donderdag 1 september 2016

de zomer van 2016 – 57


Noordoost 10

13 augustus

dag 10 - Oderberg-Ueckermünde - 160 km

Ik ben blij Die Grüne Aue te verlaten: het is geen sympathiek hotel en waaraan ligt dat dan precies?

Ik fiets langs de Parsteiner See tot in Angermunde, waar ik een koffie drink met een gebakje. Ik krijg steeds sneller na het ontbijt opnieuw honger – 't is dat ik in mijn reserves aan het tasten ben, vermoed ik. Vandaag doe ik Stettin aan, het wordt dus nog een zware dag want ik zal daar pas om een uur of drie zijn en dan moet ik Polen weer uit want ik heb geen zin om daar te overnachten. Stettin heet, overigens, in het Pools Szczecin.

De ochtendrit voert mij via Passow tot in Schönow. Pools klinkende namen: de grens, waar ik nu al een paar dagen tegenaan rijd, is hier een door de geschiedenis herhaaldelijk heen en weer geschoven pennetrek op de kaart. Nu is hij in de Oder en de Neiße blijven steken. Alleen hier niet, want de voormalige Duitse Hanzestad Stettin is dus, samen met een stuk linkeroever, Sczcecin geworden. Ik denk in Schönow bij het dichtgetimmerde stationnetje een mooie picknickplaats te hebben gevonden, maar dat is buiten de bijen gerekend die nieuwsgierig zijn naar wat ik tussen mijn boterhammen leg. (Het is nochtans altijd hetzelfde: kaas met een tomaat, worst, chocolade.) Eerst komt er eentje kijken, dan zijn het er twee – en al vrij vlug sta ik daar al als een gek in coureurskloffie te springen en wild om me heen te slaan. Gekke indruk moet dat maken op de twee autobestuurders die passeren. Ik kras meteen op en onderneem een tweede picknickpoging in het volgende dorp, Blumberg. Daar luiden net de klokken, een beetje ongewoon voor een zaterdag half twaalf. Ik vraag aan het oude koppel dat buiten op het terras van zijn eenvoudige woning zit te paffen wat er aan de hand is. Het is een begrafenis. Als dat maar niet omineus wordt! Ze vullen nog mijn fles met kraantjeswater en ik neem voor altijd afscheid van deze twee mensen. Welk leven hebben zij gehad?, ik zal het nooit weten.

Onderweg, boven een van de meertjes waar ik langs rijd, jaagt een visarend. Ik realiseer me dat ik er al een paar gezien heb. In deze streek laten minder vogels zich zien. Veel spreeuwen, dat wel. En boerenzwaluwen. Gisteren zag ik vier ooievaars achter een tractor die op een omgeploegde akker mest aan het injecteren was.

Ik stop nog voor een koffie in Penkun en rijd dan in één ruk door naar Stettin. Het eerste stuk, tot aan de grens in Linken, valt mee omdat ik veel rugwind heb. Maar dan begint de miserie. De Polen leggen hun fietspaden enkel pro forma op aan de fietsers. Eigenlijk gaat het om voetpaden, die je dan bij elke kruising of oprit van een huis op en af moet – je moet al een halve cyclocrosser zijn om overeind te blijven. Neen, dit is nóg erger dan de fietspaden bij ons – en dat wil toch al wel iets zeggen. 

Het eerste wat mij na het overschrijden van de grens opvalt, is een gigantische reclame voor McDonald, gevolgd door een onafzienbare reeks verkooppunten van prullaria en rommel. Het voorgeborgte van Szczecin is – had ik het anders verwacht? – grauw, grijs, groezelig. Wat een idee eigenlijk, om deze stad als uiterste punt van deze reis te kiezen – wat had ik mij daar eigenlijk bij voorgesteld? Ik zoek en vind mijn weg naar de kathedraal. En ondertussen vloek ik maar op die verschrikkelijke fietsinfrastructuur. Bij een kraam koop ik water en een cola en een appel, die half rot blijkt te zijn. Ik wissel voor deze schatten de enkele zloti’s in die ik van thuis heb meegebracht, ze lagen al een paar jaar in het parkeermuntenvakje van mijn auto – dat moet nog zijn van de tot dusver enige keer dat ik in Polen was. 2010 of zo moet dat geweest zijn.


Zo rap mogelijk hier weg! Dat is de enige gedachte die mij beheerst. Opnieuw, nu langs de noordwestelijke uitvalsweg, diezelfde helletocht over de door een sadist ontworpen ‘fietsinfrastructuur’. Ik hoop dat mijn laptop dit overleeft... 


Het probleem is nu dat ik nog dertig kilometer moet tot aan de grensovergang nabij Dobieszczyn, en dan nog eens twintig vooraleer ik opnieuw zoiets als een bewoonde wereld aantref in Duitsland. De rit leidt nu noordwestwaarts (naar voormalig Oost-Duitsland!) en dus tegen de wind in. Het stuk in Polen loopt door een onafzienbaar naaldwoud. In Duitsland kom ik achtereenvolgens in Hintersee en Gegensee. Maar eerst fiets ik nog voorbij een museum voor DDR-relicten. Ik bezoek het niet omdat het al te laat wordt (en zal daar later spijt van krijgen). In Gegensee zie ik een paar fietsers voor een Gasthaus zitten: ze eten pizza, maar mogelijkheid om te overnachten is er niet. Het is ondertussen al half zeven. In Ahlbeck stop ik voor een avondmaal: bijzonder smaakvolle aardappelen, goulash en rode kool. In Eggesin informeer ik in een pension of er nog een kamer is, maar nadere inspectie leert dat ik in een soort van speelhol-slash-cabardouche of toch in elk geval rendez-voushuis ben terechtgekomen. Dus gaat het nog verder, en uiteindelijk vind ik, met 160 kilometer op de teller, in Ueckermünde een kamer, de laatste, in het chique Hotel am Markt. De bezetting is compleet doordat er havenfeesten zijn.

Ueckermünde ligt aan de Stettiner Haff, een binnenzee die door middel van twee of drie vaargeulen met de Oostzee is verbonden en voor het overige door landengten daarvan is gescheiden. De festiviteiten langs de kade zijn al afgelopen. Enkele Aziaten proberen er nog goedkope schoenen, tassen en riemen te verkopen. Er is ook een kraam met softijs (soft ice makes you cool) en uiteraard een worstebroodventer, de hele straat riekt ernaar. Het nog actieve kermisgedeelte, met de obligate decibels, is betalend en dus niet toegankelijk voor gewone stervelingen die daar niet per se in geïnteresseerd zijn. Het lawaai gaat wel nog tot middernacht door, inclusief een vuurwerk dat mij aan Aleppo doet denken omdat ik het door mijn hotelkamerraam, dat op een blinde muur uitgeeft, niet kan zien.

De gedachte van deze niet al te best verlopen dag, overigens, is deze: wat mis ik eigenlijk als ik geen Facebook volg, als ik niet de Vlaamse politieke actualiteit volg, als ik zo goed als niets volg behalve het traject dat ik mijzelf heb opgelegd, waarbij ik mij realiseer dat de compensatie voor deze steeds nadrukkelijker op een beproeving uitdraaiende eentonige fietsreis voornamelijk zal gelegen zijn in wat ik leer, in de terugblik erop, en in het schrijven van deze notities en de – hopelijk – belangstelling die een aantal mensen ervoor zullen opbrengen?

Wie zich wil vergewissen van de eentonigheid van zo'n fietsreis, kan de foto's bekijken die ik om de 10 kilometer maakte, zonder mij te bekommeren om het uitzicht of de inhoud.