dinsdag 5 mei 2020

LVO 175



Longtemps, je me suis couché de bonne heure.26

'Het is tijd om naar boven te gaan.' Dat was geen informatief maar performatief taalgebruik. Deze mededeling betreffende de tijd was een bevel. Mijn ouders zeiden niet dat het 'bedtijd' was, of dat ik moest gaan slapen. Zij zeiden dat het tijd was om 'naar boven te gaan'. Dat was, toen ik nog heel klein was, om half acht. Later werd het vaste slapensuur half negen.

Meestal werd het bevel zonder morren ingewilligd. Het kwam niet in mij op om daar lastig over te doen – gezag en autoriteit waren diep in de jaren zestig nog niet ter discussie gestelde fundamenten van de gezinspedagogie en wij deden wat van ons gevraagd werd; het zou nog wel een paar jaar duren vooraleer de ideeën van contestatie, emancipatie en deconstructie, van onder de Parijse straatkeien opgedolven in de periode die voorafging aan mijn opstandige jaren, de Populierendreef nummer negenentwintig bereikten.

Geen wonder was dat, want de jaren zestig en de hele cultuur die eraan vasthing, werden zorgvuldig buiten de deur gehouden achter een muur van vooroordelen. Mijn ouders waren, als ontwortelden, gericht op geïdealiseerde en stabiele verledens. Als ze al cultuuruitingen binnenlieten, waren die zeer consequent oubollig en zeker niet modern. Bovendien richtten zij zich op de francofone wereld: muziek, film, literatuur, entertainment, zowat alles kwam vanuit Frankrijk tot bij ons. Aan het Engels en het Angelsaksische kleefde vreemdheid, en voor zover die vreemdheid al niet reden genoeg was om het te weren, werd de hele popcultuur die in die tijd zoveel jongeren beïnvloedde, belachelijk gemaakt en beladen met schuld. Beatlehaar, ketelmuziek... Dat soort epitheta werd eraan opgehangen.

Maar goed, wanneer het bevel werd uitgesproken, onderbrak ik mijn activiteiten, ging mijn avondkruisje – tseentje bewaarje – in ontvangst nemen of nam, toen ik al wat ouder was en pas om half negen gevraagd werd om ‘naar boven’ te gaan, met een eenvoudig 'slaapwel' voor die dag afscheid van mijn beide ouders.


26 Marcel Proust, eerste zin van de Recherche.



(wordt vervolgd) 
lees vanaf hier deel 1
lees hier vanaf het begin van deel 2