natuurlijk. In gindse woestijn en jungle moet hij door de hel. Niets meent Dumont ons te moeten besparen: moord, marteling, verkrachting… Het is duidelijk: primaat Dumont moet echt álles meemaken om op het eind van de film dan toch tegen dat meisje te kunnen zéggen dat hij haar graag ziet.

Even rudimentair als deze verhaallijn en de acteerprestaties is het decor. Ik zeg niet dat het altijd Saving Private Ryan moet zijn maar als je onvoldoende budget hebt om een oorlogsscène in beeld te brengen, dan moet je toch niet proberen iets in elkaar te flansen met drie tanks, een helikopter en een rookpluim in de verte. Dat komt stuntelig over. Het kan natuurlijk een stijlfiguur zijn: je kiest als regisseur voor een uitdrukkelijk schematische weergave van de werkelijkheid. Zoals je in het theater een bar suggereert met een tafeltje, twee glazen, een suggestie van toog en tegen de muur een rek met flessen. Maar ik vrees dat dit niet Dumonts ambitie is geweest. Hij brengt ook de boerse Nord bijzonder karikaturaal in beeld: een sombere lucht, een loslopend varken op het erf, een zompige wei waar je met gummilaarzen niet over kunt zonder slurpgeluiden te maken.

Ik heb niets tegen regisseurs die het nodig vinden een miserabilistisch mensbeeld op de wereld los te laten. Maar ik verlang dat ze met het medium waarvoor ze kiezen iets dóen. Dat zij iets kunstzinnigs verwezenlijken, dat ook lós van de inhoud kan genoten worden. Zeker als die inhoud als een baksteen op je maag blijft liggen. Want wat wil Dumont eigenlijk zeggen? Dat mensen niet tot communiceren in staat zijn? Dat het noorden van Frankrijk in meteorologisch opzicht weinig stabiliteit te bieden heeft? Dat het bestiale optreden van Westerlingen in een niet nader genoemd islamitisch land daar alleen maar op een bestiale respons kan rekenen en dat we dus met zijn allen verenigd zijn in een weinig benijdenswaardige inframenselijkheid? Gelukkig zijn er een paar lichtpuntjes. Niet dat die er per se moeten zijn maar in een gitzwarte ruimte kan ik het niet laten blij te zijn met het flauwe lichtje op de overloop dat in de kier onder de deur gloort. Je blijft dan namelijk contact bewaren met een soupçon van iets beters. Even heb je, wanneer die jonge mensen in een vochtige wei rond een kampvuur samen zitten, een uitzicht op iets vriendschappelijks. En natuurlijk is er de happy ending: Demester die dan toch die drie woorden over zijn lippen krijgt: je t’aime. Terwijl hij, het weze gezegd, voor een keer niet als een onkieskeurige fokstier dat arme meisje berijdt.

Door de combinatie van zwakke vorm en rudimentaire inhoud, en dus het ontbreken van een esthetische meerwaarde, komt Dumont bij mij erg moralistisch over.

1594 / Lissewege 2

Lissewege - 080831, 11u34

zaterdag 15 november 2008

Stad & ommeland (9) / Lissewege 1

Lissewege - 080831, 11u32

Dag 442 vVH&C / Debuut (1)

081103 – De fietsenmaker en de hoogleraar

Soms moeten we stukken van de puzzel samenleggen.

De man die voor strandtent Edy
In Marina di Pietrasanta de schelpen
Voor mijn spaghetti di mare bij elkaar schept,
Heeft geen naam.

De naam ‘Edy’ zal pas straks een cyclistische bijklank krijgen. Met het welluidende toponiem en de dito culinaire term zitten we in Italië gebeiteld en hangt er muziek in de lucht – ik hoor al een mandoline. De Schepper, is dat ook niet diegene die namen uitdeelt: het verhaal dat hier begint krijgt al meteen een bijbels, mythologisch cachet. Doordat schelpen leven zijn dat uit de zee aan land komt, zien we dat scheppingsverhaal ook meteen in aanvaring komen met de evolutietheorie (al is dat misschien vergezocht – of toch ook weer niet want we hebben verderop in het gedicht de wetenschap nog eens van doen). De naamloze man voor strandtent Edy in Marina di Pietrasanta is een schelpenschepper. Marina-mare; schelpen-schept – we zingen al een lied. Enkel door te lezen.

Dat hij in 1964 per ongeluk een etappe won
Van een spookdorp naar een niet meer bestaande plaats,
In een nietszeggende Giro,
Is onbekend.

Dat hij in 1966 in Cappella van zijn trainingsfiets is gevallen,
Terwijl hij samen met zijn broer Freddo
Van Liddo di Camaiore op weg was naar Lucca,
Weet hij niet.

Echt mooi kun je deze verzen niet noemen. Het ‘per ongeluk’ van strofe 2 regel 1 kondigt het onheil van strofe 3 aan. De belangrijke data van een leven, het zijn er al bij al niet veel. Iedereen kan de oefening voor zichzelf maken en tot het prozaïsche inzicht komen dat een leven zich laat opsommen in enkele punten. Vandaar wellicht de schraalheid van deze verzen.

De schelpenschepper was ooit een veelbelovende wielrenner. De Giro waarvan sprake was misschien nietszeggend, het was toch de Giro en dat is een grote rittenkoers waarin élke etappe, ook een tussen twee spookdorpen, belangrijk genoeg is om, als zij gewonnen is, een leven lang op een palmares te pronken. Toch weet niemand het nog. De schelpenschepper herinnert zich evenmin dat hij twee jaar na deze prestatie van formaat een ferme smak heeft gemaakt. Met in die mate ernstige gevolgen dat hij naam- en geheugenloos blijft. Dat zijn broer, die verder geen rol meer speelt, wél een naam krijgt, maakt dit trieste lot alleen maar schrijnender.

In de vierde strofe worden de eerste drie regels van de eerste strofe herhaald. Deze herhaling belicht de monotone activiteit van het schelpen scheppen, maar ook het uitzichtloze van een leven van een man die, na veelbelovend te zijn geweest, geen naam meer heeft, onbekend is geworden, niets meer weet. Hij kan, zo vernemen we in de vierde regel van de vierde strofe, ‘alleen maar zingen’. Zijn Italiaanse liedje, dat in strofe vijf in cursief wordt geciteerd en in een voetnoot vertaald, bestaat uit een zinledige compilatie van woorden die met fietsen iets te maken hebben: ‘spaak’, ‘pompje’, ‘versnellingskabel’, ‘pedaal’, ‘frame’, ‘ventiel’.

Waarna de zesde strofe het titelgedicht van John Schoorls debuut A Capella afsluit:

Behalve een toevallig voorbijlopende fietsenmaker
En een Amerikaanse hoogleraar neurologie en psychologie,
Die een strandstoel en een parasol heeft gehuurd,
Luistert niemand.

