vrijdag 31 mei 2013

Hannah Arendt

Een film over de gedachte van een filosofe die naar aanleiding van het proces tegen de nazimisdadiger Adolf – nomen est omen – Eichmann haar licht liet schijnen over wat zij ‘de banaliteit van het kwaad’ noemde en die daarmee op weinig sympathie kon rekenen in joodse kringen, waar men nog volop bezig was met de rouwverwerking van de Shoah en dus niet graag zag gebeuren dat de daders een deel van hun verantwoordelijkheid werd kwijtgescholden, sterker nog, dat het joodse volk zélf voor een deel, een weliswaar klein deel maar toch een deel (het onvermogen van zijn leiders), verantwoordelijk werd geacht. Geen stof voor een spannende actiefilm of een spannende psychologische thriller. Toch slaagt Margarethe von Trotta erin om van haar portret van Hannah Arendt een interessante en bij momenten beklijvende film te maken.

De beelden van het Eichmann-proces zijn iconisch. Iedereen met een beetje belangstelling voor de geschiedenis van de twintigste eeuw kent ze, en in de categorie mensen zonder belangstelling voor de geschiedenis van de twintigste eeuw zullen er zeer velen zijn die toch al eens, al zappende weg, in een van de talloze documentaires over de Tweede Wereldoorlog zijn blijven haperen aan die rare snuiter met zijn koptelefoon in dat glazen kantoortje midden in een zaal vol mensen. De Mossad, de Israëlische veiligheidsdienst, had Eichmann op redelijk discutabele maar, vanwege de gruwel die de joden was aangedaan, niet ter discussie gestelde manier ontvoerd uit Argentinië waar hij, zoals vele andere nazibeulen, tot veertien jaar na het einde van de oorlog ondergedoken een vrijheid had genoten die hij op basis van zijn daden (en niet-daden) tijdens de oorlog beslist niet had verdiend. Maar een proces zou dat eventjes aan het licht brengen.

Het proces-Eichmann dreigde, mede door de mediatisering (de beelden!), een showproces te worden en Hannah Arendt had dit al zeer vlug doorzien. Zij toonde aan dat dit geen gewoon proces was. En eigenlijk ook dat dit een onmogelijk proces was – hetgeen haar rasgenoten (zij was zelf een joodse) danig schokte. Het was een onmogelijk proces omdat een individu moest opdraaien voor de misdaden van een heel systeem, en bovendien voor misdaden die in geen enkel strafwetboek beschreven stonden omdat ze nooit eerder op die schaal en op die manier waren begaan.

Beelden. Regisseur Margarethe von Trotta heeft op voortreffelijke wijze het probleem omzeild van hoe om te gaan met die iconische beelden, die velen dus kennen. Zij doet geen moeite om alles te laten naspelen. Dat zou belachelijk zijn. Er is in de film geen acteur die Eichmann naspeelt. We zien Eichmann enkel op de historische, nog verre van scherpe, zwart-wit-televisiebeelden. Ook de interventies van de rechter zien we in de ‘originele’ beelden. We horen ook hun stemmen: alles is opgenomen en bewaard. De beelden van Trotta’s film (in kleur en met actrice Barbara Sukowa die als Hannah Arendt in de perszaal van het gerechtsgebouw op schermen het proces volgt) worden met deze historische documenten verweven: we zien Eichmann of de rechter iets zeggen, en dan hoe Arendt hierop reageert. Op die manier haalt Trotta de geschiedenis in haar film binnen zonder ook maar iets te fictionaliseren: noch het proces, noch de reactie van de filosofe daarop.

Hier zit echter – mogelijk – een scherp kantje aan. Het nadeel van monteren – want dat is wat hier gebeurt – is dat ook manipulatie mogelijk wordt: montage is altijd ook een vorm van retoriek. Je ziet de rechter een vreselijke beschuldiging uiten, en dan krijg je een beeld van een grijnzende of in elk geval sceptisch de mondhoeken en wenkbrauwen optrekkende Eichmann. Is dit historisch correct? Zien we de authentieke reactie van Eichmann op wat de rechter op dat ogenblik zegt? Je kunt het maar weten als je de hele opname zou bekijken. Maar je moet wéten dat je het niet weet. Dit montageprobleem drong tot me door toen ik aan kleine details – de lichtjes wisselende lengte van de askegel van een van de talloze sigaretten die Sukowa/Arendt moet opsteken – merkte dat Arendts apologie voor het studentenpubliek aan het eind van de film ook niet in één ruk was opgenomen.

In die apologie – en in deze hele zwaar didactisch aangezette film, eigenlijk – heeft Arendt het over het denken. De misdaad van Eichmann was volgens haar dat hij erin was geslaagd het denken uit te schakelen. Als een perfecte ambtenaar (zo zag hij er ook uit) voerde hij gewoon uit wat hem was bevolen, hij gehoorzaamde omdat hij gezworen had te zullen gehoorzamen. ‘Een eed is een eed,’ stelde hij met onwrikbare logica. Hij was zich eigenlijk van geen kwaad bewust. Als de treinen waarop hij die joden had gezet maar reden, dan was zijn taak volbracht. Waar ze naartoe reden, dat viel onder een andere paragraaf, een andere verantwoordelijkheid, de bevoegdheid van een andere nazibons.

Deze kille bureaucratie legde Arendt bloot. Zij zag een man die de regels had gevolgd, het kwaad dat hij had begaan was, in die optiek, banaal.

Maar natuurlijk was zijn misdaad niet banaal. Zijn misdaad was echter niet zozeer, of toch niet in de eerste plaats, dat hij joden had laten oppakken, wel dat hij dat gedachteloos had gedaan. Daarin was hij onmenselijk geweest – want het eigene van de mens is dat hij kan denken.

Het is in deze passage dat Margarethe von Trotta zich, via haar personage, rechtstreeks tot ons richt: denk na, zie wat er gebeurt, neem uw verantwoordelijkheid op. Wees moedig. Heb burgerzin.

Wikipedia: ‘She raised the question of whether evil is radical or simply a function of thoughtlessness, a tendency of ordinary people to obey orders and conform to mass opinion without a critical evaluation of the consequences of their actions and inaction.’ Iedereen moet maar uitmaken in welke mate dit een hoogst actuele aangelegenheid is. Ik vind het in elk geval een zeer behartenswaardig appel.

Ga in tegen de blinde bureaucratie, die de taal van het totalitarisme spreekt. En durf te denken. Maar dan wel wetende dat denken méér is dan weten. Denken is veel meer dan feitenkennis, het is ook: onderscheid kunnen maken tussen mooi en lelijk, tussen goed en kwaad. Maar je moet wel oefenen. Het denken is iets wat je kunt leren en aanscherpen. Deze film is een pleidooi voor studeren, voor geletterdheid, voor de kunst van het spreken en het luisteren, voor de intellectuele dialoog (er zijn er een aantal, en ze worden voortreffelijk in beeld gebracht), ja zelfs voor het intellectualisme en dat is in onze tijd een deugddoende verademing – zeker in een film waarin zoveel wordt gepaft.

Ik heb me niet verveeld. De film van Margeretha von Trotta vertaalt behartenswaardige ideeën en heeft ook als film zeker kwaliteiten. Mooie decors, sterke dialogen, maar ietwat te schoolse vertolkingen. Toch bevredigt de film niet. Hij blijft te zeer de (didactische) verbeelding van een filosofische gedachte. De psychologie van het hoofdpersonage blijft vlak. En de film breekt te abrupt af: ik had meer willen weten over de uiteindelijke receptie van Arendts ideeën.

Het laatste beeld toont de skyline van New York, gezien van op de East River of vanuit Brooklyn: in het midden de Empire State Building, rechts het gebouw van de Verenigde Naties, met schuin rechts daarachter The Chrysler Building: natie, wereldregering en kapitaal op één lijn. Links, in Lower Manhattan, geen Twin Towers. Dat is historisch correct want het World Trade Center werd pas twaalf jaar na het proces Eichmann en Arendts verslaggeving voor The New Yorker (1961) en tien jaar na de publicatie van haar definitieve en uitgebreide verslag Eichmann in Jerusalem (1963) ingehuldigd. Maar hun afwezigheid in het beeld is toch nadrukkelijk en significant; het is in elk geval geen toeval dat de film met dit beeld eindigt – mij doet het denken aan de minstens ten dele tegen het Amerikaanse  jodendom (en kapitaal) gerichte islamitische terreur: een nieuw totalitarisme, waarbij nieuwe versies van – inderdaad zeer menselijke – onwetendheid en onnadenkendheid opnieuw de impact van het gevaar dreigen te versterken.

