woensdag 18 mei 2022

wolken 4597-4600

wolkenfragmenten uit Claire-Louise Bennett, Kassa 19

4597

Er is niets anders getekend – geen pollen hoog gras hier en daar, geen verweerde mijlpaal, geen vakwerkherberg, geen kleine rotsen, geen cumuluswolken, niets meer. (68)

4598

Rijen en rijen heilige leerstellingen over hoe de wereld is gemaakt, en de betekenis van alle dingen erop – hagedissen, vogels, rivieren, tarwe, schapen, wolken, goud, vuur, appels, mensen, ossen, en alle grote zeeën, en alle grote planeten en sterren die eromheen cirkelen.  (74)

4599

Misschien staat hij daar alleen maar omhoog te kijken naar de bleekgroene wolken in de indigo hemel, te luisteren naar het hart dat almaar door klopt in zijn borst en de adem die almaar door zijn lichaam in- en uitgaat. (129)

4600

(…) een lange schaar waarin de wolken die pijlsnel door een blauwe hemel weerspiegelden. (156)

notitie 189

(220516)

HET MES OP DE KEEL

Het mes op de keel doet thans antiquarisch tachtig gulden; toen het verscheen kostte het fl. 4,50 – geloof ik.’ Dit schrijft Jeroen Brouwers op 29 april 1982 in een brief aan Angèle Manteau over zijn debuut. Hij voegt er nog aan toe: ‘Het is ook mijn enige boek uit mijn Manteau-tijd dat gewoon uitverkocht is geraakt, terwijl de 4 volgende boeken uit die tijd alle zijn verramsjt.’ En hij zegt de verhalen uit deze verhalenbundel ‘grotendeels’ te willen ‘ignoreren’ voor het ‘”verzamelde verhalen”-boek’ dat De Arbeiderspers ‘volgend jaar’ (1983 dus) plant. (Kroniek van een karakter, deel 2, De oude Faust, 39-40.) Brouwers nam afstand van zijn eerste worp en die is dan ook nooit herdrukt.

Het mes op de keel verscheen als nummer tien in de reeks Grote Marnixpocket en is nu in mijn bezit geraakt. Nauwelijks een dag nadat ik uit die brief aan Angèle Manteau had vernomen dat het boekje al in 1982 een zekere antiquarische waarde had – het zal niet minder waard zijn geworden, denk ik dan. Op ebay wordt een gelijkgetiteld album van Rik Ringers aangeboden, maar niet het boekje van Brouwers. En bij deSlegte hebben ze een Het mes op de keel van het schrijversduo Wallace G. Pinforl & Rob van Kan, ondertitel De man op zoek naar perfectie, en ook nog een thriller van Jack Gannon. De omschrijving van dat laatste boek lijkt wel een passe-partout voor andere worpen in het genre: ‘Jaren heeft journalist Jack Gannon niets van zijn zus Cora gehoord, maar nu krijgt hij opeens een mail van haar: zijn elfjarige nichtje Tilly is ontvoerd, en de kidnappers dreigen haar te vermoorden als Cora niet binnen vijf dagen met vijf miljoen dollar over de brug komt. Al snel krijgt Jack het gevoel dat er iets niet klopt. De ontvoering lijkt te maken te hebben met een Mexicaans drugskartel dat nog geld krijgt van Cora's baas, maar hij vermoedt ook dat Cora zwijgt over iets belangrijks uit haar verleden.’ Op boekwinkeltjes.nl zijn er aanbiedingen voor Het mes op de keel van Michel Brice, een misdaadverhaal ‘gebaseerd op dossiers van de Franse zedenpolitie’, uitgegeven in de reeks Zwarte Beertjes (drie exemplaren aan 3 € het stuk, excl. verzendkosten), en dan ook nog eens twee exemplaren van een ook zo getiteld tweede deel van een Binnenste buiten getiteld tweedelig boek, in 1992 uitgegeven bij De Buut. Het gaat om twee 37 pagina’s tellende exemplaren van een ‘gelimiteerde oplage 200 exempl.’ Het eerste exemplaar verkeert ‘in goede staat’ en kost € 7,50, het tweede verkeert ‘in voortreffelijke staat’ en moet € 10 kosten, telkens exclusief verzendkosten. Beide exemplaren zijn ook genummerd, het eerste is nummer 170, het tweede nummer 11. Waar zouden de andere 198 exemplaren zijn?

Maar geen exemplaren dus van Brouwers’ Het mes op de keel op de website van boekwinkeltjes.nl. Het ziet er naar uit dat dit boekje een rariteit is geworden en dat ik dus een koopje heb gedaan op de boekenverkoop ‘Boekraïne’, georganiseerd ten voordele van de vluchtelingen uit Oekraïne. Uiteraard bleef het niet bij die ene Brouwers (die ik nog niet bezat). Ik keerde naar huis terug met elf boeken voor gemiddeld 3 euro het stuk en kon aan de kassa nog flink naar boven afronden met de melding ‘Het is toch voor de goede zaak, nietwaar.’

80 gulden in 1982, dat moeten er, toen de euro werd ingevoerd, zeker 160 zijn geweest, wat dan weer 80 euro was in 2002 – daar zullen intussen wel wat euro’s zijn bijgekomen.

Helaas heeft het exemplaar (1964, en dus bijna even oud als ikzelf) dat ik dus voor een habbekrats uit een bananendoos opdiepte niet bepaald in blakende staat de tand des tijds doorstaan. Het papier is vergeeld, er zit een vervelende koffievlek op de snee, het boek draagt sporen van lectuur en op de rug kleeft een hardnekkige bibliotheeksticker met daarop de met de hand geschreven notatie ‘II B218’, die ook nog eens op de titelbladzijde wordt herhaald. Daar verneem ik ook, via eveneens manueel aangebrachte vermeldingen, dat het boek ook nog een nummer ‘5295’ draagt – waaronder staat: ‘Min. v. Cultuur & Volksopleiding / 1973’ en dat het ooit, wellicht zeer geruime tijd, op lezers heeft staan wachten in de bibliotheek van ‘Willemsfonds Temse’.

En nu moet en zal het wachten om door mij gelezen te worden.

6464

Zedelgem, Vloethemveld - 220320

 

dinsdag 17 mei 2022

notitie 188

(220515)

KOM UIT UW KOT

‘Ik heb mezelf vroeg geleerd om net dat te doen waarvoor ik bang was. Vermijden is de kortste weg naar somberheid en isolatie.’ Dat zegt Arnon Grunberg in het door Guinevere Claeys voor De Standaard afgenomen interview en ik denk dat hij groot gelijk heeft. Zoals wel vaker.