Dat de Amerikaanse hoogleraar het liedje van de zwakzinnige ex-veelbelovende coureur hoort, is niet zo toevallig want hij, de hoogleraar, heeft uitgerekend bij strandtent Edy – de naam doet ons nu denken aan Eddy Merckx – strandalaam gehuurd. Hij hoort de naamloze man nu al de hele dag zijn onbegrijpelijke liedje zwatelen – het zal hem allicht al de keel uithangen. Maar dat daar ook nog eens een fietsenmaker voorbijloopt, is wél toevallig. En dat wordt dan ook uitdrukkelijk aangegeven. Het gesprek tussen beiden wordt niet weergegeven. Maar het is wel zeker dat de twee aparte disciplines die nodig zijn om te begrijpen wat hier aan de hand is, samenkomen. De hoogleraar heeft natuurlijk al gezien dat die naamloze schelpenschepper zwakzinnig is; de fietsenmaker, die als geen ander de Italiaanse fietsenterminologie beheerst, levert hem de informatie die nodig is om het hele verhaal te reconstrueren. Doordat die twee naar het a capella, en dus eenzaam, gezongen lied van de naamloze schelpenschepper luisteren en hun interpretaties samenbrengen, wordt het zinloze zinvol – en doordat Schoorl ons laat meeluisteren, wordt ook de sombere slotregel – ‘Luistert niemand’ – omgebogen tot een soort van mild gestemd begrip.

John Schoorl (1961) brengt elementen samen uit uiteenlopende betekenissferen. Hij contrasteert bijvoorbeeld het dichtbije met het verre, onder meer in ‘Waterhoofd’ – een gedicht waarin al evengoed het repetitieve, en daardoor ook de muzikaliteit, meespeelt:

Ik zit vast in die reusachtige suikerklont,
Geen nachtelijke ontsnapping voorhanden.

Niet uit het witte Haagse groothuis,
Niet uit mijn eigen waterhoofd.

Als ik naar beneden kijk,
Dan zie ik mijn bloedeigen eigen eigen eigen.

Kijk ik naar boven,
Dan zie ik heel ver weg weg weg weg.

De deur van het gesloten hier
Gaat ooit weer open.

Alleen, hoe vul ik in hemelsnaam
Die onbegrensde ruimte boven me.

Zolang dicht en ver geen aansluiting vinden, blijft de confrontatie zinloos: ‘hoe vul ik in hemelsnaam / Die onbegrensde ruimte boven me’. Maar de boodschap is ook hier, net als in het titelgedicht, hoopvol: ‘ooit’ gaat ‘De deur van het gesloten hier […] weer open’ en kan er een vonk overspringen. Zoals tussen de fietsenmaker en de hoogleraar op dat Italiaanse strand.

Zoiets gebeurt ook in het gedicht ‘Verbroedering’. De ik fietst op een hometrainer. Hij zit dus vastgekluisterd. Aan zijn bestaan, zou je met enige zin voor metaforiek kunnen zeggen als je bereid bent het bestaan als een hometrainer voor te stellen, wat niet verboden is. Trappelen zonder vooruit te komen. Buiten, merkt de ik (want hij kijkt rond: op een hometrainer fietsen is erg vervelend), ‘trekt het heelal voorbij / En het onzichtbare van horen zeggen’. Opnieuw: heel dicht en heel ver. En de fitnessende ik slaat aan het dromen en doet de vonk overspringen:

Zonder dat ik weet waarnaartoe
Fiets ik een roadmovie door het onmetelijke,
En hoop ik op verbroedering met de duisternis,
Want hoger kan ik niet eindigen.

Zo’n fietsreis tussen gindse sterren, zo rekent de ik uit, duurt met de snelheid die hij nu – virtueel! – produceert, liefst ‘78 jaar’! Dat is toch wel een beetje ontnuchterend. De ik stort opnieuw ter aarde neer en beseft dat hij ‘makkelijk lullen’ heeft op zijn hometrainer: ‘ik [ben] pas 8 minuten en 44 seconden onderweg’. Het ‘onzichtbare’ zal ‘van horen zeggen’ blijven, maar er is toch even, in het wegdromen, een overspringend contact geweest tussen dicht en ver.

Dat Schoorl muziekliefhebber is (hij is muziekrecensent voor de Volkskrant), steekt hij niet onder stoelen of banken. Talrijk, onder andere in ‘Tin Tin’s Jazz Latin Cigar Bar’ of in ‘Remco & Chet’ of in ‘It’s now or never’ –

Ik vraag me heel vaak af,
En vooral op momenten
Die er nu niet zo toe doen,

Wat had Elvis
In deze situatie gedaan.

–, zijn de muzikale verwijzingen. Als uitsmijter draait Schoorl het plaatje ‘Jules draait een plaatje’. De lezer leze het luidop, met nasale Deelderstem en zwaar aangezet Rotterdams accent:

Dan staattie voor die kast, die stalen platenkast, en dan
Weettie dattie een plaatje gaat draaien. Dat weettie,
Omdattie dat altijd doet, en alsie het niet doet, dan
Vergeettie wat.
Wattie dan gaat draaien, dat weettie niet, maar een
Plaatje gaattie draaien.

En zo gaat dit deuntje nog een tijdje door.

John Schoorl, A Capella
Van Gennep, Amsterdam, 2007
47 p./ € 12,50

1593

vrijdag 14 november 2008

Uit het nieuws

Mannen die alleen maar dénken aan scheef schaatsen zijn niet meer veilig: zie hier.

Dag 441 vVH&C

081106 en 081114 – Het was voor mij een verrassing om vast te stellen dat R. voor de bouw was van een nieuw voetbalstadion voor Club Brugge in Loppem. Ik ken R. als een man die het hart op de juiste plek draagt, en dat is hij ook, maar ik had over het hoofd gezien dat R. ook een hevige Clubfan is. En de combinatie van die twee leidt blijkbaar tot inconsistentie.

Eerst kort voor wie niet op de hoogte is: Club Brugge deelt nu met Cercle Brugge een stadion met 26.000 zitplaatsen midden in het dicht bewoonde centrum van de deelgemeente Sint-Andries. Dat is geen klein stadion, voor een stad met iets meer dan 100.000 inwoners. Dit stadion, vroeger ‘Olympia’ genaamd en sinds het Europees Kampioenschap van 2000 ‘Jan Breydel’, werd een kwarteeuw geleden gebouwd, is een beetje verouderd, is voor sommige topmatchen te klein geworden en veroorzaakt bovendien verkeersproblemen. Maar het werd wel nog maar acht jaar geleden flink uitgebreid met een flinke smak overheidsgeld, en het is nog verder uitbreidbaar. Maar de Clubbazen willen dat niet. Zij willen een nieuw stadion voor 40.000 toeschouwers in een overstromingsgebied vlakbij de verkeerswisselaar van Loppem. Het officiële argument luidt dat dit noodzakelijk is om van Club Brugge opnieuw een grote Europese ploeg te maken – wat Club één keer in de jaren zeventig helemaal en daarna een paar keer bijna is geweest. Volgens de tegenstanders van deze optie, die natuurlijk ook ‘groene’ argumenten opdiepen, is dit sportieve argument slechts een dekmantel voor de ware intenties: het nieuwe stadion zou meteen ook onderdak bieden aan een hele reeks commerciële activiteiten, er is sprake van een heus winkelcentrum, zodat kan worden gesteld dat de uiteindelijke drijfveer is wat altijd de uiteindelijke drijfveer is (als het geen macht of seks is): geld.

