wolkenfragmenten
uit John Williams, Butcher’s Crossing
2043
In het heldere licht van de vroege ochtend was de horizon
een strakke lijn met daarboven de blauwe, wolkeloze lucht. (49)
2044
De lucht was helder en de hemel wolkeloos. (84)
2045
Een groot deel van de voorgaande middag waren ze richting
een laaghangende wolkenbank getrokken die ver weg aan de westelijke
horizon stond, en ze waren tot in de nacht doorgegaan voordat ze water vonden. (127)
2046
Via de donkerte boven het aardoppervlak keek hij omhoog, en
volgde hij de schemerige omtrek van enkele bomen die vanuit het donker
opdoemden, en die langzamerhand beter te onderscheiden waren, tegen de
donkerblauwe, wolkeloze hemel waaraan heldere sterren twinkelden. (153)
2047
De hete, wolkeloze zon brandde op hen neer toen ze
door het dichte, sponzige gras sjokten, en door de hitte steeg er een sterke
geur op van de dode beesten, van schimmel en wildheid. (169)
2048
Maar Andrews zag het aan de blikken van Charley Hoge naar
boven, als de wolken zich verzamelden voor de regen, die Andrews en
Schneider waren gaan verwachten en waarderen. (190)
2049
De hemel was helderblauw, wolkeloos en stralend. (197)
2050
Niet getemperd door mist of wolken brandde hij op
hen neer, zodat het zweet op hun gezicht en handen meteen opdroogde. Andrews
liet zijn ogen langs de hemel glijden. Het koele blauw verzachtte de pijn die
zijn korte blik op de zon had veroorzaakt. In het zuiden was een wit wolkje
ontstaan. (199)
2051
Het wolkje dat eerder boven de bergen in het zuiden
had gestaan, strekte zich nu uit over het afgesloten eind van de vallei. De
onderkant van de wolk was vuilgrijs, en daarboven wentelden en kolkten
door de zon verlichte, witte dampen, onder invloed van een wind die hier op de
bodem van de vallei niet werd gevoeld. (203)
2052
Onder een wolkeloze lucht, koud oplichtend beneden
een hoog aan de hemel staande zon, was alles wit, zo ver hij kon zien. (224)
2053
Eens, op een heldere, wolkeloze dag waarop Charley
Hoge, Schneider en hijzelf met verblindend donkere schaduwen om het bleke
kampvuur zaten, had hij een rusteloze drang, een behoefte gevoeld om bij de
twee zwijgende vleesklompen links en rechts van hem weg te gaan. (247)
2054
Halverwege de middag brak de zon door de loodgrijze wolken,
en ging de wind liggen. (279)
2055
In vage wolkenbanken in het oosten zaten rode vegen
licht. (333)