(220512)
IK SCHREEF AL OVER BROUWERS
Wat levert, toegepast op mijn eigen blog, de in de
zoekfunctie ingevoerde term ‘Jeroen Brouwers’ mij op?
Op 30
november 2005 herneem ik een tekst die ik in 1995 voor De
Standaard schreef over Brouwers’ essay Oefeningen
in nergens bij horen over Jean Améry.
Op 5 oktober
2007 heb ik
het over de manier waarop de ‘oertekst’ In
het midden van de reis door mijn leven door Yves T’Sjoen werd bezorgd.
Op 20 september
2007 valt een
vergelijking tussen De zondvloed en Alleman van Philip Roth in het voordeel
van het eerstgenoemde boek uit.
Op 10 oktober
2007 heb ik
het in een korte notitie over de discussie die naar aanleiding van Bezonken rood was ontstaan over de
authenticiteit van de in dat boek bezongen herinneringen aan het Jappenkamp
waarin Brouwers als kind een tijd verbleef.
Op 8 december
2007 schrijf
ik mijn ontgoocheling over de roman Datumloze
dagen van me af: ‘De beoogde ontroering slaat om in het tegendeel: er
ontstaat onbegrip en zelfs ergernis om zoveel… sentimentalisme.’
Op 1 juli 2008
heb ik het over
de aflevering van zijn essaybundelreeks Feuilletons
getiteld Extra Edietzie (1996), over de uitgever Ronald Dietz.
Met deze man, wiens naam ‘rijmt op niets’, heeft Brouwers een stevig eitje te
pellen en hij wijdt ‘op een dermate briljante manier meer dan honderd
vijftig bladzijden (…) aan deze kommapunt in een voetnoot van de vaderlandse
literatuurgeschiedenis dat u, wij, ik, lezers, daar bijzonder veel leesgenot
aan overhouden’.
Op 19
april 2010 schrijf ik neer, naar aanleiding van wat Brouwers in De schemer daalt (ook een Feuilleton)
over Freddy de Vree schrijft, wat ik mij zelf van een ontmoeting met die
dichter en radioprogrammamaker herinner.
Op 15
mei 2011 schrijf ik een niet zo lovende recensie over de roman Bittere bloemen: ‘op de duur krijg je de indruk dat Brouwers zich
zwelgend en zwoegend naar het einde sleept, zichzelf piepend en krakend
pasticheert, een zielloos sjabloon invult en denkt, na het neerpennen van de
laatste bladzijde: voilà, dat hebben we ook weer gehad, dat het zijn tijd vóór
het grote vergeten nu maar neemt’.
Op 21
september 2013 heb ik het over Restletsels. Deze negende
aflevering van de Feuilletons bevat
een diatribe tegen Jan Siebeling. ‘Brouwers veegt met Sieb de vloer aan dat het
geen naam heeft, werkelijk, hij haalt al zijn polemische registers boven en wie
Brouwers een beetje kent, weet dat het dan stevig kan knetteren. Ik zou alvast
geen ‘diatribe’ van Brouwers willen incasseren.’
Op 23 december
2013 prijkt De zondvloed in mijn lijstje ‘van 20
beste gelezen boeken’.
Op 28
december 2014 schreef ik een stuk naar aanleiding van een door de Nederlandse televisie
uitgezonden door wijlen Wim Brands interview met Brouwers. Dan al blijkt hoe
vermoeid de auteur reeds is. Hij heeft net Het
hout uitgebracht en wordt door alles en iedereen ondervraagd. Op telkens
dezelfde vragen kan hij uiteraard niet anders dan telkens dezelfde antwoorden
geven.
Op 18
december 2015 krijgt Brouwers in een nabeschouwing over de dertien jaar dat ik
leesclubbegeleider was een prominente plaats.
Op 30
december 2015 blijk ik het ‘vloekschrift’ Sisyphus’
bakens te hebben gelezen, een ‘vlijmscherpe analyse van het
schrijversbedrijf’ waaruit blijkt: ‘je moet al goed gek zijn om je in het
huidige uitgeefklimaat aan debuteren te wagen’. Brouwers legt in dit ‘vloekschrift’
uit waarom hij bedankte voor de naar zijn zin te geringe geldprijs die
gekoppeld was aan de Prijs der Nederlandse Letteren. ‘De ironisch-hyperbolisch
opgezette woedeuitbarsting verveelt geen moment omdat Brouwers ook bij het
ontbinden van al zijn duivels een stilistisch meesterschap blijft etaleren dat
in de laaglandse polemieken sinds de dood van Gerrit Komrij door niemand wordt
geëvenaard.’ En ik besluit daar: wanneer ‘de diatribe op doordrammen begint te
gelijken, blijft Brouwers maar doorgaan en is het alsof er een soort van
vliegwiel aanslaat dat zijn verontwaardiging doet omslaan in een pantagrueleske
groteske; het wordt een soort Grande Bouffe van in taal en humor omgezette
woede, echt een feest voor de Brouwersfans die wij allemaal horen te zijn’.