Het vergde enige zelfovertuigingskracht om mij deze namiddag naar Sint-Kruis te begeven waar Bruno Van Dycke vandaag openatelier hield. Bruno maakt schilderijen die ik wel graag zie. Bovendien heeft hij – en dat speelt zeker mee in mijn aanvoelen dat het bezoeken van zijn atelier wel gepast is – al verschillende keren blijk heeft gegeven van belangstelling voor mijn werk.

Bon, ik begeef mij, geholpen door het mooie weer, per fiets naar het zes kilometer van mijn woning verwijderde Rooigemkasteel, voormalig buitenoord van de bisschop van Brugge. In de stallingen heeft Bruno sinds kort zijn nieuwe atelier. Anderhalf uur later lees ik, terug thuis, het interview met Grunberg en kan niet anders dan beamen wat hij zegt over het vermijden van het vermijden.

Bij het betreden van het domein zie ik Bruno praten met twee bezoekers. Ik zeg ‘Dag Bruno’ maar dan blijkt dat niet Bruno voor me staat maar wel diens zeer goed op hem gelijkende broer. Het overkomt hem wel vaker, zegt Bruno’s broer, dat men in hem Bruno herkent.


 

Ik tref dan toch Bruno aan, in zijn atelier, tussen zijn zeer grondig bewerkte bijna monochrome landschappen – ik zie er landschappen in, geabstraheerde landschappen. Ik zie het grote palet met de leeggeknepen tubes en krijg zin om te schilderen. Bruno biedt me een glas water aan. Naast me komt een man met een witte pet zitten. Hij zegt dat hij van de Arabische ud-muziek houdt die stilletjes de ruimte vult.

 

foto: Kristoffel Boudens

 

Ook Kristoffel Boudens is aanwezig, in een andere stalling: hij maakt er zijn tekeningen, schilderijen en letterkapobjecten. Hij heeft net een deksel voor een doos vol probeersels beschilderd met dezelfde spreuk als deze op het T-shirt waarmee aftredend minister Beke tijdens zijn treurige persconferentie zijn dochtertje liet opdraven: ‘Nothing to prove’. ‘Geheel toevallig,’ zegt Kristoffel. ‘Ik was in elk geval eerst!’ Kristoffels letters zijn ook veel mooier dan die op dat T-shirt. Omdat ik iets zei over een klein etsje, voorstellende een bootje onder een onweerswolk, laat Kristoffel me een hele map zien met dergelijke werkjes, nu ook alweer een paar decennia geleden gemaakt. Tijdens mijn bezoek aan dit atelier valt mijn oog ook op een liefdevol rijtje van vijf portretfoto’s: de vijf broers en zussen Boudens, allemaal op de een of andere manier met letters en vormgeving in de weer. 

 

 

 

Op het terrein tussen beide ateliers loop ik S. en D. tegen het lijf. Een jaar of twaalf geleden hebben we nog een tijdje samen geprobeerd om iets cultureels uit de grond te stampen. We informeren naar elkaars toestand en ja, we worden elk jaar een jaartje ouder. D. zegt elke dag wel zijn twee of drie pijntjes te voelen. Ik denk: het blad is gekeerd en hoe jammer dat we elkaar niet zijn blijven zien, dat we niet alerter zijn geweest in onze omgang met elkaar.

Ik maak kennis met John. John is een vriend van een gemeenschappelijke vriend met wie hij allerlei analoge dingen doet. Geen internet, alles nog tastbaar op papier. Ik vertel hem wat ik doe, hij is geïnteresseerd en we spreken af dat we eens zullen afspreken.

En dan is er de araman. Hij staat midden op het grasperk te pronken met een reusachtige ara die de Oekraïense kleuren uitdraagt. De man praat graag over zijn papegaai. De papegaai laat het zich welgevallen dat er over hem wordt gepraat. Papegaaien worden oud, vaak overleven ze hun eigenaars.

Ja, dat alles heb ik meegemaakt. Grunberg heeft gelijk, Blaise Pascal dit keer niet.

 


 

6463

Zedelgem, Vloethemveld - 220320

 

facebookbericht 1142

'Bezonken rood' gaat minstens evenzeer over de relatie (de niet-relatie) met de moeder (met de moeder in het bijzonder en met vrouwen in het algemeen), als over de herinnering aan dat kamp. 'Bezonken rood' is literatuur, geen geschiedschrijving. Het is een compositie, geen relaas. Het is kunst, geen wetenschap. Of er nu al dan niet wachttorens waren, is een verwaarloosbaar detail. Herinnering is altijd gedeeltelijk verbeelding. Welnu, in Brouwers' herinnering stonden ze er blijkbaar, die wachttorens, en daar heeft Kousbroek niet over te zeuren.

maandag 16 mei 2022

notitie 187

(220513)

KAMPSYNDROOM

Een paar dagen geleden overleed Jeroen Brouwers en uit onversneden devotie herlas ik van hem Bezonken rood. (Ik koos dat boek en niet bijvoorbeeld De zondvloed omwille van het formaat. Maar ik neem me wel voor om heel binnenkort eens de volledige, door het Houtekiet van Julien Weverbergh uitgegeven, tweedelige brievenuitgave Kroniek van een karakter te lezen. (Correctie: gedeeltelijk te hérlezen want ik las dertig jaar geleden alvast het eerste deel, De Achterhoek).)

Op Facebook plaatste ik een bloemlezing van de teksten over Brouwers die ik de voorbije zeventien jaar op mijn blog plaatste. Een van de reacties daarop kwam van Simon Gelten: ‘Het ging in de discussie tussen Brouwers en Kousbroek over veel meer dan over de echtheid van de herinneringen van Brouwers over een Jappenkamp. En dat Bezonken rood een roman is, maakt voor die discussie niet zoveel uit, een roman is maar een roman en hoeft niet “waar” te zijn (waar gebeurd is een slap excuus, zei geloof ik ooit een andere beroemde auteur), maar een literair werk kan relevant zijn voor een bepaalde context waarin het staat, en die context was het onderwerp van de discussie. Zoals je misschien wel aanvoelt, nam ik het in die discussie op voor Kousbroek. De weerslag van de kritiek op Brouwers (en niet alleen Brouwers) vind je in Het Oostindisch kampsyndroom van Kousbroek.’

