zaterdag 30 september 2006

Overal is al gedregd

Dokter Massa is kinderarts, gespecialiseerd in obesitas. Ik vind het niet uit, het is zo want ik zag het op tv. Namen die het leven volgen. (Of volgt het leven de namen?) Gisteren las ik nog eens de krant en er vielen me er weer enkele in het oog. Over het verdwijnen van een paar vissoorten schreef Lotte Debrouwere het artikel ‘Eet geen vis’. En in het hier volgende artikel is op toepasselijke wijze sprake van een mijnheer Lust.
(klikken op de afbeelding voor een beter leesbare versie)

U begrijpt dat ik dat artikel, ‘Autowrak liefdespaar na twintig jaar ontdekt’, nog om andere redenen hilarisch vind. Te beginnen met het woord ‘liefdespaar’ in de titel is zowat alles in dit stukje gericht op een maximalisering van de dramatiek; de objectieve verslaggeving, die je toch zou kunnen verwachten, wordt grotendeels achterwege gelaten. De inleiding, bijvoorbeeld, zou in neutralere bewoordingen ongeveer als volgt kunnen klinken:

Nieuwpoort. Duikers vonden in xxx [de exacte plaats wordt nergens vermeld] het autowrak van een al twintig jaar vermist koppel.

Het spreekt voor zich dat ik volgende week elke dag De Standaard zal kopen – want het is in die krant dat deze Tonny Verhaeghe zijn onderzoeksjournalistiek mag pleuren en ons dus ook zal laten weten of de nu al ‘twee decennia’ desintegrerende lijken in ‘de Mercedes’ (een groene!) werkelijk de stoffelijke resten zijn van het ‘niet bepaald officiële’ stel Hendrik en Eliane/Liliane. Come and see next week!

824 / Lyonne 2/4

vrijdag 29 september 2006

823 / Lyonne 1/4

Tussen twee continenten, seksen, stoelen

Afgezien van de vaststelling dat de meer dan zeshonderd bladzijden tellende kluif zonder al te veel verminkende ingrepen half zo omvangrijk had kunnen zijn, heeft Middlesex van Jeffrey Eugenides beslist kwaliteiten. Tien voor gedocumenteerdheid, schrijfschooldiscipline en redundante beschrijvingen, maar helaas een onvoldoende voor literaire kwaliteit – en daar is het toch nog altijd om te doen als je een tekst als bellettrie aan de man (c.q. vrouw) brengt. Middlesex heeft geen interessante structuur, geen geloofwaardige kijk op de algemeen-menselijke psyche (wel op die van een uitzonderlijk specimen), geen noemenswaardige stilistische franjes. Wat je wel krijgt zijn, grosso modo, twee grote, kundig maar weinig geïnspireerd neergepote verhaallijnen. De ene is de familiegeschiedenis van een Griekse, vanuit Klein-Azië naar de Verenigde Staten geëmigreerde familie: pogrom, odyssee, integratie, assimilatie, melting pot; de andere bestaat uit de particuliere geschiedenis van een individu: het product van eeuwen inteelt, dat met de hersens van een jongen en de genitaliën van iets tussen een jongen en een meisje in als een meisje wordt opgevoed maar uiteindelijk beslist om als jongen, vervolgens man, door het leven te gaan. Dit boek, dat zich afspeelt tussen twee continenten en twee seksen, belandt ook tussen twee stoelen want nergens blijkt de noodzaak om die twee verhalen tot het éne, noodzakelijke, dwingende, overtuigende en harmonieuze geheel te verknopen waar wij als literatuurliefhebber, zeker als literatuurliefhebber die een uur of vijfentwintig investeren om de hele kluif af te sabbelen, toch naar uitzien. Oké, het genderverhaal is interessant – een mens steekt nog eens iets op over androgynen, hermafrodieten, chromosomen en spookpenissen – maar de hele familiehistorie lijkt er bij gesleurd om tot iets diks en bestsellerachtigs te komen. De idee dat het hoofdpersonage het product is van een lange genetische voorgeschiedenis die is beslecht in de melting pot van haar/zijn eigen genetische structuur, zoals de migranten in de Verenigde Staten ook in een smeltkroes terechtkomen en zich van daaruit trachten te assimileren ten aanzien van wat de omgeving hen als ‘normaal’ voorhouden, is een te magere overeenkomst om deze hele constructie overeind te houden.

donderdag 28 september 2006

Ondertussen in Brugge (66)

822

Overschrijven (29)

Snel

Snel voor ze verdampen mijn woorden
wil ik schrijven van de man daar in zijn rolstoel
slechts met kinbewegingen, twee schrammen van een
wandeling en toen ik afval kleiner maakte
met een hamer bruut toen ik de kat plaagde
het bloed van op tv dat zo onbeschaafd veegt om mijn
vingers. Dat soort sporen.

Laatst zag ik de schepping weer lachen op de snelweg:
een lint van auto’s om acht uur dertig
in augustus, zen of was dat zon?
ik zong mee, nam alle wapens ademend op
vanuit mijn schouders, blik op het horloge
scherpstellen op het uur want als jij
te laat zou komen, mocht ik mijn verzaligd
wachten noteren. Dat soort sporen

tracht ik te meten met
een liniaal zoals de zon die trekt
vanuit het punt z wat staat voor zon
naar het punt i wat staat voor ik
een lijn die zegt wat ik moet doen:
niets moet behalve wat moet in de poëzie.


Uit: Koen Peeters, Fijne motoriek (Meulenhoff/Manteau, 2005)

dinsdag 26 september 2006

Fictionalisering

Alles voor de kijkcijfers: dat imperatief volgt de VRT-Nieuwsdienst niet alleen op in zijn journaals (zoals ik, denk ik, hier al eerder aangaf), maar ook steeds meer in zijn ‘duidingsprogramma’s’. De ‘verkiezingsshows’ (what’s in a name) worden dezer dagen aangekondigd met de nodige dramatiek: de nieuwsankers figureren – zeer pretentieus als je het mij vraagt – in het spotje voor de komende uitzendingen van de soap ‘Zeg nu zelf’ als dramatis personae, mét aangepaste belichting en pose en acteertechnieken. Ander symptoom: op de website van televisiezender Eén krijgt het politieke programma ‘Villa Politica’ de ondertitel ‘Het leven zoals het is in het parlement’. Ofte: nog maar eens een stap verder in de richting van de fictionalisering van de politiek. Ik weet niet of dit van aard is om de zogenaamde ‘kloof tussen burger en politiek’ – ik weet het: de term is afgezaagd maar daarom niet minder adequaat – te dichten.

820

zondag 24 september 2006

Overschrijven (28)

Da Silva had een citaat bij de hand voor alles wat hem overkwam en op die manier vermeed hij de werkelijkheid.

Jeffrey Eugenides, Middlesex, 389 (Contact, 2002)

818 / Vézelay 4/5

zaterdag 23 september 2006

Het houdt plots op

Supporters gooien rollen wc-papier op het voetbalveld; een met een zuignap tegen een achterzijruit van de auto vastgemaakt handje wuift; een jongeman lost de kubus van Rubik op; een meisje op de zeedijk laat twee balletjes aan een touwtje tegen mekaar klepperen (eerst onder en dan boven de hand die het touwtje vasthoudt); een ander meisje doet de hoelahoep; schooljongens plakken stickers op hun boekentas; een kind rolschaatst op ouderwetse rolschaatsen; een ander fietst met klepperende speelkaarten die met behulp van wasknijpers op de spaken zijn bevestigd; een man neemt zijn hoed af voor een voorbijrijdende begrafenisstoet; de laatste auto’s in die stoet rijden door het op rood gesprongen licht zonder dat iemand daar aanstoot aan neemt; er vliegt een vliegtuig over met achter zich een groot reclamespandoek; een moeder kleeft zegeltjes van Valois in een van het speekselvocht opgekruld boekje: dat alles heeft echt bestaan en is dan plots uit de mode geraakt en heeft opgehouden te bestaan. Iemand heb je het voor het laatst zien doen – al besefte je dat natuurlijk niet op het moment zelf, dat het de laatste keer was dat je het zag.
En van de weeromstuit kun je beginnen denken aan wat er nu allemaal courant is en gewoon lijkt en ooit zal verdwijnen. En je zult nooit weten dat het een keer de laatste keer zal zijn. Zoals je jaren later terugdenkt aan een oude man die elke dag door de straat strompelde en die dat nu – maar hoelang al – niet meer doet.

