donderdag 22 september 2016

de herfst van 2016 – 1


Ik probeer elke dag bij het ontbijt mijn portie oorlogsdagboek van Viktor Klemperer te lezen. Niet om daarop mijn eigen spontane neiging tot somberheid te stoelen, maar om integendeel moed te putten uit de bewonderenswaardige vasthoudendheid waarmee die man getuigenis heeft afgelegd van zijn wil om de omstandigheden te trotseren. En die omstandigheden waren in september 1944 – daar ben ik in mijn lectuur nu aangekomen – niet min. Klemperer, die in het nog niet vernielde Dresden dag na dag zijn angst om als jood opgepakt te worden overwint, om zo de eindjes van zijn precaire bestaan – en dat van zijn (Arische) vrouw – aan elkaar te helpen knopen, ziet, of hoort, rond zich het Duitse Rijk in elkaar storten. Zijn nauwgezet bijgehouden dagboek bevat een schat aan informatie over hoe het er voor de ‘gewone’ Duitser aan toe ging, de angsten die zij moesten doorstaan, de hoop om het debâcle te overleven, de tot primitief levensinstinct teruggedrongen levensverwachtingen en levensopvatting.

Zo zijn de dagboekbladzijden van september 1944 erg instructief met betrekking tot een zinnetje dat wij, wanneer het over Duitsers gaat, hun vaak gedachteloos in de mond leggen: Wir haben es nicht gewußt. Klemperer helpt ons te nuanceren.

Enerzijds zijn er in het dagboek de talrijke plaatsen waaruit blijkt dat de Duitsers wel degelijk wisten wat er gebeurde met de vele duizenden joden die uit hun omgeving werden weggevoerd en niet meer terugkeerden. De geruchten daarover rijgen zich aaneen tot een niet langer in te dammen informatiestroom. Hier is het Wir haben es nicht gewußt manifest een leugenachtige Verneinung. Maar er zijn tegenindicaties, en Klemperer geeft er een paar.

Op 7 september schrijft Klemperer over zijn dada, de LTI, de Lingua Tertii Imperii. Hij is al jaren bezig met het bijhouden van manieren waarop de nazi’s de Duitse taal hebben misbruikt en naar hun hand gezet ten einde met grotere effectiviteit hun leugens, manipulaties en dwingelandijen te kunnen verspreiden. Klemperer zal na de oorlog op basis van die notities het boek LTI publiceren. Hij beschrijft op 7 september de teneur van de berichtgeving die in het Reich wordt verspreid over de nederlagen op alle fronten en de oprukkende vijand. Die teneur is hoe langer hoe minder ontkennend en minimaliserend. Maar uiteraard wordt de vijand als agressor bestempelt, en zijn Duitsers niets anders dan de rechtmatige verdedigers van hun territorium. ‘Liever dood dan slaaf.’ De nog niet door het militarisme opgeslokte lagen van de Duitse bevolking (adolescenten en grijsaards) worden voorbereid op hun mobilisatie: ‘bereid-zijn is alles!’ Klemperer vraagt zich af wie dit nog gelooft. ‘Ik geloof niet dat dit nog effect heeft.’ (Dat denk ik ook vaak als ik de reclameboodschappen op de radio hoor, het sterkt mij in elk geval in mijn overtuiging dat er een diepe, essentiële verwantschap bestaat tussen dictatoriaal taalmisbruik en de taal van de reclame.) De nazistische propaganda misbruikt de taal, en dat versluiert de band met de werkelijkheid, de waarheid. Wir haben es nicht gewußt 1.

Op 14 september 1944 vertelt Klemperer hoe hij in de schuilkelder – het alarm gaat in Dresden steeds vaker af en dat zal, zoals wij allemaal weten, vijf maanden later uitmonden in de totale vernietiging van de stad, maar dat weet Klemperer nog niet… (dat besef kleurt natuurlijk ook de lectuur van dit dagboek) – op 14 september ’44 dus vertelt Klemperer hoe hij in de schuilkelder een overzicht van de gebeurtenissen van 1943 onder ogen krijgt, en hij stelt vast: ‘de onmacht van het geheugen om dat alles, al die kwellend meebeleefde dingen, in de tijd te fixeren. (…) We worden door het heden overspoeld (…).’ (Ook dat is voor ons herkenbaar: ook wij vallen ten prooi aan een overmaat aan gebeurtenissen en calamiteiten, het overzicht bewaren is moeilijk, we zijn verdoofd door de overkill.) Klemperer: ‘Ook dat is een reden waarom we van de meegemaakte geschiedenis niets weten: het gevoel voor tijd is opgeheven; we zijn tegelijk te afgestompt en te overprikkeld, we zitten vol heden.’ De hoeveelheid informatie, het te drukke heden: ook dat legt een sluier over de waarheid. Wir haben es nicht gewußt 2.

Op 15 september 1944 heeft Klemperer het niet over overkill maar over afweer, psychische zelfbescherming. De berichten over de bombardementen op Duitse steden sijpelen binnen. Geen officiële censuur kan dat verhinderen: mensen ontvluchten hun woonplaatsen en informeren hun familieleden. Maar: ‘Ik ben zo gewend geraakt aan de berichten over steden die door bommen zijn verwoest, dat het me helemaal niets meer uitmaakt.’ ‘De dofheid of afgestomptheid van de fantasie!’ Het is een psychosanitaire reflex: de verbeelding weigert dienst, er treedt een ontkenningsproces in. Klemperer probeert zich nog voor te stellen hoe het zou zijn om te zien hoe gindse huizenrij voor zijn ogen zou instorten, maar hij laat die voorstelling varen en de hoop dat het in Dresden niet zal gebeuren krijgt weer de bovenhand. Afstomping en hoop leggen een sluier over de band tussen geest en werkelijkheid en dus over de waarheid. Wir haben es nicht gewußt 3.