vrijdag 30 september 2016

donderdag 29 september 2016

woensdag 28 september 2016

los ingeslagen 331



2-5 maart 2002

Een heerlijke wandeling met G. & T. in Ryckevelde. Ik breng ze allebei aan het lachen – ja, óók G., die anders toch niet zo gemakkelijk om mijn fratsen lacht – met een geïmproviseerde sketch van een Hollandse cabaretier waarin ik het onder meer heb over het aaneenrijgen van zinnen (‘praten is zingen’). Ik geniet van mijn kinderen.

*

Peter Van Peteghem wint de Omloop Het Volk. Ik kijk het laatste anderhalf uur, maar de schrik bekruipt mij dat de recente dopingverwikkelingen ook dit plezier hebben aangetast.

*

Voor het etentje met H., A., J., L., S. en P. ben ik een uur of drie in de weer in de keuken: courgette met tomaat en fètakaas; rosbief met in bouillon gesmoorde witloof, worteltjes en kleine patatjes – en ondertussen maak ik ook nog soep van de niet gebruikte groenten. De avond verloopt aangenaam (…). Van de gesprekken herinner ik me achteraf alleen dat H. nogal doorboomt over onze ‘plicht’ om nu regelmatig naar concerten te gaan in het Concertgebouw. (…)

*

Al is het zondag: ik werk.

*

Het mooie weer duwt me voor de eerste keer dit jaar op de fiets. Mijn eerste ‘kruisweg’ van het jaar.

*

Ik begin de mannenreis uit te stippelen: in omgekeerde richting, vanuit La Tour Blanche, waar G. een gîte heeft gehuurd, naar het noordoosten.

*

(…)

*

Een opstoot van depressiviteit strandt op een gewichtig boekenpakket van De Markies. Dag Pascal, zegt de postbode. Ik leun voorover uit het raam van de tweede verdieping en vraag de man of hij mij kent. Nee, alleen mijn naam gelezen op de doos die hij aan de voordeur heeft neergezet. Ik lach hem toe… In de doos zitten Barnard, Schama, Magee, Van Istendael…

*

(…)

*

Don DeLillo, Witte ruis
[199]: ‘Haar lichaam werd het intermediair van mijn vastbeslotenheid, mijn stilzwijgen. Elke nacht vleide ik me tussen haar borsten, schoof die aangewezen ruimte binnen als een beschadigde onderzeeër zijn reparatiedok. Ik putte moed uit haar borsten, haar warme mond, haar tastende handen, uit haar over mijn rug glijdende vingertoppen. Hoe lichter de aanraking, hoe vaster mijn voornemen haar niets te vertellen. Alleen haar eigen wanhoop kon mijn wil breken.’
[202]: ‘Ik wilde zeggen dat hij al dergelijke rampzalige bevindingen met gelijkmoedigheid zou leren bezien naarmate hij volwassen werd, de beperking ontgroeide alles letterlijk te nemen, een geïnformeerde, sceptische onderzoekszin ontwikkelde, won aan wijsheid en afgerond inzicht, oud werd, aftakelde, doodging.’
[210]: ‘De wereld is vol afgedankte betekenissen. In de gemeenplaats vind ik onverwachte thema’s en intensiteiten.’

*

‘De wereld is vol afgedankte betekenissen. In de gemeenplaats vind ik onverwachte thema’s en intensiteiten.’ In een wereld waarin we niets kunnen geloven, schermen we lacherig met gemeenplaatsen, de dooddoeners waarmee we een echt gesprek uit de weg gaan (een echt gesprek dat ons alleen maar met ons onvermogen zou confronteren), en met schlagers die we ironisch toelachen maar waarin we onvermoede vertolkingen aantreffen van de gevoelens die we niet meer mógen koesteren.