817 / Vézelay 3/5

Vézelay 2/5

vrijdag 22 september 2006

Mijn woordenboek (129)

ACTIEF
‘Hij is nog steeds actief’, wordt wel eens gezegd van een bejaarde die zich nog niet heeft overgegeven aan kwijlend geknikkebol in een stoel die voor een televisiesoap geparkeerd staat maar zich integendeel verdienstelijk opstelt als kiekenkaarter of treinwachter in de modelspoorbaanclub of, desnoods, als bedachtzame visser aan de kanaaloever. De ‘actieve bevolking’ is dan weer voor naarstige huismoeders en studerende studenten een wel erg denigrerende term. En indertijd, toen ik nog in de lagere school zat, was er opeens sprake van ‘socioculturele woensdagnamiddagactiviteiten’. Wat was dat ineens een vreemde taalkronkel, zeg, alsof wij zonder die verdekte kinderopvang avant la lettre niet zo al tijdens onze vrije midweekse namiddag hyperactief en zeer sociocultureel de straat afstruinden. Het woord ‘actief’ is een passe-partout, een deksel dat op vele potjes past, maar hoe dan ook zeer vaak een eufemisme dat, van de weeromstuit, zijn tegendeel tot pejoratief degradeert. Terwijl mijn denkactiviteit mij er toe noopt om niet te laag op te lopen met passiviteit, en om in activisme vaak een onvermogen te ontwaren om een leegte onder ogen te zien die door menig passieveling ootmoedig wordt aanvaard.

816 / Vézelay 1/5

woensdag 20 september 2006

Paus in de ratz (2)

Ik kreeg wat commentaren op mijn post over de pauselijke provocatie. Remco en Sibelius wijzen mij er op dat de pauselijke onfeilbaarheid enkel geldt voor pauselijke toespraken ‘ex cathedra’, niet voor een causerietje met Regensburger theologen. Alsof dat causerietje niet goed voorbereid en weldoordacht zou zijn. En RC (in een mail) wrijft mij aan dat ik gedachteloos meeheul met de op sensatie beluste media, die maar al te graag de pauselijke woorden uit de context van een zorgvuldig betoog wegknippen terwijl het om niet méér ging dan een citaat van een 14de-eeuwse Byzantijnse keizer die, omdat hij net door een woest leger van woedende Turken in het nauw gedreven was, uiteraard niet veel goeds over de islam wist te bedenken. Daar mag, gezien de vrouwonvriendelijkheid en de neiging tot fanatisme en de manipuleerbaarheid van de gelovige islamitische massa’s wel wat voor te zeggen zijn, maar ik zal daarom mijn overtuiging nog niet laten varen dat de pauselijke ‘verspreking’ wel degelijk een provocatie was.
De provocatie van de paus ligt hem in de (bewuste?) onderschatting van de impact van zijn woorden. Hij wéét dat zijn citaat uit de context zal worden weggeknipt door de op sensatie beluste media, dus moet hij daar rekening mee houden. Dat heeft hij niet gedaan. Dat getuigt, op z'n zachtst gezegd, van wereldvreemdheid. En wat moeten wij met een wereldvreemde paus die zijn woorden, ook al betreft het een citaat, niet honderd keer wikt en weegt? Ondertussen is in Afrika een Italiaanse non vermoord, wellicht als reactie op die uitspraak. Die non, op haar manier misschien ook wereldvreemd (maar dat doet er hier niet toe), keert alvast niet terug – het valt voor de paus en alle nog levende nonnen te hopen dat het bij dat ene slachtoffer van zijn onvoorzichtigheid blijft. En wat dat ‘ex cathedra’ betreft, dat is natuurlijk te gek om los te lopen. Ik ben nog bereid om te aanvaarden dat de paus onfeilbaarheid nodig heeft om paus te kunnen zijn; elke autoriteit heeft prerogatieven nodig. Onfeilbaarheid is wel een beetje een extreem prerogatief maar alla. Waar ik niet bij kan, is dat iemand, het weze nu nog de paus, de ene keer wel en de andere keer niet onfeilbaar is. Op zo iemand kun je als buitenstaander niet bogen. Onfeilbaarheid en inconsequentie gaan niet samen. Wie tijdens het spelen van het spel de regels verandert, stelt zich onsympathiek op.

814

dinsdag 19 september 2006

De achtste keer


Ik zag de film niet en las het stripverhaal niet, dus blijft mijn leeservaring, ook nu, na de achtste keer, puur een op lectuur gebaseerde ervaring – en ik zou het eigenlijk zo willen houden, hoe goed die film, hoe goed die stripversie ook mogen zijn. De avonden moet, wat mij betreft, De avonden blijven. Een boek dus, nuja, méér dan een boek.
Herlezen doe je niet zomaar, het leven is al kort genoeg, maar het is toch aardig dat je een paar boeken als gezel uitkiest. Aan de steeds hernieuwde confrontatie, en de herinneringen aan de vorige confrontaties, kun je jezelf, hoe zal ik het zeggen, aftoetsen. Je zoekt elkaar regelmatig op als samen ouder wordende vrienden.
Het jaar dat ik de eerste keer De avonden las, ligt ergens net voorbij halfweg tussen het jaar waarin Gerard Reve het schreef en vandaag. 1978 ofte, dat is even schrikken, acht-en-twintig jaar geleden. Ik las het op aanraden van mijn toenmalige goede vriend H.D. Ik verloor hem niet zo heel veel later uit het oog, maar ben hem nog steeds dankbaar omdat hij me, méér dan om het even welke leraar Nederlands die in die tijd hard zijn best deed om zijn verveling zo goed mogelijk voor ons te verbergen (en sommigen deden zelfs die moeite niet), tot de literatuur bracht. Ik herinner me niet meer welke indruk de kennismaking met Frits van Egters die eerste keer op mij maakte – ik vermoed dat ik het boek vooral goed vond omdat mijn vriend er zo hoog mee opliep. (Zo gaat het vaak.) Vijf jaar later (als ‘zenuwlijder’ hou ik allerlei knullige trivia zorgvuldig bij) deed ik een tweede poging. Dat was in maart 1982, de eerste en meteen de voorlaatste keer dat ik De avonden niet in de juiste maand las – en dat is natuurlijk december. In ’84 startte ik, in een onzichtbare gemeente samen met ongetwijfeld heel veel anderen, het ritueel dat erin bestaat om de laatste tien dagen van het jaar de tien hoofdstukken, die zich afspelen in die periode, tot mij te nemen. In ’87 had ik daar genoeg van. De leukste lezing was die van december ’86 want toen bracht ik de 29ste, 30ste en 31ste december samen met mijn goede vriend G door, en we lazen elkaar de laatste hoofdstukken van het boek voor. We hebben heel wat afgelachen, toen. In die periode werd de roman op vriendschappelijke bijeenkomsten ook vaak ter hand genomen om passages op te slaan en citaten te verifiëren. (De avonden is een van de weinige boeken waaruit ik zinnen en stukken van zinnen uit het hoofd kan citeren, zoals ‘Iedereen heeft zijn geschiedenis maar het is zelden een belangrijke’.) Met name in studievriend W vond ik een fervente Avonden-adept; hij was erg goed in het te berde brengen van Frits-quotes. Na de laatste rituele decemberlezing van 1987 gingen elf Avonden-loze jaren voorbij. Toen ik in 1998 het boek een zevende keer had gelezen, moest ik bekennen: de lol was er enigszins van af, het boek leek op mij zijn aantrekkingskracht te hebben verloren. Nu besef ik dat dat aan tijdelijke blindheid moet hebben gelegen want ik denk er inmiddels alweer helemaal anders over. Ik las de voorbije dagen De avonden voor de achtste keer (waarmee ik mijn persoonlijk herleesrecord evenaar; ik las ooit evenveel keren Winnetou het grote opperhoofd maar toen was ik nog kind, dus valt een dergelijke aberratie wel te vergeven). Deze achtste lezing vond plaats in functie van een van de leesclubs die ik begeleid; de leden hadden, naar aanleiding van Reves overlijden eerder dit jaar, de wens geuit om ‘eindelijk eens’ dat boek te lezen waar ze nu al zo vaak over hadden gehoord. Ik had daar, zij het niet zonder aarzeling, mee ingestemd. Nu, na vier dagen van intense lectuur heb ik daar absoluut geen spijt van – ik wéét dat het zeker niet de laatste keer zal zijn geweest. (Als het mij vergund is, etc.)