Het vreemde nu aan R.’s redenering was dat hij zich volledig uitlevert aan de op emoties gestoelde logica van de Clubbonzen – clubliefde, loyaliteit, sportieve ambitie – en dat hij daardoor het ongebreidelde (!) liberalisme van de Club Brugge-lobby onderschrijft. Natuurgebied om zeep, nog maar eens een tempel voor de platte commercie, een oeverloze verkeersstroom? Geen probleem! Als Club daardoor Europees weer kan meedraaien, is het allemaal oké.

Dat je net zo goed je principes aan een roulettetafel kunt inzetten, wordt hier even uit het oog verloren. De investering is allerminst een garantie op succes. Liefde maakt blind. Snijdt het tegenargument – stilstaan is achteruitgaan – dan geen hout? Natuurlijk wel. Maar goed, laat ons dan maar achteruitgaan. Tegen de stroom in.

Op de website van Groen! afdeling Brugge staan de argumenten pro het Jan Breydelstadion en tegen de nieuwe inplanting in Loppem mooi uitgeschreven.

Reactie

Kijk eens Pascal, ik maakte ook een foto van deze plek in Rijsel ;)
Straf, of misschien ook niet voor iemand die voor zo'n dingen oog heeft hé.

Hartelijke groet,

1592

donderdag 13 november 2008

woensdag 12 november 2008

Mijn eigen namen (46)

ANTWERPEN

Antwerpen is de stad die, van deze kant gezien, den oeverkènt, ligt te lokken met haar skyline, staat te lokken met haar torens, en dan kom je nader, je kunt niet anders, tot je bij een machtige stroom staat waarop de rijkdom voorbijvaart, van rechts naar links en van links naar rechts. Uitdagend. Traagzaam. Oep ’t gemèk. Koem ‘d ier as de nog goesting èt. Om er te geraken moet je eerst onder de grond, door een konijnenpijp, en dan beland je, als Alice in Wonderland, in een andere wereld vol spiegels. Geen vijandige wereld, een vreemde.

Onze expeditie naar het verre Limburg voerde dwars door Antwerpen. De nationale baan van Gent (dat we ook al hadden moeten doorkruisen) dook onder de Schelde. (De E3, nu E17, was er nog niet – van de Expressweg tussen Knokke en Antwerpen was al helemaal geen sprake). We reden door de Waaslandtunnel – toen nog gewoon ‘dé tunnel’ want er was nog geen andere. Daar keek het kind dat ik was nog naar uit en van op. Opeens die zwembadglans van de tegels, de stippellijn van tl-lampen. Sensatie!

Van het Antwerpen dat ik toen zag zelf herinner ik mij niets – ik had geen belangstelling voor steden, toen. Antwerpen had vele jaren lang alleen maar een vage bijklank van haven en zoo.

Zo, denk ik, kwamen de meeste van mijn generatiegenoten die zelf niet in Antwerpen woonden voor het eerst in deze stad: door een schoolreis naar de dierentuin. Er is een foto van mij (van velen), voor een kooi. Het was waarschijnlijk de bedoeling om ook het dier achter de tralies in beeld te brengen, maar dat is minder goed gelukt.

Maar ik dwaal af. Antwerpen. Zo moeilijk om dáár iets over te zeggen; het verleden biedt een mooie uitwijkmogelijkheid. Antwerpen nú, voor míj? Het Centraal Station (vooral in of, beter, dóór Sebalds Austerlitz) en de bobkes op de Meir. Parkeren op Linkeroever, boven water komen op de Groenplaats. Het dokkeren over de kaaien, het wandelen van aanmeerpaal naar aanmeerpaal op de oever. Oever, de zo genaamde straat. Daar woonde ooit nog K. Een West-Vlaming, net als ik – hij kon er niet aarden.

Voor West-Vlamingen is Antwerpen een lastige stad. Een paar van mijn vrienden probeerden het, altijd om professionele redenen, maar kwamen er bekaaid van af en keerden na een paar jaar terug. Ik kan me vergissen, maar ik had niet de indruk dat ze veel Sinjoren in hun kennissenkring hadden kunnen sluiten (of in die van de Sinjoren waren opgenomen). Hoe het komt dat Antwerpen lastig is, ik zou het niet weten. Het heeft meer met taal te maken dan met mentaliteit. (Wie het over mentaliteit heeft, trapt in de valstrik van de veralgemenisering; taal daarentegen is een objectief feit waarover misschien wél iets zinnigs kan worden gezegd.)

Laat het mij verduidelijken met de verhouding tussen Vlamingen (a fortiori niet-Antwerpse Vlamingen) en Nederlanders. Vlamingen die met Nederlanders een gesprek aangaan, zullen makkelijker ‘Hollandser’ beginnen praten. Dat die Nederlanders opeens naar een soort van ‘Vlaams’ zouden overschakelen, is ondenkbaar. Door zijn tegemoetkoming geraakt de tong van de Vlaming, die om de een of andere reden (wellicht dezelfde als deze die hem in Brussel onmiddellijk zijn beste Frans doet bovenhalen) zijn eigen idioom achterwege laat, in de knoop: het spreken vergaat hem moeilijk, hij zou liever zwijgen. Hij legt zich neer bij de verbale dominantie van zijn gesprekspartner.

Nederlanders en Antwerpenaren halen op die manier in de conversatie vanzelfsprekend de bovenhand. Ze krijgen de troefkaart in de schoot geworpen, en voor zover ze die niet zouden krijgen, trekken ze hem wel met branie en zelfvertrouwen zo uit het pak (de mentaliteit valt niet helemáál uit te sluiten).

Dat is de vorm. Eigendunk, zelfvertrouwen, zelfzekerheid. Dat is aanvaardbaar als de inhoud er is. Ooit zat ik, geheel toevallig, in een simpel cafeetje aan de Groenplaats naast Tom Barman, die hyperenergiek en overenthousiast ten overstaan van zijn tafelgenoot, en meteen van het hele etablissement, aan het uitleggen was hoe grandioos de avond voordien ‘den try-out’ met dEUS was verlopen. Zwaar Antwerps accent. Heel sympathiek was dat. Maar datzelfde luidruchtige Antwerps is onuitstaanbaar op de Meir of op het Zuiderterras, in de mond van de moeders en dochters die er hun inkopen uit de Zara of de Mexx of ik weet niet welke winkel komen showen.