Het is niet de enige keer dat de regisseur rechtstreeks tot ons spreekt. De lezing van Arendt voor haar studenten, die eigenlijk een apologie is omdat ze zich verdedigt tegen de heftige reacties op haar verslag, is een bijna rechtstreeks tot ons gericht appel tot het opnemen van verantwoordelijkheid en burgerzin, tot het achterwege laten van onwetendheid, tot nadenkendheid en het stellen van de juiste vragen.


Dit appel is wat de film sterk en belangrijk maakt. 

3247

Louvre Lens - 130214

dinsdag 28 mei 2013

geen verloren tijd 67


I:585-597

Marcel is danig in de war van zijn besluit om Gilberte niet meer te zien. Je kunt op verschillende manieren op dergelijk verdriet reageren. Een ervan is het voorwerp van de versmade liefde enigszins links te laten liggen, te doen alsof je het allemaal niet zo erg vindt en zelfstandigheid voor te wenden – om haar niet nog meer van je te verwijderen. Dat is wat Marcel doet, maar hij kan zich er toch niet van weerhouden Gilberte een brief te schrijven die tegelijk ‘gebelgd’ is maar toch openingen op verzoening bevat. Marcel is ten prooi aan een grote verwarring – hij weet dat zijn perspectief niet objectief is maar hij kan er geen ander innemen; hij is in zekere zin op verwarde wijze bewust van zijn verwarring, hetgeen de zaken er niet eenvoudiger op maakt. In zaken van verliefdheid geldt : le principe de causalité existerait à peine; de verliefde is un être qui ne serait pas capable d’établir un lien entre un phénomène et un autre; voor hem geldt: le spectacle du monde serait incertain comme un rêve (586:41-587:2). Uiteindelijk kan Marcel, de volgende dag al, niet anders dan alweer bij de Swanns langs te gaan en hij beseft dat hij zich al dat gepieker had kunnen besparen.

Wanneer hij zich aanmeldt, wordt Marcel echter koel ontvangen en hij neemt zich voor zich dit keer niet meer door zijn gemoedsbewegingen te laten vermurwen. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: hij blijft hopen – en c’était ce dernier sentiment qui, presque autant que la crainte (haar nooit meer te zullen terugzien), rendait ma souffrance intolérable (588:38-40). Het postsysteem, met meerdere bezorgingen per dag, werkt de gemoedsrust zeker niet in de hand want als er bij de ochtendpost geen brief van Gilberte is, dan misschien bij de middagpost – en bovendien kan een afzender een brief ook zó laten bezorgen: het gevolg is dat Marcel geen moment rust kent. Hij is voortdurend aan het redeneren: wellicht kan hij Gilberte nog het best van zijn liefde overtuigen door, mocht zij hem opnieuw uitnodigen, voor te wenden dat hij niet op haar uitnodiging kan ingaan. Hij hoeft bovendien niet alle schepen achter zich te verbranden want hij heeft nog altijd toegang tot huize Swann: van Mme Swann kan hij blijven vernemen hoe het met Gilberte gesteld is. Hij gaat uiteraard alleen wanneer hij zeker is dat Gilberte er niet zal zijn: hij zou haar maar eens de indruk geven dat hij speciaal voor haar gaat! Voortdurend stelt Marcel zich voor wat er in de brief die zij hem dan toch eens zou moeten schrijven zou staan. La constante vision de ce bonheur imaginaire m’aidait à supporter la destruction du bonheur réel. (591:6-8) Marcel blijft hopen zoals de moeder wier zoon op zee wellicht is omgekomen, die elke dag op het strand naar de einder gaat staren.

Deze bladzijden leveren een soort fenomenologie van de berekenende zelfbegoocheling. Dat het dwaas is, beseft Marcel zelf ook wel (zo dwaas is hij niet!): Nous sommes tous obligés, pour rendre la réalité supportable, d’entretenir en nous quelques petites folies. (591:37-39)

Dat Marcel nog altijd naar de Swanns kan gaan, ook al is het niet voor Gilberte, heeft hij te danken aan een uitnodiging van Mme Swann zelf: zij heeft te kennen gegeven dat ze graag zou hebben dat hij ook eens voor haar zou komen, maar dan niet op het uur dat ze ‘ontvangt’. Dus kan Marcel niet anders dan laat gaan, wanneer het al donker is. We krijgen een korte beschrijving van duister Parijs, un Paris plus sombre qu’aujourd’hui (592:17), een Parijs waar nog niet tot in alle hoeken en wijken de elektriciteit was doorgedrongen.

Opvallend aan Odettes interieur is de wintertuin: zij schijnt een grote voorliefde voor talrijke en omvangrijke planten te koesteren. Dat is naar de mode van de tijd, maar het heeft ook iets met haar vroegere bestaan als cocotte te maken. In dat bestaan had zij dat soort luxueuze interieurs nodig om haar mannen te ontvangen. Bloemen en planten maakten daar wezenlijk deel van uit.

Odette is erin geslaagd een salon op te zetten zoals Mme Verdurin er een had. Charles Swann, die destijds een van Mme Verdurins vedetten was, heeft ze afgesnoept van het kleine groepje rond Mme du Deffand.


Marcel geniet van de met de zonsondergang buiten corresponderende kleurenpracht van de bloemen binnen. Vooral de chrysanten boeien hem.

los ingeslagen 95


26 maart 2013

Mijn Nederlandse vriend P. vertelt over de boomende hoedenbusiness van zijn vrouw L., en dat, als er in tijden van crisis al hoeden worden verkocht, dan vooral exclusieve hoeden die zijn vervaardigd met dure en zeldzame materialen. Door dat boomen is P. zijdelings ook in de stoffenbranche verzeild geraakt – en in een niche van die branche dan ook nog eens in het vilt – en zo kan het gebeuren dat je hem al eens op een gespecialiseerde beurs aantreft waar hij als een doorwinterde viltventer zijn waren aan de man probeert te brengen. Twee stapels heeft hij daar dan, zo vertelt hij me, en dan gaat het zo:

‘Mevrouw, als u een hoed wil maken voor de koningin, dan moet u uit deze stapel kiezen. Maar als u voor uw buurvrouw aan het naaien slaat, dan heb ik deze selectie voor u.’ (wijst naar andere, denkbeeldige, stapel)

En vervolgens: ‘Tenzij u naast de koningin woont, dan moet u toch hier zijn!’

P. vertelt het met zijn brede lach en ja, mocht ik een vrouw zijn, en kapitaalkrachtig, dan zou ik van deze man wel een hoedje willen van zijn koninklijke stapel.

13 in z/w 140


los ingeslagen 94


26 maart 2013

In 1930 schreef Thomas Mann de novelle Mario und der Zauberer (in de vertaling van Hans Hom onder de titel Mario en de magiër beschikbaar in de verhalenbundel Tonio Kröger (1971)). Een Duits modelgezin (vader, moeder en twee kinderen, ‘van elks eentje’) brengt op de rand van hoog- en naseizoen (niet zonder betekenis, dit) een vakantie door in een Italiaanse badstad. Samen met de laatste – luidruchtige, veel plaats innemende en behoorlijk zelfbewuste – Italianen verdwijnt ook het stralende zomerweer, en er komt een grijze, drukkende atmosfeer voor in de plaats. Allerlei onaangenaams, onder meer in het hotel waar het gezin aanvankelijk zijn intrek had genomen, zorgt voor een onheilspellende onbehaaglijkheid. Een incident op het strand verkilt de sfeer helemaal: de ouders hebben hun kind na het baden eventjes ongekleed gelaten en daar nemen de principiële Italianen aanstoot aan. De zaak wordt op het politiekantoor beslecht en de ouders krijgen een boete. (Neen, het is geen GAS-boete.) Ze laten zich echter niet intimideren en zetten hun vakantie verder. De pater familias probeert de onbehaaglijkheid te keren door samen met vrouw en kinderen naar de voorstelling te gaan van een goochelaar die zich Cipolla noemt. Maar ook daar blijkt de sfeer verziekt. Cipolla blijkt veeleer een ongemeen griezelige volksmenner te zijn, die zonder scrupules enkele aanwezigen manipuleert, kleineert en in zijn ban weet te slaan.


Manns schotschrift over de verleidkunsten van Mussolini, want dat is deze novelle, is verbazend actueel. U moet haar maar eens lezen.

3244

Ver-Assebroek, begraafplaats - 130212

13 in z/w 139

Sluis

Mario Vargas Llosa, De droom van de Ier


De droom van de Ier brengt het levensverhaal van de Ierse antikolonialist en nationalist Roger Casement, die in 1915 in Londen werd ter dood veroordeeld wegens landverraad in oorlogstijd.