Dat boek van Rudy Kousbroek bezit ik niet, maar wat ik wel in huis heb zijn enige fragmenten daaruit, verzameld in de bloemlezing Het meisjeseiland. In het essay ‘Het recht op woede’ schrijft Kousbroek in 1992 met betrekking tot ‘de voortdurende intimidatie door de Indische oorlogsslachtoffers dat zij “in hun leed worden gekwetst”’ en dat ‘[d]e grote doorbraak op dit gebied (…) Bezonken rood van Jeroen Brouwers [was], waarin een Indisch kamp bewust werd beschreven of het een Duits kamp was, met parafernalia en onmenselijkheden ontleend aan de Duitse vernietigingskampen’. (310) Kousbroek noemt dat: ‘racisme’.

Wat betreft die ‘parafernalia’ dient Brouwers Kousbroek van antwoord in 1988, in het essay ‘Het Oostindisch kampsyndroom’, opgenomen in Het vliegenboek (1991). Na een hele opsomming van – gedocumenteerde – Japanse wreedheden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, gaat hij ertoe over het verwijt van ‘Oostindisch kampsyndroom’ (het zich aanhoudend beroepen op slachtofferschap) om te buigen tot een ‘Kousbroeksyndroom’: ‘De Kousbroeksyndromicus, zelf leugenaar, zegt van anderen, die niet liegen, dat zij liegen.’ (358)

Leuk om lezen, dat wel!

In 1982, een jaar na de publicatie van Bezonken rood, schrijft Brouwers in een brief aan Corine Spoor over ‘de rel’ dat het gaat om de vraag ‘of het al dan niet “geoorloofd” is om in een “werk van verbeelding” (b.v. een roman) “de historische werkelijkheid” geweld aan te doen’. Hij zegt dat die rel, ‘de derde in vijf jaar die ik ontketen’ hem de strot uithangt. En dat zijn (cursivering van Brouwers in het oorspronkelijke citaat: ‘Mijn’) antwoord op die vraag luidt: ‘ja, dat is “geoorloofd”. (Kroniek van een karakter, deel 2, 7) Wat verderop in diezelfde brief verantwoordt Brouwers waarom hij zijn boek schreef: die kampen waren wel degelijk ‘erg’, maar er rust vreemd genoeg een soort van taboe op in de Nederlandse literatuur. Wel stelt hij vast dat zijn (zelfde opmerking over dat cursief) familieleden ‘over het Jappenkamp pratende altijd [hebben] gelachen en er soms zelfs met vertedering en heimwee over gepraat’. (9) Dát heeft Brouwers willen aankaarten, wat hij overigens in Bezonken rood expliciet stelt.

In een artikel voor het NRC vat Kester Freriks de hele kwestie goed samen. Hij haalt aan wat Brouwers schreef bij de vijftigste druk van zijn boek (we zijn inmiddels al bij de vijfenvijftigste): ‘Ik moet het allemaal hebben gezien, maar zoals een kind de dingen ziet. Vanuit dit kinderperspectief zijn de in Bezonken rood opgeroepen gebeurtenissen vergroot, verhevigd weergegeven.’

Bezonken rood is inderdaad een ‘roman’. En wat voor een. Nu ja, het boek is qua omvang eigenlijk meer een novelle. Hoewel, dat is Brouwers onrecht aandoen: aan alles voel je dat hier tot op het laatste woord is geschaafd en gepast, dat al het overtollige is weggevijld, dat de oorspronkelijke materie – zoals het dan later ook weer aanleiding heeft gegeven tot een turf als De zondvloed – hier tot zijn pure essentie is herleid: een prachtig weefsel van motieven, een kunstige neerslag van lang ingehouden woede en verdriet, die dan uiteindelijk toch culmineert in een emotionele uitbarsting die de lezer tot aan de afgrond van een onduldbare kitsch voert. Die thematiek, overigens, van hoe bij het uitspreken van het onuitspreekbare de kitsch moet worden vermeden, wordt in Bezonken rood uitdrukkelijk naar voren geschoven. 

 

Jeroen Brouwers, Bezonken rood (1981)
Rudy Kousbroek, Het meisjeseiland (2011)
Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter. Deel 2 1982-1986: De oude Faust (1987)
Jeroen Brouwers, Het vliegenboek (1991)

6462

Zedelgem, Vloethemveld - 220320

 

zondag 15 mei 2022

parallel 190

Toutes les théories littéraires m’ont intéressée, que ce soit celle de Jauss sur la réception, de Genette. Je n’ai jamais eu le sentiment que ce savoir enlevait quoi que ce soit à l’oeuvre, «desséchait» mon gout du texte, et j’y ai gagné, dans mon écriture, une forme de liberté, de distanciation par rapport aux discours habituels, sur ce qu’est ou n’est pas la littérature, à l’espèce de terrorisme qu’exercent certains essays comme L’Art du roman de Kundera, ou d’autres, proposant une vision dévotieuse de la littérature.

Annie Ernaux, L’Écriture comme un couteau, 83-84

ǁ

Ik had de dagboeken van Witold Gombrowicz nog niet gelezen maar heb dat sindsdien wel gedaan en hoewel ik veel romans van Milan Kundera had gelezen had ik nog niet zijn baanbrekende essays in Les testaments trahis gelezen die ik een paar jaar later met veel genoegen las en die me wellicht naar Gombrowicz hebben geleid en misschien ook naar Calvino, en zeker naar Fernando Pessoa.

Claire-Louise Bennett, Kassa 19, 84

notitie 186

(220510)

GEMAAIDE ZONES

Twee weken geleden dacht ik bij mezelf toen ik mijn wandeling rond het Stil Ende maakte: ‘Ze zijn laat dit jaar.’ Ik bedoelde: ‘Met maaien.’ De schuin naar de centrale waterpartij aflopende bermen waren nog niet gemaaid. Het gras was lang en er stonden vele duizenden bloemetjes in: madeliefjes, paardenbloemen, boterbloemen. Enfin, ’t was een schoon zicht. Laat duizend bloemen bloeien.

En ik dacht: ‘Ze hebben het eindelijk begrepen.’ Met ‘ze’ bedoel ik: de taakverdelers van de Groendienst.

Niet dus. Een dag later maakte ik opnieuw mijn wandeling en, jawel, de perken waren gemaaid. Eind april – dus nog net voor de maand mei waarin wordt opgeroepen om niet te maaien. De redenen zijn gekend. Ongemaaide grasperken zijn van levensbelang voor de insecten. Ze houden beter het water tegen (voor zover dat er is in een periode van droogte zoals we er nu weer een kennen). En ze zijn eenvoudigweg ook mooier, als u het mij vraagt. (Maar u vraagt het mij niet, dus zeg ik het zo maar.)

Ik zag het met lede ogen aan. Weg duizend bloeiende bloemen. Weg voedsel voor insecten. Weg voor vele soorten levensnoodzakelijke bestuiving. En waarom? Wat was het voordeel, de bedoeling?