*

Ik heb voor het eerst in drie weken nog eens wat tijd om mijn reisnotities te bewerken. Hoe ver zit dat al niet! En: wat een geluk dat ik mijn dagboek heb teruggevonden! Was die € 10 niet wat weinig als beloning voor die kerel? En: wat zou hij er mee hebben aangevangen?

instagram 200

160902

instagram 199

Brugge, Sint-Pieters - 160901

instagram 198

160831

4465

Omgeving Keiem - 160729

dinsdag 27 september 2016

wolken 2058-2061



wolkenfragmenten uit Guy de Maupassant, Op een lenteavond

2058
Toen ik mijn ogen weer opende, was de maan onder, de hemel vol wolken. (66)

2059
Een koude wind veegde de wolken weg en achter hen, hoger, twinkelden talloze sterren. (75)

2060
Al enige tijd had vorst de grond verhard en maandag tegen een uur of drie voerden grote zwarte wolken sneeuw uit het noorden aan, die ononderbroken de hele avond en de hele nacht viel. (94)

2061
Een grauw licht sijpelde door de grote donkere en zware wolken die het witte land nog stralender maakten, waar nu eens een rij grote bomen verscheen, bedekt met ijzel, dan weer een huisje met een muts van sneeuw. (96)

de herfst van 2016 – 6


Gisteren mocht ik nog maar eens ondervinden tot welke heftige en, ja, onzindelijke discussies op Facebook een meningsverschil aanleiding kan geven. Naar aanleiding van een opmerking over de penistekening in Sint-Gillis, of die nu al dan niet moet worden verwijderd, verboden, gedoogd, toegestaan of toegejuicht, wordt algauw het grof geschut bovengehaald. Ik verdedig een vrij gematigd standpunt – ingrepen in de openbare ruimte kunnen het best met democratisch georganiseerde consensus worden geregeld – en krijg meteen een hele lading verwijten over me heen. Ik ben preuts en een moraalridder, en de verwijzingen naar de Middeleeuwen en de Inquisitie zijn niet uit de lucht. Zelfs de Wet van Godwin laat zich gelden want er wordt naar de nazi's verwezen. Mijn bedenking bij de penistekening zou een gelijkenis vertonen met de nationaalsocialistische behandeling die de zogenaamde 'Entartete Kunst' te beurt viel.

Ik kijk daar toch een beetje van op. Het enige wat ik heb willen zeggen, is dat kunst in de openbare ruimte niet zomaar moet kunnen, en al zeker niet als zij wederrechtelijk op een privé-eigendom wordt aangebracht. Niets minder maar ook zeker niets méér dan dat. Ik vind het dan toch enigszins teleurstellend te moeten vaststellen dat meteen allerlei dingen die ik niet heb gezegd door elkaar worden gehaspeld. En dat is het wat ik bedoel als ik de discussie 'onzindelijk' noem. Want wat gebeurt er? Er worden hier vooronderstellingen op een hoop gegooid. Of vooroordelen, dat zou ook kunnen.

Een ervan is dat ik aanstoot zou nemen aan het onderwerp van de afbeelding: een penis ofte het mannelijke geslachtsorgaan. Zelfs de Griekse beeldhouwkunst wordt in stelling gebracht: moeten we die lullen dan afhakken, of er opnieuw vijgenbladeren voor hangen, zoals in andere tijden gebeurde? In welke context die Griekse beelden van blote mensen tot stand kwamen en waarom ze in de publieke ruimte werden opgesteld, daar wordt even niet aan gedacht. Neen, want het oordeel dat ik een preutse moraalridder ben, primeert en is dus een vooroordeel.

Een andere vooronderstelling is dat ik de vrijheid van de kunstenaars wil beknotten. Ik koester echter wat dat betreft niet de minste ambitie – met dien verstande dat ik wel degelijk vind dat de vrijheid van kunstenaars absoluut is. Maar er lijkt een verwarring te bestaan tussen de begrippen artistieke vrijheid en de toepassing daarvan in de openbare ruimte. Een kunstenaar mag voor mijn part tekenen of schrijven of vormgeven wat hij/zij maar wil, uiteraard, maar in de openbare ruimte lijkt niet alles mij toelaatbaar. Sommige zaken raken taboes of grenzen. Elke samenleving heeft daar afspraken over. Nu kan kunst inderdaad aan die grenzen morrelen en ze misschien zelfs verleggen. Maar kunst die deze grenzen overschrijdt, daar bestaat een woord voor: blasfemie of pornografie. Misschien zijn wij de eerste samenleving zónder grenzen – dat zou dan een antropologisch unicum zijn. Misschien zegt dat wel iets over onze beschaving.