Helemaal achterin dit als ‘roman’ (titelblad) voorgestelde boek, in de epiloog (waarin ook dankbetuigingen staan en een bibliografie, wat dan weer weinig roman-achtig is), stelt Mario Vargas Llosa zich uitdrukkelijk voor als 'romanschrijver'. Hij heeft het op dat ogenblik over de dagboeken van Roger Casement, meerbepaald over zijn interpretatie van het feit dat in die dagboeken nogal wat scabreuze notities staan over – al dan niet beleefde – seks met jonge jongens. 'Als romanschrijver' is Llosa van oordeel dat veel van die verhalen gefantaseerd zijn – maar hij geeft meteen aan dat hij dat niet kan bewijzen. Hij voelt het zo aan, het is een 'interpretatie' op basis van al het andere wat wél met zekerheid over Casement te vertellen valt.

De kwestie is niet onbelangrijk want het zou mede op basis van die scabreuze notities zijn dat aan Casement geen gratie werd verleend. Casement zou met die notities in zekere zin zijn eigen graf hebben gedolven want (a) het was voor niets goed dergelijke verhalen op papier te zetten alsof ze echt waren voorgevallen in een tijd waarin homoseksualiteit nog absoluut niet door de beugel kon en (b) het was hoogst onvoorzichtig die dagboeken, de zogenaamde 'Black Diaries', te laten rondslingeren – waardoor ze in handen van het gerecht konden vallen. Op basis van zijn verdiensten als gezaghebbend klokkenluider die de koloniale uitbuiting in Congo en in Peru aan de kaak had gesteld, had aan Casement eventueel gratie kunnen worden verleend, maar iemand met een dergelijke homoseksuele levenswandel kon moeilijk worden vergeven dat hij, in oorlogstijd, vanuit Iers-nationalistische motieven had geconspireerd tegen de belangen van het Verenigd Koninkrijk in, hij had zelfs samenwerking (collaboratie) gezocht met de Duitsers.

Strikt genomen hoeft de uitlating 'ik ben een romanschrijver' in een epiloog van een boek nog niet te betekenen dat het boek dat aan die epiloog voorafgaat een roman is, maar daar lijkt het in dit geval toch wel op. Het interpretatieve gehalte van de epiloog slaat bijgevolg over op het corpus waardoor, in zekere zin, alles, het hele levensverhaal van Roger Casement dat daarin uit de doeken wordt gedaan, op losse schroeven komt te staan. Vreemd is dat want Roger Casement is wel degelijk een historische figuur en om zijn verhaal te schetsen moet je belangrijke episodes uit de – waar gebeurde! – geschiedenis van een land of vijf goed kennen: Groot-Brittannië, Ierland, België, Peru, Congo. Het kan niet anders of Llosa lijkt te willen suggereren dat fictie onontbeerlijk is om aan geschiedschrijving te doen, dat, in bepaalde gevallen, de waarheid slechts met behulp van leugens kan worden verteld en dat, in élk geval, de grens tussen werkelijkheid en fantasie niet altijd zo duidelijk te trekken is.

Deze kwestie – alweer het probleem van het 'genre' (is dit nu een roman of is dit geschiedschrijving, of is het iets tussenin?) – is van cruciaal belang. De droom van de Ier gaat over koloniale uitbuiting die verkocht wordt met een leugen: de zogenaamde civilisering van zogenaamd primitieve volken. Casement kaart die uitbuiting aan in rapporten die in grote mate zijn samengesteld op basis van getuigenissen, zonder dus zelf rechtstreeks met de gruwel te zijn geconfronteerd – maar wat is de geloofwaardigheid van die getuigenissen uit de tweede of derde hand? De bewijslast tegen de koloniale uitbuiting staat in wetenschappelijk aandoende rapporten – die onder meer door Casement werden opgesteld. Maar de in die rapporten betichte kolonialen proberen die bewijslast te ondermijnen, uiteraard met leugens. Leugens waarvan niet kan worden bewezen dat het leugens zijn, worden ingezet tegen waarheid waarvan niet kan worden bewezen dat het waarheid is. Hierdoor lijkt het evident dat de onderdrukte geen recht kan afdwingen op basis van een dialoog – vandaar Casements overtuiging dat, in het geval van het Britse kolonialisme in Ierland, enkel een gewapende opstand soelaas kan bieden. Waar woorden machteloos worden, moeten de wapens spreken. Maar dat leidt alleen maar tot meer verwarring want, om de Ierse zaak te dienen, encannailleert Casement zich met de Duitsers – op basis van het principe 'de vijand van mijn vijand is mijn vriend'. Deze collaboratie met lieden wien het allerminst in de eerste plaats om de waarheid in verband met de Ierse onderdrukking te doen is, leidt, in combinatie met het zedelijke schandaal van zijn dagboek, tot Casements ondergang.

Dat is in een notendop de tragiek van Casements persoonlijkheid: de inconsistentie van zijn waarheid. Hij verenigt in zich het beste, de gedrevenheid om tegen de stroom in de kolonialistische leugen te ontmaskeren, met het slechtste, de dwaze en door een denkfout ingegeven droom om via collaboratie het Ierse nationalisme te dienen. En daar komt dan nog die schimmige en vooral perverse en wellicht minstens gedeeltelijk fantaisistische pedofilie bij, wat de psychologie van dit historische karakter er niet minder complex op maakt.

Nog een andere kwestie houdt zich op in de schemerzone tussen werkelijkheid en fictie: Casements niet zo eenduidige relatie tot religie. Tijdens zijn gevangenschap valt hij terug op het katholieke geloof van zijn jongste jaren. Nuja, ook dat is geen eenduidige kwestie. Hij is als protestant opgevoed, maar hij was, buiten het medeweten van zijn vader om, door zijn moeder katholiek gedoopt. In gedachte altijd protestant, blijkt hij de iure nooit iets anders dan een katholiek te zijn geweest. Ook hier dus: leugen versus waarheid – en dan hebben we het nog niet over de waarheidsaanspraken van de katholieke geloofspunten, die op iemand die vlak voor zijn terechtstelling staat toch een zekere bekoring kunnen uitoefenen.

Het statement een 'romanschrijver' te zijn is, in het licht van al deze complicaties, zeker niet gratuit. Een roman is fictie en dus, per definitie, leugenachtig. Maar het is een bijzonder soort van onwaarheid, een die misschien kan dienen om de pertinente leugenachtigheid die de werkelijkheid kenmerkt aan het licht te brengen. Dát is het wat Llosa lijkt te willen zeggen – en dat verleent zijn roman alsog een interessante gelaagdheid.

Alsnog? Welja. Op het eerste gezicht lijkt De droom van de Ier niet veel meer te zijn dan een breed uitgesponnen, nogal ééndimensionaal, historisch relaas. De schrijver neemt ons mee naar overzeese gebieden, eerst naar Congo en dan naar de jungle in Peru, waar hij ons tot in den treuren overlaadt met details over de koloniale uitbuiting, het ene al gruwelijker dan het ander. Met een opeenstapeling van feiten, die hij meer dan eens herhaalt, legt hij uitermate omstandig ‘het systeem’ van de uitbuiting uit, de grote leugen van het kolonialisme. Met wetenschappelijke verbetenheid presenteert Llosa ons een inventaris van de gruwel. Hij maakt ons omstandig duidelijk wat het verband is tussen Casements antikolonialisme en zijn nationalisme. Llosa ontmaskert de werkelijke aard van de mens: een hebzuchtig, wreedaardig, pervers beest. Joseph Conrad ging hem hierin met Hart der duisternis voor, maar dan wel beknopter, pregnanter, lyrischer. Maar De droom van de Ier is wel degelijk literatuur. Llosa verleent zijn boek vooral door het doorbreken van de chronologie van het verhaal een literair gehalte: de verhalen uit de kolonies (en later Duitsland en Ierland) worden afgewisseld met scènes in de gevangenis waar Casement op de uitvoering van zijn doodvonnis – of op gratie – wacht. Die onduidelijkheid – uitvoering of gratie – verleent aan het boek een spanning. Literatuur is De droom van de Ier ook door de manier waarop de kwestie van de dagboeken met daarin de scabreuze notities wordt afgehandeld: Llosa permitteert zich hier onuitgesprokenheid; anders dan in een wetenschappelijk document het geval zou zijn, gaat hij nergens expliciet op deze dagboeken in, hij citeert er niet uit. Ten slotte zou je ook nog het romaneske karakter van De droom van de Ier kunnen adstrueren met de stelling dat Roger Casement daarin meer een personage is dan een historisch figuur: wij zien hoe hij wordt geschilderd in contrast met andere karakters (bijvoorbeeld de cipier in zijn cel) en hoe hij een bepaalde evolutie doormaakt (bijvoorbeeld in zijn houding ten overstaan van religiositeit).