813

Bordeaux 6/6

zondag 17 september 2006

Paus in de ratz

Zeggen dat het hem spijt, kan hij niet want hij is onfeilbaar: alles wat hij zegt, is nu eenmaal onvermijdelijk de waarheid. Spijt betuigen zou derhalve leugenachtig zijn en een paus mag, als goede katholiek, niet liegen. Maar of dat een reden is om laf de hulp in te roepen van middeleeuwse aanhalingstekens, is zeer de vraag. Het vergt, denk ik, van elke moslim een behoorlijke portie christelijke vergevingsgezindheid om deze pauselijke provocatie door de vingers te zien.

811 / Bordeaux 4/6

Bordeaux 3/6

vrijdag 15 september 2006

Alles uit de kast (3)

Inmiddels heb ik al helemaal mijn hooggestemde verwachtingen bijgeschroefd en moet ik erkennen dat het programma rond een aardig formuletje is opgetrokken, bij hetwelk het aangenaam verpozen is. Ze hadden het misschien meteen moeten zeggen, dat het niet over de inhoud zou gaan van boeken, over ideeën en meer van die ongetwijfeld alleen maar oeverloos intellectualistisch geleuter genererende toestanden, maar over de vorm die boeken hebben, hun aaibaarheidsfactor, de anekdotiek die er eventueel aan vasthangt. Ja, dan heb je natuurlijk een mooi concept: aan boeken kleven nu eenmaal, ook in een boekonvriendelijk klimaat, heel wat verhalen vast; met om het even welke bibliotheek kun je ontegensprekelijk een gezellig knetterend human interest-haardvuurtje aan de praat krijgen. De ergernis, opgewekt door het televisieprogrammaatje Alles uit de kast, was alleen maar te wijten aan een al bij al onschuldig misverstand, in het leven geroepen door de beladen term ‘boekenprogramma’. Ja, het is een boekenprogramma, dat is ongetwijfeld juist, maar het is niet het soort boekenprogramma waarvoor bijvoorbeeld Kristien Hemmerechts indertijd heeft geijverd (ze leverde zelfs een heel scenario – waarmee, klaagde ze ergens, ‘niets werd aangevangen’). Dat neemt toch niet weg dat een plaatsvervangende, tenenkrullende schaamte mij bevangt wanneer diezelfde Hemmerechts met haar uitermate zelfgenoegzame toontje laat noteren (= in beeld brengen) hoe ze toch nog altijd een art-nouveau-interieur en een vlot over het zorgvuldig uitgekozen papier glijdende vulpen prefereert om de ruwe versie van haar kakelverse ideeën vast te leggen, of wanneer Tom Lanoye, die uiteraard geen gelegenheid om zijn nieuwe roman te promoten onbenut wenst te laten, ongegeneerd alle tijd, die normaliter voorbehouden was aan een van de studiogasten om een favoriet boek toe te lichten, gebruikt om zijn onvoorstelbaar parate eruditie dienaangaande te etaleren. Maar dat zijn kleine ergernissen, die verbleken bij de onvoorstelbare verworvenheid dat er hoe dan ook gedurende enkele minuten, tussen een stoet van aan boeken en boekenbezit gelieerde faits divers en geniepig geventileerd anti-intellectualisme door, over literatuur wordt gesproken op de openbare zender. Die vervelende intellectuele klasse zal nu toch zeker een decennium of zo niet meer moeten emmeren.

809 / Bordeaux 1/6

donderdag 14 september 2006

Geloei

Op het vorige stukje ‘Mijn woordenboek (128): Actiebereidheid’ kreeg ik een interessante reactie van J.T. de Kogel: ‘Behalve op internetfora, waar men elkaar de loef afsteekt met verontwaardigd geloei over van alles en nog wat. Veilig verscholen achter een pseudoniem, uiteraard.’ Ik voel me daardoor aangesproken, natuurlijk, want het is een reactie op wat ik schreef, dat ‘niemand’ (dat was natuurlijk een hyperbool) nog bereid lijkt om voor zijn mening uit te komen. Welnu, J.T., mijn naam is Pascal Cornet, en als u dat wilt kunt u via pascaldigital at hotmail punt com mijn adres en telefoonnummer te weten komen. We kunnen dan misschien, als u niet te ver uit de buurt woont, eens tussen pot en pint beraadslagen over wat u (met uw reactie) en wat ik (met deze blog) willen zeggen – en over het huidige klimaat dat blijkbaar een dergelijke manier van communiceren voortbrengt. En mocht u, net als ikzelf, in Brugge of omstreken wonen, dan mag u natuurlijk ook bij de komende gemeenteraadsverkiezingen voor mij kiezen: lijst nummer vijf (groen), plaats tweeëndertig. Overigens stel ik met genoegen vast dat u blijkbaar geïnteresseerd genoeg bent om mijn geloei te komen lezen.

808


Chession.

woensdag 13 september 2006

Mijn woordenboek (128)

ACTIEBEREIDHEID
In fabrieken waarvan de bestuurders net hebben beslist dat de sluiting onvermijdelijk is geworden, of op het punt staan dat te beslissen, wordt het gemakkelijkst het werk neergelegd. Met een gevulde maag of portemonnee is het lastig actie voeren. Er is gelatenheid (‘toch niets aan te doen, de problemen zijn te omvattend geworden’), er is genoegzaamheid (‘we hebben al bij al niet te klagen’), er is angst (‘het wordt alleen maar erger als we dwars gaan liggen’). Er is gebrek aan solidariteit en aan verder denken dan de eigen neus lang is. Of die van onze kinderen. En er is, op een esthetisch niveau, een onvrede met de ironie die blijkbaar nodig is om alsnog mee op te stappen. De olijke gewoonte van het op ‘ludieke’ wijze actie voeren is op de duur contraproductief geworden: wie wil zich nu nog belachelijk maken in repressief getolereerde optochten, achter alweer een doodskist waarin een of andere sociale verworvenheid of waarde symbolisch wordt ten grave gedragen? Achter gillende verpleegsters die chiroachtig enthousiast niet veel verder komen dan een ‘Wij zijn niet kwaad, wij zijn wwwoest!’ terwijl ze hand-in-hand een spurtje trekken van vijftig meter (handjes in de lucht bij ‘wwwoest’). Neen, voor mij geen frivole barbecue of ordinaire pintenpakkerij om negen uur ’s morgens of gedachteloos autobanden verbranden. In serene en stille stoeten wil ik – gesteld dat ze de goede zaak dienen natuurlijk en niet een of andere ‘witte’ waarde (dat is te vrijblijvend) – nog wel mee opstappen. Neen, de actiebereidheid is ver te zoeken, dezer dagen. Er is zo weinig bereidheid om zich waar dan ook mee te identificeren, zich achter een vlag te scharen, luide een mening te verkondigen. Ook al opgemerkt hoe weinig mensen nog stomweg een sticker op hun auto kleven waarmee ze een of andere voorkeur – zelfs volslagen onpolitieke – zouden te kennen geven? Zelfs dat is al te veel gevraagd. Iedereen blijft, als het op meningen aankomt, liefst zo onzichtbaar mogelijk. Daar kun je niet op aangesproken worden. Maar dan kun je ook niet aangesproken worden. Of aanspreken.