Antwerpen bereikt mij ook onrechtstreeks. Het is: de nachtelijke wandeling in Het dwaallicht. Het is: Overal waar de wind waait. Het is: De lichtjes van de Schelde.

Het is: Wannes Van de Velde. Antwerpen zal voor mij altijd en misschien eerst en vooral Wannes Van de Velde blijven. Want het was zijn Antwaarps dat mij het eerst bereikte. Samen met dat van The Strangers. (Maar Van de Velde was ook een atypische Antwerpenaar want hij sprak heel keurig Nederlands als hij werd geïnterviewd. Dat doet, bijvoorbeeld, Robbe - schèt - De Hert niet.)

De cafés die nog cafés zijn met zatte mensen die dansen op zondagnamiddag. Het kokette kunstsnobisme aan het Zuid wanneer eens per maand alle galeries tegelijk een nieuwe hype proberen te lanceren. Een spectrum met op het ene uiterste punt het wel- en drukbespraakte kosmopolitisme van Barman en Tuymans, en helemaal aan de andere kant het steriele autisme van het Blok, dat zich schaart achter de eloquentie van een paar gouwleiders-met-cravatte. (Waarvan er een paar godbetert uit… Brugge komen.) Fundamentalistische pijpenkrullen in de Papegaaienstraat, Hollanders die pissen tegen de kathedraal. Dat je vanuit het MUHKA een boot kunt zien voorbijvaren – wat vaak veel mooier is dan de ongein die er hangt. Allerlei handeltjes die in allerlei taaltjes worden bedreven door mensen in allerlei kleuren. Allerlaai. Het Modehois. Een bolleke Keunink oep ’et Zoid.

1590 / Lille 5

Lille – 080827, 11u51

dinsdag 11 november 2008

Uit het nieuws

Terwijl in Oost-Congo bij de honderdduizenden die vluchten voor de oorlog een humanitaire ramp woedt, met de klassieke ‘ingrediënten’ tentenkampen, epidemies en hongersnood, speelt in Kinshasa president Kabila de Belgische regering uit verband door minister van Ontwikkelingssamenwerking Michel over het hoofd van De Gucht heen (Buitenlandse Zaken maar persona non grata in onze voormalige kolonie vanwege krasse uitspraken) een boodschap voor premier Leterme mee te geven. Dat gebeurt op, ik verzin het niet, ‘De Week van de Gastronomie’. Faut le faire.

Mijn woordenboek (204)

AFSCHEID

Het lijkt een eenvoudig woord en we kunnen er ons allemaal iets bij voorstellen, maar kunnen we het wel bevátten?

Er zijn twee soorten.

Ik heb het niet over de eerste. De vrienden hebben een potje gekaart, twee zussen gaan uit elkaar na het bezoek bij hun zieke moeder, de milicien rukt zich los van zijn lief voor weer een weekje kazerne. (Dat waren nog eens tijden!) Dat zijn tijdelijke afscheiden. Hier wordt niets losgerukt, geamputeerd, verminkt. ’t Houdt niet veel meer in dan goeiedag zeggen. Je groet elkaar omdat je eventjes ophoudt elkaar te zien. Je doet het gedachteloos. De zekerheid dat je elkaar terug zult zien compenseert de pijn. In die mate dat er nauwelijks pijn is, eigenlijk.

Het heeft met het basisvertrouwen te maken dat het kind wordt aangeleerd omdat het moet leren aanvaarden dat zijn moeder soms uit zijn blikveld verdwijnt. (En daardoor voor even aan het kind de aaibaarheid, de warmte en het voedsel dat zij ook is ontzegt.) Mama komt terug.

Over dat soort afscheid heb ik het niet als ik zeg dat je het eigenlijk niet kunt bevátten.
Afscheid van je jeugd, van iemand die voorgoed vertrekt, van een levenswijze waarvan je dokter zegt dat als je hem nog een dag langer handhaaft je misschien niet eens op een doordachte manier nog afscheid zult kúnnen nemen. Dáárover gaat het. Definitief afscheid. Afscheid van iemand die tussen zes latten onder de grond wordt gestopt. Van de uitgemergelde man die met een diepe zucht de wakers rond zijn bed verweesd achterlaat.

Neen, dat kunnen wij niet bevatten. Wij leven altijd in een alsof. Wij nemen dat tweede soort afscheid alsof het een afscheid van de eerste soort betreft. In een suffe achterhoek van ons denken is het toch altijd alsof we datgene, of diegene, waarvan of van wie we afscheid nemen nog zullen terugzien. Desnoods in een volgend leven.

Iemand gaat met pensioen. Hij krijgt een afscheidsfeest. We zien elkaar zeker terug, zegt iedereen. We spreken wel eens af. Maar we weten beter. Uit het oog uit het hart.
We kunnen het niet, deftig afscheid nemen. Het definitieve is in ons niet ingebakken. Het is niet een van onze categorieën – om het kantiaans te stellen. Het afscheid nemen is altijd een mime in de orde van het tijdelijke. Een voorlopig afscheid is een mime van het definitieve (het is een oefening in definitief afscheid nemen); het definitieve afscheid is een mime van het voorlopige (want we hebben voor het definitieve afscheid geen eigen begrip en uitdrukkingsvorm en herhalen van lieverlee maar iets wat we kennen van minder drastische scheidingen).

En zo schieten we altijd tekort. We wuiven iemand uit, we stoppen iemand onder de grond – en we beseffen in beide gevallen dat we het niet goed doen. Tot ziens, liegen we. En we voelen vooral onvermogen.