Dat alles voor wat betreft het literair gehalte van De droom van de Ier. Maar dat kan niet beletten dat De droom van de Ier een verre van volmaakte roman is. Het zou – voor mij – in elk geval onvoldoende zijn indien ook niet de hierboven geschetste problematiek van fictie en werkelijkheid, waarheid en leugen een belangrijk rol in het boek zou spelen.

zondag 26 mei 2013

13 in z/w 138


reacties


en de heer veranderde wijn
in champagne ...
Uvi

*

en zo verander je water in schuimwijn
P.M.

schrikkel 365c

Iedereen kent het intussen wel: het gevoel dat je hebt als je jezelf ziet voorbijlopen op het scherm waarop beelden van een of andere bewakingscamera worden geprojecteerd. Het kind in je zwaait dan naar jezelf-op-dat-beeld, je bent geneigd een gek pasje te doen maar je doet het dan maar niet want het is een gek pasje. Je wéét dat je in beeld komt want je herkent op het beeld de setting, het decor; je ziet jezelf het beeld binnenkomen – en er is altijd die bevreemding: ben ik dat?, zie ik er zo uit?, is dat mijn houding?, mijn caruur?, mijn postuur?, mijn algemeen voorkomen? Ja, zo zien anderen mij en ik ben mij daar niet van bewust. Ben ik zo zwaar? Loop ik zo hoekig? Maar goed, we leren ermee omgaan – genoeg bewakingscamera’s in de buurt en schermen waarop we zien hoe we gezien worden.

Maar dit keer is het anders. Setting: een Londense dubbeldekbus. Ik zie een scherm, maar sta daar niet bij stil. ‘Het zal wel reclame zijn,’ denkt een mens dan (als hij al iets denkt, want een mens denkt niet altijd) – en inderdaad, dat is ook zoiets: er zijn niet alleen overal schermen met beelden van bewakingscamera’s die ons moeten waarschuwen, er zijn ook overal schermen met beelden die ons moeten overtuigen: wees verlekkerd op mij!, begeer mij!, koop mij! Pas daarna, in tweede instantie en op een bewuster niveau, dringt het tot me door dat de persoon op het scherm een trap afloopt, dat ik dat op datzelfde ogenblik ook doe en dat – setting, decor – ik naar een beeld van mezelf loop te kijken. Dat is bevreemdend op een complexere manier dan wanneer je wéét dat je in beeld komt. Je ervaart niet alleen dat er een discrepantie bestaat tussen enerzijds je aanvoelen van hoe je eruitziet en anderzijds hoe je er effectief uitziet (houding, caruur, postuur); je ervaart bovendien hoe bizar het is als je jezelf helemaal niet zou herkennen. Wat je ervaart is niets minder dan – al duurde het maar een fractie van een seconde – een dissociatie, het is iets verscheurends, iets wat je losmaakt van, ja, waarvan eigenlijk…?

Maar goed, dat is allemaal theorie. Je ziet zoiets, een zoveelste scherm, je ervaart er iets bij wat je niet gewoon bent te ervaren, je voelt je een fractie van een seconde duizelen – en dan kom je op de benedenverdieping van de dubbeldekse bus, je ziet weer honderd andere dingen; je stapt uit, staat op een Londense straat, duizend dingen; je gaat een hoek om, honderdduizend dingen… En voor je het weet, ben je het voorval vergeten.


Maar je hebt een foto gemaakt.

13 in z/w 137


reactie

Geachte schrijver van het blog Geen Verloren Tijd,

Allereerst mijn complimenten over deze zojuist door mij ontdekte schatkamer vol juwelen.
Wij zijn met vier mensen bezig, al vanaf december 2011, om de Recherche langzaam en intensief te lezen, kost veel tijd, maar dat is inderdaad geen verloren tijd. U doet het kennelijk nog langzamer. Onze liefde voor Proust is in die tijd enorm gegroeid. Inmiddels zijn we aangekomen bij De Tijd Hervonden. Dus de droefheid dat het binnenkort voorbij is slaat langzaam toe. Wat dan? Opnieuw beginnen met de kennis die we nu hebben, zou een goed idee zijn, zeker door het beschikbaar zijn van uw teksten en analyses die natuurlijk het beste genoten kunnen worden door langzaam mee te lezen met de originelen, Proust teksten en vertalingen.
Morgen zal ik de andere leden van ons groepje mijn vondst melden.
Dank voor uw bijdrage aan ons leesplezier.


Met groet, Arie van Drongelen

3242

Duinkerke - 130210

zaterdag 25 mei 2013

de dingen 88

111218

de dingen 87

120731

mirage 72

 
121012

mirage 71

120527

mirage 70

120526

mirage 69

120820

getekend 90


13 in z/w 136

Brussel, Koloniënstraat

geen verloren tijd 66


I:575-585

De overgang naar de volgende passage verloopt bruusk, maar het gaat dan ook om iets ingrijpends: Ce fut vers cette époque que Bloch bouleversa ma conception du monde (575:34-35). Hoe ziet dat wereldbeeld-tot-de-komst-van-Bloch eruit? Wel, het gaat over een gelijkschakeling tussen geluk en de toegang tot (vooral vrouwelijke) schoonheid: Marcel is ervan overtuigd que le bonheur, la possession de la beauté, ne sont pas choses inaccessibles et que nous avons fait oeuvre inutile en y renonçant à jamais (576:5-8). Bloch brengt dit wereldbeeld uit evenwicht door Marcel te introduceren in de wondere wereld van het maison de passe (575:43), het bordeel. Daar kun je je laten overtuigen door iets wat je níet zelf kunt bedenken, iets waartegenover expirent toutes les créations logiques de notre intelligence et que nous ne pouvons demander qu’à la réalité: un charme individuel (576:19-21). Dat is niet niets, het is niets minder dan le présent vraiment divin (576:17). (C.N. Lijsen vertaalt dit laatste als ‘een waarlijk hemels geschenk’, maar ik vraag me af of de betekenis van ‘huidig’ of ‘tegenwoordig’ – wat présent ook betekent – niet méér of minstens evenzeer aan de orde is: iets van het goddelijke dat nu al binnen bereik komt.) Door dit goddelijke (of ‘hemelse’) karakter komt het bordeel voor Marcel op gelijke hoogte te staan met ces autres bienfaiteurs (…) d’utilité analogue (576:22-23): les éditions de la peinture illustrées, les concerts symphoniques et les études sur les ‘Villes d’art’ (576:26-28). Seks, schilderkunst, muziek en reizen als evenwaardige voertuigen van de goddelijke genade!

Het bordeel waar Bloch Marcel heen leidt, is echter van een bedenkelijk allooi. De bazin probeert Marcel er telkens de joodse hoer Rachel aan te smeren, vooral omdat het een slimme zou zijn. Marcel weigert het aanbod, en wanneer hij dan toch eens besluit erop in te gaan, blijkt ze bezet (‘sous presse’ (577:35-36)). Toch is hij het bordeel gunstig gezind want hij schenkt de bazin een deel van de meubels die hij van tante Léonie heeft geërfd – zijn ouders hadden er geen plaats voor en hadden ze in een loods opgeslagen. Maar wanneer hij de meubels in het bordeel terugziet, treft het contrast tussen de zedenloosheid van hun huidige entourage met toutes les vertus qu’on respirait dans la chambre de ma tante à Combray (578:10-12) hem zo pijnlijk dat hij besluit niet meer naar dit oord van plezier terug te keren. Het geheugen haalt de herinneringen niet altijd in de juiste volgorde op, en zo gebeurt het dat Marcel zich pas later zal herinneren dat hij op uitgerekend de canapé die nu in het bordeel staat de eerste liefdesgeneugten heeft leren kennen, toen, bien des années auparavant, j’avais connu pour la première fois les plaisirs de l’amour avec une de mes petites cousines (578:23-25). Vreemd dat het meisje niet met name wordt genoemd en dat op dit incident, toch niet onbelangrijk, niet nader wordt ingegaan in een relaas dat zo genadeloos precies en uitvoerig op de liefdesgenese ingaat.