807



Le Tombeau du Géant.

dinsdag 12 september 2006

100 woorden (8)

PMD- en papierdag: op het trottoir wachten de halftransparante zakken met plastic verpakkingen, blikjes en bricks naast de kartonnen dozen met papier. Wat en hoeveel de mensen drinken (cola, pils, melk), welke shampoo ze gebruiken, hoe zuinig en zorgvuldig ze zijn met de zakken. Wat ze kopen (ik zie de verpakking van een computer, van een peuterhekje voor bovenaan de trap). En vooral wat ze lezen, of niet lezen. Gelukkig is nieuws altijd nieuws van de dag want je zou je de pleuris kunnen lezen aan alle tijdschriften, weekbladen en kranten – mét hun talloze bijlagen – die hier op vermaling wachten.

806


B.

maandag 11 september 2006

9/11

Wees gerust, kom binnen, dit is een herdenkingsvrije blog. Geen ritueel gezeur over vijf jaar geleden, geen minuut-per-minuut-reconstructie. Geen vliegtuigen die zich voor de zevenhonderddrieëndertigste en zevenhonderdvierendertigste keer in alweer diezelfde torens boren en zich in uw netvlies en in de meest veraf gelegen kronkels van uw hersenen branden. Geen mediaterreur van opgeklopte verbijstering, geen mediageniek-wellustig gekronkel in feesten van angst en pijn.

805

C.


zondag 10 september 2006

79 * 29,26 * 1469

De Kanalenroute: Steenbrugge-Zomergem-Damme-Brugge, met een beperkte, vijfkoppige delegatie van de Cartones ofte de zondagvoormiddagwielervrienden. In Beernem staat Y ons op te wachten. Tot in Aalter is het tempo gezapig en is er tijd voor een babbel. Tussen twee van de fietsers in zie ik warempel een spinnenwebdraad glinsteren. Met R en Y heb ik het over de blog, met R over zijn Floyd Landis-fiets. Op de brug over het kanaal in Zomergem kunnen de berggeiten zich weer niet inhouden. Langs de afwateringsvaart gaat het er wat steviger aan toe. Ik voel me, mijn manke conditie in acht genomen, wonderwel en trek een kilometer of tien de kop met 31 op de teller. Op het terras van de Phare bespreken we hoe we de snellere jongens, die er vandaag niet bij waren, in het vervolg kunnen intomen. Ze hebben blijkbaar de vorige weken de ongeschreven snelheidsvoorschriften aan hun koersbroek gelapt. Gewoon laten rijden, lijkt ons het beste antwoord. Níet volgen.

804

zaterdag 9 september 2006

‘Beweging bedwingen tot dingen’

De hier volgende tekst staat in het nieuwe nummer van de Poëziekrant.


Onder de noemer ‘Extiem’ loopt in Watou de 26ste Poëziezomer. U kan er nog tot 10 september komen nadenken over het neologisme extiem en aan den lijve ondervinden wat het allemaal kan betekenen.

Een neologisme als titel, is dat wel een goed idee? Is hier warm water uitgevonden? In ‘Extiem’ klitten extern en intiem samen. Buiten en binnen. Het vreemde en het eigene. Het nieuwe en het vertrouwde. Het nieuwe woord suggereert iets superspecifieks (waarom anders het in het leven roepen?), maar dat lijkt te botsen met het feit dat het alles heeft van een passe-partout. Je kunt het op vanalles toepassen. Op het exotische (Surinaams, Fries, Zuid-Afrikaans) in de eigen taal. Op het gegeven van de verschillende locaties – met telkens een interieur en een exterieur – in een dorp dat zelf behoorlijk in de marge ligt, excentrisch is. Op het watouïaanse samengaan (of naast of door elkaar gaan) van beeldende kunst en poëzie. De voor de hand liggende vraag is natuurlijk wat deze 26ste editie ‘extiemer’ maakt dan de andere?
Iets wat – afgezien van de evidente wisselingen van selecties en keuzes – in elk geval veranderde in vergelijking met de vorige edities is de manier waarop de poëzie wordt gepresenteerd. Ooit werd ze breed uitgesmeerd op schuurgevels, dan weer rolde ze uit printers of stond ze afgedrukt op lichtbakken… Dit keer zorgden Koen Van Synghel en Marc Goethals voor een wonderlijk sobere, evidente en efficiënte oplossing: ze tonen zwartwitfoto’s van de gedichten in de dichtbundel zelf waarin ze thuishoren terwijl deze wordt opengehouden door de hand van een lezer.

Tegenover een zorgvuldig afgewogen achtergrond vormt het witte vlak van de bladspiegel een compositie van grijswaarden. Zo de bij het gedicht ‘Binnenbrand’ van Menno Wigman opengeslagen bundel die, als een half openstaande poort, tot binnentreden noodt. Zo het gedicht ‘Zelfportret’ van Rutger Kopland, gehouden voor een spiegel: ‘ik kijk en kijk in dat gezicht / en inderdaad – ben ik dat?’
Het zelfportret: ja, dat levert een fameuze ‘extimiteit’. Het ‘ik’ valt uiteen, wordt in eerste (tweede?) instantie niet herkend. Er is vervreemding. ‘De oren toegestopt, in stilte, denk ik dag in dag uit mij in dat ik / die ene ben en steeds een ander…’ (Anneke Brassinga, ‘Roeping’).
Je kunt veel zeggen over Watou, bijvoorbeeld dat het, als het instituut dat het inmiddels is geworden, vecht tegen de herhaling en gevangen zit in vernieuwingsdwang. (Organisator Gwy Mandelinck stelt aan het slot van zijn inleiding uitdrukkelijk: ‘Is de Poëziezomer na de jubileumeditie van vorig jaar een vorm van zelfrechtvaardiging, een aanhef van ijdelheid geworden?’ – waarbij die ‘ijdelheid’ onvermijdelijk de associatie met het kijken in spiegels oproept.) Als er op de formule al iets van sleet zit, dan daarop: op dat steeds opnieuw zoeken naar vernieuwing. Maar dan moet je meteen ook stellen dat in dat gevecht Watou ook altijd een uitnodiging, een dwingende uitnodiging is geweest – en nog altijd is – om ópen te staan voor vernieuwing. Het element zelfbevraging, of noem het zelfkritiek, blijft uitdrukkelijk aanwezig. Dat bedoelde ik met mijn neologisme: watouïaans. In tegenstelling tot de talloze epigonen overal te lande, die ad nauseam ‘in het straatbeeld’ met gedichtjes knutselen, blijft Watou een zelfonderzoek, een verkenning van de mogelijkheden van het tentoonstellen en het aanbieden van poëzie.
Het heeft – het zal wel onvermijdelijk zijn – hier en daar iets krampachtigs. En het evenement heeft, vooral door toedoen van het vaak amateuristische epigonisme, te lijden van saturatie.
Daarom is het alvast een verademing om vast te stellen dat voor de presentatie van de gedichten voor die evidente oplossing werd gekozen. Een oplossing die zichzelf niet spectaculair als vernieuwend presenteert en die efficiënt is precies door zijn bescheidenheid en onopvallendheid. En dat is misschien een les die uit deze editie te trekken valt: omdat van de kant van de kunst de vernieuwing verplicht lijkt (al smacht een mens wel eens naar een ambachtelijk gepenseeld landschapje) – het is een misvatting dat je dat van de kant van de presentatie van de gedichten ook zou moeten verwachten.