Ik schreef op 26 april de Groendienst aan. Dat kan hier in Brugge. Je kunt met vragen en meldingen en klachten terecht op de website brugge.be. Inspraak heet dat en dat is een goede zaak. Ik hield mijn vraag kort en bondig: ‘Waarom worden de grasperken, volop in bloei, nu al afgereden? Dit tegen alle campagnes voor insectvriendelijk onderhoud in. Bijvoorbeeld: Stil Ende.’ Mijn vraag werd bijgezet in het dossier nummer M2022/004077. Een spoedig antwoord werd mij beloofd. Ik kreeg ook nog de mededeling dat ik, indien mijn melding zou gelinkt zijn aan veiligheid of eenzaamheid, ik terechtkon bij de lokale politie Brugge op het nummer 050 44 88 44. Maar dat was godzijdank niet van toepassing. Op 28 april reeds – dat was rap! – kreeg ik het bericht ‘Uw melding over "gras niet insectvriendelijk" wordt momenteel behandeld door de dienst Openbaar domein.’ Toen was het wachten tot 9 mei – het gras in de perken van het Stil Ende had alweer een zekere lengte bereikt en vele madeliefjes staken opnieuw de kop op want ‘onkruid’ vergaat niet. Ik kreeg het langverbeide antwoord: ‘Vanuit het bestuur wordt er gevraagd om het gras in de regelmatig gebruikte gebieden kort te maaien. Zones zoals parken, de Vesten die gebruikt worden door veel mensen zijn niet geschikt om het gras lang te laten staan. Doorheen de jaren hebben we op verschillende plaatsen bloembollen geplant. De laatste 4 jaar was dit zo’n 70.000 stuks per jaar. Al deze zones worden pas gemaaid na 15 juni. Op die manier zijn er toch ook heel wat zones die niet gemaaid worden, wat bijdraagt tot de biodiversiteit in deze gebieden.’

Voilà. Dat is dan duidelijk.

De bermen langs het Stil Ende worden niet ‘gebruikt’: ze zijn omheind om de gekortwiekte zwanen die er leven tegen te houden. (Nu zijn die al een heel jaar opgehokt vanwege de vogelgriep.) En waarom bloemen planten als de natuur daar zelf voor zorgt?

Maar we bekijken het, zoals steeds, positief: het is tot de Stedelijke Groendienst doorgedrongen dat het niet maaien van ‘zones’ ‘bijdraagt tot de biodiversiteit in deze gebieden’. We gaan erop vooruit! 

 


 

6461

Zedelgem, Vloethemveld - 220320

 

zaterdag 14 mei 2022

notitie 185

(220510)

DROOGTE

Door een gelukkig toeval belandde ik deze namiddag – in de reeks ‘Soep en feiten’ – in een lezing over waterbeheer door hydroloog Patrick Willems. Daar zou ik alleen geen zin in hebben gehad, maar B. troonde me mee. Dank, B.!

Dat ging zo: ik zag B. voorbijfietsen toen ik met mijn herstelde bottines uit de schoenmakerij stapte. Ik heb die bottines zeker tien jaar geleden gekocht en ze stappen nog altijd! Ik betaalde er indertijd wel 250 euro voor, maar in de tijd dat ik ze gebruik zou ik toch al zeker drie of vier paar goedkopere schoenen hebben versleten. De investering loont dus. Alleen moet ik de volgende keer wel vroeger de scheefgelopen zolen laten vervangen want dit keer was ik daar iets te laat mee. Ik had niet genoeg aan langetermijndenken gedaan. Ik was niet vooruitziend genoeg geweest. De schoenmaker wees er mij op, met de trots van de ambachtsman die hij zich wat mij betreft gerust mag aanmeten.

Maar ik ging het over water hebben.

De feiten waren mij in grote trekken al bekend, maar van de cijfers schrok ik toch. Het is duidelijk: de urgentie is groot. Groter in elk geval dan het besef dat tot de brede lagen van de bevolking is doorgesijpeld. De mensen zijn voorlopig nog altijd blij met elke dag dat het niet regent – getuige daarvan ook de populaire peptalk van de radiojournalisten die gillerig voorspellingen van hitte en droogte toejuichen en misnoegd zeuren wanneer er dan toch eindelijk nog eens wat regen wordt aangekondigd.

Het gaat dus resoluut de verkeerde kant uit met onze waterhuishouding. We verbruiken te veel, door de toegenomen warmte verdampt het hemelwater te snel, we plamuren het hele land dicht met beton. Halfweg de jaren zeventig was ongeveer 4 procent van Vlaanderen verhard, nu is dat 16 procent. Aan dat tempo, dus. Exponentieel, zoals de opwarming, de verzuring en verstikking, de extinctie. Enfin, de soep was lekker, maar vrolijker kwam ik van die lezing toch niet thuis.

Vlaanderen is in West-Europa de regio die het hardst te lijden heeft van waterstress. Dat zal ons in de (nabije) toekomst nog zuur opbreken. In dit artikel legt Patrick Willems mooi uit wat hij ook op die lezing vertelde. En ook wat ons te doen staat. Het is misschien nog niet te laat. Zeker omdat het niet minder regent dan vroeger. Maar de neerslag is onregelmatiger (grote droogteperiodes en hevige stortbuien). Alleen houden we het water onvoldoende vast. Het grootste deel stroomt de riool in en zomaar weg naar zee. We hebben de zogenaamd ‘waterzieke’ maar eigenlijk levensnoodzakelijke opvang- en infiltratiegebieden weggesaneerd.

Om dat te veranderen zullen we onze gewoontes moeten aanpassen. En als er iets is wat we niet goed kunnen…

Uiteraard heeft ook dit met klimaatopwarming te maken. Door de hoge temperaturen verdampt het water maar zijn er ook hevigere stortbuien. Droogtes en overstromingen zijn het gevolg. Bovendien stijgt de zeespiegel. In de laaggelegen zones dreigt overstromingsgevaar, maar ook verzilting van het grondwater. Enzovoort, het probleem heeft, zoals met de meeste milieugerelateerde problemen het geval is, een complexiteit die elke remediëring aanzienlijk bemoeilijkt.

Hoe moeilijk het is gewoontes te veranderen, dat blijkt ook uit het maaibeleid van de Brugse Groendienst. Daarover morgen meer.

