vrijdag 7 december 2018

wolken 3131-3150


wolkenfragmenten uit Gerrit Komrij, Tussen hemel en aarde

3131
Steeds onbewolkter, minder koel en droger. (19)

3132
Jezus hing in de lucht, kort nadat hij van de grond was losgekomen, en boven hem was er al attent een ringvormig gat in een wolk geslagen om hem door te laten. (22)

3133
De bui is afgedreven; / aan de gezonken horizont / trekt weg het opgestapelde, de rond- / gewelfde wolken (…) (Gerrit Komrij citeert J.H. Leopold, 25)

3134
Door wolken heen, waarachter sterren stralen // De duistre hoeven, door het land verspreid, / En langs de koude weg de lege bomen / Gaan in de mist teloor. (Gerrit Komrij citeert J.C. Bloem, 28)

3135
Harten die volstromen van het najaar, gevolgd door een natte plens eenzaamheid; de teloorgaande lege bomen; en de constellatie van hemel, herfstmaan, wolken en sterren (…) (29)

3136
Het maanlicht achter de wolken staat voor zijn duistere vermoedens. (29)

3137
Een kwatrijn was voor hem een wolkbreuk. (61)

3138
Ze maken elk nieuw hutje, elke nieuwe wolkenkrabber interessant. (86)

3139
De wolken, de dreiging, de onrust zijn zo groot dat alle kneuterigheid bijzaak wordt, een stip. (96)

3140
Nu kus ik lucht en zon en wind en wolk, / een sprietje gras, een veertje aan een tak, / maar ook de langste en de scherpste doorns, // en prikkeldraad en een gebroken glas, / opdat ik bloeden zal, mijn lieveling, / tot de hele mensheid van je zingt. (Gerrit Komrij citeert Pieter Boskma, 115)

3141
Hij is de man van wolken en weg en horizon, maar ook van sociale rechtvaardigheid. (126)

3142
(…) ruisende bomen en de witte zwanen / van wolken die daarboven staan (…) (Gerrit Komrij citeert W. Hessels, 138)

3143
Mijn pop viel neer toen de zon / zijn bronsklok luidde uit de lucht / toen de wolken e muur wit kalkten / viel de schaduw er in terug (Gerrit Komrij citeert Ingrid Jonker, 216)

3144
In branding, onder schuimrandbaren, roofdierwoesten, / Wier aanvangsbulderingen ’t wolkenleger tergen, / Wier einden ’t land met steelse rimpeling ontmergen. (Gerrit Komrij citeert Hendrik de Vries, 248)

3145
’t Is of je ontdekt dat je meet een pot verf niet alleen een tuinhek maar ook een wolkenlucht kunt schilderen. (291)

3146
Hij weet hoe kruinen waggelen en zuchten, / hji brengt de ogen tot hoog overzicht, / hij brengt het hoofd tot in de wolkenluchten, / hij brengt de oren tot het vogelnest, / hij brengt de tanden tot het vlees van vruchten. (Gerrit Komrij citeert Geert van Istendael, 317)

3147
de bomen bezemden, wild geworden, / met hun wintertakken / de wolken weg (…) (Gerrit Komrij citeert Bert Chabot, 318)

3148
Chabots poëzie is typisch wat we stadspoëzie noemen. Zelfs dat hij een meester is in bomen en wolken verandert daar niets aan. Natuurlyriek heeft het over kolibries en berken, alleen de stedeling verstaat onder natuur ‘bomen en wolken’. (319)

3149
Bomen en wolken dus, het gewortelde en het ontwortelde. Plotseling gebeurt er bij Chabot iets met de bomen of de wolken, de bomen ontwortelen en gaan aan de zwier, de wolken wortelen en hangen aan touwtjes, en als voor de stedeling bomen en wolken eens niet haalbaar zijn gaat het asfalt glimmen – er verschuift iets, het gaat vriezen of dooien, er wordt een nieuwtje aangekondigd dat nog even moet wachten en dan gebeurt het. Het geluk. (319)

3150
Door kletsmajoors, predikers en partijgangers, in wazige bewoordingen, wandelend over wolken, gekleed in een priesterhemd. (339)