Het gedicht ‘Omdat alles onvast is’ van Esther Jansma lijkt iets te zeggen over de cluster van problematieken waarmee Watou elke zomer opnieuw probeert af te rekenen:

Op het land belande natuursteen beroepshalve
tot zelfportretten in de vorm van duivels en buiken
hakkende, u wilt beweging bedwingen tot dingen
en dat lukt u niet. Ooit heeft u mij gemaakt

nu heeft u spijt. Met mij komt tijd, verwarring
binnen in uw stelsel, ik moet weg – maar zie
daar ben ik weer. Ik maak u heel. Ik sloop, ik schop
voorbijgaan op uw erf. Uw collectie spiegels

uw stellingen vol definities trek ik om. Ik breng u
geen geluk, ik breng u niets, vlekken, uw eigen
oude hand die mij ooit vasthield, uw verleden.
Ik breng het duizelige weten dat u niet bij mij kunt.


De afstand blijft onoverbrugbaar. Extern-intiem. Alleen altijd maar vernieuwde vernieuwing lijkt soelaas te bieden (ik trek uw spiegelverzameling, uw definitiesstellingen om). Of zoals Hans Verhagen het in ‘(Wraak der lelies)’ stelt: ‘[We zitten] gevangen / , zolang we in dezelfde richting blijven kijken.’ Of neem eens een ander alfabet om alles helemáál anders te zien, zoals Jan Vercruysse doet met een transscriptie van een fragment uit Pessoa’s ‘De Sigarenwinkel’ in een tekensysteem dat is gebaseerd op de schoppen, harten, ruiten en klaveren van het kaartspel.
Wat is trouwens vernieuwing? Wat kan vandaag, nu alles schuift, nog vernieuwing zijn? Misschien komt het er op neer dat we ons losrukken van de spiegel. Dat we niet uit zijn op zelfherkenning, zelferkenning, zelfbevestiging. Pas dan ontstaat er wellicht iets als vertrouwdheid tussen onszelf en het ons vreemde, tussen onze intimiteit en het externe. Dat is misschien de essentie van kunst. Jan Fabre verwoordt het met zijn eigen bloed in niet-vlekkeloos Frans in zijn ‘Manifest’: ‘on ne s’habitue pas à l’art […] dans un monde où tout est dû au hasard, l’artiste dispose tout au plus d’une chance, de remporter une victoire sur la chance’. De kunstenaar die, nochtans, aldus nog altijd Fabre, ‘seul avec lui-même’ is, ‘comme un marin naufragée [sic]’, beschikt over de mogelijkheid om iets met die vreemdheid te doen, om een brug te slaan tussen het intieme en het externe. En dat ondanks het harnas waarin hij zich hult (zoals te zien is in het bij deze programmatische tekst geprojecteerde video ‘Sanguis/Mantis’).

De pantserhardheid van Fabres harnas doet, overigens, denken aan het gedicht ‘Behandeling van de okkernoot’ van Huub Beurskens:

Aan niets anders dan aan wat gesloten okkernoten
besloten denken kunnen kunnen okkernoten denken

zie toch hoe opengebroken de helften in halve schil
gelijken wat geen hoofd van zichzelf bekijken kan of

bekijken laten wil inhoud van lijken passend in twee
handen een paskwil o waren wij zo’n hard omsloten

dubbel hersenstel geweest dan ervoeren we wellicht
ook niet dit leven als levend van ons einde af te weten

zie de notenboom eens heerlijk aan de wandel door late
kleuren gerijpt met invallen van eeuwigheden volstaan

ga eronder zitten hoogbejaard en probeer vergeefs je
met een noot de schedel in te slaan roepend waarom

moeder heb je me dit aangedaan tot het kraakt dan
proef hoe het smaakt naar de kindertijd met je dader.


De vreemdheid als confrontatie tussen het intieme en het externe uit zich op allerlei manieren (ik zei het al: als noemer is het neologisme extiem zeer algemeen toepasbaar).
Vooreerst heb je natuurlijk de evidente cultuursociologische of zo u wil cultuurgeografische tegenstelling tussen het gat Watou en de grootstedelijkheid die doorgaans van het fenomeen moderne kunst afstraalt. Uitgerekend op een plek waar de tijd stille is blijven staan, komen de grote vernieuwers en trendsetters (want dat zijn de kunstenaars, collectioneurs, conservators, kunstpausen en tentoonstellingsmakers die hier over de vloer komen toch?) ‘hun ding doen’. Uit de musea, galeries en collecties van Gent, Amsterdam, Londen, New York… worden installaties, videokunst, sculpturen en wat weet ik al niet aangesleept en hier voor een paar maanden in een gammele schuur of kelder uitgestald. De ware aard van deze plek – die zonder de Poëziezomer ongetwijfeld even ingeslapen zou zijn als de ingeslapen oorden van min of meer gelijke omvang in de buurt (Winnezeele, Houtkerque, Roesbrugge-Haringe, Proven, Abele) – wordt al een kwarteeuw ironisch genegeerd; hier wordt iets ondorps gedaan; Watou is óók Va Tout, zoals al even ironisch in zwarte letters op een roodomrand geel gemeentegrensbord aan de ingang van het dorp staat geafficheerd. Rien ne va plus, wist ook Claude Chabrol en dus: Tout va!
Hierbij toch twee kanttekeningen. Eén: Watou is, ik zei het al, een instituut geworden. Het is allang geen dorp meer zoals de genoemde andere dorpen in de buurt. Het vervult in cultureel en zeker ook economisch opzicht een ándere, niet in- maar uitgeslapen functie. Overal in de Lage Landen wordt Watou tegenwoordig meer vereenzelvigd met de jaarlijkse Poëziezomer dan met de verzameling huizen en boerderijen die er rond de kerk geschaard staan of zelfs met de brouwerij die het toponiem in het vaandel voert.
Twee: Watou is toch ook niet zo onmuseaal als wordt gesuggereerd. Natuurlijk kun je het hoge agrarisch gehalte van de accommodatie voor deze jaarlijkse kunst- en poëziehappening niet ontkennen. Wethuis, Grenslandschuur, Douviehoeve: dat zijn en blijven locaties waarvan de oorsprong en bestemming hoe dan ook weinig met hedendaagse kunst te maken hebben en die dus wel degelijk dat element van vreemdheid – waarop het parool extiem zinspeelt – lijken aan te brengen. Maar is dat wel zo? Wordt, anders gezegd, het effect ‘kunst in een nauwelijks voor het onthaal van kunst toegeruste schuur’ hier nog gerealiseerd? Ik denk het niet. In de loop der jaren werden steeds nadrukkelijker tentoonstellingsmakers en kunstzinnige architecten onder de arm genomen en die hebben het museale in Watou binnengebracht en zo het effect van vervreemding dat gepaard gaat met het inplanten van hedendaagse kunst op uitgerekend deze schuren, zolders en kelders tenietgedaan. Muren worden er egaal witgeschilderd (zoals in onze musea van moderne kunst), de belichting wordt geregisseerd, er worden gangen en circuits gecreëerd – zodat de sensatie die je, vaak op een onbewust niveau, hebt als je in een museum rondstapt, je ook hier bekruipt. In dat opzicht is Watou niet meer zó extiem. Het externe en intieme lijken hier vervangen door het vertrouwde van de museale codes en de anonimiteit van het witgekalkte museum dat, in Gent evengoed als in New York, een universaliteit representeert.
Dat effect wordt nog versterkt door de tentoonstellingsbouwer van dit jaar, Joost Declercq, directeur-curator van het Museum Dhondt-Dhaenens, die uitdrukkelijk stelt dat er níet wordt ingespeeld op het omringende landschap (‘negeren van het specifiek plattelandelijke’, heet het in Declercqs catalogustekst). Dat lijkt geen gelukkige keuze. Declercq negeert daarmee het specifiek watouïaanse. De interactie tussen de locaties en de omgeving wordt niet meer nagestreefd – en met dit op-zich-terugplooien verdwijnt iets noodzakelijks, iets wat je alléén in Watou zou moeten kunnen aantreffen.
De afwending van het landschap versterkt echter tegelijk een andere gewaarwording, die vanuit een andere hoek toch nog het externe binnenbrengt: de locaties verwijzen onvermijdelijk naar wat zich er de vorige jaren heeft afgespeeld. De bezoeker die hier eens per jaar langskomt, ervaart een temporele gelaagdheid; hij merkt dat de vorige edities vaak heel sterk meespelen in zijn nieuwe ervaring.
Waar bijvoorbeeld nu een van die piepschuimen geluidskoepels hangt (waar je onder moet gaan staan om naar een gedicht te luisteren – alsof een gedicht iets extraterritoriaals is, dat slechts met grote koepelantennes kan worden gecapteerd), hing de vorige keer een grote zwarte vogel, of zat er een ineengedrongen silhouet, of stond er op een staander een jurk gemaakt uit groene kevers… Al die herinneringen gaan uiteraard met elkaar een uitermate pittige conversatie aan. Ook dat is Watou: een oncontroleerbaar door en over elkaar heen schuiven van edities. Het ‘beweging bedwingen tot dingen’ van Esther Jansma krijgt hier een andere dimensie: het is alsof je bij het aanschouwen van wat nú wordt getoond de beweging die ontstaat tussen het nu en de vorige edities moet indijken – sommige associaties die je onwillekeurig maakt door je te herinneren wat hier de vorige keer te zien was, dreigen de ervaring van wat er nu is te verstoren.
Ook deze dimensie geeft dus inhoud aan het begrip ‘extiem’: de eigen, intieme, ervaring is overgeleverd aan oncontroleerbare, contingente, externe invloeden: herinneringen, associaties en verwijzingen.