 


 

6460

Zedelgem, Vloethemveld - 220320

 

vrijdag 13 mei 2022

notitie 184

(220510)

DEMYSTIFICATIE

Ik heb vele leesprogramma’s en u raadt het: de meeste blijven onvoltooid. Een ervan heb ik sinds kort aangevat: de lectuur van Speak, Silence door Carole Angier, de eerste biografie van W.G. Sebald, en parallel daarmee het herlezen van de boeken van mijn geliefde schrijver. Bedoeling is om de boeken van Sebalds in omvang beperkte oeuvre ter hand te nemen au fur et à mesure de biografe ze in haar boek behandelt.

Een leuk vooruitzicht want ik doe niets liever dan Sebald lezen. En dat meen ik zeer letterlijk. Niets. Zelfs niet luisteren naar de reclame op de radio of het haar van een ander uit het afvoergat van de douche peuteren.

Ik ben nog niet zo heel erg ver gevorderd in Angiers biografie. Ik ben nu ongeveer bij bladzijde 70 van de ongeveer 450 aanbeland (daarna volgt nog een ‘apparaat’ van liefst 170 bladzijden). Niet ver genoeg dus om definitieve conclusies te trekken, maar toch al een voorlopige.

Iets aan de toon die Angier aanslaat staat mij niet aan.

Hoewel zij Sebald erg lijkt te bewonderen (en terecht, waarom anders zou zij die biografie hebben geschreven?), lijkt zij toch niet aan de neiging te kunnen weerstaan om hem als een heilig huisje te beschouwen. En we weten wat er met heilige huisjes gebeurt.

Wanneer ik, parallel dus, Sebald herlees, en dat is naar aanleiding van hoofdstuk 4 in Speak, Silence, het onderdeel ‘Il Ritorno in patria’ van Duizelingen (voorheen, in de eerste Nederlandse vertaling, Melancholische dwaalwegen), dan kan ik opnieuw, voor de zesde keer inmiddels, niet anders dan volop genieten van de merkwaardige, groteske, intreurige, overduidelijk erg fantasierijke verhalen die daarin worden opgedist en aaneengerijgd in een overweldigende stroom van associaties en opsommingen waarin je niet anders kunt dan met veel plezier te worden meegesleurd.

Hoe pietluttig komt dan het gevit over waarmee Angier in Sebalds geboorte-oord Wertach de allerlaatste in leven zijnde getuigen gaat opzoeken om bij hen de gegevens die Sebald heeft gebruikt te verifiëren, en om er tot de vaststelling te komen dat veel zaken ‘niet kloppen’. Hey, mevrouw Angier, Sebalds boek is fictie hé! Erger nog wordt het wanneer de biografe het nodig acht om met grote nadruk te noteren hoeveel leed de schrijver zijn ‘materiaal’ heeft berokkend. Door zijn fantasierijke vertellingen en verhaspelingen van de werkelijkheid voelen de betrokkenen zich onheus bejegend.

‘The narrator of “Il Ritorno in patria” thus is and is not Sebald (…) he starts with himself, and never really leaves himself, in essence and often in detail. And the same is true for his other characters. They too are shot through with literature, with echoes and inventions, but they too remain recognisably themselves, often with painful consequences.’ (60)

Mijn ergernis over deze toon was al ingezet toen bleek dat Carole Angier zich opwond over de werkwijze van Sebald. Ja, zijn boeken zijn een patchwork van verwijzingen, echo’s en citaten. Een algemeen aanvaarde praktijk, toch – zolang het geen achterbaks plagiaat is – maar Angier lijkt uit op onthullingen en geeft op die manier blijk van een wel erg opvallende argwaan. In haar hoofdstuk over ‘Il Ritorno…’ brengt ze verslag uit van een wandeling die ze maakte op het traject dat Sebald beschrijft waar hij zijn verteller naar zijn geboorteplaats ‘W.’ laat stappen. Angier geeft aan dat Sebald in dat verslag fragmenten echoot en citeert van Georg Büchner, Thomas Bernhard, Peter Weiss, E.T.A. Hoffmann en, ‘[a]bove all from Kafka’ (59). En zij zegt dat Sebald weliswaar niet ‘steelt’, ‘but the echo is unmistakeable’ (58). En tussen haakjes stelt ze, nogal malicieus, over dat ‘stelen’: ‘which will become his regular trick’ (58).

Tot nu toe was W.G. Sebald voor mij een idool, een soort van halve heilige. Ik plaatste hem op een heel hoog voetstuk. Het hoogste zelfs. Ik herinner mij levendig hoe het nieuws van zijn te vroege dood mij midscheeps trof, zoals ik het nooit eerder bij het overlijden van een door mij bewonderde schrijver had ervaren. Ik zou liever hebben dat dat beeld bij de verdere lectuur van Angiers biografie niet wordt aangetast. Ik zou liever hebben dat zij mij Sebalds geschriften nog meer leert waarderen dan nu het geval is, wat toch het opzet van een biografie zou moeten zijn – de kwalijke kanten van zijn persoonlijkheid, althans voor zover die er in de ogen van Angier blijkbaar zijn, interesseren mij eigenlijk niet.

Voor haar biografie kreeg Carole Angier geen inzage in de nagelaten en ongepubliceerde documenten van haar studieobject, noch wilden diens nabestaanden haar te woord staan. ‘Even his published words, in books and interviews, can be quoted only within the limits laid down by the law.’ (vii)

 

Carole Angier, Speak, Silence. In Search of W.G. Sebald (2021)

6459

Brugge, Visartpark - 220317

 

donderdag 12 mei 2022

6458

Brugge, Leopold II-laan - 220314

 

notitie 183

(220512)

IK SCHREEF AL OVER BROUWERS

Wat levert, toegepast op mijn eigen blog, de in de zoekfunctie ingevoerde term ‘Jeroen Brouwers’ mij op?

Op 30 november 2005 herneem ik een tekst die ik in 1995 voor De Standaard schreef over Brouwers’ essay Oefeningen in nergens bij horen over Jean Améry.

Op 5 oktober 2007 heb ik het over de manier waarop de ‘oertekst’ In het midden van de reis door mijn leven door Yves T’Sjoen werd bezorgd.

Op 20 september 2007 valt een vergelijking tussen De zondvloed en Alleman van Philip Roth in het voordeel van het eerstgenoemde boek uit.

Op 10 oktober 2007 heb ik het in een korte notitie over de discussie die naar aanleiding van Bezonken rood was ontstaan over de authenticiteit van de in dat boek bezongen herinneringen aan het Jappenkamp waarin Brouwers als kind een tijd verbleef.

Op 8 december 2007 schrijf ik mijn ontgoocheling over de roman Datumloze dagen van me af: ‘De beoogde ontroering slaat om in het tegendeel: er ontstaat onbegrip en zelfs ergernis om zoveel… sentimentalisme.’

