C. - 120617 |
dinsdag 30 oktober 2012
schrikkel 286 / van boeken bezeten 16
Ik ben drie keer gegaan naar de verkoop van de ‘afgevoerde’
exemplaren in de bibliotheek en heb uiteindelijk vijftig boeken gekocht voor,
alles samen, dertig euro. Dat is natuurlijk belachelijk, en niet alleen omwille
van het geringe bedrag. Want zeg nu eens zelf, zeg ik tot mezelf, wanneer ga je
die vijftig boeken allemaal gelezen hebben? Ik voer ter verdediging aan: een
deel héb ik al gelezen en wil ik gewoon bij me in de buurt, een ander deel héb
ik al en heb ik enkel gekocht om weg te geven, en als er al een deel is dat ik
nooit zal lezen, dan heb ik ze tenminste van de papiercontainer gered – al moet
ik wel toegeven dat die exemplaren door mijn verzamelwoede en heb- en
schraapzucht niet in het bezit van andere boekenliefhebbers zijn kunnen komen.
Nuja, dat doen ze dan misschien wel over een jaar of twintig-dertig – als er
dan nog boekenliefhebbers zijn natuurlijk. Nu moeten ze een tijdje bij mij
blijven en dat lijkt mij een aangenaam vooruitzicht. Misschien niet voor hen –
hoewel, hebben boeken vooruitzichten? – maar dan toch voor mij. Nu nog plaats
vinden in mijn bibliotheek, en dan is alles oké. Misschien moet ik daartoe eerst
een vijftigtal andere boeken ‘afvoeren’?
schrikkel 285b
Als ik een vertegenwoordiger van een diersoort iets zie doen
wat ik nooit eerder enig ander individu van die soort heb zien doen, dan
ontwaakt in mij de etholoog. Het lijkt mij altijd een ingrijpender verandering
dan om het even welk exploot van om het even welke diersoort dat toch op de een
of andere manier binnen de verwachtingen blijft. Het doet mij denken aan wat Milan
Kundera op de openingsbladzijden van Het
boek van de lach en de vergetelheid schrijft over de vogelsoort merel: het
historisch te situeren feit van de migratie van de merel van bos naar stad is,
in een bepaald opzicht, dat wil zeggen vanuit een bepaald perspectief gezien,
ingrijpender dan om het even welke migratie van een menselijke bevolkingsgroep.
Het gaat om een fundamentele wijziging in het ‘normale’ gedragspatroon van de
diersoort merel – terwijl het bij Vandalen, Wisigoten, Turken of wat dan ook
toch nog altijd om het invullen ging van dezelfde behoeften en drijfveren, maar
dan enkel met andere middelen of op een andere plaats. Zo bekeken
vertegenwoordigt een kraai die zijn angst voor auto’s blijkt te hebben
overwonnen een grotere revolutie dan een mens die – ik zeg maar iets – op 39
kilometer hoogte uit een capsule springt aangezien het altijd des mensen is
geweest kicks op te zoeken en grenzen te verleggen.
reactie
Er is een tijd geweest dat auto's prachtig waren en
autorijden verrukkelijk was, inderdaad een symbool voor vrijheid. Die tijd is
in België voorbij.
maandag 29 oktober 2012
over essays 3
Stefan Hertmans, ‘Esthetica als serviceclub. Over engagement in de kunsten’ (2006), in: De mobilisatie van Arcadia, pp. 60-74
Geen buiten meer
De democratische ‘eis tot toegankelijkheid en consumeerbaarheid’ heeft het engagement van de kunstenaar ondermijnd. Hertmans stelt in dit essay uit 2006 tegelijk vast dat de roep om engagement in de kunsten steeds luider klinkt.
Maar wat betekent ‘engagement’? Het begrip wordt in elk geval te ‘on-overdacht’ gebruikt. Het gaat hier niet over de burgerzin en de vanzelfsprekende inzet voor de gemeenschap van elke ‘rechtgeaarde humanist’ dat zich uit in straathoekwerk en regelmatig storten voor het goede doel. (Waarna men eventueel zijn handen in onschuld wast en er weer voor een tijdje van af is.) Het gaat hier over geëngageerde kunst. Maar wat is kunst? Is kunst een verzameling technieken of gaat het om het vermogen om concepten vorm te geven?
De veralgemeende participatiegedachte stelt dat kunst moet voor iedereen (gemakkelijk) toegankelijk moet zijn. Maar geëngageerde, dat is: kritische kunst is moeilijk, doet pijn, is er nu net niet voor iedereen. Of nog onpopulairder geformuleerd: geëngageerde kunst is kunst die een extern standpunt inneemt en dus niet anders dan elitair en – godbetert! – intellectualistisch kan zijn!
Maar dat ligt dus niet goed in de markt. ‘[D]eze afkeer van het reflexieve aspect van de kunst verbergt een totalitair verlangen om haar te domineren en te beheersen.’ Belangrijk om een en ander te begrijpen en te duiden, is de vaststelling dat zich vanaf 1960 een verschuiving heeft voorgedaan in de esthetica: de esthetische waarde wordt niet langer toegekend aan de intrinsieke kwaliteiten van het kunstobject; het gaat nu veel meer om de receptie ervan. Waar de objectieve esthetica er onvermijdelijk een was van een happy few van ingewijden en competenten, moet nu iedereen zijn zeg kunnen doen. Een filosoof als Bourdieu heeft deze democratisering nog versneld door elk elitarisme verdacht te maken: volgens hem ging het de elites bij het naar zich toe halen van de esthetische normering om ‘het vergaren van cultureel symbolisch kapitaal’. De kunstenaars konden zich daarom maar beter bezighouden met hun ‘sociale opdracht’. De link tussen de goedbedoelde participatiebetutteling, die de huidige decreten doordesemt, en de Sovjetdictaten over hoe kunst eruit moest zien of moest klinken, ligt voor de hand. Experimenteren mag nog, maar dan enkel voor zover het spectaculair is en niet té ernstig of moeilijk.
De notie ‘engagement’ is door de verschuiving van een objectieve naar een subjectieve kunstreceptie ingewisseld voor de notie ‘representativiteit’. Het ‘engagement’ wordt nu door iedereen van de kunst verwacht en is daardoor geïnternaliseerd, ‘politiek correct’ en onschadelijk gemaakt; wat zich buiten de (meestal gesubsidieerde) mainstream bevindt, wordt gehekeld als moeilijk, ongemakkelijk, blasé. Het meest verontrustende is nog dat er ‘een eigenaardig soort consensus’ is gestaan tussen het gerecupereerde links (kritisch, geëngageerd…) en de ‘globalistische, kapitalistische en dus “rechts” georiënteerde markt van consumentisme’: kunst mag ‘glad, herkenbaar, sloganesk, een beetje hip, een beetje riskant of pikant’ zijn, maar moet altijd entertainen en makkelijk consumeerbaar zijn.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat kunst, échte kunst, die altijd avant-gardistisch is, extern en extreem, haar slagkracht is kwijtgespeeld. En meteen ook haar aanzien. Een recalcitrante kunstclown kan hoogstens nog wat schouderophalen opwekken bij de goegemeente die het gewoon is geworden zich te pletter te amuseren. Het mercantiele cynisme van de kunstenaars zelf – vaak ingegeven door noodzaak – heeft natuurlijk ook deze hele ontwikkeling versneld.