Een ander deel van de erfenis (andere meubels maar ook zilverwerk) verpatst Marcel om met het geld dure orchideeën voor Mme Swann te kunnen kopen, zoveel dat de begunstigde zich afvraagt hoe het komt dat Marcels vader deze gang van zaken niet beter in de gaten houdt. Marcel kon toen nog niet weten, aldus Proust, dat hij later meer belang zou hechten aan het tafelzilver en dat het genoegen dat het hem verschafte om de ouders van Gilberte met exuberante boeketten te behagen van nul en generlei waarde zou worden. En hij besluit daaruit: Ce n’est jamais qu’à cause d’un état d’esprit qui n’est pas destiné à durer qu’on prend des résolutions définitives. (578:42-579:1) Hij realiseerde zich toen nog niet dat de liefde, cette substance étrange qui résidait en Gilberte (…) kon verhuizen dans un autre être waar zij autres effets (579:1-6) zou sorteren.

Ondertussen, terwijl Marcel serviezen verpatst, vragen de ouders zich af wat hij in godsnaam uitvoert met de intelligentie die Bergotte in hem heeft gedetecteerd. Zolang Marcel geen toegang had tot huize Swann, zat hij zijn tijd te verdromen over Gilberte – en nu hij die toegang wel heeft, komt hij ook niet tot schrijven toe want hij moet thee gaan drinken en gaan wandelen in het park. En wanneer hij dan weer thuis komt, zit hij de conversaties te verzinnen waarmee hij de volgende keer de Swanns denkt te zullen kunnen epateren. Op die manier, en ook gewoon omdat hij lui is, stelt hij het voorgenomen werk telkens opnieuw uit.

Trouwens, gaat ook de schrijver Bergotte niet voortdurend op bezoek bij de Swanns? Door daar in zijn nabijheid te vertoeven, kan Marcel la vie la plus favorable au talent (580:38) leiden. Het is een waanidee, maar Mme Swann moedigt het toch aan, comme si les chefs-d’oeuvre se faisaient ‘par relations’ (581:18-19). En zo kan Marcel cette douce vie (581:25) leiden en vaststellen dat hij gelukkig is, et aucun menace ne s’élevait plus contre mon bonheur (581:40-41).

Het gevaar komt van waar hij het het minst verwacht: du côté de Gilberte et de moi-même (581:42-43). Nochtans behoort het tot de essentie van de liefde dat zij haar bedreiging altijd in zich houdt. Liefde is altijd een precair evenwicht, en ce qui rend si heureux, c’est la présence dans le coeur de quelque chose d’instable (…) En réalité, dans l’amour il y a une souffrance permanente, que la joie neutralise (582:7-10), maar dat lijden wordt, eens de vreugde verdwenen is, wat het vanaf het prille begin altijd potentieel is: atroce (582:13). Hier zien we een andere manier waarop de liefde altijd tragisch is dan deze die meer dan vijftig bladzijden eerder (529) werd aangekaart: toen heette het dat de liefde altijd hongert naar méér.

Marcel maakt een denkfout. Hij denkt dat zolang Gilbertes ouders, qui de plus en plus étaient persuadés de mon excellente influence sur elle (582:16-18) hem blijven uitnodigen, Gilberte hem echt aan haar zijde wil – maar dat is natuurlijk niet waar. De kleine irritaties die opduiken, ziet hij aanvankelijk niet.

Op een dag moet Gilberte, die naar de dansles wil, van haar moeder thuis blijven omdat Marcel er is. Haar schouderophalen zet de definitieve verwijdering in, zeker wanneer Odette in het Engels, dat Marcel niet verstaat, met Gilberte begint te praten. Aussitôt ce fut comme si un mur m’avait caché une partie de la vie de Gilberte, comme si un génie malfaisant avait emmené loin de moi mon amie. (583:2-5) Hij voelt zich ver van haar verwijderd, vraagt zich af wat er scheelt, voelt dat hij haar onverschillig laat en hij denkt dat zij denkt: ‘je sais que vous êtes fou de moi, mais cela ne me fait ni chaud ni froid, car je me fiche de vous’ (584:21-23). En hij neemt een moedig besluit: j’eus le courage de prendre subitement la résolution de ne plus la voir (584:43). Hij deelt haar echter zijn besluit niet mee, parce qu’elle ne m’aurait pas cru (585:1). 

getekend 89


3241

130210 - Duinkerke

vrijdag 24 mei 2013

geen verloren tijd 65


I:564-575

Proust focust nu op Gilberte, die, tegen haar vader aangeleund, het gesprek volgt. Zij is fysiek een mix van twee uiterlijk erg verschillende mensen. Het leek erop of la nature semblait avoir eu, quand Gilberte avait été créée, à résoudre le problème de refaire peu à peu Mme Swann, en n’ayant à sa disposition comme matière que la peau de M. Swann (564:26-29). Ook het karakter is een onvolmaakte blend: het is alsof in Gilberte één van twee onafscheidelijke goede eigenschappen van de ene ouder zijn gekoppeld aan een slechte eigenschap van de andere ouder. Of stel het anders: in één en dezelfde Gilberte (fysieke verschijning) schuilen twee Gilbertes van andere makelij die om voorrang strijden en die onderling zo sterk van elkaar verschillen dat je bij de – schijnbaar willekeurige – overgang van  de ene naar de andere het gevoel kunt krijgen tegenover een totaal andere persoon te staan. Enkele bladzijden verder – in een wat verloren geplaatste alinea – vraagt Marcel/Proust zich dan ook af si le caractère de Gilberte n’était pas autre que ce que j’avais cru en of er onder allerlei positieve eigenschappen niet ook des désirs très passionnés (569:16-19) schuilgingen die zij uit eigenliefde verborgen hield en die slechts naar boven kwamen wanneer zij haar controle erover liet verslappen.

Gilberte lijkt van haar moeder vooral de negatieve, van haar vader vooral de positieve eigenschappen te hebben geërfd. En met hem lijkt ze ook het best overeen te komen – de toon waarop hij ‘Tu es une bonne fille’ (567:6-7) prevelt, lijkt te wijzen op een inquiétude que nous inspire pour l’avenir la tendresse trop passionnée d’un être destiné à nous survivre (567:7-9).

Charles Swann mengt zich nu weer – schijnbaar om de ongemakkelijkheid in verband met zijn wel zeer intieme omgang met Gilberte wat te ontvluchten – in het gesprek over Berma. Hij zegt dat Berma in een bepaalde repliek wel zeer trefzeker een juiste toon heeft getroffen. Marcel kan dat niet ontkennen, maar het bewijst volgens hem niet de grootheid van Berma omdat die juiste toon iets te objectiefs had, iets dat buiten Berma en haar kwaliteiten als actrice onafhankelijk bestond. Marcel krijgt complimenten van de Swanns, die iets mondainere gesprekken gewoon zijn, omwille van de kwaliteit van zijn conversatie: ‘Il me semble que nous parlons bien d’art, ajouta-t-il. – C’est très bien, j’aime beaucoup ça’, dit Mme Swann en me jetant un regard reconnaissant, par bonté et aussi parce qu’elle avait gardé ses anciennes aspirations vers une conversation plus intellectuelle. (567:35-40)

Bergotte start nu een gesprekje met Gilberte. Ondertussen evalueert Marcel het zijne. Hij stelt vast dat hij heel vrijuit met de door hem bewonderde schrijver heeft gesproken – maar dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat hij eigenlijk al vele jaren met hem ‘in gesprek’ is, eenvoudig door zijn boeken te lezen: il m’intimidait moins qu’une personne avec qui j’aurais causé pour la première fois (568:4-5). Toch is hij niet overtuigd – en hij beseft dat dit wellicht ten onrechte is – wanneer Gilberte hem, na haar gesprekje met de schrijver, toefluistert dat haar grand ami Bergotte (…) a dit à maman qu’il vous avait trouvé extrêmement intelligent (569:10-11). Maar ja, la bienveillance des hauts esprits a pour corollaire l’incompréhension et l’hostilité des médiocres (568:43-569:1).

Eindelijk vertrekt het gezelschap voor de uitstap. Marcel zit in het rijtuig bij Bergotte, die naar zijn gezondheid informeert. Een zwakke gezondheid, helaas, maar toch ook weer niet zo helaas want je vois bien que vous devez avoir les plaisirs de l’intelligence et c’est probablement ce qui compte surtout pour vous (569:27-29). Wat een misvatting! Marcel zoekt helemaal niet de geneugten van de geest: je sentais combien ce que je désirais dans la vie était purement matériel (569:35-36). Het opsnuiven van een weeë geur in een Parijs urinoir, waardoor hij wordt teruggevoerd naar Combray, schat hij veel hoger in dan eender welk intellectueel genot. Bergotte lijkt Marcel niet te willen geloven. Maar Marcel voelt zich toch gesterkt. Waar de markies de Norpois hem zijn zelfvertrouwen had ontnomen, lijkt Bergotte te bevestigen dat hij zich nu net over mes doutes, mon dégoût de moi-même (570:16-17) geen zorgen hoeft te maken.

