Ik kijk in Nieuw-Vennep altijd uit het raam en zie een weelderige vrouw van een jaar of dertig staan, een beetje een hoerig type vrouw, wit maar verleidelijk gezicht, donkere ogen, mollige kleine handjes, ze draagt glanzende grijze kousen, schoenen, rood, met een hakje, ze draagt een bontmantel, heel glanzend, ze heeft een vracht hoofdhaar, gitzwart haar, een échafaudage van haar, een volle rode mond, een klein poedeltje in de armen. En o! Zou ik haar grote, goudkleurige ringen mogen vergeten? Ringen om de enkels, om de polsen, ringen aan het oor, het goud glinstert je toe door het zwart van het krullerige haar.
J.M.A. Biesheuvel, Schip in dok, 200-201