‘We zijn dus zover gekomen dat de algemeen democratische invulling van kunst vervallen is tot een muilkorven van de werkelijke kritische kracht van kunst […] Wie roept dat hij non-conformist is, heeft tegenwoordig dollartekens in de ogen.’ In een totalitaire samenleving is inderdaad geen non-conformisme meer mogelijk. Vandaar dat Plato de kunstenaars uit zijn ideale staat bande. De institutionalisering van het subsidiëren als kunst-ondersteunende of -faciliterende praktijk heeft deze neutralisering van de geëngageerde kunst mede in de hand gewerkt.
Tot daar Hertmans. Het essay roept bij mij enkele vragen op. Waar situeert het zichzelf? Is er nog een externe, wérkelijk geëngageerde essayistiek mogelijk? Wat is de positie van de intellectueel? Hoe zit het met de relatie tussen intellectueel en kunstenaar? Hoe moet de intellectueel/kunstenaar zich handhaven in een dergelijke totalitaire samenleving? Mag een kunstenaar überhaupt subsidies aanvaarden? Is kritiek nog mogelijk? Zo ja, hoe? En wat te zeggen? En misschien nog vooral: tot wie, nu iedereen verzuipt in het teveel en het te vaak? Ik weet dat het geen nieuwe vragen zijn, maar ze raken een belangrijke, essentiële kern.
schrikkel 285a / de dingen 80
Dit is de machine waarop ik – mezelf – heb leren typen. Ik
martel nog altijd bijzonder luidruchtig het toetsenbord (zeggen mijn collega’s):
dat heeft te maken met de weerstand die ik hier moest overwinnen. (En ik schoot
met mijn toen nog dunnere vingers vaak tussen de toetsen door!) De machine
behoorde mijn vader toe. Ik veronderstel dat hij hem nog gebruikt heeft voor
zijn sportverslagjes voor La Libre Belgique. (Hij deed de thuismatchen van Patro
Eisden, maar ook schaaktornooien.) De toetsen – met hun onverslijtbare witte lettertekens
– zijn van bakeliet, de kast is van kakikleurig gespoten gietijzer. Ik erfde
het ding, leerde er dus op typen en schreef er mijn eerste eigen teksten mee.
Toen kwam er een elektronische Olivetti en nog later een hele stoet computers. Ze
zijn intussen allemaal – op één na, deze waarop ik nu werk – naar het stort
gebracht. Maar deze oude typemachine, mijn vaders typemachine, heb ik altijd
bewaard. Ik dacht aanvankelijk: voor mijn oudste zoon, maar die illusie heb ik
intussen ook al opgeborgen. Ondertussen ben ik niet zo’n goede bewaarder
gebleken: het toestel heeft waterschade opgelopen. Ik heb het nu nog eens
bovengehaald en heb er een regel mee geschreven om het oude gevoel in mijn
vingers te herkennen. Maar het inktlint is uitgedroogd en vind nog maar eens zo’n
lint! Ik besef dat dit apparaat nooit meer zal dienen. Moet ik het nog langer bewaren?
Ik denk het niet.
los ingeslagen 31
25 september 2012
twee opmerkingen
vooraf:
-
voor veel
van wat ik een maand geleden schreef (zie hieronder), heb ik inmiddels
bevestiging gevonden in Paul Verhaeghes Identiteit;
-
maar ook
S. heeft gelijk: ‘let op, je hebt wel met “menselijke materie” te maken, in
sommige gevallen is het wel écht erg en dan moet je je niet verschansen achter
je theorietjes van pathologisering en het te gemakkelijk ontvluchten van verantwoordelijkheid'
Wat is er in godsnaam aan de hand? Met de jongeren in het
algemeen – of toch met dat deel van de jongeren dat in de problemen geraakt.
Zijn het er meer dan vroeger, ‘in mijn tijd’? Ik weet het niet. Had toen niet
elke puber een moeilijke tijd? Ik spreek voor mezelf: ik ben vast en zeker door
een periode gegaan dat ik aan symptomen leed die nu onmiddellijk als
‘depressie’ zouden worden omschreven. Ik zie die jongere versie van mezelf:
midden op de dag liggend op bed, zonder fut, zonder ambitie, doodongelukkig,
doodeenzaam, denkend aan de dood ook. Hoe lang het heeft geduurd? Ik weet het
niet. Ik herinner me een gemankeerde examenperiode. Ik herinner me dat ik een
bepaald soort pilletjes moest slikken (fosfor?). En het ging voorbij. Het werd
niet gepsychologiseerd, het werd niet benoemd. Ik kon mij niet achter een label
verschansen. Mijn ouders dachten er niet aan mij van mijn verantwoordelijkheden
te ontslaan, hoe erg ik er ook aan toe was. Ik heb nu zelfs de indruk dat zij
het nooit hebben beseft dat ik er erg aan toe was, of aan toe dacht te zijn.
Want: wás het wel erg? Was het niet veeleer: normaal? Doodnormaal? De puberteit
is nu eenmaal een vreselijke levensfase. Wat komt er niet allemaal op je af.
Een normaal mens verwerkt zoiets niet op één-twee-drie. Maar dat is het nu
juist: ook pubers zijn normale mensen. Je moet hen de kans geven het uit te
zieken. En dat uitzieken gaat vrij snel. Nu wordt dat genezingsproces, zo krijg
ik de indruk, vaak alleen maar vertraagd door de benoeming, de stigmatisering,
het gepsychologiseer.
Dat is mijn diepe overtuiging als ik rond mij kijk. Die kinderen
wéten te veel, ze worden veel te vlug en onachtzaam uit hun onwetendheid
getild. Ze worden te vroeg geconfronteerd met beelden en ziektebeelden die ze
niet aankunnen. En dan vallen ze terug in lethargie en écht uitgesproken vormen
van depressie. Kerven, drugs, anorexia, autisme… – al die zaken die vroeger
niet eens bestonden omdat we er geen naam voor hadden. Natuurlijk bestond het
wel. Maar de zieke moest zelf zijn weerstand opbouwen door zich te wapenen
tegen alles wat hem de vrije doorgang belemmerde. En die weerstand maakte
sterk, zo sterk dat velen uit zichzelf hun ziekte overwonnen. Soms, wat zeg ik,
altijd mét schade. Maar nooit met
zoveel schade als nu wordt toegebracht door een te grote toegeeflijkheid, die
vaak niets anders dan veronachtzaming is.
een opmerking achteraf: mijn ouders waren misschien niet representatief
een opmerking achteraf: mijn ouders waren misschien niet representatief
schrikkel 284
Luw en mededogend
Voorwaarts sloft hij, zijn bestemming tegemoet.
Pardessus en aktentas wijzen nog op plan of doel.
