vrijdag 31 juli 2026

vorig jaar 415

26 juli 2025

Ik lees Stroomafwaarts langs de Donau nu zo goed als diagonaal, net traag genoeg om de verhaallijn, voorzover die er is, niet los te laten, maar toch: ik laat me meedrijven op de snelle stroom van Esterházy’s halve, losjes aan elkaar geregen zinnen, de associaties, de half-vertelde anekdotes, het vele dat te raden wordt overgelaten. Ik weet nu al dat ik nauwelijks iets van dit boek zal onthouden, en ook dat ik er nauwelijks iets van zal hebben gesnapt, maar ik lees het gráág. De Memoires van een biograaf van Onno Blom, over zijn werk als levensbeschrijver van Jan Wolkers, bevalt me op een andere manier. Blom bespreekt zijn onderwerp liefdevol. Door hem daartoe aangezet, neem ik me voor Terug naar Oegstgeest te lezen.

*

De uitvaartplechtigheid van PL. Ik heb hem niet lang en grondig genoeg gekend om radeloos verdriet te voelen – al ligt dat misschien ook aan mijn gebrek aan empathisch vermogen. Een tabakspot fungeert als urne. Die is het pièce de résistance van het stilleven dat vooraan in de kille zaal van de Brug staat opgesteld: een foto, een pot met penselen, een stukje antiek. En dan die tabakspot, begot! Een cynische knipoog d’outre-tombe van een man die zich letterlijk dood heeft gerookt. ‘Ik weet wat ik mezelf heb aangedaan,’ heeft hij ooit iemand vanop zijn ziekbed toevertrouwd. Ik neem tijdens de lange en mooie dienst enkele notities. Na Le temps des cérises, ik denk in de versie van Yves Montand, spreekt GH een laudatio uit. Hij heeft het over P’s ‘moedige spreken’, over het belang dat hij hechtte aan taal, en over hoezeer P doordrongen was van de arrogantie waarmee het Westen zich aan de rest van de wereld opdringt. Over hoe hij, G, met P alle mogelijke onderwerpen kon bespreken: ‘van Brugse kant tot Immanuel Kant’. Ik krijg spijt dat ik P, nadat ik hem pas een jaar geleden voor het eerst ontmoette, niet vaker heb opgezocht. Na zijn laudatio leest G het door P zelf geschreven In memoriam uit. Daarin gaat het onder andere over de verwachting van wat er na de dood komt: ‘Waar de katholiek rijstpap met gouden lepeltjes krijgt, krijgt de ongelovige niets: je bent er geweest.’ Maar ook: ‘Wie bewaard wil blijven voor het nageslacht, moet iemand geworden zijn.’ Dan volgt een fragment uit de cyclus Het jawoord van Herman de Coninck: ‘luisterend naar de huidspraak / van het woord liefde’. We krijgen een videoclip te zien: van de ‘postuum’ uitgekomen single Free As A Bird van The Beatles. X, die er als mantelzorgster heel vaak naast heeft gestaan en gezeten, vertelt over het ziekbed van P. ‘Wat een luxe om op die manier afscheid te kunnen nemen,’ zou hij hebben gezegd. Ook J spreekt een afscheid uit: ‘Als ornitholoog classificeer ik jou bij de nachtraven.’ (…) E, de jonge collega van toen hij nog werkte, die vaak op bezoek kwam en op wie P volgens sommigen toch wel een beetje verliefd was (hij kon het niet laten, maar ja, hij was een man, ook met zuurstoftoevoer in zijn neus en een resterende longcapaciteit van 20 procent) –, die E dus leest, in het Engels, een fragment voor uit Of Human Bondage van W. Somerset Maughan, naar verluidt een van P’s lievelingsboeken. De zin van het leven wordt in dat fragment vergeleken met een Perzisch tapijt. ‘Het weefsel blijft betekenisloos, tenzij je het voor jezelf ontdekt.’ We krijgen foto’s te zien met daarop P als bonvivant, als enthousiaste lesgever, als zachte en liefhebbende man. Ni dieu ni maître van Léo Ferré. (…) Op de receptie na de dienst zie ik F in een hoekje alleen op een stoel zitten. Ik ga even naast hem zitten. Hij voelt zich niet goed, krijgt voor mijn ogen een bloeddrukval. Akelig is dat. Schokken gaan door zijn lichaam en dan blijft hij wezenloos voor zich uit kijken. Hij lijkt wel dood. P snelt ter hulp, zij weet dat hij moet liggen, de benen omhoog. Er komt weer leven in de man. Iemand belt een ambulance.

*

De twee glazen wijn die ik op de receptie in mijn nuchtere maag heb gekieperd hypothekeren de rest van mijn dag. (…) Ik slaag er toch nog in om bijna het volledige essay Optimisme zonder hoop van Tommy Wieringa te lezen, maar dat moet een mens niet doen om vrolijk van te worden.

*

Deze avond is er een luidruchtig ‘dansfeest’ in het park voor mijn deur. Ik ga er even kijken, maar voel me er totaal niet op mijn plaats. De dansvloer is zodanig volgepakt dat er van dansen geen sprake kan zijn. Honderden mensen, maar geen bekenden. Ik heb geen zin om een minuut langer te blijven. Vlug naar bed, waar ik gelukkig, nadat ik alles heb afgesloten en ook de binnendeuren heb gebarricadeerd, geen last heb van de beats.