Vreemdheid (externiteit) en intimiteit zijn er ook in andere aspecten dan het cultuurgeografische, het dorps-stedelijke en de presentatie in wat je een agrarisch-museale context zou kunnen noemen. (Ik laat de kerk en de brouwerij even buiten beschouwing. De brouwerijlocatie zou je tot dat agrarische kunnen herleiden. Met de (weinige) werken die in de kerk worden getoond (en de gedichten die er ten gehore worden gebracht) is het enigszins anders: daar heb je willens nillens af te rekenen met een religieus getinte externiteit, wat maakt dat deze locatie altijd een beetje hors circuit valt.)
Als andere aspecten van vreemdheid en intimiteit noem ik hier de taal, de tijd en de liefde – en ik belicht ze vanuit enkele gedichten en kunstwerken die mij dit jaar in Watou zijn opgevallen.

Dirk van Bastelaere begint het titelgedicht van zijn nieuwe bundel De voorbode van iets groots met een simpele, als ik het goed heb naar Nabokovs ‘finesses van een zonsondergang’ knipogende, vaststelling:

Soms ontsnappen ons dingen

als…
je weet wel in
de zin, in deze

zin dat
de duif uit haar Veren ploft

of uit talloos
vele
avondwandelingen het model
van een zonsondergang
te voorschijn klapt als een postkaart
[…]

Dat de taal fundamenteel ontoereikend is, weten we en het is maar goed ook (dat het zo is én dat we het weten): in de kloof tussen woord en betekenis ontstaat de behoefte tot praten. Stel dat alles meteen duidelijk was, er zou nogal worden gezwegen! En er zou allicht veel minder poëzie worden geschreven!
Het externe/vreemde in de taal is uiteraard ook aanwezig in de exotische gedaanten van het Nederlands die in deze Poëziezomer nadrukkelijk aanwezig zijn. De vertaalproblematiek waartoe dat leidt, opent ook al een marge van ontoereikendheid en dus vreemdheid, externiteit. Als illustratie de eerste strofe van Albertina Soepboers ‘Fierlân/Verland’, eerst in het Fries…

Op ‘e fyts mei griene learzens.
Donker ferskynt it lân under my,
in wurdleas teken fan wat ik net
beneame kin. Beide witte wy dat
ik frjemdling bin. Us talen swije.

…en dan in het Nederlands van Jabik Veenbaas:

Op de fiets met groene laarzen.
Donker verschijnt het land onder me,
een woordloos teken van wat ik niet
kan benoemen. Beiden weten we dat
ik vreemde ben. Onze talen zwijgen.

De slotregels van Soepboers gedicht zeggen op een bepaalde manier toch ook wel iets over wat ik hier poog aan te duiden: de verwevenheid van plaats en cultuur, en hoe de taal daarin meespeelt:

Wond waar ik een andere taal op plak.
Land dat benoembaar wordt. Later
is het dat we weer vreemden worden.

Met dat ‘later’ is meteen een overgang gemaakt naar de tijd, het tweede aspect waarop de vreemdheid zich ent. Heel pregnant in dat verband vond ik de allusie op tijd die wordt gemaakt in de video van Wineke van Muiswinkel, voor mij – door toedoen van een misverstand – een van de hoogtepunten van deze editie van de Poëziezomer.
We krijgen interieurs te zien in zwart-wit, mensen die gekleed en gekapt zijn zoals mensen in de schriele jaren veertig of vijftig van de vorige eeuw. Je hoort voortdurend het gedender van een trein en de camera die dit alles in zwart-wit vastlegt, staat ook behoorlijk onvast mee te deinen. De mensen die worden gefilmd zijn in zichzelf gekeerd. Ze kijken op – of kijken niet op. Er hangt een apathische, gelaten, trieste sfeer.
Door een toeval viel ik in net na het begin van deze in loop vertoonde video. Ik kreeg dan ook pas helemaal op het eind van mijn bezoek aan deze locatie de titel te zien, die bij het begin van de video wordt getoond: ‘Over enkele ogenblikken’. Daardoor had ik een heel andere spanning opgebouwd, een die zeker niet werd gekleurd door de toekomstdimensie die in de titel wordt gesuggereerd.

En dan de liefde, bij uitstek het terrein waar externiteit en intimiteit samenklitten in wat je, inderdaad, het ‘extieme’ zou kunnen noemen.

als ik mijn benen spreid
doe ik alsof het vleugels zijn

Els Moors wijst in de slotregels van haar gedicht op navrante wijze op díe betekenis van intimiteit, en ze brengt met haar ‘alsof’ uitdrukkelijk het externe binnen in haar amoureus discours.
Seksualiteit, erotiek en naakt zijn overigens op deze editie van de Poëziezomer zeer nadrukkelijk en expliciet aanwezig. De al van 1972 daterende video ‘Hommage à… I’ van Lili Dujourie; de meer dan levensgroot geprojecteerde bewegingsstudies ‘Verroering’ en ‘Beginnings/Endings’ van Charlotte Vanden Eynde in de grote schuur;
de foto’s van François Hers, Ed Templeton en Larry Clark; enkele schilderijen van Ina van Zyl: er is veel bloot in Watou. Op de website van de Zuid-Afrikaanse kunstenares Van Zyl (http://www.inavanzyl.com/fs_writings.html) vind ik een tekst van Marcel Vos, die duidelijk maakt waar ‘extiem’ hier zou kunnen op slaan.