Jaren en zorgen buigen zijn hoofd, moe en bedrukt
een hoed er stevig bovenop gedrukt. Tegen
het zonlicht in valt hij nog net buiten de schaduw
die hem straks zal opnemen: luw en mededogend.
facebookbericht 332
De driestheid, de weldoordachte strategie en het
verongelijkte monkellachje verontrusten me. Maar het treurige is dat BDW oogst
wat hij (bewust?) zaait: polarisering. Termen als 'fascisme' en dergelijke zijn
onproductief en komen hem goed uit. Het programma van N-VA is economisch, onder
de dekmantel van nationalisme. De welmenende linkse goegemeente, waartoe ik
mezelf reken, moet niet in zijn met retorische bravoure opgezette valstrik
trappen (het schofferen van Walen en socialisten etcetera) en in plaats daarvan
constructief aan de weg timmeren en alternatieven opzetten waar ook de
onderlaag van de samenleving wel bij vaart. (En als het ook nog even kan het
milieu.)
zondag 28 oktober 2012
schrikkel 283
Een huis leegmaken is geen prettige bezigheid. Zeker niet
als het je ouderlijke huis is. (Dat heb ik van horen vertellen.) Van sommige
voorwerpen weet je dat het de laatste keer is dat je ze te zien krijgt. Dan
helpt fotografie (een beetje). De ovaal is een moeilijk in te vullen vlak. Toch
is deze compositie perfect. Een heidelandschap met eiken (?) en een verre
bomenrij, liefdevol ingelijst. Art deco – kunstvol decoratief. Maar nu toch
ook: met weemoed beladen.
schrikkel 282
Er is een tijd geweest dat auto’s vinnen hadden en
halfverzonken achterwielen en een dak in een ander kleur dan de rest van de
carrosserie en gechromeerde wieldoppen en voldoende plaats om te parkeren.
los ingeslagen 30
24 september 2012
We zijn het ondertussen gewoon dat de VRT het Journaal gebruikt om eigen programma’s te promoten. Vandaag was het niet anders dan gewoonlijk: naast de gewone items (een flinke streep gerechtelijk nieuws, een truckersstaking die niet tot de voorspelde files had geleid en twintig seconden buitenlands nieuws) werden zoals steeds op maandagavond zowel Terzake als het voetbalpraatprogramma Extra Time aangekondigd. Maar dit keer was er nog iets extra: de eerste aflevering van het nieuwe verkiezingsprogramma ‘Niet tevreden stem terug’.
We zijn het ondertussen gewoon dat de VRT het Journaal gebruikt om eigen programma’s te promoten. Vandaag was het niet anders dan gewoonlijk: naast de gewone items (een flinke streep gerechtelijk nieuws, een truckersstaking die niet tot de voorspelde files had geleid en twintig seconden buitenlands nieuws) werden zoals steeds op maandagavond zowel Terzake als het voetbalpraatprogramma Extra Time aangekondigd. Maar dit keer was er nog iets extra: de eerste aflevering van het nieuwe verkiezingsprogramma ‘Niet tevreden stem terug’.
Welke zieke mens heeft er de trailer in elkaar gestoken voor
‘Niet tevreden stem terug’? En welke al even zieke mens heeft zijn fiat gegeven
om deze trailer tot in het Journaal door te laten? Want wat kregen we te zien?
Een van beide presentatoren, Kobe Ilsen, die op een podium voor een op een of
ander Vlaams plein samengestroomde menigte een spelletje ‘Hoger Lager’
ensceneert rond de lonen van burgemeesters. Kan het populistischer? De lonen
van alle burgemeesters liggen bij wet vast, je kunt op het internet vinden
hoeveel elke burgervader verdient, van het kleinste gat tot de grootste
metropool in dit apenland. Moet je daar echt een spelletje rond opzetten, met
de ondertoon van ‘hoe schandalig dat die lui zoveel verdienen’, en dat nota
bene in een als duidingsprogramma voorgestelde verkiezingspraatbarak?
Ik schrijf hierover iets voor Facebook. ‘Ik ga niet naar dat
programma kijken, ik lees vanavond wel een boek.’ Zoiets. En dan realiseer ik
me opeens dat wellicht velen deze houding als elitair of, godbetert,
intellectualistisch zullen kapittelen. Het zij dan maar zo.
wolken 494-498
wolkencitaten
uit: Georges Perec, Een man die slaapt
494
Hoe de bomen heten weet je niet, hoe de bloemen, de
planten, de wolken heten evenmin. (29)
495
Je zult je weg vervolgen, kijken naar de bomen, het
water, de stenen, de lucht, je gezicht, de wolken, de plafonds, de
leegte. (33)
496
Het water omringt je aan alle kanten, de zwarte,
onbeweeglijke, ongewoon vlakke zee, die niet eens fosforesceert, en toch heb je
de indruk dat je elk detail zou kunnen ontdekken, het geringste wolkje
als er een hemel was, de kleinste landtong als er een horizon was. (56)
497
Je hoort zonder ooit te luisteren, ziet zonder ooit te
kijken: de scheuren van het plafond, de stroken van het parket, het patroon van
de tegels, de rimpels rond je ogen, de bomen, het water, de stenen, de
voorbijrijdende auto’s, de wolken die in de hemel vormen van wolken
aannemen. (64)
498
Bomen, stenen, water, wolken, zand, baksteen,
licht, wind, regen: het enige wat telt is je eenzaamheid: wat je ook doet, waar
je ook gaat, alles wat je ziet is onbelangrijk, alles wat je doet is
tevergeefs, alles wat je zoekt is onecht. (78)
zaterdag 27 oktober 2012
los ingeslagen 29
23 september 2012
Gisteren maakte op de radio een reclamemaker zijn beklag dat
Vier de reclame ‘te cynisch’ brengt. Het is de bedoeling dat reclame onderhuids
blijft, dat de consument haar onbewust te verwerken krijgt. Er met ironie en
grapjes – ‘Hoera, reclame!’, waarbij in dat hoera
natuurlijk ook de connotatie van zich prostitueren meezindert – op een
averechtse manier de aandacht op vestigen – zo
van: jullie weten allemaal dat reclame een noodzakelijk kwaad is voor een
commerciële zender, slik nu maar even die bittere pil door –, dat kan dus
niet volgens die reclameman. En in zijn opmerking klinkt al het ultimatum door
aan het adres van Vier: jullie zullen het anders moeten aanpakken of jullie
zullen eens zien wie er werkelijk de touwtjes in handen houdt. Hij zegt het
zelfs letterlijk: ‘Dat zullen ze toch eens moeten herbekijken!’
Het is duidelijk: Woestijnvis botst hier op de grenzen van
het studentikoze, nu wordt het serieus. Ironie slaat, in deze door
salesmanagers en adverteerders geregeerde wereld, om in cynisme. Die
commerciële wereld houdt niet van meerduidigheid. De humor en fratsen die hij
in zijn boodschappen gedoogt – reclame- en andere boodschappen, maar het
onderscheid is steeds moeilijker te maken – moet duidelijk zijn en vrij van
alle subversiviteit. Woestijnvis zal zich hiernaar moeten schikken – en zal,
zoals alle vissen in de woestijn, naar adem moeten happen. De fata morgana is
voorbij.
vrijdag 26 oktober 2012
driekleur 110
Het was een gebouw van rode baksteen, tussen twee gebouwen
van gele baksteen. Noch de een noch de ander heeft ooit meer over de jongeman
gesproken, op hun divan van zwarte skai.
