dinsdag 14 november 2017

de herfst van 2017 – 38


8 november 2017

46 – De vraag werd gesteld wat dan wel vooruitgang mag heten. Op de powerpoint zien we een uit de lucht genomen foto van een verbaasd omhoog starende, nooit eerder met de zogenaamde beschaving in contact gekomen Amazonewoudstam, naakte bruine mensen met een glimmend zwarte haardos. Hier is de beschaving: een laaghangende helikopter waaruit een man met een camera hangt. Het zet mij aan het denken.

© Photonews

Vooruitgang lijkt zich op drie gebieden toe te spitsen. Kennis, gezondheid en gebruiksgemak. Over de twee laatste gebieden kunnen we het snel eens zijn: dat we gezonder en langer leven, kan een vooruitgang worden genoemd. We hoeven niet te bezwijken aan een banale muggen- of slangenbeet, epidemies zijn ingedijkt, een gebroken been of een ontstoken tand is niet meer levensbedreigend. Maar daar staat dan weer tegenover dat we zodanig lang leven dat we ten prooi vallen aan ouderdomskwalen en bovendien ook onze ecologische voetafdruk aanzienlijk verzwaren. De balans evenwel is, met wat nuancering, positief. Vooruitgang is er zeker ook in het efficiënter maken van allerlei technieken: het wiel, het vuur, de beheersing van de winden, enzovoort, maken dat we ons gemakkelijker verplaatsen, dat we op grotere schaal gevarieerder voedsel produceren, dat we met een ongeziene snelheid over grote afstanden kunnen communiceren, enzovoort. Ook hier echter is er een maar: we betalen een ecologische prijs. Maar goed, misschien slagen we erin om dat verlies op een aanvaardbaar peil te houden door de ontwikkeling van nieuwe, properdere technologieën.

Maar wat met de kennis? Ook op het gebied van de kennis is er ongetwijfeld vooruitgang. Wetenschap is accumulatief en communiceerbaar. Eens iets is ontdekt of afgeleid, vergeten we het niet. Misschien wel als individu, maar niet als soort. We geven het door, de kennis wordt steeds uitgebreid, de mens legt een onuitputtelijke nieuwsgierigheid aan de dag. We passen de kennis toe om langer en gemakkelijker te leven. Maar hier zijn er twee maren en ik weet niet of deze de balans niet naar negatief doen omslaan.

De eerste maar is dat zowat alle kennis, of toch zeker de meeste, ontstaat in een zoektocht naar efficiëntere manieren om elkaar de kop in te slaan. Oorlog is de krachtigste aandrijfmotor voor de wetenschap. Talloos zijn de militaire toepassingen van zeer veel onderzoek. Ik wil de wetenschappers niet de kost geven die met de beste bedoelingen hun domein exploreren zonder te beseffen of er zich voldoende rekenschap van te geven dat hun inspanningen uiteindelijk op het slagveld zullen worden toegepast. Fundamenteel en waardenvrij blijken in de wetenschap al te vaak ideale eigenschappen.

De tweede maar is de vraag of een mens van al dat weten gelukkiger wordt. En dan denk ik weer aan die Amazonestam. Die mensen weten, op onze kennisschaal gemeten, nagenoeg niets. Maar maakt hen dat ongelukkig? We zullen het nooit weten want zodra we het hun vragen, verstoren we onherroepelijk hun wereld. Toch kan de vraag worden gesteld, of de vaststelling gemaakt, dat veel weten, om niet te zeggen álle weten, uiteindelijk tot de zekerheid leidt dat we eigenlijk niets weten, en tot de vraag of het leven niet lichter zou geweest zijn indien we de onwetendheid zouden bewaard hebben die we ooit, allemaal, gedurende een korte tijd als kind hebben gekend.