Bergotte raadt Marcel af zich nog langer door dokter Cottard te laten verzorgen. Bijzondere mensen hebben bijzondere dokters nodig! Marcel is niet overtuigd. Je doutais beaucoup que les gens intelligents eussent besoin d’une autre hygiène que les imbéciles (571:20-22). Bergotte gaat nu de roddeltoer op en zegt dat Swann aan medische begeleiding toe is omdat hij zo afziet van de fratsen van Odette. Marcel verbaast zich ten zeerste over dit geroddel, zeker van iemand die zich uitput in vriendelijkheden als hij tegenover de Swanns staat. Hij moet eens te meer vaststellen dat hij in een andere wereld is beland: Rien, moins que notre société de Combray, ne ressemblait au monde (571:41-42). Bergotte vraagt Marcel niet verder te vertellen wat hij nu heeft gehoord en Marcel zou, mocht hij het zinnetje waarvan hij zich later in dergelijke situaties zal bedienen al kennen, het nu zeker ook gebruiken: ‘Je ne répète jamais rien.’ C’est la phrase rituelle des gens du monde, par laquelle chaque fois le médisant est faussement rassuré. (572:4-6) Faussement: het geroddel zet zit natuurlijk eindeloos door.

Marcel ervaart het als een groot geschenk van M. Swann, dat hij hem onmiddellijk bij Bergotte heeft geïntroduceerd – iets waarvoor anderen jaren lang moeten intrigeren. Hij meent daarin een manoeuver van Swann te zien, omdat Marcels ouders ooit een uitnodiging van hem om bij Bergotte te gaan eten hadden afgeslagen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de weinig gunstige reputatie die Bergotte, omwille van zijn levenswandel, bij Marcels ouders geniet. Ze stonden al niet zo gunstig tegenover zijn bezoekjes aan de Swanns, en nu dit! Bovendien verraadt Marcel dat Bergotte niets moest hebben van de markies de Norpois. Het doet Marcels vader besluiten: je suis désolé de te voir tombé dans un milieu qui va achever de te détraquer (573:20-22; ‘het hoofd op hol brengen’). Marcel overweegt nu dat hij maar beter niet kan zeggen dat Bergotte zo hoog oploopt met zijn intelligentie, maar hij zegt het – ook al nam hij zich voor het niet te doen – toch. Het effect hiervan verbaast hem ten zeerste: zijn ouders glunderen van trots en zijn wel degelijk blij met Bergottes compliment. Van de weeromstuit hemelen ze nu Bergotte op, minimaliseren ze zijn existence peu honorable dont a parlé à mots couverts le père Norpois (574:29-30), ja, ze beginnen zelfs de markies, die ze net nog ophemelden, naar beneden te halen: il n’est pas toujours très bienveillant, surtout pour les gens qui ne sont pas de son bord (574:37-39).

Nog voor ze van het compliment van Bergotte had gehoord, had Marcels moeder aan Marcel gevraagd om ook eens Gilberte op de thee uit te nodigen. Maar dit plan gaat niet door: Marcel vreest dat Gilberte de chocolade, die zijn moeder naast de thee aanbiedt, als te burgerlijk zal ervaren, en bovendien is er een onoplosbaar probleem van protocollaire aard: Mme Swann informeert bij Marcel altijd naar zijn moeder, maar hij weet dat zijn moeder bij Gilberte nooit naar Mme Swann zal informeren. Dus gaat het plan om Gilberte op de thee uit te nodigen niet door.

Deze passage wordt op luchtige wijze afgesloten: Marcel vindt in zijn jas de envelop die hem bij het binnenkomen van het salon van de Swanns door de hofmeester was overhandigd (547), die hij toen ongeopend, met de air van een habitué, had weggestoken en die hij inmiddels vergeten had: in de envelop steekt une carte sur laquelle on m’indiquait la dame à qui je devais offrir le bras pour aller à table (575:31-33).

13 in z/w 135

Brugge, Bloedput

3240

Duinkerke - 130210

donderdag 23 mei 2013

13 in z/w 134

Brugge, Station

los ingeslagen 93


19 maart 2013

In de weekendkrant laat de Izegemse politicus Geert Bourgeois weten dat hij de volgende minister-president van Vlaanderen wil worden. ‘Het zou een mooi orgelpunt op mijn carrière zijn’ – ik parafraseer hier en ook verderop. Bourgeois verkondigt ook, en passant, dat de enige inzet van de verkiezingen van 2014 de ‘totale autonomie’ van Vlaanderen wordt: ‘alle’ bevoegdheden moeten worden overgeheveld. De N-VA (Nieuw-Vlaamse Alliantie) moet met minstens 40 procent van de Vlaamse stemmen ‘incontournable’ worden, om het met een mooi Frans woord te stellen; met zo’n uitgesproken uitslag zullen, met de hulp van Open Vld en CD&V, de Walen niet anders kunnen dan instemmen met de boedelscheiding.

De Walen laten verstaan dat ze desnoods alleen met België voortdoen, CD&V zegt zich voorlopig te willen beperken tot het uitvoeren van het Vlaams regeerakkoord en de zesde staatshervorming, de opiniepeilingen (waar we de laatste tijd al veel minder van horen dan vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen) geven de N-VA op dit ogenblik 33 procent van de Vlaamse stemmen.

Het heeft er alle schijn van dat Bourgeois voor zijn beurt gesproken heeft. Hij werd dan ook al door zijn partijgenoten teruggefloten: niet hij maar De Wever wordt het boegbeeld van de verkiezingen. Weyts, Jambon et tutti quanti ventileren het respect voor de stichter van hun partij maar slagen er toch niet echt in om hun ongenoegen te verhullen. Na de overhaaste en blijkbaar op te weinig harde feiten gestoelde aanval op het ACW (zie het proces dat verkenner De Decker aan zijn broek gesmeerd krijgt – uitspraak wordt verwacht vlak voor de verkiezingen volgend jaar), is dit een tweede barst in het N-VA-bastion.

Bourgeois’ ontboezemingen hebben het voordeel dat de ware aard van het beestje, die iedereen al kende want het staat in de statuten van de Vlaams-nationalistische partij, nu open en bloot komt te liggen: niemand kan er nu nog aan twijfelen dat de N-VA niets anders wil dan separatisme; de term confederalisme is niets anders dan een formule die wordt ingezet om het tweederde van de N-VA-kiezers dat de splitsing van België niet wil een rad voor de ogen te draaien. Met zijn niet door de apparatsjiks van zijn partij gesteunde soloritje op de roetsjbaan van zijn politieke natte droom heeft Bourgeois voor duidelijkheid gezorgd en wij moeten hem daar dankbaar voor zijn.


Ik ben benieuwd hoe de coalitiegenoten van de N-VA in de Vlaamse regering zullen reageren op dit openlijke statement van de viceminister-president, dat inhoudt dat hij niet langer van plan is het regeerakkoord uit te voeren, of dan toch alleszins dat hij van plan is om iets ánders uit te voeren – want in dat regeerakkoord staat niets over Vlaamse onafhankelijkheid. Er is morgen een actualiteitsdebat in de plenaire zitting van het parlement. Het valt te vrezen dat na een rondje obligaat gescheld de plooien zullen worden gladgestreken en de meerderheidspartijen het geschil in elkaar zullen laten zakken als een mislukte plumpudding op een veel te koude voorjaarsdag.

reacties

Mooi stukje, met een paragraaflange Ciceroniaanse periode als openingsvolzin op de koop toe, inclusief protasis ("spanning": het voorbereidend gedeelte met stijgende intonatie tot aan de cllimax) en apodosis ("viering": de hoofdidee in een dalende intonatie). Althans, volgens de tweede herziene latijnse grammatica van Dirk Gerhard Johanna Panhuis.
D.J.

Dankjewel voor dat leesverslag! Prachtig! Ik kreeg meteen zin om dat boek van Nabokov ook te lezen.

C.C.

3239

Duinkerke - 130210

woensdag 22 mei 2013

13 in z/w 133

Brugge, Gouden Boomstraat

Lente in Fialta

De trein is een goede plaats om Nabokov te lezen - al is het maar omdat het gedokker, het zijdelingse gedein bij een wisselovergang en het klimmen en dalen en opnieuw klimmen en dalen van de draden naast het spoor mij vaak, ook als ik Nabokov niet aan het lezen ben, aan Nabokov doen denken, meerbepaald aan een passage in Geheugen, spreek waarin hij vertelt over een dagenlange treinreis naar Biarritz die hij maakte als kind van ouders die in die mate schatrijk waren dat ze zich - om de vochtige zomerhitte van het Peterburgse moeras waarin ze tot aan de Revolutie van Zeventien een landgoed bezaten te vermijden - een vakantie aan de Atlantische Oceaan bij de grens met Spanje konden veroorloven.