Pascal Lainé, De
kantwerkster, 109
donderdag 25 oktober 2012
schrikkel 281b
In Roksem, vlakbij Roksemput, stopte enige tijd geleden de
zaak van schrijnwerker X. In het atelier achterin werden de laatste tafelpoten
gedraaid, deurstijlprofielen uitgeschaafd en trappen gemonteerd. In de etalage
van de winkel aan de straatkant stonden vroeger bedden en kasten, maar nu kun
je er de producten van X’s liefhebberij bewonderen. Een neokoloniaal
geïnspireerd hobbyisme vermengd met seksueel getinte exuberantie: Kongolese –
of congoliserende – totems in Roksem... Aartslelijk en, zo bleek uit de
afprijzingen, onverkoopbaar (en nog altijd niet goedkoop, tenzij je de werkuren
rekent). Bizar.
schrikkel 281a
We passeerden op ons fietstochtje langs de Put van Roksem.
De plaatselijke vogelaarsvereniging hield er opendeurdag en dus gingen we een
kijkje nemen. Nu ja, een kijkje: de
ornithologen hadden het grof geschut opgesteld waarmee ze menig zich van geen
kwaad of bekekenheid bewuste smient of tafeleend in de gaten hielden. In een
tentje stonden op plooitafels enkele bokalen met invasieve exoten op sterk
water tentoongesteld: een immense brulkikkerdikkop, een schildpadjonkie, een
bepaalde aal. Een praatje met de enthousiaste voorzitter – die tevens als
uitbater van een optiekzaak kijkers probeerde te slijten – leerde ons dat het
zeker niet slecht ging met het vogelbestand en met de diversiteit boven, op en
in de Put (die in de jaren zeventig is ontstaan door zandwinning voor de nabije
E40 (waarvan het gedruis voortdurend te horen was)), en dat het voornaamste
probleem tegenwoordig vandalisme is. Pardon? Ja, vandalisme. Jongelui uit de
buurt die de vier houten uitkijktorens bekladden en in de fik steken.
mijn woordenboek 357
ARBEIDSVREUGDE
Wat is er allemaal nodig om te kunnen spreken
van arbeidsvreugde? Inhoudelijke zinvolheid, maatschappelijke relevantie en
ethisch gehalte van het afgeleverde product, de mogelijkheid om iets te doen
wat aansluit bij de eigen talenten en deze zo mogelijk nog verder ontwikkelt,
aangename werkomstandigheden, verenigbaarheid met andere activiteiten,
behoorlijk loon naar werken en prima arbeidsvoorwaarden, werkzekerheid, goede
en solidaire collega’s, volwassen relaties met boven- en ondergeschikten, een
bevrediging die gepaard gaat met het maken
van iets en met de mogelijkheid een afgewerkt product te koesteren, het
uitoefenen van een ambachtelijke vaardigheid en het overleveren en perfectioneren van ambachtelijke
technieken, respectvolle omgang met machines en materialen. Dat, en wellicht
nog een aantal andere zaken, is allemaal relevant als het er om gaat na te gaan
of wij vreugde beleven aan het verkopen van onze tijd ten einde onze dagelijkse
bete broods op de plank te verwerven. Maar een iets wordt zeer vaak onvermeld
gelaten – en het is nochtans een kwaliteit die bij werk nooit mag ontbreken: de
mogelijkheid die de arbeid, bij voorkeur repetitieve, ‘domme’ arbeid, ons biedt
om ons over te leveren aan de luxe niet te moeten nadenken.
woensdag 24 oktober 2012
schrikkel 280 / campagne 25
Op busronde met een paar medekandidaten. Het laatste weekend
voor de verkiezingen. Gefocust op bussen, busgleuven, busopschriften. Sint-Pieters,
als ik zie welke affiches aan de ruiten hangen, betwijfel ik of we hier veel
kiezers zullen kunnen overtuigen. Zijn het die twijfels die me in een enigszins
morbide stemming brengen en mij het opschrift op deze brievenbus doen mislezen?
De haag, hoewel onlangs gesnoeid, is tot voor de bus gegroeid en het is dan ook
logisch dat ik spontaan denk (of waarneem, op een infrabewust niveau) dat dan
ook wel een deel van het opschrift door die haag aan het zicht zal onttrokken
zijn. Niet dus. Op het nummer 58/2 is niet de ‘lijkdienst’ ondergebracht. Maar
het was toch even schrikken.
reactie
Het is te gek. Ik houd van Brugge als een van die mooiste
steden van de wereld. Maar ik ken niet zo veel van de wereld. Ik was alleen in
Europa, in Nederland, Belgie, Frankrijk, Spanje, Italie, Zwitserland,
Oostenrijk, Kroatie, Denemarken. Voor mei staat Brugge in een rij met andere
mooie steden zo als Venetie, Trier, Rouen, Zaragoza, Maastricht – hoewel die
niet vergelijkbaar zijn. Ik beleef iedere dag met spanning nieuwe zaken in mijn
eigen buurt. Zo als in Bonn, Köln, langs de Rijn, in de wijnbergen langs de
Ahr, in de heuvelen van het Siebengebirge of in de Eifel. In Brugge was ik het
laatste keer in 2005. De perspektief van details, het beleven van de kleine
dingen, dat heb ik iedere dag voor mijn eigen deur. Een minuscuul stukje van
Brugge.
D.W.
dinsdag 23 oktober 2012
facebookbericht 331
Benteke voor de rechter wegens mogelijke betrokkenheid bij een homejacking, Legear die stomdronken met zijn dure sportwagen de winkel van een tankstation binnenrijdt, Bodart die de kas van de watervallen van Coo licht, je ziet om de haverklap de coryfeeën van het vaderlands voetbal voor de rechter verschijnen. Vergis ik mij als ik de indruk heb dat de criminaliteitsgraad in die beroepscategorie hoger ligt dan in gelijk welke andere? Zou het kunnen dat deze vetbetaalde vedetten – je ziet ze op de parking van het stadion aankomen in hun dure Duitse limousines en zich vervolgens met een trendy koptelefoon naar de spelersbus slepen – met al die gore bobo’s en managers en bestuurders die er niet voor terugdeinzen om tientallen miljoenen te versassen een slecht voorbeeld voor ogen hebben? ’t Zijn maar vragen hoor, van iemand die het nooit voor mogelijk zou hebben geacht dat een Fons Bastijns of een Raoul Lambert of een Jan Ceulemans ooit een vlieg kwaad zouden hebben gedaan.
reactie
waarom, bij schrikkel 279, is het woord schoon afwezig?
