zondag 10 mei 2020

LVO 180


 
Dirk Bellemans werd streng opgevoed en was als speelkameraad nauwelijks beschikbaar. Hij nam dus geen deel aan de stroop- en ontdekkingstochten waartoe ik wel de vrijheid kreeg of nam. Hij leerde in vaste patronen te denken, zijn kleine wereld kende geen twijfels. Hij had een, mij vreemd aandoende, kritiekloze waardering voor zijn vader, stond in bewondering voor diens technisch vernuft en handigheid. Wanneer hij, bijvoorbeeld op school, dan toch eens werd geconfronteerd met iets wat zijn bevattingsvermogen te boven ging, voelde hij zich onzeker. En dan vroeg hij 'Is dat verplicht?' Dat zinnetje is mij altijd bijgebleven – het getuigde van een wereld die uiteenviel in twee soorten werkelijkheid: het onvrije en de rest, waarmee geen rekening diende te worden gehouden.

Dirk Bellemans zou later voor een carrière als beroepsmilitair kiezen.

In intellectueel opzicht – dat woord is potsierlijk voor de zes- tot twaalfjarigen die we waren maar ik vind er geen ander – vormde Dirk Bellemans niet echt een uitdaging. Op weg naar school legde ik hem eens uit hoe ons zonnestelsel in elkaar zat en waarom de dagen aan de evenaar in de zomer korter waren dan bij ons en in de winter langer. Althans, ik probeerde hem dat naar godsvrucht en vermogen en wellicht ook met een grondig aandeel geïmproviseerd en nauwelijks wetenschappelijk te noemen inzicht uiteen te zetten. Maar de manier waarop ik zijn aandacht vatte, is mij altijd bijgebleven als een vroeg voorbeeld van het plezier dat gepaard kan gaan met het doorgeven van kennis (of van iets waarvan ik dacht dat het kennis was).

Dirk Bellemans had, zoals elk kind op die leeftijd, last van neurosen – en in die afwijking was het dat wij elkaar vonden. Hij kon zich goed inleven in het soort repetitieve en mimetische spelletjes waarmee ik graag aan de realiteit probeerde te ontkomen. Zo was er een spel dat wij speelden op de zaterdagavonden waarop onze ouders samenkwamen en waaraan ook Linda kon deelnemen. We bouwden met legoblokken en meccanolatten en lege dozen een wijk na met een heel stratenplan en alle nutsvoorzieningen die wij kenden uit de wereld van de grote mensen, die wij dan de échte wereld noemden – winkels, de bank, de brandweer, het politiebureau – en dan reden wij met speelgoedautootjes in deze imitatiewereld rond, van de ene beslommering naar de andere: boodschappen doen, naar de dokter, een kind afhalen op school. Alsof dat allemaal iets was om reikhalzend naar uit te kijken. Uiteraard ging de meeste tijd naar het opbouwen en terug afbreken van deze schaduwwereld – het spel zelf verveelde ons al vlug.



(wordt vervolgd) 
lees vanaf hier deel 1
lees hier vanaf het begin van deel 2