1589

maandag 10 november 2008

Het bestáát (43) / Droom # 13

081029 – Het is in de droom Brussel-Centraal, maar het is niet Brussel-Centraal zoals Brussel-Centraal in de werkelijkheid is. Maar goed. Ik sta op het perron met een tas en een fiets. En met, vreemd genoeg, ontbloot bovenlijf. Dat is al een hele verbetering want als kind zou ik in zo’n droom vast en zeker naakt hebben rondgelopen. Ja, kijk er Freud maar op na. Ik wacht op de trein die richting Brussel-Noord zal rijden. Maar die heeft heel wat vertraging, er passeren eerst een aantal andere treinen. Een ervan sleept, zoals een aak op het kanaal ook wel eens kan hebben, een klein reddingssloepje achter zich aan – het heeft ook een wielenstel dat op de sporen past. Intussen is het perron al aardig volgelopen. Kijk, daar staat I., ik ga haar begroeten. Dan rijdt de trein binnen. Maar vreemd genoeg komt hij tot stilstand aan een ander perron. Nu zouden we eerst nog via de tunnel onder de perrons naar dat andere perron moeten stappen, maar de hele wachtende meute verkiest om over het spoor naar de trein te klauteren en dan – vreemd dat het mogelijk is – door de aan deze kant van de trein geopende deuren op te stappen. Ik loop een eerste keer om mijn tas op de trein te zetten, keer dan terug om ook mijn fiets op te halen. Wat te voorzien was, gebeurt: terwijl ik mijn fiets pak, gaan de deuren dicht en vertrekt de trein. Mét mijn tas. Ik roep en zwaai, en zie op de trein G. bij mijn tas staan. Ik gebaar van ‘die tas die daar aan jouw voeten staat is de mijne, neem hem mee, stap uit in de Noord en wacht daar op mij’. U moet het maar eens proberen om die hele boodschap in enkele seconden uit te beelden. Toch lijkt G. mijn gebaren te begrijpen. Hij wijst naar mijn tas, dan naar mij en steekt vervolgens zijn duim in de lucht. De trein rijdt het station uit. Ik heb mijn fiets om naar de Noord te rijden. De fiets verandert nu in een auto, Brussel wordt Namen. Ik rijd in die auto, de fiets staat naast mij, verpakt in een soort matras, op de passagiersstoel. Dit pak hindert me bij het rijden: het dreigt voortdurend naar mijn kant over te hellen, en ik kan nauwelijks bij de versnellingspook. Maar ik rijd. Er wacht mij nog een steile afdaling naar het dal waar Brussel-Noord nu ligt en waar ik dus G. met mijn boekentas hoop aan te treffen. Ik begin, rijdende in die auto met dat pak naast mij, aan de afdaling. Het pak helt in een van de bochten over, ik kan niet meer schakelen, en vreemd genoeg vind ik met mijn voeten de pedalen niet meer. De auto maakt vaart, dit dreigt op een catastrofe uit te lopen. Ik zoek de rempedaal en trap, in paniek, tegen het voeteneinde van het bed.

(Het eerste gedeelte van de droom is een echo, een bewerking, van een column van Carmiggelt die S. eergisteren navertelde. Een man wil, samen met een vrouw, opstappen op een overvolle tram. In het gedrum verliest de vrouw een schoen. De schoen valt op straat. De man raapt de schoen op. De tram rijdt weg. De vrouw gebaart naar de schoen. De man loopt achter de tram aan naar de volgende halte. Maar er is een misverstand. Nog voor de man de volgende halte heeft bereikt, ziet hij in een tram die terugrijdt naar waar hij vandaan komt, opnieuw de vrouw zitten. Zij dacht klaarblijkelijk dat hij met de schoen bij de eerste halte zou blijven staan…)

mirage 10

1588 / Lille 4

Lille 4 – 080827, 12u02

Lille 3

Lille - 080827, 16u30

zondag 9 november 2008

Het bestáát (42) / Droom # 12

081028 – Er is een bui terwijl de zon schijnt en een regenboog, dus. Dat zie ik allemaal wanneer ik ben opgestaan en door het raam kijk: nu al kan mijn dag niet meer stuk. De droom van de hond speelt nog in mijn hoofd wanneer ik vroeg – laat volgens mijn gewoonte maar toch nog vroeg – dwars door de stad fiets. Ik zou met S vanuit een stad die aan de ene kant van de bergen lag naar een stad die aan de andere kant van de berg lag stappen. Wanneer we de stad verlaten, sluit een hond zich bij ons aan. Het is een mooie en vriendelijke hond. Iets tussen schaper en labrador, ros van kleur. We halen hem aan, besluiten hem mee te nemen als hij dat zelf wil. De hond stapt een eind mee, maar loopt dan toch weg. Op dat ogenblik zien we een man die uit een uurwerkenwinkel stapt. Hij heeft een wekker gekocht. Een designontwerp van een beroemde uurwerkenbouwer uit de jaren 1950. Dat is het laatste beeld van de droom. Het lijkt mij een vriendelijke droom, denk ik terwijl ik langs de Sint-Annakerk fiets. De kerk is gesloten. Twintig jaar geleden trouwde hier een vriend. Hij was een hele goede vriend, hier zouden ze zeggen: twee zielen in één zak. De kerk is gesloten. Wat verderop loopt een Zuidoost-Aziatisch uitziende man. Hij wandelt met zijn handen in zijn zakken, kijkt nors en praat luidop in een vreemde taal. Pas wanneer ik hem voorbij ben, besef ik dat hij aan het telefoneren is met zo'n oorschelpfoon. Hier loopt hij in Brugge, de handen in de zakken, te praten met iemand aan de andere kant van de wereld. Die loopt misschien ook nors over straat met zijn handen in zijn zakken luidop te praten. Ze zijn draadloos verbonden. Ja, natuurlijk zijn ze draadloos verbonden! Dat is nogal wiedes. Stel je eens voor dat ze niet draadloos zouden verbonden zijn! Honderd meter verder zie ik nog iets moois. Iets wat ik nog nooit heb gezien. Een jonge vrouw komt het Jan van Eyckplein opgefietst. Zij draagt een mooie rode jas met grote ronde zwarte knopen. Zij is blond. En zij fluit! Zij fluit een wijs terwijl zij het plein op fietst. Dát is het moment waarop ik in mijn hoofd begin te schrijven. Over de ene kant van de stad en de andere, de ene kant van de wereld en de andere, het meisje met de rode jas en de gesloten kerk, en het draadloos verbonden zijn van dat alles.

1587 / Lille 2

Lille – 080827, 12u48

zaterdag 8 november 2008

Dag 437 vVH&C

081108 – Twee interessante solotentoonstellingen in het Fotomuseum Antwerpen, nog tot 4 januari – en zeker ook is het contrast tussen die twee interessant.
In ‘Een wereld zonder einde’ toont Marie-Françoise Plissart technisch bestudeerde en afgewerkte beelden van stedelijkheid, parklandschappen, vergane industrialiteit, de dynamiek en de kleuren van het leven in Kinshasa. Grote formaten, haarscherp. Een betrokken blik, die met de overwogen compositie, de tijd die nodig is geweest om de opstelling te maken, de tijd die ook zichtbaar is in de onscherpte van de figuren of het voorbijtrekkende verkeer bij nachtelijke opnames, een absoluut eigen visie etaleert. Subjectief. Vooraan hangen enkele intimistische opnames: zwart-wit, kleiner formaat. Ik herinner mij het portret van een lezer. Vooraan, haarscherp op de snede, het opengeslagen boek. Achteraan, in een voor het overige stikdonkere kamer, een vaag silhouet van iemand die wegdromend wegkijkt.

De titel van deze tentoonstelling alludeert op Plissarts opvatting dat de blik van de fotograaf de wereld intensifieert, boeiender en mysterieuzer maakt – en daardoor eindeloos.