Wellicht omdat het geen correct Nederlands is. Toch voelt het een beetje
onwennig aan, schoon lijkt bij Brugge te horen als sigaretten bij een café.
Hoewel, aan die laatste combinatie ben ik al helemaal ontwend. Is het, oei, een
té Vlaams (oei, Vlaams met hoofdletter!) woord? Misschien moeten we maar alvast
proberen te wennen aan het gebruik van het Engelse woord, als we vooruitziend
willen zijn.
beste groet, K.
facebookbericht 330
Ik weet niet wat ik hierbij moet denken. 't Is platte en
waarschijnlijk gemakkelijk te weerleggen retoriek, maar het slaat toch ook
spijkers met koppen. En het is bijzonder goed gemaakt. Benieuwd wat jullie
ervan vinden, hoe het overkomt. Kent overigens iemand die Tyl Uylenspiegel
Productions? Vreemde naam toch voor de maker(s) van een antinationalistisch
videopamflet?
Julian Barnes, Alsof het voorbij is
Geen herbeginnen aan
Ik heb Julian Barnes’ recentste roman nu voor de derde keer
gelezen, de laatste twee keer onmiddellijk na elkaar – en pas nu begin ik
werkelijk te begrijpen waar het om gaat. Je zou kunnen zeggen: een roman die je
drie keer moet lezen vooraleer hij zijn geheimen openbaart, dat is geen goede
roman. Maar in dit geval gaat dit niet op. Integendeel: deze roman gaat precies
over hoe iets, zeg maar ‘het leven’, zich pas na een tweede of derde keer ten
volle toont, en over het feit dat dat natuurlijk – helaas – met ‘het leven’
niet mogelijk is.
Een boek kun je drie keer lezen, maar leven doe je maar één keer. Je kunt je leven maar één keer
leiden.
Tony is jong. Tony maakt een fout. Tony verdringt die fout
en beseft niet wat hij ermee heeft aangericht in de levens van anderen. Hij
leidt, met een middelmatig onvermogen tot empathie, zijn eigen leven. Het is
een middelmatig leven, zoals ‘de meeste levens’: vol compromissen en
benepenheid. Op het eind van zijn middelmatige leven – de oorspronkelijke titel
van Barnes’ boek is The Sense of an
Ending – beseft hij de ware omvang van zijn veertig jaar eerder gemaakte
fout. Hij voelt: wroeging. Wroeging is spijt over iets dat niet ongedaan kan
worden gemaakt. Maar hij voelt ook: ‘een meer algemene wroeging’, over het
leven, omdat het niet kan worden overgedaan en omdat foute beslissingen niet
kunnen worden verbeterd. En hij voelt: ‘een speciaal soort wroeging’. Dat is:
‘een pijn, eindelijk teweeggebracht bij iemand die altijd had denken te weten
hoe hij het kon vermijden te worden zeer gedaan – en juist om die reden teweeggebracht’.
Romans gaan over ‘de ontwikkeling van een karakter binnen
een bepaald tijdsverloop’. De verandering die Tony ondergaat, is dat hij beseft
dat hij door zijn gebrek aan empathie fouten heeft gemaakt, maar ook dat zijn
leven middelmatig is geweest en hopeloos op zijn einde loopt. Hij heeft één
grote particuliere fout gemaakt, maar ook één grote algemene fout: hij heeft
pijn vermeden, hij is de grote uitdagingen niet aangegaan, hij heeft gekozen
voor een risicoloos en onavontuurlijk bestaan – en daardoor is hét leven, in al
zijn grootsheid en veelzijdigheid, grotendeels aan hem voorbijgegaan. En nu
staat hij daar: mislukt huwelijk, een dochter die hij nauwelijks te zien
krijgt, de schande van een vreselijke fout veertig jaar geleden begaan, toenemende
kaalhoofdigheid en nog maar enkele jaren te gaan.
De rust waarnaar hij altijd heeft gestreefd, is definitief
veranderd in onrust.
Het gegeven dat de tijd meedogenloos in één richting
stroomt, van begin naar eind, staat in deze meesterlijke en schijnbaar
eenvoudige maar in werkelijkheid bijzonder complexe roman centraal. Als je jong
bent, leef je in het uitstel: het ware leven moet nog beginnen. Maar pas veel
later merk je dat je toen niet beschikte over het vermogen om vooruit te
blikken op de manier waarop je in je latere leven zou terugblikken. Pas veel later ook merk je dat
die jonge jaren cruciaal waren: dat je in je adolescentie het grootste
absorptievermogen had, en dat je als jongvolwassene het best opgewassen was
tegen de listen van de al aan je huid en haar knagende tijd. Maar dan is het te
laat. Wie niet goed, wie slechts middelmatig heeft geleefd, moet zich behelpen
met een paar herinneringen. Hij merkt dat de grote emoties en brede gebaren het
voorrecht zijn gebleven van literaire personages.
Over de werking van het geheugen – of beter gezegd het niet
of het slecht werken ervan – gaat Alsof
het voorbij is ook. Barnes valt met de deur in huis: ‘Ik herinner mij, in
een willekeurige volgorde:’ – waarop hij zes disparate waarnemingen opsomt,
indrukken die later in het verhaal zullen opduiken. Je herinnert je niet meer
dan enkele flarden: ‘de glimmende binnenkant van een pols’; ‘stoom die opstijgt
uit een natte gootsteen’; ‘badwater, allang afgekoeld achter een gesloten
deur’. Losse beelden die, uit hun context (het levensverhaal) gerukt, niets
betekenen.
Wie het geheel wil reconstrueren, heeft verbeeldingskracht
nodig. (Of kan gewoon het boek een tweede, of derde keer lezen – want
natuurlijk heeft Barnes het niet alleen over ‘het leven’ maar ook over
‘literatuur’ en meerbepaald: zijn boek.) En wie zich in zijn levensavond –
wanneer verandering in het leven onwaarschijnlijk is geworden – iets herinnert
wat hij lang vergeten was, en merkt dat zijn huidige herinnering afwijkt van de
ervaring die hij destijds had, kan hiervan zijn verandering aflezen en een
balans opmaken. Daar kan de middelmatige misschien nog zijn middelmaat
overstijgen: de meesten slagen er zelfs niet in die balans op te maken. In die
zin is Alsof het voorbij is toch nog
een optimistisch boek.
los ingeslagen 28
21 september 2012
De psychiater – of de psycholoog, ik raak nooit wijs uit het verschil; ik weet enkel dat je de gemaakte kosten bij de ene terugkrijgt van de ziekenkas en bij de andere niet – had haar gezegd dat ze meer moest rusten en zich goed moest laten omringen en verwennen. Daar was ze natuurlijk uit zichzelf ook wel kunnen opkomen en daardoor was ze enigszins verbolgen geraakt. Toen bleek dat het tarief in vergelijking met de vorige keer was opgeslagen, van 40 naar 42 euro, betaalde ze hem die laatste 2 euro uit met stukken van 20, 10 en 5 eurocent – ook al lag er in haar portemonnee ostentatief een stuk van 2 euro te blinken. ‘Maar geef mij dan toch dat stuk’: de psych was niet op zijn mond gevallen. ‘Neen’, zei ze. ‘Ik betaal u uit zoals ik dat wil. Het is ook geld.’