Het is daarnaast ook een goede gewoonte om in mijn boeken de datums te noteren van de dagen waarop ik erin gelezen heb. Zo kan ik nu achterhalen dat ik het titelverhaal van de in 1966 verschenen Nederlandstalige verhalenbloemlezing Lente in Fialta (vierde druk 1981), die ik, blijkens de inscriptie op de titelpagina, op 21 december 1983 kocht (het boek was afgeprijsd van het voor mij onbereikbare 650 frank naar 245 frank - beide prijzen, de eerste met een schuine streep door, staan nog altijd in potlood in de rechterbovenhoek van de eerste bladzijde aangegeven) - al vier keer las: 'dec 82', '12VII84', '12IV89' en '11III5'. Bij de datum waarop de eerste herlezing zich voordeed, een zomerdag in 1984, staat ook nog tussen haakjes de naam van de Italiaanse badplaats Viarecchio vermeld: ik had toen nog de gewoonte om als ik elders dan thuis in boeken las in die boeken niet enkel de datum maar ook de plaats op te tekenen.

En zo werd ik vanmorgen op de trein teruggekatapulteerd naar de zonnebrand op mijn schouders die ik opliep omdat ik op 23-jarige leeftijd nog niet wist, zoals de vriend die ik op die reis naar Firenze vergezelde en wiens vrouw mij probeerde te versieren terwijl ik treurde om een ander, dat mijn huidtype zich absoluut niet tot zonnebaden leende; naar de groen-wit gestreepte parasol waaronder ik uiteindelijk, maar te laat, wat schaduw zocht; naar de halveliters bier die we 's avonds dronken om toch maar goed te kunnen slapen (ik meen dat wij in de auto overnachtten, een aftandse Volkswagen die enkele maanden later door zijn poten zou zakken); naar de zandkorrels die nog vele jaren later uit mijn stilaan vergelende exemplaar van Lente in Fialta vielen. Het is bijna dertig jaar geleden, er zijn sindsdien meer levensjaren voorbijgegaan dan eraan waren voorafgegaan - en ik vond mezelf toen al zo oud! Ach.

'Lente in Fialta' is een van de mooiste verhalen die ik ken. Het gaat over een vergeefse, onmogelijke liefde van een man voor een vrouw, twee mensen die door het lot, die 'meedogenloze regisseur van het toeval' zou Nabokov kunnen zeggen (en hij doet dat ook met ongeveer die woorden in dit verhaal), onwaarschijnlijk veel keren en dan nog op de meest onwaarschijnlijke plaatsen, verspreid over het Europese continent, worden samengebracht. De ene keer is zij verloofd en hij niet, de andere keer staat hij op trouwen terwijl zij net haar verloving heeft afgebroken. En altijd is er de onuitgesproken, of bijna onuitgesproken, liefde - al is het niet duidelijk of het misschien niet méér dan een vluchtige en op weinig meer dan een gunstige en louter erotisch geïnspireerde indruk gebaseerde fascinatie is. Het verhaal dwingt je onweerstaanbaar naar de onvermijdelijke ontsporing. Alle elementen spannen samen om die indruk van onweerstaanbaarheid en onvermijdelijkheid op te wekken, hoe paradijselijk ook de setting is en hoe moedig de cocktailglazen ook proberen om op de na de stortbui alweer opdrogende terrastafeltjes met hun schittering in het doorbrekende zonlicht de gebeurtenissen alsnog een andere richting op te sturen.

Glans is, zo wist Nabokov heel goed, een cruciaal bestanddeel in de mix die goede literatuur oplevert. De schone letteren moesten, in zijn optiek, altijd sprankelen en blinken (optiek is wel een goedgekozen woord).

Alle elementen spannen samen! Elementen als daar zijn: de opkrullende affiches voor het circus dat eerstdaags zijn opwachting zal maken in het kuststadje Fialta - waarvan de naam zowel vrolijk geurt naar viooltjes als omineus het naderende fiasco aankondigt; de harige vlinder die in het restaurant wordt gevangen door een Engelsman waarvan het vreemd opgerichte oog bloeddoorlopen is; de constellatie van een gezelschap in een café - meester in het midden, leerlingen rondom - die subtiel verwijst naar het icoon van het laatste avondmaal... En dat alles is gevat in die zwierige, fijnproeverige, taalbarokke stijl van een Nabokov-op-zijn-best, een schrijver die weet dat hij zich àlles kan permitteren maar die daarom niet minder interessante filosofische maximes op ons loslaat. Zoals deze: 'zoals zo vaak gebeurt: een banale opmerking over een onbekend onderwerp hechtte zich vast aan een persoonlijke intieme herinnering, als een worgende parasiet' - hetgeen, praktisch, betekent dat je in het leven moet staan op een manier die je op belangrijke momenten vrijwaart van de teleurstelling die altijd kan opduiken wanneer je intense beleving wordt doorkruist door een onverwacht opduikende futiliteit. Ja, dat je zelfs zodanig in het leven kunt staan dat je wéét dat dergelijke verstoringen onvermijdelijk zijn, en dat je maar beter zo kunt leven dat je die verstoring als een surplus ervaart.

reactie

Tja, dan wordt het tijd dat er in Brugge een 'fietsendokter' komt. Zoals in mijn stad. Die herstelt met de glimlach. Maar een dure.
Ik kan begrijpen dat een fietsenhandelaar tracht te overleven tussen 'de reuzen' en met zijn 'eigen klanten' al de handen vol heeft ... dat is hier in mijn stad net hetzelfde. En vroeger (in illo tempore) op een dorp al evenzeer. Wij zouden het niet gedurfd hebben om bij 'Jef' binnen te stappen met een fiets die niet van hem kwam... het rood van schaamte zou op onze wangen blozen...
en op die van hem van colère ...

Uvi

3238

Duinkerke - 130210

dinsdag 21 mei 2013

reactie


Pascal,
Wij hebben heel wat gemeen en moge het een troost zijn: een negatieve ervaring met fietshandelaar Wanneyn is er één van. Ik heb een paar jaar terug een Koga-randonneur tweedehands gekocht bij een collega. Omdat ik die ook wel eens als trekfiets wilde gebruiken trok ik naar Wanneyn om er fietszakken te kopen. Ik heb daar voor zo'n 200€ (tweehonderd) gespendeerd. Ze hebben dan ook het nodige gedaan om die fietszakken op mijn fiets te plaatsen. Toen ik ook vroeg om een technische uitleg - Hoe kan je de positie van het stuur veranderen? - was dit voor Wanneyn Senior te veel gevraagd. Omdat de zoon het ridicule van de situatie inzag - ik had net voor 200€ materiaal gekocht - kwam hij nog snel naar buiten gelopen om te tonen: hieronder zit een vijs en daarmee kan je de stand van het stuur veranderen. Mijn conclusie was dan ook: nooit zet ik hier nog een voet binnen.
Mijn ervaring met de Brugse fietsenhandelaren: daar kan ik een boek over schrijven. Ik heb dan ook onlangs 3 uur van en naar Oostburg gefietst voor een karweitje van niet meer dan 5 minuten...
E.C.

