woensdag 13 mei 2020

LVO 182




Het contact tussen mijn ouders en de buren behelsde gedurende enkele gelukkige jaren méér dan enkel het gedeelde gebruik van onze telefoon. André Bellemans was een handige Harry en werd regelmatig ingeschakeld voor klussen die een technische vaardigheid vereisten waarover mijn moeder niet beschikte, en mijn vader nog veel minder: elektriciteit, het met tegels bekleden van de badkamerwand... Hij liet zich daarvoor betalen, wat erop wijst dat de relatie toch ook een zakelijk karakter bleef behouden. Al geldt natuurlijk de oeroude Vlaamse wijsheid Goede rekeningen, goede vrienden. Hoe dan ook, er ontstond, naast deze pragmatische verhouding, iets als een burenvriendschap. En die culmineerde in de eerste helft van de jaren zeventig in een aantal gemeenschappelijke activiteiten waarvoor vriendschap nodig is om ze op een aangename manier te kunnen voltrekken.

De burenvriendschap was opmerkelijk omdat beide koppels toch een heel andere sociologische achtergrond hadden. Heel wat onderwerpen moeten onbespreekbaar zijn geweest. Niet dat ze te heikel waren, neen, wel omdat de dingen die mijn ouders bezighielden toch min of meer buiten het bereik van de Bellemansen moeten hebben gelegen – en vice versa natuurlijk ook. Ik vermoed dat ze vooral elkaars gezelschap nodig hadden. Ze waren – in al hun eenzelvigheid – op elkaar aangewezen.

Op zaterdagavonden kwamen de twee koppels samen om te kaarten. Dat gebeurde afwisselend bij ons thuis en bij de buren. Het spel dat ze speelden, heette 'manillen'. De kaarten werden geschud. Schaffelen, zeiden de Bellemansen. Bij ons heette dat: michelen – met de ch uitgesproken zoals in de persoonsnaam Michelle. De toevalsfactor werd in dat schudden zoveel mogelijk teruggedrongen. Daarna speelden denken en slagen tellen en vooruitrekenen een grote rol. Ook het samenspel was belangrijk. Ja, de partners – de koppels speelden tegen elkaar – dienden goed op elkaar ingespeeld te zijn en moesten elkaars manier van spelen kunnen lezen. Ze konden elkaar voorzetten geven, bijvoorbeeld door met een op tafel gegooide verloren kaart aan te geven welke soort gewenst was om een volgende slag te kunnen binnenhalen, en daarop moest dan worden ingespeeld: de suggestie diende te worden begrépen. Wie hierin tekortschoot, kon zich na het spelletje aan een flinke uitbrander verwachten.

Ik vraag koekens aan en gij gaat daar niet op in. Ge komt ertens uit en ge weet dat ik er daar geen van heb!



(wordt vervolgd) 
lees vanaf hier deel 1
lees hier vanaf het begin van deel 2