De psychiater – of de psycholoog, ik raak nooit wijs uit het verschil; ik weet enkel dat je de gemaakte kosten bij de ene terugkrijgt van de ziekenkas en bij de andere niet – had haar gezegd dat ze meer moest rusten en zich goed moest laten omringen en verwennen. Daar was ze natuurlijk uit zichzelf ook wel kunnen opkomen en daardoor was ze enigszins verbolgen geraakt. Toen bleek dat het tarief in vergelijking met de vorige keer was opgeslagen, van 40 naar 42 euro, betaalde ze hem die laatste 2 euro uit met stukken van 20, 10 en 5 eurocent – ook al lag er in haar portemonnee ostentatief een stuk van 2 euro te blinken. ‘Maar geef mij dan toch dat stuk’: de psych was niet op zijn mond gevallen. ‘Neen’, zei ze. ‘Ik betaal u uit zoals ik dat wil. Het is ook geld.’
schrikkel 279
Brugge is een mooie stad. Een bepaald soort mooiheid, niet
zoals Manhattan of Lissabon of Parijs of Stockholm of Maastricht, die elk hun
eigen mooiheid in zich hebben en uitdragen, maar toch: mooi. Voor mij is het van
bij mij thuis tien minuutjes te voet naar die toren daar, en dan is het soms
vreemd te beseffen dat jaarlijks vele tienduizenden er vele uren reizen voor
over hebben om op dezelfde plek te staan. Want dat heb je dan, met wonen in een
mooie stad: je ziet het niet altijd, of je ziet het dan toch op een andere
manier. Soms denk ik: ‘Ik wou dat ik Brugge kon zien met de ogen van een
toerist’. Zoals ik zelf Manhattan, Lissabon en al die andere steden heb gezien.
Met onbevangen blik, met argeloze verwondering, met een ontvankelijkheid die
bevangen wordt door het nieuwe. En dan zie ik de toeristen en weet: zij zien
het niet juist, zij zien niet het ‘echte’ Brugge. Maar wat is het ‘echte’
Brugge? Ik zei het al: een bepaald soort mooiheid. Niet de mooiheid die ook
lelijke steden mooi kan maken omdat daar ook mensen wonen die met hun eigen
ogen naar hun stad kijken en weten dat de anderen ‘het’ niet zien.
facebookbericht 329
@Bart Eeckhout
Je hebt gelijk dat ridiculisering een slechte strategie is.
Het is al te gemakkelijk om te lachen met klompendansen en vendelzwaaierij.
Maar of het succes van de N-VA te wijten is aan de verstedelijking van
Vlaanderen en de verfransing van de Brusselse periferie? Ik vrees dat die
duiding niet (massa)psychologisch genoeg is.
facebookbericht 328
Op de radio komt een professor vertellen wat ‘confederalisme’
is en dat hij niet weet welke vorm van ‘confederalisme’ de N-VA voorstaat – én het
VB, voegt hij eraan toe. Dus: een derde van de Vlamingen kiest voor een ideologie
waarover zelfs onder professoren onduidelijkheid bestaat.
maandag 22 oktober 2012
schrikkel 278
Bus
Als haringen in een bedoomd bokaal
schuiven ze voorbij om kwart voor acht,
de ochtend van een midweekse dag.
Kap over kop, het is nog nacht.
Op hun weg van bed naar bank,
nog half in slaap, sloom en slaafs
in een systeem dat suddert en suft.
Te moe en lui om balorig te zijn.
Eentje veegt mouw over condens:
aan de overkant staat een mens,
fototoestel voor zich uit geheven.
Wat staat die mens zich te vergapen
aan een voorbijrijdende bus met mij
erop? Maar de vraag is, pas gesteld,
al weg. – En Eentje zoekt weer loom soelaas
op het touchscreen van zijn smartphone.
De schemering zet uit. Gedachteloos
schakelt de chauffeur van tweede
naar derde. De banden van de bus
slurpen zich een weg over nat asfalt.
Straks is er buiten meer licht dan binnen
en kan – alweer – de dag beginnen.
los ingeslagen 27
21 september 2012
Gisteren hoorde ik op het werk dat er een vacature
circuleert voor ‘halftijds (eind)redacteur’ op de Standaard der Letteren. Ik kreeg de advertentie onder ogen en kon
vaststellen dat ik de geknipte persoon ben: ruime ervaring met eindredactiewerk,
belangstelling voor literatuur en non-fictieboeken, ervaring met deadlines en met
het schrijven van interviews, reportages en recensies… Geen wonder: ik heb het
allemaal al eens eerder gedaan, en wel op diezelfde Standaard der Letteren. De hoofdredacteur die mij toen ontsloeg, maakt
nu in Nederland grote sier – het is dus niet onredelijk te denken dat ik nu wél
zou mogen blijven. Maar ik denk er niet aan. Nog afgezien van het feit dat het
goed is waar ik nu zit, lijkt het me geen goed idee op mijn stappen terug te
keren. Een nieuwe generatie is aangetreden. Bovendien, ik zou opnieuw voortdurend
boeken moeten zitten lezen die ik niet zelf gekozen heb, en we zijn bijna
twintig jaar verder inmiddels en ondertussen is het literaire klimaat helemáál
verziekt. De beleidsopties die ik toen probeerde door te drijven, waren toe al
te hoog gegrepen en zijn nu helemaal oubollig en uit de tijd: te traag, te
ernstig, te moeilijk. Nu moet je dansen naar het pijpen van de markt, informeren
bij schrijvers welke restaurants ze frequenteren en vooral geen stukken
schrijven die langer uitvallen dan vijfhonderd woorden. Neen, het zal zonder
mij zijn.
los ingeslagen 26
18 september 2012
Ik heb het eerste halfuur van de nieuwe tv-zender Vier
bekeken, het ambitieuze project van televisieproductiehuis Woestijnvis. Twee
komieken in feestkostuum stelden de zender voor. Zij deden dat op komische
wijze. Daar waren het dan ook komieken voor. De teneur was studentikoos; het
belooft weinig goeds. Dan was er het eerste programma: ‘De Kruitfabriek’. Veel
mensen die begaan zijn met de media keken ernaar uit. Het was vooraf in de
etalage gezet als een eigenzinnig actualiteitsprogramma. Ik heb het een
kwartier uitgehouden. De gêne was tenenkrullend, de schaamte plaatsvervangend.