13 in z/w 132

Zeebrugge

geen verloren tijd 64


I:546-564

Op een dag wordt Marcel door Odette uitgenodigd voor een diner. Mme Swann deelt – zeer modieus – visitekaartjes uit waarop vóór de naam van Charles Swann geheel naar het anglofiel-snobistische gebruik van het jaar ‘Mr.’ staat in plaats van ‘M’. Marcel krijgt een enveloppe toegestopt. Hij weet niet wat erin zit maar steekt hem in zijn zak. Alsof hij zich niet wil verwaardigen om zich in het bijzijn van de bediende te vergewissen van de inhoud. Binnen wordt, tot Marcels grote verrassing, de naam Bergotte afgeroepen: de door Marcel aanbeden schrijver is aanwezig! Op basis van Bergottes boeken heeft Marcel zich een beeld de schrijver gevormd: hij stelt zich hem voor als een eerbiedwaardige oudere man met witte haren. Maar de man die aan hem wordt voorgesteld ziet er helemaal anders uit: hij heeft een nez rouge en forme de coquille de colimaçon (een ‘schroefvormig opgedraaide mopsneus’ in de vertaling van C.N. Lijsen) en een barbiche noire (een ‘zwart sikje’) (547:23-24). Op basis van Bergottes werk zou Marcel nooit bij die mopsneus zijn uitgekomen, maar omgekeerd vormt dit onverwachte uiterlijk voor Marcel ook een shock en van de weeromstuit kan hij ook geen waarde meer hechten aan het oeuvre van Bergotte; ze lijken hem nu niet méér dan quelque mediocre divertissement d’homme à barbiche (549:6). Want zo gaat het met namen: ze zijn des dessinateurs fantaisistes, nous donnant des gens et des pays des croquis si peu ressemblants que nous éprouvons souvent une sorte de stupeur quand nous avons devant nous, au lieu du monde imaginé, le monde visible (548:20-24). Maar, haast Proust zich hieraan toe te voegen, ook de zintuiglijke ervaring is niet te vertrouwen: ook le monde visible is niet le monde vrai, nos sens ne possédant pas beaucoup plus le don de la ressemblance que l’imagination (548:24-27), met als gevolg dat het zintuiglijke beeld al evenzeer verschilt van de werkelijkheid als het verzonnen beeld. Wat er ook van zij: Marcels teleurstelling bij het zien van zijn aanbeden schrijver Bergotte is gelijkaardig aan de ontgoocheling die hem beving toen hij eindelijk la Berma had zien spelen van wie hij zoveel had verwacht.

Aan tafel komt Marcel dicht genoeg bij Bergotte te zitten om hem te horen spreken. Net zoals het voorkomen van de schrijver blijkt ook zijn manier van spreken, en zelfs wat hij zegt, niet met zijn boeken te stroken. Het is in elk geval duidelijk: de stem (het gesproken woord) verhoudt zich niet op dezelfde manier tot de inhoud als de stijl (het geschreven woord). Maar het is niet zo eenvoudig. In een uitermate ingewikkelde passage, die ik ook na drie keer herlezen niet écht begrijp (zou het aan mij liggen?), lijkt Proust te suggereren dat deze indruk van niet samenvallen van de stem van de schrijver met wat hij schrijft slechts een misvatting is, een foute eerste indruk. Als de toehoorder de nodige corrigerende arbeid verricht, kan hij toch een parallel tussen stem en inhoud ontwaren. Desalniettemin blijft Bergottes schrijfstijl genuanceerder en meer accenten bevatten dan zijn spreektaal: il y avait plus d’intonations, plus d’accent, dans ses livres que dans ses propos (553:16-18). Waar Bergotte in zijn boeken entièrement naturel (553:22) is, vormt deze stijl een geheel eigen ritme, en dat is het aspect ce qu’il y avait de plus éphémère et pourtant de plus profond chez l’écrivain (553:26-27) – hier raken we aan de niet verder reduceerbare schrijversidentiteit.
Deze bijzonderheid van schrijven en spreken viel ook op te merken, en zelfs nog in verhevigde mate, bij Bergottes broers en zusters. Zij lijken allemaal niet buitengewoon te schitteren in de sociale omgang, maar zij beschikken over het talent om talent te doen renderen: le génie, même le grand talent, vient moins d’éléments intellectuels et d’affinement social supérieurs à ceux d’autrui, que de la faculté de les transformer, de les transposer (554:29-32). Proust maakt hierbij een enigszins lachwekkende vergelijking met autobestuurders en vliegeniers: je auto mag een Rolls Royce zijn (je mag uitblinken in sociale conversatie), je geraakt niet van de grond als de vliegenier die met een eenvoudige kist de wetten van de zwaartekracht weet te overwinnen (zijn talent weet om te zetten in creativiteit). ’t Is, laat ons zeggen, een zeer tijdsgebonden vergelijking – maar wel een die iets zegt over het anachronistisch naast elkaar bestaan van beau monde-relicten uit de 19de eeuw en de nieuwe eeuw van technologie en wetenschap waarmee Proust zeker ook moet vereenzelvigd worden, hoe 19de-eeuws zijn retoriek vaak ook overkomt.

Bergotte maakt met zijn manier van schrijven school: bepaalde jongeren – on en verra qui étaient dans ce cas (555:27) – imiteren hem, ook al zeggen ze dat ze n’avoir aucune parenté intellectuelle avec lui (555:20-21). Maar hetzelfde is ook Bergotte overkomen: ook hij is beïnvloed. Niet door een groot schrijver maar door een groot causeur, die nooit een belangrijk boek heeft geschreven. Het heeft niet alleen zijn stijl maar ook zijn literaire voorkeuren getekend. Hij houdt van literatuur – enkel Franse literatuur! – die ‘zacht’ is en harmonieus.

Bergotte heeft echter het hoge niveau van zijn eerste boeken niet kunnen handhaven. Maar een constante stijl heeft hij wel. Hij mag dan al worden verweten een artiste stérile, précieux, ciseleur de riens (557:6) te zijn, zijn vasthoudendheid was toch ook le secret de sa force (557:7).

Het is niet verwonderlijk dat Marcel in de Bergotte die hij te zien krijgt bij Mme Swann niet de Bergotte herkent die hij omwille van zijn boeken bewondert. Bergotte zelf zou zichzelf niet herkennen: hij dingt namelijk kruiperig naar de gunsten van maatschappelijk hogergeplaatsten (maar artistiek inferieuren) want hij ambieert het lidmaatschap van de Académie française. En zo gebeurt het dat on entendait alterner avec les propos du vrai Bergotte ceux du Bergotte égoïste, ambitieux et qui ne pensait qu’à parler de tels gens puissants, nobles ou riches, pour se faire valoir, lui qui dans ses livres, quand il était vraiment lui-même, avait si bien montré, pur comme celui d’une source, le charme des pauvres (558:1-6).

Toch kun je niet zeggen dat de kleine kantjes van Bergotte-de-streber de deugdzaamheid van Bergotte-de-schrijver tenietdoen. Dergelijke tegenstellingen hebben altijd bestaan; kunstenaars of filosofen kunnen in hun werk excellentie nastreven en toch maar een zeer betreurenswaardig leven leiden. Maar het is wel zo dat deze tegenstellingen nu meer opvallen dan vroeger: hoe verdorvener de samenleving, hoe strenger de morele eisen – en bovendien le public s’était mis au courant plus qu’il n’avait encore fait jusque-là de la vie privée des écrivains (559:1-2). Dat komt ons bekend voor – wij die leven in een tijd waarin de schrijvers zelf hun privéleven te grabbel gooien. Sommige toch.

Marcel vertelt Bergotte dat hij onlangs Berma heeft zien spelen. Volgens Bergotte inspireert zij zich voor haar gestes op antieke kunstwerken. Marcel realiseert zich dat het jammer is dat hij dit niet op voorhand wist: de la Berma dans cette scène, ce que je gardais c’était un souvenir qui n’était plus modifiable (561:5-6). Marcel en Bergotte gaan nu dieper in op de Phèdre, de prestaties van Berma en het werk van de regisseur. Ze verschillen van mening, maar Bergotte is attent en dringt de zijne niet op. Daardoor kan Proust opmerken: Une idée forte communique un peu de sa force au contradicteur. (562:11-12) Bergotte is in dat opzicht de tegenpool van de markies de Norpois, wiens ideeën op los zand zijn gebouwd en daardoor helemaal niets communiceren.

Mme Swann ziet haar kans schoon om, Bergotte naar de mond pratend, haar gal over Norpois uit te spuwen. Charles Swann probeert, om het nu maar eens zo te zeggen, de kerk in het midden te houden. Hij neemt ‘l’emploi’ d’homme de bon sens (562:41) op zich. Norpois’ ideeën mogen dan al waardeloos zijn, als minnaar heeft hij toch zijn strepen verdiend. Zo pendelde hij, toen hij in Rome verbleef, tweemaal per week naar Parijs om er zijn minnares te verblijden. ‘Nerveuze mannen’, besluit Swann, moeten daarom minaressen ‘au-dessous d’eux’ (563:13), ‘onder hun stand’, nemen want enkel die blijven bij hen. Dan lijkt Swann te beseffen dat Marcel misschien wel denkt dat hij, Swann, om die reden Odette heeft verkozen en hij stuurt hem een boze blik toe. Maar hij voltooit zijn gedachte en spreekt woorden qui devaient plus tard prendre dans mon souvenir la valeur d’un avertissement prophétique (563:33-34). De onderworpenheid van deze vrouwen ‘onder hun stand’ verhevigt bij die mannen de jaloezie en maakt dat zij hun maîtresse als een gevangene behandelen. Et cela finit généralement par des drames. (563:39)