Bovendien wil ik waarschuwen voor het precedent. Als je die lul in Sint-Gillis toelaat, dan komt er straks gegarandeerd een ‘kunstenaar’ die iets doet met kruisen of Mohammeds of Boeddha's of hakenkruisen, en voor je het weet is het hek van de dam en hoe houd je dat nog tegen als je Sint-Gillis hebt toegestaan.

Nog een vooronderstelling die de discussie kruidde, is dat ik mijn mening zou baseren op een smaakoordeel. Maar daar heb ik het absoluut niet over. Wat is kunst? Die vraag leidt tot soms interessante maar meestal steriele discussies. Dat onderscheid is te vaag om op basis daarvan het maatschappelijk verkeer te regelen. Ja, Banksy heeft, zonder dat daarom werd gevraagd, mooie graffiti gemaakt, en je kunt op basis van dat esthetisch argument de eigenaar van het gebouw proberen te overtuigen om de tekening te laten staan. Maar als die eigenaar vindt dat de tekening weg moet, dan moet hij weg. Punt aan de lijn.

Al deze zaken, waarover ik het dus niet had, worden in de discussie betrokken. Maar datgene waarover ik het wél had – dat kunst in de openbare ruimte niet zomaar kan – wordt niet besproken. Geen argumenten tegen, en nauwelijks voor. Of toch, één iemand stelt dat het beschilderen van privé-eigendom (zichtbaar in de openbare ruimte) toch ook niet zomaar kan zonder de instemming van de eigenaar. En er is nog iemand anders die vraagt: 'Moet kunst geschikt zijn voor iets, iemand of voor een locatie?' Waarop ik antwoord: 'Ja.'

En wel hierom. Als je het hebt over kunst in de openbare ruimte, dan lijkt het mij niet meer dan normaal dat je de relatie tussen beide – kunst en openbare ruimte – in acht neemt. Kunst in de openbare ruimte moet bijvoorbeeld iets zeggen over die openbare ruimte. Wat zegt nu die lul in Sint-Gillis? Die lul in Sint-Gillis zegt aan alle omstaanders niet enkel: ‘Dit is een mannelijk geslachtsdeel in rust’, maar vooral: ‘Dit is een openbare ruimte waarin zo’n afbeelding kan.’ Welnu, de eerste boodschap zal ik niet betwisten, maar door de tweede voel ik mij niet aangesproken. En nochtans maak ik deel uit van die openbare ruimte. Misschien moet ik mijn mening herzien, maar voorlopig ben ik daartoe niet bereid. Deze tekening overtuigt mij alvast niet om die stap wél te zetten. Integendeel.

Het gaat niet om een relatie waarin voor het ene, de kunst, zomaar alles kan, zonder dat het andere, de openbare ruimte, zeg maar het publieke debat dat daarin wordt gevoerd, daarover een zeg kan hebben. Daar hebben we democratische spelregels voor. Concreet: het schepencollege beslist. Maar sommige deelnemers aan de discussie huldigen een soort anarchisme: ‘Kunst moet provoceren, anders is het geen kunst.’ Ik deel die mening niet. Ik noem dat salonanarchisme. Want wie provoceert, erkent meteen dat er grenzen zijn die eventueel kunnen verlegd worden. Hij, of zij, provoceert altijd in een context. En die context is maatschappelijk bepaald. Als álles mogelijk is, kun je niets meer zeggen. En kun je ook niet meer provoceren. Dat is ten andere waar de hedendaagse (installatie- of conceptuele) kunst is terechtgekomen. Dan krijgt je dit soort houding: ‘Zie jij die reuzenpenis daar? Ach, wat leuk, maar tegelijk: so what?

Rekening houden met de omgeving is ten andere ook wat je op het internet doet. Je plaatst teksten, foto’s, links – maar liefst toch niet om het even wat. Je houdt rekening met wie het te zien krijgt. Je doet je uiterste best om mensen niet te kwetsen, om in discussies genuanceerd en beredeneerd te zijn, om niet in de val van de polarisatie te trappen. En zeker om niet het niveau van de discussie tot dat van een ordinaire scheldpartij te verlagen.