maandag 4 november 2019

LVO 50



Het thema van de begrafenisplechtigheid was: ‘hout’. Het hout van de boom die wordt geplant, die wortel schiet en groeit, en die uiteindelijk wordt omgehakt. Het hout van de mijngangstutten waarvoor mijn oom verantwoordelijk was geweest. Het hout dat hij had bewerkt in zijn vrije tijd. Het hout waaruit de kist was gemaakt waarin hij nu ‘aan de grond wordt toevertrouwd’.

Oude bomen verplant je niet. Bijna een halve eeuw had nonkel Leon gewoond in het huis waar ik zelf als kind ook een paar keer was geweest. Onder het woongedeelte bevond zich de achteraan door een deur op tuinniveau en vooraan via een hellende oprit te bereiken keldergarage waar hij zijn werkbank had. In de woon- en zitkamer werden de kinderen ook buiten schooltijd onderwezen: ‘Altijd wilde vader ons iets leren,’ sprak mijn neef Remy, Leons oudste zoon, de volgelopen kerk toe. Ik herinnerde mij de boekenkast vol werken over de oorlog die hem, Leon, het voortstuderen had belet. Op de ruggen van die boeken had hij genummerde kleefbriefjes geplakt, zoals in een bibliotheek. Sommige van die kleefbriefjes waren losgekomen en niet vervangen.

Op schoolvakantiedagen moesten Remy en zijn broer Bertrand, zodra hun vader was thuisgekomen van zijn werk, zo rond een uur of half vijf, bij hem komen. Gelijk waarmee ze bezig waren, of ze nu midden in een spel verwikkeld zaten of niet: het was een heilige plicht, een niet te missen afspraak. Dan werden aan de woonkamertafel de handboeken Frans opengelegd en de oefeningen van de dag tevoren gecorrigeerd, dan werd de uitspraak bijgespijkerd. Franse les! Ook midden in de zomer, terwijl buiten op straat het gejoel van de buurtkinderen gewoon doorging.

De slaapkamer met het raam waardoorheen ik, slapeloos van heimwee tijdens de enige week dat ik daar ooit 'op vakantie' ben geweest, ’s nachts westwaarts had staan staren: die herinner ik mij ook. Dat moet in 1971 zijn geweest, of daaromtrent.

De zandige grond achter het huis was aanvankelijk onvruchtbaar, vertelde, geposteerd naast de met bloemen versierde kist van zijn vader, de oudste zoon aan de mensen in de kerk. ‘Geduldig sleepte hij op de fiets uit het naburige bosje emmer na emmer humus aan. Duizenden keren ging hij zo op en af. Vele jaren hebben wij gegeten van de groenten uit die tuin. Daar stierf ook moeder.’ Hier stokte Remy's stem. Zijn moeder, tante Cathérine, was nog maar net vijftig geworden toen ze een hartaderbreuk kreeg tijdens het oogsten van de uitbundig uitgegroeide rabarberstruik. Dat jaar konden haar nog jonge kinderen voor het eerst geen rabarberconfiture op hun boterhammen smeren.

Toen Remy terug naar zijn plaats was gegaan, legde zijn zoon, die achter hem zat en die ik die begrafenisdag voor het eerst zag, heel even een hand op de schouder van zijn vader.


(wordt vervolgd)
Lees hier LVO vanaf het begin