Op de volgende verdieping zien we de het werk van Gerald Dauphin. Of een gedeelte daaruit: men maakte een bloemlezing uit de tienduizenden foto’s die hij bij zijn dood vorig jaar aan het museum heeft nagelaten. Dauphin was een Antwerpse persfotograaf, werkte bijna een halve eeuw voor bladen als Libelle, Avenue, Weekend Knack… Hij was een bedreven modefotograaf. Maar hij portretteerde ook graag. Kleine formaten, meestal zwart-wit, een stoet van bekende figuren uit de Antwerpse kunstscene trekt aan ons voorbij, in vorige versies weliswaar: met grote brillen, lang haar en vaak rokend. Af en toe vond Dauphin de tijd om zich uit te leven in vrij werk. Een reis naar New York maakte grote indruk op hem. Hij scheert in dat vrije werk geen hoge toppen, drukt geen eigen stempel. De globale indruk is er een van bescheidenheid en doorgedreven metier. In de portretten van jazzmuzikanten voel je het meest betrokkenheid: Dauphin hield van jazz.

In een van de vitrines ligt een uitspraak uitgestald van Irving Penn: ‘A good photograph is one that communicates a fact, touches the heart, leaves the viewer a changed person for having seen it. It is, in a word, effective.’

Een ontroerende opstelling bestaat uit een kleine stapel archiefdozen. ‘Kijk’, zegt deze opstelling, ‘dit is het levenswerk van een die decennia lang consciëntieus gewerkt heeft.’ Een les in bescheidenheid.
Plissart verkent de mogelijkheden van het medium, zoekt naar een eigen expressie en treedt op als autonome kunstenares. Dauphin schikt zich in de mogelijkheden van een beproefde techniek: die zijn voor hem ruim genoeg. Hij innoveert niet en vervult een dienende rol.

1586 / Lille 1


Lille – 080827, 16u28

vrijdag 7 november 2008

Dag 436 vVH&C

081027 – Het enige zwakke punt dat ik zou kunnen aanhalen is dat de gitzwarte kijk op het politieke functioneren van de mens niet afdoende wordt gemotiveerd. Je hebt alle redenen om Saramago te geloven als hij laat verstaan dat democratie, als mogelijk regime, niet naadloos aansluit bij de menselijke natuur – maar moet het zo defaitistisch worden voorgesteld? Nog een geluk dat hier en daar in dit meeslepende verhaal een beetje menselijkheid mag meespelen, een greintje ontroering, het uitzicht op een zweem van liefde want je zou van minder depressief worden.

Dat neemt niet weg dat de thesis van De stad der zienden ijzersterk is. Daar waar Saramago in De stad der blinden aantoonde hoe in precaire omstandigheden de wet van de sterkste onweerstaanbaar haar rechten opeist en de mens tot beest doet verworden, blijkt De stad der zienden een parabel die een anomalie blootlegt in het politieke systeem dat het best denkbare lijkt om die bestiale natuur in elk van ons te neutraliseren. Op een dag blijkt een verkiezing een meerderheid van blancostemmen te hebben opgeleverd: de democratie wordt, krachtens een van haar grondslagen, de vrijheid van gedachte, van binnenuit ondergraven. Om het systeem te behouden, dient op ondemocratische wijze macht te worden uitgeoefend…

José Saramago doet ons nadenken over een systeem waarvan wij misschien te gedwee aanvaarden dat het het best denkbare is. Hoewel niet ‘politiek correct’ is dat een zeer verdienstelijke en nuttige denkoefening: iets wat niet voortdurend ter discussie wordt gesteld, scleroseert en desintegreert, verliest zijn kwaliteit, wordt ondermaats. En is dat nu niet precies wat wij vandaag, met onze aan economische en mediatieke wetmatigheden ondergeschikt gemaakte democratie, meemaken?

De roman De stad der zienden is niet alleen omwille van zijn thematiek opzienbarend. Stilistisch is het een meesterwerk. De vaart achter de nochtans zeer wijdlopige uiteenzettingen; de compositorische kwaliteit, met bijvoorbeeld terugkerende, licht gevarieerde frasen; de zeer efficiënte dialoogtechniek waarbij Saramago een eigenzinnige maar toch leesbare interpunctie hanteert: het verleent een onwaarschijnlijke stuwkracht aan het verhaal, dat bovendien ook bijwijlen grappig én op zijn geheel genomen spannend is.

081107 - Naschrift
Ik moet nuanceren. Zeker de eerste alinea. Gitzwart is het beeld dat Saramago ophangt van de macht. Macht corrumpeert. Maar in de mens gelooft hij wel. De blancostemmers kiezen niet tegen de democratie, wel tegen het tekortschieten ervan: het onvermogen van de democratie om misbruiken te neutraliseren. Er zijn tachtig procent blancostemmers. Vier op de vijf mensen is intrinsiek goed, lijkt Saramago te suggereren. Maar de gedachte blijft overeind dat de democratie als systeem kwetsbaar blijft voor dat ene vijfde dat het niet goed meent. Of dat vatbaar is voor corruptie, corrumpeerbaarheid en angst.

Reactie

Heel goed stuk over Carmiggelt. Ik herinner me ook vaag een ontevreden gevoel bij het lezen van dat stukje. Je zou natuurlijk willen dat het altijd schitterend is en dat elk element noodzakelijk is.

En toch...

Die man met de gieter en die vrouw voor de spiegel spelen toch hun bescheiden rol. Eerst en vooral in de opsomming van tafereeltjes die men gadeslaat tijdens een avondwandeling – om dan halt te houden bij het derde venster. En misschien en bovenal als illustratie van de menselijke wanhoop en vechtlust: de man geeft water aan dode planten en de vrouw neemt voor zover ik me herinner combattieve poses aan voor de spiegel (ook al heeft zij ‘iets gescheidens’ over zich). De menselijke soort is aan het knokken! Maar misschien zal het niets uithalen zoals zijn vroegere pianolessen ook niets opleverden. Dus is er wel een samenhang. Maar je hebt gelijk wat de slordigheid betreft en het mankeren van een groter geheel. Sfeerschepping kan in een column – moet dwingend of noodzakelijk zijn in een roman.

Carmiggelts ambitie en kunst lagen nu eenmaal in die stukjes.

S.

1585

Brugge Magdalenazaal 2

donderdag 6 november 2008

1584

Magdalenazaal Brugge 1

Dag 434 vVH&C

081027 – Ja, hoe gaat dat? Je hebt van die artiesten die wel weten dat ze iets goed kunnen, maar die de ambitie missen. Ze generen zich een beetje te veel om er mee uit te pakken. Het zijn nonkels die op feesten kunnen vertellen als geen ander maar je moet ze eerst sméken. Pas na veel vijven en zessen tikken ze schuchter met hun mes tegen hun derde glas, uit de eerste twee hebben ze zich de moed ingedronken die ze daartoe nodig hadden. Ze vatten veel te stil aan, natuurlijk – de halve familie maant de andere helft tot zwijgen aan. Oom begint een tweede keer en het duurt niet lang of iedereen hangt aan zijn lippen, hij wéét hoe hij dat verhaal, dat iedereen al kent natuurlijk, voor de zoveelste keer moet opbouwen, en als het dan tot de pointe komt, wordt zijn schutterigheid opgeheven in een algemene hilariteit en wordt hem een vierde glas voorgezet.