Burgemeester Janssens van Antwerpen probeerde het nog een beetje ernstig te
houden. Gelukkig zat er in het publiek ene Joël De Ceulaer, om ervoor te zorgen
dat het gesprek toch nog ergens over ging. Tom Lenaerts struikelde over zijn
eigendunk – ‘mijnheer Janssens, er rust, net als bij mij, heel wat gewicht op
uw schouders’ – en ging voor zijn twee collega’s staan die, stervend, aan
dezelfde tafel waren neergepoot, blijkbaar met de bedoeling om ook het gesprek
te sturen maar daar kwam het dus niet van. Eentje, Gilles De Coster, deed nog
zijn best om er een woord tussen te krijgen, de andere, dat meisje dat speciaal
hiervoor was overgekomen van Studio Brussel, zag het gestuntel van haar baas
met lede ogen aan en zat zich overduidelijk af te vragen wat ze hier was komen
doen. Het discussietje met Bart De Wever (hij mocht niet ontbreken!), die
vanuit Londen via de telefoon een zeg deed, werd afgerond en zo kon het
‘actualiteitsprogramma’ overstappen naar een volgend onderdeel: een optreden
van een zangeres. Ik heb mezelf de rest bespaard. Dit kan niet, zoals vooraf
was aangekondigd, een waardige tegenhanger van Terzake zijn. Maar de politici
zullen er wel graag op af komen. Ook al moeten ze daar een rolletje spelen en
voorwenden dat ze er schik in hebben de paljas uit te hangen.
zaterdag 20 oktober 2012
facebookbericht 327
Velen hadden het over die parallellen met de jaren dertig,
onder meer ook twee vooraanstaande socialisten, Tobback en Termont. Ik vind het
alvast onthutsend dat dit niet heeft geleid tot een immense rel. Zoals ook zeer
licht wordt gegaan over de aanstelling tot schepen van 'Vlaamse zaken en
inburgering' in Aalst van een man die tot nog maar een paar maanden geleden lid
was van de VB-fractie in het Vlaams parlement en die ooit nog heeft
meegeschreven aan het 70 punten-programma: Karim Van Overmeire. Hij heeft vast
en zeker een kijk op inburgering. Vreemde tijden.
vrijdag 19 oktober 2012
facebookbericht 326
De naam van de N-VA-schepen voor Vlaamse Zaken en Inburgering in Aalst is bekend:
hij 'noemt' Karim Van Overmeire. Karim Van Overmeire verliet enkele maanden
geleden het Vlaams Belang. En nu gaat hij dus de Vlaamse belangen van de
Aalstenaren behartigen. 't Is maar dat u het weet, maar ik krijg er koud van.
schrikkel 277
‘Door een werkonderbreking van een deel van het personeel
van de NMBS-groep is het treinverkeer op het volledige net verstoord. Dank voor
uw begrip.’ Rechts kleuren de kapitalen waarin de mededeling is gesteld rood
omdat ze zijn verzeild in de kolom die is voorbehouden voor de vertragingen. De
mededeling is wat je noemt: laconiek. De tegenstelling tussen ‘deel’ en ‘volledig’
kun je gerust ironisch is – al is het maar de vroeg of dit effect beoogd is. De
uitdrukking ‘Dank voor uw begrip’ is in hoge mate geijkt want wie zegt er dat
dit begrip bij elke beleefd – ‘uw’ – aangesprokene er is? Nu goed, de NMBS staakt vandaag, er
rijden geen treinen en toch moet ik op mijn werk in Brussel zien te geraken. Dat
zal lukken omdat de werkgever een taxi stuurt, hetgeen de gemeenschap een flinke
bom duiten zal kosten.
schrikkel 276
Op mijn weg van het
station naar huis kom ik langs een van de nieuwe voetgangersbruggen aan
weerszijden van de Smedenpoort. Door de in de balustrade aangebrachte verlichting
komt de elegantie ervan nog beter tot haar recht (‘haar’ recht, schrijf ik nu
spontaan, over een gebogen lijn; zo vanzelfsprekend vind ik het dat elegantie
vrouwelijk is). Ik weet dat velen het een crime
vinden, de zoveelste kaakslag voor het zogenaamd middeleeuwse karakter van
Brugge, maar ik zeg: door het contrast met het eigentijdse komt de eigen
kwaliteit, in casu de bejaarde schoonheid
van de stadspoort, beter tot haar recht
of – om de herhaling te vermijden maar in dit geval was zij vergeeflijk – tot uiting.
facebookbericht 325
(als reactie op De
Morgen-journalist Bart Eeckhout, die reclame maakt voor een reeks over de
voorbije 9 maanden Bart De Wever, die vanaf morgen in De Morgen loopt)
Bart Eeckhout: lees de reeks, pascal, maak dan je keuze - met De Morgen
Ga ik niet doen, Bart. Op basis van de bàkken N-VA die ik de afgelopen maanden al over me heen heb uitgestort gekregen, is mijn keuze al lang gemaakt. Ik twijfel er overigens niet aan dat jullie reeks journalistiek dik in orde zal zijn en ik mag hopen dat jullie behoorlijk kritisch uit de hoek komen, dat zou een 'kritische' krant niet misstaan. Wat ik aankaart – alweer die kaarten – geldt enkel het mercantiele opportunisme waarmee het onderwerp is gekozen.
Nu beginnen jullie al te recapituleren. Hebben de media niet
al genoeg hun duit in de N-VA-zak gedaan?
Nu ja, ik begrijp dat de motivatie louter mercantiel is. Het
gaat niet om duiten in andermans zak steken, het gaat om duiten uit onze zakken
te kloppen. De politiek als economische 'troef' – om in de
speelkaartenmetaforiek te blijven...Bart Eeckhout: lees de reeks, pascal, maak dan je keuze - met De Morgen
Ga ik niet doen, Bart. Op basis van de bàkken N-VA die ik de afgelopen maanden al over me heen heb uitgestort gekregen, is mijn keuze al lang gemaakt. Ik twijfel er overigens niet aan dat jullie reeks journalistiek dik in orde zal zijn en ik mag hopen dat jullie behoorlijk kritisch uit de hoek komen, dat zou een 'kritische' krant niet misstaan. Wat ik aankaart – alweer die kaarten – geldt enkel het mercantiele opportunisme waarmee het onderwerp is gekozen.
wolken 476-493
wolkencitaten
uit: Lev Tolstoj, Anna Karenina
476
En inderdaad, zodra hij die woorden had uitgesproken,
verloor haar gezicht plotseling zijn mildheid alsof de zon achter de wolken
verdween. (40)
477
De schuimende, troebele rivieren versnelden hun
beweging en op de zondag na Pasen trok tegen de avond de mist op, de donkere wolken
dreven als schapewolkjes uiteen, de lucht werd helder en het echte
voorjaar deed zijn intrede. (176)
478
Hij stond, luisterde en keek afwisselend naar de natte
bemoste aarde, naar de gespannen Laska, naar de zee van kale boomkruinen onder
aan de berghelling voor hem en naar de vale hemel waar witte wolkenstrepen
overheen trokken. (188)
479
Hij had nog maar een paar stappen gereden of de lucht
betrok door een donkere wolk die al sinds de ochtend met regen had
gedreigd en er viel een stortbui op hem neer. (210)
480
De regenbui duurde niet lang en toen Vronski in volle
draf aan kwam rijden, waarbij het middelste paard de reeds met losse teugels
door de modder dravende buitenste paarden met zich meetrok, keek de zon alweer
van achter de wolken, lag er een natte glans over de daken van de
buitenhuizen en de oude linden van de parken aan weerszijden van de hoofdweg,
druppelde het water vrolijk van de takken en stroomde het nog van de daken. (211)
481
Er dreef een lage, donkere wolk over waar dikke
regendruppels uit vielen. (288)
482
Wat mooi! dacht hij terwijl hij naar de witte schapewolken
keek die als een vreemde, paarlemoeren schelp boven zijn hoofd midden aan de
hemel waren ontstaan. (317)
483
Een vlak tapijt van steeds kleiner en kleiner worden schapewolkjes
bedekte nu de helft van de hemel. (319)
484
Na de onweersbuien van de laatste dagen was het koel
en wolkeloos. (333)
485
Toen Levin zijn geweer geladen had en verder ging, was
de zon al op hoewel ze achter de wolken nog onzichtbaar was. (674)
486
En in ons allen, samen met de espen, en met de wolken,
en met de mistflarden, voltrekt zich een evolutie. (901)
487
Liggend op zijn rug keek hij nu naar de hoge, wolkeloze
hemel. (905)
488
‘Kijk, Darja Aleksandrovna, we krijgen regen,’ voegde
hij eraan toe terwijl hij met zijn parasol naar de witte wolkjes wees die zich boven de toppen van de espen vertoonden. (908)
489
Levin zweeg en wees zijn gasten erop dat er zich
onweerswolken verzamelden en dat het beter was om voor de regen naar
huis te gaan. (917)
490
Maar de onweerswolk die nu
eens wit en dan weer zwart was, kwam zo snel naderbij dat ze er nog een stapje
bij moesten doen om voor de regen thuis te kunnen zijn. De wolken ervoor
waren laag en zwart als met roet beladen rook en joegen met een ongewone
snelheid langs de lucht. (917)
491
In dit korte tijdsverloop was de onweerswolk al
zo ver voor de zon getrokken dat het donker was als bij een zonsverduistering. (918)
492
Na de regen was het te nat om te gaan wandelen;
bovendien weken de onweerswolken niet van de horizon en doemden ze zwart
en rommelend nu eens hier en dan weer daar langs de randen van de hemel op. (920)
493
Het was al helemaal donker geworden en in het zuiden,
waarheen hij keek, waren geen wolken. De wolken hingen in de
tegenovergestelde richting. (923)
facebookbericht 324
Er komt, onder N-VA-bewind, een schepen van Vlaamse zaken en
inburgering in Aalst. Verneem ik zonet op de radio. Pardon, is dat geen
provocatie? Hoe heet die schepen? 'Het noemt "schepen van Vlaamse zaken en
inburgering",' zegt de burgemeester. 'Dat is belangrijk om de verfransing
van Aalst tegen te gaan.' Het 'noemt'. Tja.
donderdag 18 oktober 2012
schrikkel 275
De Torhoutse Steenweg op Sint-Andries. Tegenover dit pand,
café De Klokke, lag vroeger het gelijknamige voetbalstadion van Club Brugge.
Het is allang afgebroken, er is nu een volstrekt anonieme verkaveling
aangelegd. Er wonen ongetwijfeld mensen zonder benul.
Café De Klokke, nog niet zolang geleden definitief gesloten
zoals zovele cafés, werd gedurende enkele decennia uitgebaat door Fernand
Boone. Zo staat het nog op de ruit geschreven in handgeschilderde letters: ‘Bij
Fernand Boone’. Ik herinner mij Fernand Boone: een grote man in het zwart, wollen
pullover met een romeins cijfer ‘I’ op de rug, een pet op het hoofd, grijpgrage
handen die tot de winkelhaken van zijn doel reikten. (Al weet ik nu vrijwel
zeker dat ik deze herinnering opbouw uit foto’s en filmbeelden, eventueel zelfs
van andere keepers.)
Ik ben nooit in het café geweest (al heb ik het mij vaak
voorgenomen) en heb daar nu spijt van (maar waarom?). In het voetbalstadion De
Klokke ben ik wél nog geweest. Dat moeten de laatste jaren zijn geweest, vlak
voor de bouw van het Olympiastadion (dat nu ook al, volgens sommigen toch, op
zijn laatste benen loopt). Ik herinner mij zeer levendig het op elkaar gepakt
staan in de Spionkop, de reclameboodschappen door de luidsprekers en op de –
jawel – handgeschilderde panelen langs het veld. ‘Reizen De Zwaluwen’, ‘Salami
Imperial’. De allereerste keer dat ik naar een match op De Klokke ging, was met
mijn zes jaar oudere broer. Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest, ik
herinner me dat we helemaal beneden aan de cornervlag stonden en dat er vanuit
dat lage standpunt maar heel weinig, te weinig eigenlijk, overzicht was op wat
er zich op het veld afspeelde. Zeker voor iemand die nog niet zijn volledige
lengte had bereikt. Club Brugge speelde tegen Berchem: 2-2. En de volgende twee
keren dat ik ging, dat herinner ik me ook nog, werd het vreemd genoeg ook 2-2.
Een van die twee keren was tegen RWDM.
Maar dat is allemaal lang geleden, als ik de krakkemikkige
staat bekijk waarin Café De Klokke zich bevindt. Leeft Fernand Boone nog? Ja,dus. Werd hij voldoende gefêteerd voor zijn Gouden Schoen (1967), zijn twintig
selecties voor de nationale ploeg, zijn meer dan driehonderd matchen voor Club
Brugge?
schrikkel 274 / van boeken bezeten 15
Als, op het eind aangekomen, deze reeks een representatief
staalkaart moet blijken van wat mijn leven plusminus is (minus bijvoorbeeld een
aantal te intieme details), dan mag een beeld als dit zeker niet ontbreken. Per
slot van rekening zit ik een behoorlijk deel van mijn tijd met mijn neus in
teksten. Teksten in boeken, teksten op schermen. Een computerscherm hebben we
hier al gehad. Maar ik lees toch het liefst in een boek, ik kan me niet
voorstellen dat het ooit nog anders zal zijn – welke technologische
ontwikkelingen er verder nog op ons afkomen. (De enige mogelijkheid is dat nieuwe
belangrijke teksten op een gegeven niet meer in boekvorm zouden worden
uitgegeven.) Ik lees het liefst in een boek, en dan nog bij voorkeur in een
eigen exemplaar, een boek dat ik heb en dat ik, in het gebruik ervan, nog meer
tot het mijne kan maken. Al ben ik toch zuinig met aantekeningen (altijd in
potlood uiteraard want met inkt in een boek krassen, is oneerbiedig). Af en toe
is het verhelderend, zoals hier. Maar meestal gaat het om onder- of
aanstrepingen waarbij ik me afvraag wat het er eigenlijk toe doet, dat ik het
doe. En waarom ik het doe. Het is alsof ik door woorden en zinnen en soms hele
passages aan te strepen de tekst kleiner wil maken, in beter te behapstukken brokken
opdeel; het is al een onderdeling van de vertering – als je tenminste op het
lezen van een tekst de metafoor van het eten en verteren kunt toepassen.
Abonneren op:
Posts (Atom)