maandag 31 januari 2022

notitie 102

BAKKEN ERKENNING

 

Guido van Heulendonk produceert literatuur van de bovenste plank. De roman De afrekening doorstaat wat mij betreft de vergelijking met bijvoorbeeld een Paul Auster, die in hetzelfde register wereldfaam heeft verworven.

De afrekening brengt ook een verhaal. Ik bedoel: niet énkel een verhaal. Ja, ook een verhaal, in de zin van: veel meer dan alleen maar een verhaal. Hoe het verhaal afloopt, ik weet het nog niet, ik ben ergens voorbij halfweg. Het gaat over liefde, dood, schrijven en het verleden. Zo, dat weet u dan ook weer. Ik heb er, op basis van wat ik tot nu gelezen heb, alle vertrouwen in dat De afrekening niet op een sisser zal aflopen. Dat vertrouwen is gebaseerd op het métier dat ik hier geëtaleerd zie. Amai, wat een schrijver. Van Heulendonk speelt met taal en een grote kist culturele bagage, en weet heel goed hoe hij de lezer voor zich kan winnen door hem niet alles voorgekauwd aan te reiken. De afrekening is een schatkamer vol spiegelingen, listen en lagen. En als je voldoende aandachtig leest, verdwaal je net niet. Dat ‘net niet’ is het hoogste lezersgenot. Je mag, neen, moét je weg zoeken – en je weet dat de schrijver jou niet in de steek laat. Hij blijft onnadrukkelijk aanwezig. Maar de lezer moet wel wérken, en het is in dat werken dat de grootste voldoening ligt omdat de lezer zich daardoor op zijn waarde geschat weet.

Ik geef een voorbeeld.

In de passage vanaf pagina 151 herinnert de ik-persoon, Govert, zich een spijtig voorval op het lentefeest van zijn oudste zoon. De moeder, de inmiddels overleden Angelique, verknalde op dat feest de groepsfoto door juist op dat moment afwezig te zijn: ze was een telefooncel gaan zoeken om bij de uitgever haar redacteur te bellen. Angelique had net ontdekt dat in het manuscript van haar debuutroman De afrekening (jawel, dezelfde titel!) een fout was blijven staan: het zijn niet de broers Goncourt die graag in het restaurant op de Eiffeltoren dineerden (omdat dat de enige plek in Parijs was waar dat lelijke misbaksel niet te zien was), neen, het was Guy de Maupassant! Zo’n flater wilde Angelique niet in haar gekoesterde eersteling laten staan – en dus riskeerde ze het om het groepsfotomoment te missen. Het feestvarken, haar eerste kind Maxime, kon er niet om lachen. Na het feest probeerde Govert zijn vrouw te doen inzien dat ze tussen groepsfoto en telefoontje de verkeerde keuze had gemaakt. Ten eerste had in haar boek niet de ik-persoon, Angeliques alter ego, de Goncourt-fout gemaakt, maar wel haar partner Valcke. En deze Valcke is – u raadt het – geboetseerd naar Govert. ‘Een pedante kwast, zei ik.’ (Wat een heerlijk-zelfrelativerende ironie is want natuurlijk lacht Van Heulendonk hier niet alleen Govert uit maar ook zichzelf want hij, Van Heulendonk, is zelf, zoals uit deze passage zeer duidelijk blijkt, ook niet vies van verwijzingen naar andere schrijvers.) Govert probeerde – zoals hij zich ‘nu’, in het heden van Van Heulendonks boek, dat dus ook De afrekening heet, herinnert – Angelique ervan te overtuigen dat die fout heus zo erg niet was. Bovendien trof niet alleen haar, Angelique, schuld, maar ook hemzelf, Govert, want had niet ook hij bij het herlezen van de drukproeven van Angeliques boek de fout over het hoofd gezien? Dat zullen de meeste lezers ook wel doen, herinnert Govert zich nu dat hij toen zei. (Als lezer voel ik mij aangesproken want ik had het ook niet geweten, dat het niet de Goncourts waren maar wel De Maupassant!) Dus trek het je niet aan, probeerde de Govert van weleer nog Angelique te sussen. Wanneer uiteindelijk enige tijd na het lentefeest en de gemiste groepsfoto Angelique het gedrukte boek in haar handen hield en daarin de fout ontwaarde (ze was te laat geweest met haar telefoontje, ze waren het al aan het drukken), moest Govert haar troosten: ‘“Het is maar literatuur,” zei ik, “des mots passants.”’ Dat is bijzonder geestig, en dan moet het beste nog komen want Govert/Van Heulendonk voegt hieraan toe: ‘Flauw, en niet eens origineel.’ En met dat laatste knipoogt Van Heulendonk naar de lezer: ‘Zelf gebruik ik ook maar flarden die ik her en der opraap – en als u niet achterhaalt waar ik ze vind, of dat ze misschien wel fout zijn, dan heb ik u beet, het maakt deel uit van het spelletje dat we hier spelen.’ (De aanhalingstekens rond deze laatste zin willen niet zeggen dat het een citaat uit De afrekening van Van Heulendonk is, enkel dat het een veronderstelde gedachte is die ik de auteur in de mond, of de geest, leg.

Kunt u nog volgen? Enfin, eigenlijk moet u dringend dat boek lezen. Deze voorlaatste roman vond ik in de soldenbakken van de Fnac, maar ik hoor op Facebook links en rechts dat Van Heulendonks nieuwste, Vrienden van de poëzie, zeer goed is en dat verwondert mij, op basis van het boek dat ik nu aan het lezen ben, totaal niet.

Dat iemand als Guido van Heulendonk nu al met tien romans in vijfentwintig jaar aan de weg moet timmeren zonder dat een grote doorbraak en internationale erkenning hem te beurt zijn gevallen, is voor mij onverklaarbaar. Ligt het aan zijn temperament, zijn connecties, het toeval? Ik mag hopen dat de frustratie hierover, waaraan hij uitermate impliciet en zonder dat het stoort hier en daar en altijd tussen de regels van De afrekening lucht geeft, spoedig ongedaan kan worden gemaakt met bakken erkenning, prijzen, herdrukken en vertalingen.

***

Naschrift: Paul Auster komt voor in Van Heulendonks roman, en wel op p. 158. Dat merkte ik pas – u moet mij geloven! – nadat ik het bovenstaande stuk had geschreven.

***

Guido van Heulendonk, De afrekening, 2019