Op 28
juni 2017 schreef ik naar aanleiding van het uitzettingsincident in Zutendaal de tekst
‘De wet en de letteren’. Ik pleitte daarin voor een uitzonderingsmaatregel, en
gaf daarvoor vier argumenten. ‘Brouwers heeft in zijn Noord-Nederlandse eentje
voor het behoud van een stuk Vlaams cultuurpatrimonium meer gedaan dan een heel
leger zone-eigen Vlaamse academici bij elkaar.’ Dat was het eerste. Het tweede
argument verwees naar de uitzonderingsmaatregel die op dat ogenblik nauwelijks
tien kilometer verder wél werd getroffen voor de firma Essers, ‘geen fabrikant
van literaire meesterwerken maar een transportbedrijf’. Brouwers, zo voer ik
daar nog aan, maakt in zijn illegaal huis ‘dingen waar hij zelf nauwelijks iets
aan verdient maar waarmee hij heel veel mensen gelukkig maakt. Dat kan hij
onder andere door de stilte van het bos, en doordat hij niet wordt
lastiggevallen door de droogstoppels van de administratie, door de moraalridders
van het gerecht die in een kluizenaar een gemakkelijkere prooi vinden dan in
een bedrijfsleider die lak heeft aan regels maar zich onschendbaar acht omdat
hij economische meerwaarde genereert.’ Drie: Brouwers’ barak in dat Zutendaalse
bos is een schrijvershuis, en alleen daarom al meer waard dan andere illegale
barakken. En het vierde en ‘belangrijkste argument’ houdt in dat je een oude
boom die daar al 21 jaar wortel heeft geschoten niet vlak voor zijn dood nog
verplant.
Op 1
juli 2017 schreef ik een brief aan Koenraad Goudeseune, inmiddels ook al wijlen. Hij had
gereageerd op mijn Zutendaal-stuk. In de brief kom ik tot een vergelijking
tussen het bombardement op Dresden en de vernieling van Brouwers’ huis. Hoe dat
zover is kunnen komen, moet u daar maar eens lezen.
Op 7
juli 2017 krijg ik via Christophe Vekeman, die mijn Zutendaal-stuk aan de schrijver zelve
heeft doorgestuurd, van de schrijver zelve de groeten – en dat moet, bij mijn
weten, de enige keer zijn geweest dat hij, Brouwers dus, blijk heeft gegeven
van het feit dat hij van mijn bestaan afwist. Hij vond, aldus Vekeman, mijn
betoog ‘hartverwarmend ontroerend’. Deze woorden hangen, in goud ingelijst, nu
reeds jaren boven mijn schrijftafel (in mijn verbeelding uiteraard).
Op 5
december 2017 breng ik verslag uit van mijn herlezing van De
laatste deur, de bundel portretten over zelfmoordenaars in de Nederlandse
letteren. Ik loof daarin vooral Brouwers’ stijl, die ‘zo eigen en meeslepend’
is, ‘dat je, als je een week of twee niets anders zou lezen, de neiging zou
kunnen krijgen hem onbewust te imiteren’.
Op 10 november
2020 had ik het over Client E. Busken.
Deze E. Busken is, zo schrijf ik daar, ‘een in een zorginstelling geparkeerde
intellectueel die niet meer kan spreken, die een behoorlijke staat van dienst
kan voorleggen en die in een aantal opzichten aan Jeroen Brouwers zelf doet
denken, ja zelfs misschien wel in het hoofd van Jeroen Brouwers Jeroen Brouwers
is geweest’. Deze laatste roman van Brouwers gaat over: ‘de teloorgang van taal
(en waarheid), over verstomming, over het einde van een schrijverschap’. ‘Ik
doe mijn hoed af voor de tachtigjarige die zoiets nog weet te presteren.’
 |
| De
eerste twee bladzijden van mijn notities bij De zondvloed: inderdaad,
'Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.' (Bezonken rood, 7) |