vrijdag 8 november 2019

LVO 54



Ik heb mijn vader nooit anders dan met een loep zien lezen. Hij las veel en vaak: de krant (De Standaard), tijdschriften (Newsweek en Pourquoi pas?), boeken. Meestal Frans- maar ook Nederlands- en Duitstalige boeken. Het was alsof hij met dat voortdurende lezen de dreiging van een volslagen blindheid probeerde af te wenden. Of vóór te blijven. Het was alsof hij die dreiging wilde bezweren. Wellicht had de angst om nooit meer te kunnen zien hem danig in de greep gehad? Dat zal wel, besef ik nu, en het dringt tot mij door dat ik mij als kind nooit heb gerealiseerd hoe vreemd dat allemaal was: dat mijn vader nauwelijks zag en toch altijd met zijn loep zin na zin scande, steeds zijn rechterhand van links naar rechts en weer terug naar de linkermarge over de bladzijde bewegend want hij moest met de loep in zijn hand de beweging uitvoeren die al wie goed ziet met zijn ogen uitvoert zonder zelfs maar het hoofd te bewegen. En ik besef nog maar eens hoe moedig hij moet zijn geweest om de angst te overwinnen die hem bij het vooruitzicht van die levensgevaarlijke operatie in een wurggreep moet hebben gehouden. Hoe overgeleverd. Hoe machteloos.

Franz Cornet wist mij in zijn kale woonkamer te Momignies te vertellen dat hij had vernomen dat zijn oom, mijn vader dus, had beslist om de operatie te ondergaan zonder daarvan zijn ouders op de hoogte te brengen. A l'insu de ses parents? vroeg ik hem nog. Oui, à l'insu de ses parents. Of dat nu te wijten was aan de in die tijd al danig verzuurde relaties binnen het gezin dan wel of mijn vader wilde vermijden dat zijn ouders ongerust zouden zijn of hun veto zouden stellen, wist Franz niet, maar hij was het er wel mee eens dat het een behoorlijk eenzame onderneming moet zijn geweest.

Voor kleine letters volstond de loep niet. Dan zette mijn vader ook nog eens een dubbele bril op: een dubbeldekse leesbril met buigzame benen en vier glazen waarbij het door de buitenste glazen versterkte beeld, dat door de loep al danig was uitvergroot, een derde keer werd versterkt door de glazen die zich het dichtst bij de ogen bevonden. Televisie kijken kon mijn vader dan weer zónder bril, maar hij moest daarbij vlak voor het toestel plaatsnemen, met zijn ogen op hooguit een meter van het scherm verwijderd. Het schimmenspel dat zich op dat scherm ontrolde, was voor hem blijkbaar net scherp genoeg. Alle voetbalwedstrijden die hij bekeek, moeten zich voor hem als in een mist hebben afgespeeld. (Zoals dat in die tijd regelmatig gebeurde: een zeldzame rechtstreekse uitzending van een kwart- of halve of hele finale met een Nederlandse ploeg – Ajax of Feyenoord – in de Beker der Jaarbeurssteden of de Beker der Bekerwinnaars of de Beker der Landskampioenen, met commentaar van Herman Kuiphof, waarnaar ik had uitgekeken maar die in laatste instantie werd afgelast omdat een te dichte smog het spelen onmogelijk maakte.)

Als meerdere gezinsleden hetzelfde programma wilden bekijken, wat niet zo dikwijls gebeurde, moesten de anderen hun stoel of zetel zodanig opstellen, dat ze langs mijn vader heen het scherm konden zien. Ook deze vreemde, zijdelingse, opstelling heb ik altijd als normaal ervaren. Misschien houd ik er het vermogen aan over om net naast de dingen te kijken en daar, in dat zijdelingse, hun essentie te vatten.

Het kan niet anders of zijn slechte gezichtsvermogen moet mijn vaders psyche danig hebben beïnvloed. Hoe is het om op straat passanten pas op het laatste ogenblik of helemaal niet te herkennen? Hoe is het om de lichaamstaal van omstaanders niet te kunnen decoderen? Hoe is het om van reizen te houden en van de landschappen die zich aandienen slechts vage contouren te kunnen aanschouwen, een wazige verdeling van licht- en schaduwvlakken, en van de monumenten waarvan je weet dat ze bezocht horen te worden niets anders dan de silhouetten? Achteraf – ja, zoals zo vaak achteraf – kan een groot deel van de eenkennigheid van mijn vader, van zijn solipsistische bestaan, van zijn in zichzelf opgesloten zitten door die quasi blindheid verklaard worden. En dat terwijl hij, aldus opnieuw Franz, vóór zijn oogziekte een graaggeziene lolbroek en grappenmaker was geweest, die door iedereen als sfeermaker werd verwelkomd.


(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin