vrijdag 28 februari 2020

de mosselcanon 3

Onder de titel Het land van de mosseleters verzamelden Benno Barnard en Paul de Wispelaere in 2002 57 proeven van 150 jaar Vlaamse vertelkunst. Nu er sprake is van het opstellen van een Vlaamse canon, leek het mij een goed idee de door de samenstellers geselecteerde prozafragmenten aan een lezing te onderwerpen.
 
Pieter Frans van Kerckhoven. Jaek of een arm huisgezin (48-51)

Anna ‘naderde tot by het bed harer moeder’. Haar wordt gevraagd ‘of zy iets verkregen had’. Bij het horen van die vraag ‘borst het meisje in overvloedige tranen uit en klemde zich om den hals haers vaders’. Desgevraagd ‘verhaelde’ het meisje ‘wat haer overgekomen was’.

Tot daar de aanloop. Wij kunnen opmaken dat de moeder te bed ligt en dus wellicht ziek is. Dat de verstandhouding tussen dochter en vader opperbest is. Dat het meisje niet verkregen heeft wat zij elders is gaan vragen. Laten wij luisteren naar wat Pieter Frans van Kerckhoven (1818-1857) te vertellen heeft over haar wedervaren.

Anna heeft zich naar ‘het gesticht van Openbare Milddadigheid’ begeven, waar zij ‘eene honende nieuwsgierigheid’ en ‘eene zekere soort van nydigheid’ moest ‘onderstaen’, alvorens te vernemen dat zij, gezien het feit dat zij nog maar twee weken en niet de vereiste vier jaren te Antwerpen verblijft, niet in aanmerking komt voor bijstand voor ‘hare kranke moeder’, ‘haren ouden vader’ en haar werkloze broer. Zij had dan gemerkt ‘dat een heer, welke zich daer bevond, haer eenen oogslag had toegestuerd’ – waaruit zij had gemeend te mogen opmaken dat deze heer haar wilde helpen. En inderdaad, wanneer alle andere armen zijn geholpen of onverrichter zake wandelen gestuurd, neemt deze heer Anna mee ‘in eene zykamer’. Hij laat er geen gras over groeien: al snel wordt duidelijk dat het niet zijn bedoeling is Anna ‘niet ongetroost’ te ‘laten gaen’. Maar Anna bijt van zich af en roept de man toe: ‘Gy zyt een booswicht en een schelm!’ en ‘tot de deur snellende, trok zy dezelve open en vlugtte weenend en met eene verbryzelde ziel naer huis’.

Wanneer Anna’s vader dit relaas heeft aangehoord, barst hij in woede uit: ‘Jaek heeft gelyk,’ zegt hij, ‘de menschen zyn vloekbaer!’ ‘Meerder kon de gryzaerd niet spreken; de woede scheen hem den gorgel als toe te nypen en hy liet zich magteloos op eenen stoel nederzakken.’

Den gorgel!

Beide vrouwen moeten de oude man tegenhouden, of hij zou stante pede de booswicht en schelm opzoeken om hem ‘den strot toe te wringen’. Hij kalmeert al bij al vrij snel – allicht zag hij het toch niet zo zitten – en besluit filosofisch dat hij en zijn gezin dan wel niet in weelde mogen baden, to say the least, maar: ‘wy zullen onschuldig blyven en God zal ons lyden vergelden’. Een eeuw sociale geschiedenis en katholieke disciplinering in één zin.

Wie is Jaek? Wij leren hem spoedig kennen want, kijk, daar betreedt de jongeling al de kamer. Vader, moeder en dochter waren nog ‘in die soort van bedwelming welke de groote geestonsteltenis opvolgt’. Jaek daarentegen lijkt drager van goed nieuws. Maar alvorens tot de melding ervan over te gaan, smeekt hij eerst zijn ouders hem te zegenen. Enigszins bevreemd voldoen zij aan zijn wens. Waarna Jaek een zak vol geld aan zijn vader geeft, zeggende: ‘voor lang zyt gy allen voor broods gebrek bevryd’. Hij kondigt meteen ook aan ‘binnen eenige maenden’ nog eens een gelijkaardig bedrag te zullen bezorgen.

Vader vraagt natuurlijk meteen hoe zijn zoon in godsnaam aan al dat geld is geraakt. Blijkt dat Jaek, het vruchteloze zoeken naar werk beu, zich bij het leger heeft aangemeld. Na een korte aarzeling, door de moeder verklankt met ‘eenen angstigen gil’, spreekt vader, die ‘ook soldaet geweest’ is, zijn zoon lovend en bemoedigend toe: ‘ik hoop dat u dit nieuwe leven tot nuttigheid zal verstrekken’. Waarna Jaek afscheid neemt van zijn huisgenoten en het schamele pand verlaat.