16 mei 2014
dag 18.3
Ik besluit tot aan de Loire door
te rijden. In Saint-Florent-le-Vieil of aan de overkant, in Varades, is er vast
en zeker een camping te vinden. Denk ik. Maar eerst krijg ik nog een stevige
helling, naar La Chapelle-Saint-Florent, voor de wielen geschoven. Echt een
kuitenbijter, en dat na 120 kilometer. En nog is het niet gedaan. Wanneer ik al
het bord van Saint-Florent gepasseerd ben, moet ik nog eens naar de kleinste
versnellingen voor een helling van wel een halve kilometer lang. Ik hunker naar
de warme douche waar ik over een halfuur onder sta. Maar ik zal langer moeten
wachten. De camping die ik – inderdaad – aan de overkant van de Loire aantref, doet
me denken aan de foto’s van het pretpark in de buurt van de kerncentrale van Tsjernobyl:
totaal verlaten, afgebroken tot op de graat, overal onkruid. Gedemonteerde
waterkranen, lichtarmaturen zonder lamp, alle ruiten van het sanitair gebouw ingegooid.
Neen, hier is de laatste gast lang geleden vertrokken. Later verneem ik dat dit
oord tot diep in de nacht het rijk van blowende en luide muziek producerende
jongeren is. Gelukkig maar dat ik er m’n tent niet heb neergezet, wat ik eerst toch
even van plan was. Ook in Varades, 2 kilometer verderop, is er geen
slaapgelegenheid. En als ik op de kaart kijk, lijkt er noordwaarts de eerste
15, 20 kilometer ook niet veel te beleven. Dan maar terug naar Saint-Florent,
op de zuidelijke oever van de Loire – ik heb daar in mijn ooghoek het bord
‘Hôtel’ zien hangen. En zo kom ik in het Hôtel La Gabelle, trois étoiles.
De patron wacht me op, maakt
grapjes met een klant. Hij ziet me nauwelijks staan. Ik vraag een kleine kamer.
Hij zegt, behoorlijk brutaal: ‘U bedoelt: de goedkoopste kamer.’ Ik moet twee
keer vragen of er een garage is voor de fiets. Eindelijk helpt hij me, maar hij
is niet bijzonder toeschietelijk. Eigenlijk is hij gewoon arrogant. Na deze
koude douche, en vervolgens een warme in mijn kamer, besluit ik toch maar niet
in ’s mans ‘gastronomisch’ restaurant te blijven eten. Een pizza in een bistrot
wordt mijn deel. Hier zijn ze ook al niet bijzonder vriendelijk – en de pizza
is veel te groot en onderaan aangebrand. Ondertussen zendt Canal+ een
rugbymatch uit. Ik keer langs de kerk en het wandelpad langs de Loire,
waarboven de zon aan het ondergaan is, terug naar het hotel om aan deze
notities te werken.
Die verhouding die je als klant
met hoteluitbaters hebt, valt soms onaangenaam uit. Zij willen jou natuurlijk
zoveel mogelijk geld zien opmaken: dure kamer, liefst blijven eten (met
aperitief, flessenwater of een goeie wijn, dessert, koffie…), petit déjeuner,
etcetera. Jij wil het er zo goedkoop mogelijk van afbrengen, zeker als de prijs
van de kamer al enigszins boven je budget uitstijgt. Je moet rekenen op
vertrouwen en inschikkelijkheid, maar je weet dat de relatie commercieel is en
opportunistisch. Ik heb mij er nooit goed bij gevoeld. En als de persoon in
kwestie uitgesproken antipathiek is, dan al helemaal niet. Eigenlijk heb ik in
hotels het liefst met personeel te maken: dat werkt gewoon voor de kost en is
er niet op uit om overal een slaatje uit te slaan.