Op 1 juli 2008 heb ik het over de aflevering van zijn essaybundelreeks Feuilletons getiteld Extra Edietzie (1996), over de uitgever Ronald Dietz. Met deze man, wiens naam ‘rijmt op niets’, heeft Brouwers een stevig eitje te pellen en hij wijdt ‘op een dermate briljante manier meer dan honderd vijftig bladzijden (…) aan deze kommapunt in een voetnoot van de vaderlandse literatuurgeschiedenis dat u, wij, ik, lezers, daar bijzonder veel leesgenot aan overhouden’.

Op 19 april 2010 schrijf ik neer, naar aanleiding van wat Brouwers in De schemer daalt (ook een Feuilleton) over Freddy de Vree schrijft, wat ik mij zelf van een ontmoeting met die dichter en radioprogrammamaker herinner.

Op 15 mei 2011 schrijf ik een niet zo lovende recensie over de roman Bittere bloemen: ‘op de duur krijg je de indruk dat Brouwers zich zwelgend en zwoegend naar het einde sleept, zichzelf piepend en krakend pasticheert, een zielloos sjabloon invult en denkt, na het neerpennen van de laatste bladzijde: voilà, dat hebben we ook weer gehad, dat het zijn tijd vóór het grote vergeten nu maar neemt’.

Op 21 september 2013 heb ik het over Restletsels. Deze negende aflevering van de Feuilletons bevat een diatribe tegen Jan Siebeling. ‘Brouwers veegt met Sieb de vloer aan dat het geen naam heeft, werkelijk, hij haalt al zijn polemische registers boven en wie Brouwers een beetje kent, weet dat het dan stevig kan knetteren. Ik zou alvast geen ‘diatribe’ van Brouwers willen incasseren.’

Op 23 december 2013 prijkt De zondvloed in mijn lijstje ‘van 20 beste gelezen boeken’.

Op 28 december 2014 schreef ik een stuk naar aanleiding van een door de Nederlandse televisie uitgezonden door wijlen Wim Brands interview met Brouwers. Dan al blijkt hoe vermoeid de auteur reeds is. Hij heeft net Het hout uitgebracht en wordt door alles en iedereen ondervraagd. Op telkens dezelfde vragen kan hij uiteraard niet anders dan telkens dezelfde antwoorden geven.

Op 18 december 2015 krijgt Brouwers in een nabeschouwing over de dertien jaar dat ik leesclubbegeleider was een prominente plaats.

Op 30 december 2015 blijk ik het ‘vloekschrift’ Sisyphus’ bakens te hebben gelezen, een ‘vlijmscherpe analyse van het schrijversbedrijf’ waaruit blijkt: ‘je moet al goed gek zijn om je in het huidige uitgeefklimaat aan debuteren te wagen’. Brouwers legt in dit ‘vloekschrift’ uit waarom hij bedankte voor de naar zijn zin te geringe geldprijs die gekoppeld was aan de Prijs der Nederlandse Letteren. ‘De ironisch-hyperbolisch opgezette woedeuitbarsting verveelt geen moment omdat Brouwers ook bij het ontbinden van al zijn duivels een stilistisch meesterschap blijft etaleren dat in de laaglandse polemieken sinds de dood van Gerrit Komrij door niemand wordt geëvenaard.’ En ik besluit daar: wanneer ‘de diatribe op doordrammen begint te gelijken, blijft Brouwers maar doorgaan en is het alsof er een soort van vliegwiel aanslaat dat zijn verontwaardiging doet omslaan in een pantagrueleske groteske; het wordt een soort Grande Bouffe van in taal en humor omgezette woede, echt een feest voor de Brouwersfans die wij allemaal horen te zijn’.

Op 28 juni 2017 schreef ik naar aanleiding van het uitzettingsincident in Zutendaal de tekst ‘De wet en de letteren’. Ik pleitte daarin voor een uitzonderingsmaatregel, en gaf daarvoor vier argumenten. ‘Brouwers heeft in zijn Noord-Nederlandse eentje voor het behoud van een stuk Vlaams cultuurpatrimonium meer gedaan dan een heel leger zone-eigen Vlaamse academici bij elkaar.’ Dat was het eerste. Het tweede argument verwees naar de uitzonderingsmaatregel die op dat ogenblik nauwelijks tien kilometer verder wél werd getroffen voor de firma Essers, ‘geen fabrikant van literaire meesterwerken maar een transportbedrijf’. Brouwers, zo voer ik daar nog aan, maakt in zijn illegaal huis ‘dingen waar hij zelf nauwelijks iets aan verdient maar waarmee hij heel veel mensen gelukkig maakt. Dat kan hij onder andere door de stilte van het bos, en doordat hij niet wordt lastiggevallen door de droogstoppels van de administratie, door de moraalridders van het gerecht die in een kluizenaar een gemakkelijkere prooi vinden dan in een bedrijfsleider die lak heeft aan regels maar zich onschendbaar acht omdat hij economische meerwaarde genereert.’ Drie: Brouwers’ barak in dat Zutendaalse bos is een schrijvershuis, en alleen daarom al meer waard dan andere illegale barakken. En het vierde en ‘belangrijkste argument’ houdt in dat je een oude boom die daar al 21 jaar wortel heeft geschoten niet vlak voor zijn dood nog verplant.

Op 1 juli 2017 schreef ik een brief aan Koenraad Goudeseune, inmiddels ook al wijlen. Hij had gereageerd op mijn Zutendaal-stuk. In de brief kom ik tot een vergelijking tussen het bombardement op Dresden en de vernieling van Brouwers’ huis. Hoe dat zover is kunnen komen, moet u daar maar eens lezen.

Op 7 juli 2017 krijg ik via Christophe Vekeman, die mijn Zutendaal-stuk aan de schrijver zelve heeft doorgestuurd, van de schrijver zelve de groeten – en dat moet, bij mijn weten, de enige keer zijn geweest dat hij, Brouwers dus, blijk heeft gegeven van het feit dat hij van mijn bestaan afwist. Hij vond, aldus Vekeman, mijn betoog ‘hartverwarmend ontroerend’. Deze woorden hangen, in goud ingelijst, nu reeds jaren boven mijn schrijftafel (in mijn verbeelding uiteraard).

Op 5 december 2017 breng ik verslag uit van mijn herlezing van De laatste deur, de bundel portretten over zelfmoordenaars in de Nederlandse letteren. Ik loof daarin vooral Brouwers’ stijl, die ‘zo eigen en meeslepend’ is, ‘dat je, als je een week of twee niets anders zou lezen, de neiging zou kunnen krijgen hem onbewust te imiteren’.