Nonkel heeft zijn nummer opgevoerd.

Zo iemand, stel ik mij voor, is Simon Carmiggelt: een goedige oom die uitstekend kan vertellen, en dat dan ook doet, een beetje tegen wil en dank. Maar altijd te stil. Ik weet dat het oneerbiedig klinkt want het is bon ton om Carmiggelt op een piëdestal te plaatsen. Die en die en die zijn de grote Nederlandstalige schrijvers – maar vergeet toch vooral Carmiggelt niet: zwáár onderschat! Ja, die opmerking kan altijd op instemming rekenen.

Ik ontken niet dat Carmiggelt een groot Nederlandstalig schrijver is, een van de grootste wellicht die de twintigste eeuw heeft voortgebracht, maar ik vraag me dan toch af hoe het komt dat hij niet de status geniet van de allergrootsten: Nescio, Elsschot, Reve, Brouwers en ik vergeet er vast nog wel een paar. Maar toch zeker die vier. Kan het zijn dat Carmiggelt het vermogen miste om grotere gehelen tot stand te brengen? Een keer een verhaal, een novelletje, of misschien zelfs een roman in plaats van altijd maar die columns? Het zou kunnen. Je hebt spurters en je hebt langeafstandslopers. Maar er is meer aan de hand.

Ik mag graag Carmiggelt lezen. (Da’s zo’n Hollandse uitdrukking – ik mag graag, dat zegt hier niemand: je ziet, ik neem zó zijn toon over.) Sommige van zijn stukjes zijn gaaf, af, perfect afgerond. Stilistische pareltjes, en om je te bescheuren. Magistrale mengelingen van hilariteit en diepe tragiek. Vaak een huwelijkstragiek, overigens – maar dat terzijde. De tragiek van het in eenzaamheid en bekooidheid ouder worden. Ik doe daar niets van af. Met bepaalde columns, laat ons zeggen één op de tien (die dan zelf weer de uitkomst zijn van een strenge selectie), scheert Carmiggelt de hoogste toppen. Maar in vele andere bespeur ik feilen. Daar schemert de broodschrijver in door, een moedeloze en wellicht zelfs depressieve pen die zich nu eenmaal aan dat stukkie zetten moest. Want het mot.

Neem nu ‘Nóg eens’, ik vind het in de bundel Slenteren. Carmiggeltiaanser kan het niet beginnen: een man loopt in Den Haag op straat. Niet zomaar een straat maar: ‘een vermoeide straat in de Indische buurt’. ‘Vermoeid’ is een beetje een vermoeiend adjectief. Een gemakkelijkheidsoplossing. Carmiggelt heeft daar zijn waarmerk van gemaakt: hij heeft het patent op dat soort vermoeidheid. Wélke buurt? De ‘Indische’ buurt. Ik zie het nu pas staan en het dringt tot me door dat het er niet op zijn plaats staat want in heel het verdere verloop van de column doet Carmiggelt niets met dat Indisch. Het had net zo goed de Chinese of Togolese buurt kunnen zijn – of weet ik welke buurt ze daar in Den Haag in de aanbieding hebben. Maar best van al had het gewoon een Hollandse buurt kunnen zijn want dát is de teneur van wat volgt. Dus had die eerste zin moeten luiden: ‘In Den Haag liep ik door een straat.’ Maar dat doet Carmiggelt wel vaker, zoals we weten van zijn andere stukjes, en er is ook niets typisch Haags aan het vervolg. Dus had daar beter gestaan: ‘Ik liep door een straat.’ Maar dat is, zoals snel blijkt, ook overbodig – dus schrap die eerste zin, tevens alinea, maar helemaal. Dan begint de column met: ‘De avond begon te vallen en in sommige huizen brandde al licht. Waar de gordijnen niet dicht waren keek ik naar binnen.’ Dat is perfect mogelijk. Je hebt die stad en die straat en die buurt niet nodig – en dat vermoeide komt wel vanzelf tevoorschijn. Daar heb je de lezer voor.

Wat volgt, is een opsomming van drie gestolen observaties. De ‘ik’ kijkt door die opeenvolgende ramen naar binnen en ziet: een grijsaard die met een gietertje water geeft ‘aan een ten dode opgeschreven plant’; een vrouw, ‘die iets gescheidens over zich had’ en die voor de spiegel kleren past; een kind dat piano speelt.

Grijsaard en vrouw laat de columnist ongebruikt achter, het is dat kind dat de ‘ik’ meeneemt in een mijmering, die de rest van de column in beslag neemt. Aan pianoleraar meneer Bos bewaart de ik een pijnlijke herinnering, en mandolineleraar Baandersma, die meneer Bos had vervangen nadat was gebleken dat het met die piano niets zou worden, was al niet veel beter. We vernemen nog hoe ook aan die verplichting, de mandoline leren bespelen, een eind kwam en in de laatste zin krijgen we de verklaring voor de titel van de column voorgeschoteld: de ik herinnert zich hoe de heer Baandersma hem toeriep ‘Nóg eens’.

Onderweg hebben we een paar uitermate grappige scènes meegemaakt – faut le faire op amper tweeënhalve bladzijde, en het Nederlands is, zoals we dat van Carmiggelt gewoon zijn, bijzonder speels, inventief en verfijnd. De melodie van het stukje klópt, de spanningsboog blijft gespannen over de volle drie minuten die we nodig hebben om het te lezen.

Maar er schort iets. Het verhaal breekt gewoon af; de aanvang wordt niet opnieuw opgenomen. Niets Den Haag, niets Indisch. Grijsaard en vrouw zijn aan het formaat opgeofferd.

Dat de column aan het eind geen mooie strik krijgt, stoort nog het meest. Daar valt iets aan te doen. Met de ruimte die we hebben gewonnen door de eerste zin te schrappen, krijgen we plaats voor een mooie laatste zin. Iets in de aard van ‘Ik moet al een tijd bij het vierde raam gestaan hebben toen een nijdig dichtgetrokken gordijn me op mijn plichten van late wandelaar wees.’ Zo benutten we ook de mogelijkheden die de eerder in het stukje genoemde gordijnen ons boden.

Carmiggelt was een stukjesschrijver. Een goeie maar een stukjesschrijver. Misschien was hij een beetje slordig. Misschien had hij ook wel eens dat glaasje te veel op, dat ene glaasje waardoor je het onderste uit de kan laat liggen. Of er werd gewoon slordig omgesprongen met zijn stukjes. Want hoe ging dat in een tijd dat er nog geen ‘Extra --> Woorden tellen’ op je Remington zat? Je schreef je stukje à peu près op maat en de zetter op de krant deed de rest. Ja, misschien is het wel zo gegaan, dat de ‘Kronkel’ van die dag niet paste in dat liniaalrechte kolommetje en dat daarom die laatste zin, die er wel degelijk stond, moest sneuvelen.