Ideaalbeelden overheersen en worden, vooral wat betreft vrouwelijke schoonheidsidealen, in stand gehouden door een complex geheel van voorschriften en verwachtingen, fantasieën en identificaties.
Maar de keerzijde blijft. Als een schaduw die niet wijkt. Novalis, de jong gestorven Duits-romantische dichter, schreef ooit: ‘In de verte wordt alles poëzie, verre bergen, verre mensen, verre gebeurtenissen.’ Maar de fysieke liefde kan het – gelukkig, maar soms ook helaas – niet stellen zonder de grootst mogelijke nabijheid; met alle risico’s van dien, van ongewenste en ongewilde vervreemding tot benauwende depersonalisaties.

Lut de Block beseft het: liefde is altijd ‘extiem’. Er zit ook altijd een uitgang aan, je kunt weggaan.

Er slaapt een man in huis. Soms noem ik hem de mijne.
Hij neemt fauteuil en ether in, hij snijdt mijn adem af.

Dan sluip ik nors de kamer uit, ze werd te veel de zijne.
Te veel zijn lucht, zijn bloed, zijn brood dat ik wel eten moet.
De hand die ik dan bijt en die me steeds weer voedt.


Of neem Leonard Nolens in ‘Je mond vult het gat van de deur’:

En daar, in die diepte, daar langs
Dat water noteren je voeten
Zichzelf en je weggaan, je wegen
Die zich daarginder verliezen
In iemand. Lief niemand, je klinkt
Als keien schillen vannacht.


Of Anton Korteweg, die met ‘Men verplaatst zich’ het toonzettende kleinood schreef waarmee de bezoeker meteen in de eerste locatie wordt onthaald:

Men verplaatst zich, maar
nooit even snel, in
tegengestelde richting.

Nooit met eenzelfde zakdoek
mooi symmetrisch wuivend –
even wit, even droog.

Eén blijft er staan,
verwijdert zich.

Bij gebrek aan wie verliet
langzaam kleiner wordend.

Dat is ‘extiem’: blijven staan en zich toch verwijderen.
Kan de liefde dan nooit de afstand overwinnen? Leo Vroman, negentig en nog altijd smoor op zijn Tineke, suggereert – ook al benadrukt hij de afstand die ook de beste relaties kenmerkt – van wél in zijn psalmachtig ‘Voor wie dit leest’:

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

[...]

Maar beeldend kunstenares Birgit Brenner lijkt met haar installatie ‘He made me do this’ een andere mening toegedaan.
De installatie bestaat uit een opeenhoping van borden zoals die in een betoging worden meegedragen – borden met tekst en borden met foto’s. ‘Freitag um 18 Uhr bringe ich dich um. Ich liebe dich’, spellen de potige zwarte letters op een binnenmuur van de grote schuur. ‘Wenn ich dich getötet habe, werde ich jemand sein.’

En zo kun je een tijd doorgaan, eigen associaties maken, eigen parcoursen afleggen: in de locaties, in de catalogus, in het universum dat Watou elk jaar opnieuw oproept. Ieder legt zijn eigen accenten, zijn eigen vrije interpretatie. En aan die interpretatie komt derhalve nooit een eind. Dat is wat ik met het adjectief watouïaans bedoelde, en het is wellicht op zich een vorm van extimiteit: de interpretatie is persoonlijk (intiem) en in zijn onuitputtelijke onmededeelbaarheid vreemd (extern).
‘Extiem’: een goede titel? Neen en ja. Neen omdat hij te algemeen is, niet specifiek voor deze editie. Ja omdat hij zeer goed weergeeft waar het in Watou, en in de kunst in het algemeen om draait: om het overbruggen van de afstand, om het – in de taal, de tijd en de liefde – zoeken naar overeenstemming, het samenvallen, het sluiten van tijdelijke verbonden. Fabres tekst, met bloed geschreven (en dus pijn en afstand suggererend), snijdt hout: ‘l’artiste dispose tout au plus d’une chance, de remporter une victoire sur la chance’. Nous sommes des marins naufragés. We mogen dan al op ons vlot een storm hebben overleefd, we blijven schipbreukelingen zonder vasteland in zicht.

803



Avondwandeling op de taalgrens.

Watou 2006 6/6

vrijdag 8 september 2006

35 * 29,60 * 1390

Ik rijd een hele tijd samen op met een jongeman met een oranje wielrennerstruitje, een rugzakje en een wat krakkemikkige fiets met een achterband die best wat beter opgepompt had mogen zijn. Desalniettemin rijd die kerel me met 34 per uur en een soepele tred gezwind voorbij – ik ben, hoewel toch vertrokken, nog in de zelfovertuigingsfase en dus nog niet geneigd om tempo te maken. Aangezien het half wind in de rug is, zie ik kans om me in zijn wiel te zetten: ’t is minder lastig zeven kilometer per uur sneller te rijden achter een derny dan alleen nog dat hele eind kustwaarts voort te zwoegen. We moeten vertragen voor een groep jongemeiden die onder begeleiding iets met botanica of zo aan het doen zijn in de berm van het jaagpad maar die, blijkens hun gillerige reacties, meer belangstelling hebben voor mijn blitze zonnebril. Ik voel me – niet dáárdoor maar gewoon fysiek, uit mezelf, conditioneel als het ware – goed en neem over. Zo gaat het de hele tijd tot het keerpunt, de een wil voor de ander niet onderdoen, met als gevolg dat we ook in de stukken waar de wind in de zij tot lichtjes tegen staat 35 en zelfs 36 halen. Bij de brug bedankt de oranje jongeman me en zwenkt naar links, verder langs het kanaal richting Oostende. Ik moet rechtsaf, richting Bredene (zijn zeemanstruigewijs gestreepte watertoren, zijn naaktstrand) en dan weer, compleet tegen de wind in, rechtsaf terug naar Stalhille. Ik val meteen zo goed als stil en zie de rest van de rit mijn gemiddelde snelheid zakken als de wijzer van een quasi lege brandstoftank.

802 / Watou 2006 5/6

Watou 2006 4/6

donderdag 7 september 2006

In het postkantoor

Achter mij staat niemand aan te schuiven, dus ziet de bediende, een jongeman die ik hier nog nooit eerder heb gezien, zijn kans schoon. Nadat hij mij het pakket heeft overhandigd dat te breed was voor mijn brievenbus – nuja, overhandigd, in de doorschuifllade onder het kogelvrij glas gelegd –, vraagt hij: ‘Kent u de rekening van de Post?’ ‘Ik ben niet geïnteresseerd,’ antwoord ik met niet méér beleefdheid dan in dergelijke omstandigheden van mij kan worden verwacht. Ik denk niet dat ik een motivatie moet geven: dat ik geen geld heb voor een extra bankrekening, dat ik nu geen tijd heb of wens vrij te maken om mij van de noodzaak ervan te laten overtuigen, dat ik gewoon geen zin heb in een mercantiele babbel. Ik gris mijn spullen uit de doorschuiflade (pakket, identiteitskaart) en maak aanstalten om mij naar de uitgang te begeven. ‘Hebt u op een ander meer, misschien?’ Kijk, daar breekt mijn klomp. Ik barst niet uit in een scheldtirade maar beperk me tot een herhaling van wat ik al zei: ‘Ik ben niet geïnteresseerd’ – al kan ik een lichte klemtoon op het ‘niet’ en een spottende glimlach niet onderdrukken. De jongeman druipt, achter zijn kogelvrij glas, af. Neen, ik ben niet kwaad op die kerel. Ik voel alleen een medelijden in mij opwellen: hoe hij zich overijverig en kritiekloos onderwerpt aan de hem opgelegde verkoopsquota en de hem ingetimmerde verplichting om al wie daar niet om vraagt lastig te vallen met een poging om dat nieuwe ‘product’ te verkopen, hoe zijn evaluatie op het einde van de maand of de proefperiode of weet-ik-veel-welke deadline in functie van zijn ‘succes’ zal worden opgesteld. Het kogelvrij glas scheidt twee totaal verschillende werelden – hij heeft geen weet van de mijne en ik ben willens nillens meer onderworpen aan de zijne dan mij lief is. Mijn medelijden met zijn lot is ook door onmacht ingegeven ergernis over het mijne.