Op 10 november 2020 had ik het over Client E. Busken. Deze E. Busken is, zo schrijf ik daar, ‘een in een zorginstelling geparkeerde intellectueel die niet meer kan spreken, die een behoorlijke staat van dienst kan voorleggen en die in een aantal opzichten aan Jeroen Brouwers zelf doet denken, ja zelfs misschien wel in het hoofd van Jeroen Brouwers Jeroen Brouwers is geweest’. Deze laatste roman van Brouwers gaat over: ‘de teloorgang van taal (en waarheid), over verstomming, over het einde van een schrijverschap’. ‘Ik doe mijn hoed af voor de tachtigjarige die zoiets nog weet te presteren.’

 

De eerste twee bladzijden van mijn notities bij De zondvloed: inderdaad, 'Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.' (Bezonken rood, 7)

 

woensdag 11 mei 2022

facebookbericht 1141

Hij was de grootste in de Nederlandse letteren, en met De zondvloed tot ver daarbuiten. De zondvloed is onovertroffen. Zijn brieven. Zijn essays en polemieken...

notitie 182

(220509)

UNION OF CLUB

De nationale voetbalcompetitie is uitgedraaid op een duel tussen twee ploegen: ‘regerend’ kampioen Club Brugge en Royale Union Saint-Gilloise, vorig jaar nog in tweede klasse. De provincie tegen de hoofdstad. Vlaams tegen Franstalig. Professioneel management tegen charmant amateurisme. Een budget van 90 miljoen euro tegen 10 miljoen.

En iedereen die graag zou hebben dat Union kampioen wordt. Behalve de Clubsupporters dan. Hoewel. Het is moeilijk. Zelfs voor een Clubsupporter, kan ik getuigen.

Nu ja, Clubsupporter. Ik was het als kind en adolescent. Ik ben er nog een van de tijd van de grote matchen in de jaren zeventig en tachtig: Ipswich, Liverpool, Madrid, Juventus… De periode onder Happel. De sfeer van de grote dagen. Het volk dat zong. De Jubilotte. Ceulemans die een aanbod uit het buitenland weigerde omdat hij zich hier zo goed voelde. Stel je voor.

Maar dat is natuurlijk allemaal voorbij. Nu regeert het geld van makelaars, bouwpromotoren en gokbedrijven. Het volk zingt niet meer, maar mort ook niet.

Ik hield het een jaar of vijftien geleden voor bekeken: zitplaatsen en loeiharde muziek voor en na de match en tijdens de rust zijn geen facetten van het publieksonthaal die mijn vertrouwen opwekken. En dan heb ik het nog niet over de hoge toegangsprijzen, het hooliganisme, de VIP’s in hun businesszitjes en sponsorloges en de hoge maatschappelijke kost.

Union of Club dus. Want als voetballiefhebber moet je nu eenmaal een keuze maken.

Dat het politiek correcter is om voor de sympathieke underdog te supporteren – neen, dat gaat niet op voor een Clubsupporter. En ook niet dat Union de kleuren van de Oekraïense vlag voert, voor zover dat relevant zou zijn. Mocht de concurrent om het even welke andere ploeg zijn, ja, dan natuurlijk wel. Maar het is een gevoelskwestie. Supporteren doe je met je hart. (Voetbalvijandige lezers, gelieve zich te onthouden van commentaar.) Een supporter verandert niet van kleur. In goede en in kwade dagen.

En bovendien. Weet je wat het probleem is met Union Saint-Gilloise? Nu is het nog een sympathieke ploeg, die ik echt wel de titel gun. Echt wel. Maar vanaf de eerste dag na het seizoen start daar de door het grootkapitaal georganiseerde uitverkoop. Wat zeg ik, dat is nu al bezig. Een Britse investeringsgroep is al neergestreken in Sint-Gillis, gieren die geld ruiken. De beste spelers zullen worden weggekocht. Wat zal het nog betekenen: de loyaliteit, de clubliefde, de trouw aan het Stade Joseph Marien met zijn art-decogevel!

Neen, ik waag een voorspelling. Volgend seizoen vecht Union, regerend kampioen of niet, opnieuw tegen de degradatie en blijkt het seizoen 2021-2022 een uitschieter te zijn geweest. De geldstroom keert terug naar zijn gewone bedding. Spelers komen en gaan te snel om al die exotische namen te onthouden en de traditie is iets wat zich steeds verder in het verleden terugtrekt.

Union kan dus maar beter geen kampioen spelen en sympathiek blijven in het Dudenpark.

 



 

6457

220313

 

dinsdag 10 mei 2022

ingeprent 13

Foto: Isopix

Bekijk deze man. Kent u hem? Hérkent u hem? Neen? Kijk naar de kleuren van die cravatte. Weet u waarvoor die kleuren staan?

Hij ziet er niet gelukkig uit, deze man. Vermoeid. Hij zorgt niet goed voor zichzelf – om het eufemistisch uit te drukken. Heeft allicht tegenslagen te verwerken gehad.

De foto stond op 29 april in de krant. En ze is diezelfde dag gemaakt. Toen moest Boris Becker – jawel – in Londen voor de rechter verschijnen wegens faillissementsfraude. Wat dat precies inhoudt, en wat daar allemaal aan is voorafgegaan (minstens een faillissement, lijkt me), weet ik niet. Ik ben niet zo goed in paperassen. Als ik ooit voor faillissementsfraude word veroordeeld, zal ik minstens de verzachtende omstandigheid kunnen inroepen dat ik het zelf nooit zal hebben beseft. Wat ik wel weet is dat deze man veroordeeld werd tot 2,5 jaar effectief. Ja, in de stad waar Boem-Boem-Becker drie keer het tornooi van Wimbledon won.

Vandaar natuurlijk dat paars-groen: de tornooikleuren van Wimbledon.



notitie 181

(220508)

TROOST

Natuurlijk is het een ingestudeerd nummertje. Natuurlijk hebben de ouders van Samuel Paty zich voor zijn kar laten spannen. Natuurlijk maakt Emanuel Macron hier op perfide wijze misbruik van hun verdriet. Natuurlijk…

Hoewel, natuurlijk? Wat moet ik daarvan denken, dat dat allemaal zo vanzelfsprekend is? En hoe moet ik mij daarbij voelen?

450 genodigden mochten de eedaflegging van de herverkozen president bijwonen. De ouders van de leerkracht die het gewaagd had om over de Mohammedcartoons te onderwijzen en daarom vermoord was, stonden vooraan in het rijtje dat Macron afging om de felicitaties voor zijn herverkiezing in ontvangst te nemen. Bij mevrouw en mijnheer Paty hield hij veel langer halt dan het protocol voorschreef. Meer nog, hij omhelsde en kuste hen overvloedig. De twee lieten het zich welgevallen. Het deed hun zichtbaar deugd.

