maandag 17 juni 2019

graag Praag 20


190518

dag 14. Riesa (D) – Calbe (D) – 163 km

In de bakkerij/beenhouwerij (twee in één!) aan de hoofdstraat stromen de klanten toe. Ik krijg als ontbijt een stuk opgewarmd pizza-achtig gebak opgediend. Met koffie! Het kubusvormige, loodzware brood dat ik hier koop, zal nog tot thuis meegaan. Om kwart voor acht ben ik al op pad. Vandaag wil ik 150 kilometer opschieten. Het is me  nu stilaan enkel nog om de verplaatsing te doen. Gelukkig heb ik ook voor de terugreis een doel: de afspraak met Jan-Willem in Zeist nabij Utrecht. En ja, ook het sportieve treedt op de voorgrond. De afstanden die ik afleg, dag na dag, zijn respectabel – al zeg ik het zelf, wie anders zou het moeten zeggen. De omstandigheden werken mee: vlak parcours en rugwind.


Ik volg de Elbe-Fahrradweg tot het me op een bepaald ogenblik duidelijk wordt dat naar hetzelfde volgende dorp het fietspad zeven kilometer langer is dan de comfortabele en vlakke autoweg waarop op dit uur van de zaterdagvoormiddag nagenoeg niemand rijdt. Ik zal dus zelf ook niemand in de weg rijden, de keuze is snel gemaakt. Bij de middagpicknickstop in Reinharz heb ik al 75 kilometer afgelegd. Van op mijn bankje bij de kerk zie ik een boer met een span met twee paarden een lading boomstammen versjouwen.


Ik kom in een bos terecht. De geasfalteerde landweg wordt een onverharde landweg, wordt een karrespoor, wordt een bospad, wordt een streep in het opschietende gras: ik zit verkeerd! Het duurt zijn tijd eer ik opnieuw op de juiste weg naar Ochsenkopf geraak. Ik vraag het eerst aan een meneer die zijn tuinpad aan het wieden is – ja, je hoeft niet meteen naar Roundup te grijpen als je het dan toch nodig vindt elk onkruidje te elimineren – en daarna aan een passant op de fiets, die mij de tegenovergestelde richting uitstuurt. Daardoor moet ik opnieuw langs de tuinpadwieder. Gelukkig kijkt hij niet op. In Oranienbaum loop ik even binnen in de barokke kerk – ovalen grondplan, tribunes rondom, waarschijnlijk voor de vrouwen – en drink een koffie op het terras van Hotel De Gouden Fazant – maar dan in het Duits. En dan gaat het weer verder langs saaie, kaarsrechte tweevaksbanen. In … houd ik een cola- en powerbarstop. Langs Dessau en Schwarz bereik ik de rivier de Saale. Ik overdenk dat ik de hele dag aan niets heb gedacht (…) en besluit van mijn lijn af te wijken om in Calbe een hotel te zoeken.


Op het tuinterras van het Grieks restaurant-annex-hotel ben ik getuige van het alweer weinig verheffende spektakel dat een uiteenvallend gezin te bieden heeft: de vader, halveliters hijsend en duchtig rokend, beklaagt zich luidkeels bij een vriend dat hij ‘alweer’ met de kinderen opgescheept zit. Uiteraard houdt hij geen rekening met zijn naast hem zittende dochters. Zeven en vijftien schat ik hen en aangezien ze fysiek totaal niet op elkaar lijken, acht ik het niet uitgesloten dat ze elk een andere moeder hebben. Het gejeremieer blijft maar duren, tot de oudste van de twee meisjes het moment gekomen acht om haar (half)zusje bij de hand te nemen en naar binnen in het restaurant te leiden waar een orkestje aan een recital met Griekse gezangen is begonnen waar ik nog tot een eind in de avond in mijn kamer boven het restaurant van zal kunnen meegenieten. Nu begint ook het achter mij gezeten koppel – gescheurde jeansbroeken, nauwe T-shirts, tattoos à volonté – te ruziën. De vrouw barst in tranen uit, waarop haar vriend – of wat het ook moge zijn – haar probeert te troosten, waarschijnlijk omdat hij de geplande wip van vanavond de mist ziet ingaan. Geholpen door een kwartje Zoplicone ontsnap ik aan de dwingende ritmes van de sirtaki.