Neen, je kunt van een zetter niet verwachten dat – als er dan toch moest geknipt worden – hij dat beter met de eerste zin had gedaan.

Simon Carmiggelt, Slenteren (Amsterdam 1975)
(Kijk hier om Carmiggelt zelf een van zijn columns te zien voorlezen.)

woensdag 5 november 2008

Dag 433 vVH&C

081103 en 081104 – Een gesprek over kunst en plastisch werk van waanzinnigen. Wat is het verschil? Wanneer is het kunst? Is de ‘kunst’ van psyschiatrische patiënten ‘Kunst’? Het gesprek is ongetwijfeld al duizend keer gevoerd – de twee mogelijke antwoorden zijn ongetwijfeld al duizend keer gegeven. Het komt er eigenlijk op neer of je kunt zeggen dat het volstaat dat iets dat door mensen is gemaakt mooi is opdat het kunst zou zijn. Op basis van het resultaat (als je niet weet wie het heeft gemaakt) kun je het zeker niet altijd beoordelen. Zo blijken mentaal gehandicapten erg goed in het vervaardigen van Cobra-schilderijen. P. en S. verdedigen de stelling dat kunst altijd gepaard moet gaan met een zelfreflectie en met een reflectie over het werk in de brede context, met een discours dus. Alléén het werk bekijken is niet voldoende om van kunst te kunnen spreken. Ik deel hun mening maar we krijgen het met ons drieën niet gezegd want J. vindt dat standpunt elitair en is zelfs een beetje verontwaardigd.

1583

dinsdag 4 november 2008

Microfictie (1)

nieuwe rubriek: eigen vertalingen van Régis Jauffret, Microfictions

Meer geluk

Weet dat de onschuldigen voortaan decennia nemen zoals hardlopers horden. Wie het cleanst is, wordt honderd en houdt het nog vele jaren uit alvorens zich uit te leveren aan de dood. Maar wie ziek is met zestig moet worden beschouwd als een schurk. Zijn uitzaaiingen zijn niet meer dan zijn welverdiende straf. Schud ze vooral niet de hand als je, per abuis, hun kamer betreedt; geef ze hun medicamenten, ze zijn zorgvuldig uitgekozen met het oog op het erger maken van hun pijn; vermink ze in het operatiekwartier met een vaardig gehanteerd scalpel. Je hebt toch niet al die lange jaren gestudeerd om hun medeplichtigen te worden?

– Elk ziekenhuis is een gevangenis.

Maar je bent daar niet om de toegeeflijke of passieve cipier te spelen. Voer de zieken ’s avonds per ambulance aan, laat ze ’s morgens in een anonieme wagen van de gemeentelijke begraafdienst de keet verlaten. Dat is zo min of meer de essentie van de nieuwe eed van Hippocrates die je moet afleggen op 14 juni.
Enkel een leven van onthouding verschaft het privilege om de hoogste leeftijd te bereiken. Doorsuikerde kinderen, onanerende adolescenten, neukende jongeren en epicuristische volwassenen die op zoek zijn naar steeds meer geluk bevolken vroeg of laat onze diensten. Hier tref je nooit moeders aan van kroostrijke gezinnen, vanaf hun dertigste verslonst als gevolg van doorwaakte nachten, en ook niet hun echtgenoten, versleten door het ontiegelijk harde werk dat ze verrichten om al die kleuters te kunnen voeden, kleuters die ze aan de lopende band hebben verwekt met een lendenstoot die even vreugdeloos was als een hamer die neerkomt op de klinknagel van het chassis van een landbouwmachine. Van de verstokte vrijgezellen van beider seksen die van hun existentie nooit iets anders hebben overgehouden dan de immer teleurgestelde hoop om dé liefde te vinden, hoef je je hier ook niets aan te trekken.

– Deze overdrager van besmettelijke ziekten.

Van wanorde, van dromen en ten slotte van zelfmoorden, van moorden, van delirerende psychotici waarvan je achter de tralies van het paviljoen waar we de schizofrenen in opslaan een paar weerzinwekkende staaltjes hebt mogen aanschouwen.

– Daar staat tegenover dat de genieters uw broodwinning zijn.

U krijgt te maken met dertigjarige hartlijders die weigeren hun nakende dood onder ogen te zien ondanks al die bij het ontbijt gulzig naar binnen gewerkte boter; met aan alle vier de ledematen verlamde sukkelaars die er niet in slagen om op een waardige wijze de liggende houding aan te nemen, het enige voordeel nochtans dat die stommeriken aan hun verleden als motorrijder overhouden; met longkankerpatiënten die grienen wanneer ze de doodkistencatalogus doorbladeren die op hun nachttafeltje werd achtergelaten door hun echtgenote, die er wilde op toezien dat ze ten grave worden gedragen in een kist die overeenstemt met hun wensen.

– En dat terwijl het rokers waren.

Régis Jauffret, Microfictions, 751-752 – mijn vertaling

1582

maandag 3 november 2008

Terugblik (27) 502 / 1000

De voorstelling en de bedoeling van de foto lijken op het eerste gezicht duidelijk. Twee mannetjes kijken bewonderend naar een extra large Mercedes zoals je er niet vaak een ziet. Het contrast tussen het volkse van die mannetjes en het chique van de auto zorgt voor een humoristisch effect.

Dat is eenvoudig en ook juist.

Maar er is méér. Deze foto toont aan dat een dergelijke eenvoudige boodschap wordt versterkt door elementen die niet op het eerste gezicht duidelijk overkomen.

De auto lijkt, door de werking van de perspectief, met zijn neus naar omhoog te wijzen. Er zijn twee mannetjes, maar ook twee wielen en twee klinken. En twee pijlers naast het deurgat in het rolluik. Dat rolluik is neergelaten. Het huis heeft drie traveeën, het zijraam van de auto heeft drie (opstaande delen waarin het glas gevat zit, ik vind het woord niet). De horizontale witte glanslijn op de auto rijmt mooi met de witte horizontale streep van de luifel.
Het lijkt allemaal niets te betekenen, maar al deze elementen vormen samen een ritme, een melodie. En inhoudelijk is natuurlijk het gesloten rolluik van doorslaggevend belang in dit decor. De auto staat te pronken, de etalage – waarin toch ook van alles te pronken ligt – blijft verborgen. Dat brengt een nieuw contrast aan, naast dat eerste tussen volks en chique. De twee mannetjes staan overigens aan de zijkant; het rolluik staat centraal in beeld en trekt, hoe beter je kijkt, steeds meer de aandacht naar zich toe.
Natuurlijk speelde dit alles niet mee toen ik de foto maakte. Ik passeerde er met de fiets, stopte op tijd want ik had het gezien, haalde mijn toestel uit mijn zak en drukte af. Pas later begon dat hele spel van ritmes en meerlagigheid, begon de foto te wérken.