801 / Watou 2006 3/6

woensdag 6 september 2006

Overschrijven (27)

Er is heel veel vanzelfsprekendheid nodig om niet te spreken.

Luuk Gruwez, Een stenen moeder (De Arbeiderspers, 2004), 34

Alles uit de kast (2bis)

Addendum:
‘Van Sven Speybrouck wordt beweerd dat hij in zijn vrije tijd dikke boeken leest en bijgevolg een intellectueel is maar dat zijn gemene roddels.’
(uit de aanbieding van Roularta Books)

800 / Watou 2006 2/6

dinsdag 5 september 2006

Alles uit de kast (2)

Een ‘snellezer’, een centrale gast die dummy’s aanprijst en zijn eigen dagboek uitroept tot favoriete boek, een vrouw in het publiek die met haar adressenboekje smeekt om ‘genomineerd’ te worden, een homo die zich, geruggensteund door Kartonnen dozen, out maar verder niets over Lanoyes roman weet te vertellen, een reportagetje over, godbetert, popupboeken… Neen, dit is geen boekenprogramma maar een antiboekenprogramma. Dit is geen mislukt boekenprogramma, het is veel erger: Alles uit de kast is een kruistocht tegen al wie leest, gevoed door een perfide anti-intellectualisme. De titel ‘Alles uit de kast’ betekent niets anders dan: haal die boekenkast leeg, u bent verkeerd bezig als u boeken in huis hebt, gooi alles maar meteen buiten.
Het televisieprogramma Alles uit de kast is, ik wik mijn woorden, de hedendaagse versie van de nazistische boekverbrandingen.

799 / Watou 2006 1/6

Alles uit de kast

Het vreemde van de zaak is dat je bij de beoordeling van een nieuw boekenprogramma al op voorhand een soort van mildheid inbouwt: we mogen niet te streng zijn want dat dreigt een intellectualistische, elitaire reflex te verraden en dat is natuurlijk volslagen not done… Of hoe je in het huidige anti-intellectualistische, democratische klimaat als elitaire intellectueel – pleonasme! – al spontaan (geconditioneerd) aan zelfcensuur begint te doen nog voor je een woord hebt gezegd.
Maar goed, ik heb dus met een zo welwillend mogelijke blik naar het nieuwe boekenprogramma Alles uit de kast zitten kijken.
En ik heb me… geamuseerd. (Op de Monty Python-persiflage op het Vertel-De-Recherche-Van-Proust-In-Eén-Minuut-scetch en het gesprekje met Lulu Wang, de Chinese Kristien Hemmerechts, na, welteverstaan.) Het programmaatje was vaardig in elkaar gestanst, de centrale gast (Jan Desmet), wist de juiste toon aan te houden ergens tussen enthousiasme en gereserveerdheid in, we kregen iets als… liefde voor boeken aangereikt.
Opvallend was dat het, de vluchtige vermelding van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst niet te na gesproken, nergens over recente boeken ging. Het ging om boeken als object, als curiosum, als – o verfrissende verrassing – schier onuitputtelijke bron van anekdotes, herinneringen, emoties, van televisie kortom!
Heel goed, en ik méén het, was dat af en toe de boeken ook werden opengeslagen en er een zin uit werd voorgelezen. Want dát zijn boeken natuurlijk in de eerste plaats: verzamelingen van zinnen, tekst. Dat ontbrak al te vaak in de vluggertjes die schrijvers de voorbije jaren, áls ze al eens op televisie kwamen, mochten maken: hun ego en imago werden vóór hun teksten geplaatst.
Alles uit de kast is een mooi boekenprogramma. En eerlijk is het ook want het weerspiegelt de enige manier waarop vandaag nog op een grootschalige manier over boeken kan worden gesproken: oppervlakkig, snel, uitwendig. Ik kijk uit naar de volgende aflevering. Maar dan wel in de wetenschap dat ik voor de ideeën, de poëzie en de cultuur die in die mooie boeken verpakt zitten, nog altijd het best op een langzame en bedachtzame manier de boeken zelf raadpleeg. Alles uit de kast illustreert op een mooie manier de onmogelijkheid om vandaag een boekenprogramma te maken.

maandag 4 september 2006

Cristal

Ik ben een tijd geleden van Jupiler overgeschakeld op Cristal. Na de Panorama-uitzending over de bedrijfscultuur van het Belgisch-Braziliaanse Inbev, waarin Jupiler nu verzuipt, weet ik ook waarom. Een ‘CEO’ (baas, dus) die ostentatief water drinkt op een persconferentie; een vrouwelijke manager (overduidelijk met geen tang aan te raken) die voortdurend alles wat niet in haar kraam past afdoet met de term ‘emotionele factor’; falende verkopers in Brazilië die op het eind van de maand spitsroeden moeten lopen tussen twee rijen met succesrijkere collega’s, die hun slachtoffers naar hartenlust in de ballen mogen grijpen. Leuke firma, hoor.

798

zaterdag 2 september 2006

796

Mijn vaardigheid

In het televisieprogramma Duizend zonnen & garnalen (let op de CD&V-ampersand) moeten twee jongemannen het tegen elkaar opnemen in een wedstrijdje ‘De lenigste lip’. Tussen bovenlip en neus moet zo lang mogelijk een potlood geklemd worden gehouden. De ene jongeman is amateurfotograaf, de andere heet Pascal – met beiden heb ik dus iets. Pascal is gespecialiseerd in een oosterse gevechtssport. De amateurfotograaf laat als eerste het potlood vallen en Pascal heeft dus het laatste woord. ‘Hij was een goede kandidaat,’ zegt hij, ‘maar mijn vaardigheid was beter.’

vrijdag 1 september 2006

795


Hier was ik eerst aan voorbijgereden. De plaats is Leisele (heelal, werkelijkheid). De tijd: 8 juli 2006 rond het middaguur.

Waarover zal ik schrijven?

Dat ik die vrouw misschien voor de laatste keer heb gezien: hoe ze, ineengeschrompeld in haar veel te grote zetel, glimlachend haar jaren wegwuifde en informeerde hoe het ging met de kinderen? Dat ik voor de zoveelste keer een pak sigaretten openscheur na met roken te zijn gestopt? Dat Haruki Murakami er in slaagt om een andere werkelijkheid aannemelijk te maken en daardoor de werkelijkheid die ik altijd voor waar heb aangenomen te veranderen, en dus onaannemelijk maakt? Dat het wreed is als vrienden elkaar bij het nuttigen van een cocktail op basis van limoen en rum verscheuren in een discussie over hoe je moet discussiëren? Dat een powerpointvoorstelling in mijn ogen vaak het tegendeel bereikt van wat ze beoogt: verveling in plaats van echte overdracht van informatie? Dat bloggen een heikele onderneming is? Dat in een ver land over de bergen een driekoppige en vuurspuwende draak is opgestaan en alvast drie verkenners van onze gouw heeft verslonden? Dat de Bruggelingen onder u bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober een in een zwart vierkantje gevat wit cirkeltje naast mijn naam kunnen inkleuren: plaats 32 op lijst nummer 5? Waarover zal ik schrijven? Waarmee kan ik u plezieren? Hoe kan ik dit digitale gedonder voor mezelf en voor u zinvol en aangenaam houden?