Ik moet eerlijk zeggen dat het me ontroerde. (Zie hier) Maar waarom schrijf ik daar meteen het woord ‘eerlijk’ bij? Waarom moet ik mezelf corrigeren, censureren, in de gaten houden? Waarom voel ik me meteen dom als ik zeg dat die langdurige omhelzing, dat gebaar van troost, mij ontroert? Waarom denk ik meteen dat het gebaar van de president niet oprecht is? Dat de ouders zich laten misbruiken? Is het dan niet mogelijk dat het gebaar wél oprecht zou zijn?

Een van de wrede aspecten van deze ongelukkige tijd is dat op den duur niets nog oprecht en eerlijk kan zijn. Achter elk gemediatiseerd optreden loert een strategie. Alles is geregisseerd. Spontaniteit en oprechtheid zijn onmogelijk geworden.

Had Macron die ouders dan niet moeten uitnodigen? Had hij ze niet op de eerste rij moeten laten plaatsnemen? Had hij ze niet op een bijzondere wijze mogen begroeten? Had hij meteen de berekening moeten maken wat er zwaarder zou doorwegen: zijn intentie om die mensen te troosten, zijn intentie om een statement te maken, zijn intentie om te scoren in de publieke opinie? Moest hij een afweging maken: misschien zou zijn optreden meteen worden geïnterpreteerd als een doorzichtig manoeuvre, en misschien zou het hem meer schaden dan baten?

Ik word daar zo moe van. En dan zeg ik tot mezelf: op zich ontroert het gebaar me; op zich is het goed; op zich draagt het minstens een element van goedheid in zich. En dan wil ik niets horen van berekening en opportunisme. Dan interesseert het me ook niet of Macron een gezant is van het kapitaal, een neoliberaal, een paljas in dienst van de grote bedrijven die geen cent geeft om het lot van de kleine man. Dan zeg ik: het is ook voor mijn eigen zielenheil nodig dat ik in dit soort gebaren blijf geloven. 

 


 

6456

Loppem - 220313

 

maandag 9 mei 2022

Jon McGregor, Het woord voor rood

notitie 180

(220508)

ZONDER WOORDEN

Ik zou nu toch stilaan beter moeten weten en me niet mogen laten misleiden door jubelende quotes op het buitenwerk. ‘Een schitterende roman, die een kamer vol prijzen verdient,’ gilt Hilary Mantel. ‘Een adembenemende roman van een van de beste schrijvers van dit moment,’ galmt The Guardian. Eigenlijk zijn dergelijke quotes vaak een tegenindicatie, zou je op den duur geneigd zijn te denken. Hoe luider de loftrompet schalt, hoe meer de aangeboden bellettrie ondersteuning nodig heeft, blijkbaar.

Maar goed, een schrijver heeft toch ook zijn reputatie. En van die Jon McGregor las ik met grote waardering Reservoir 13– zie wat ik daar hier over schreef.

Het woord voor rood heette oorspronkelijk Lean Fall Stand. Die woorden verwijzen naar de drie delen van het boek: ‘Hellen’, ‘Vallen’, ‘Opstaan’. Het ‘verhaal’ is heel eenvoudig. Robert Wright is een ervaren gids voor expedities op Antarctica. Het groepje dat hij begeleidt wordt overvallen door een plots opduikende, zeer hevige storm. De tol is zwaar. Ook Robert zelf komt er niet onbeschadigd uit: hij is zijn spraakvermogen kwijt. Bovendien rijst de vraag of hij als begeleider niet verantwoordelijk is voor de dood van een van de expeditieleden.

McGregor kan twee kanten op. Ofwel lost hij die verantwoordelijkheidskwestie op, ofwel die afasie. Allebei is ook mogelijk, natuurlijk.

Wat er met de eerste kwestie gebeurt, laat ik hier in het midden. Het woord voor rood focust vooral op de sprakeloosheidskwestie. Uiteraard moest ik hierbij aan Sprakeloos van Tom Lanoye denken. In de vergelijking trekt die wat mij betreft aan het langste eind. En wel om twee redenen.

De eerste reden is dat de twee stukken waarin Het woord voor rood uiteenvalt – de gebeurtenissen op Antarctica enerzijds en anderzijds het thema afasie – niet naadloos aan elkaar worden gelast. De metaforische vergelijkbaarheid tussen sneeuwwoestijn en onbeschreven blad (disfunctionele taal) is onvoldoende om van de protagonist een poolreiziger te maken. Hij had net zo goed een bouwvakker of wielrenner kunnen zijn. (Overigens herinner ik mij ijzige omstandigheden die veel overtuigender beschreven werden, bijvoorbeeld in De Toverberg van Thomas Mann of in De verschrikkingen van het ijs en de duisternis van Christoph Ransmayr.)

Maar de tweede reden is doorslaggevender. McGregor benadert zijn onderwerp met wetenschappelijke afstand. Hij heeft zich duidelijk erg goed gedocumenteerd over het verschijnsel afasie, het ziektebeeld, het verloop daarvan, de behandelingswijze. In zijn dankwoord vermeldt hij trouwens uitdrukkelijk dat hij gedurende enkele maanden ‘vaste gast’ mocht zijn in een afasie-zelfhulpgroep. En inderdaad, vaak had ik het gevoel, té vaak, dat wat ik las alleen maar de neerslag van een rechtstreekse observatie kon zijn, waardoor deze roman me net iets te documentair werd en te weinig emotioneel betrokken.

Dat geldt niet voor Sprakeloos. Tom Lanoye is in zijn afasie-roman wél betrokken, en zelfs dubbel. Het onderwerp ligt hem na aan het hart omdat de afwijking zijn moeder heeft getroffen, maar ook omdat hij zelf zo graag en goed spreekt. Dat maakt zijn roman tot een liefdevol en geëngageerd portret én zelfportret, dat niemand onberoerd kan laten.

Waar Het woord voor rood wel verdienstelijk is, al wordt dat aspect te weinig uitgewerkt, is in de impliciete stelling dat verbaal tekortschieten niet enkel in pathologische afasie een probleem is, maar eigenlijk alle, of de meeste, intermenselijke relaties kenmerkt. Woorden schieten altijd wel op de een of andere manier tekort.

 

Jon McGregor, Het woord voor rood (2021; vertaling door Manon Smits van Lean Fall Stand (2022))
Tom Lanoye, Sprakeloos
(2009)